|
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 juli 2006, nr. BWL/2006282070,
houdende Regeling beoordeling reinigbaarheid van grond
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op artikel 28a van de Wet
bodembescherming en artikel 2, onderdeel f, juncto artikel 1,
onder 24, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
§ 1. Definities
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. aanvraag: een aanvraag van een verklaring;
b. bijlage 1, 2, 3, en 4: de bij deze regeling behorende bijlage
1, 2, 3 onderscheidenlijk 4;
c. BRL SIKB 7500: certificatierichtlijn die is aangewezen bij
categorie 5 in bijlage C behorende bij de Regeling bodemkwaliteit;
d. Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer;
e. SIKB-protocol 7510: onderdeel SIKB-protocol 7510 dat is
aangewezen bij categorie 5 in bijlage C behorende bij de Regeling
bodemkwaliteit;
f. verklaring: een verklaring als bedoeld in artikel 2 onder f
van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;
g. SIKB-protocol 1001: onderdeel SIKB-protocol 1001 dat is
aangewezen bij categorie 9 in bijlage C behorende bij de Regeling
bodemkwaliteit.
Artikel 2
1.In deze regeling wordt verstaan onder grond: grond als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
2.Onder grond wordt mede verstaan grond die voor ten hoogste 50%
(gewichtsprocenten) is vermengd met ander materiaal dan grond, al dan
niet met een korrelgrootte van meer dan 2 millimeter.
§ 2. Waarden
Artikel 3
Als samenstellingswaarden voor schone grond worden aangemerkt de in
tabel 1 van bijlage B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit opgenomen
achtergrondwaarden.
Artikel 4
Met normen, richtlijnen, protocollen of accreditatieprogramma’s als
bedoeld in deze regeling worden gelijkgesteld normen, richtlijnen,
protocollen of accreditatieprogramma’s die zijn vastgesteld in een
andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een
lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend
of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau
dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Artikel 5
Als samenstellingswaarden voor herbruikbare grond worden aangemerkt
de in tabel 1 van bijlage B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit
opgenomen maximale waarden bodemfunctieklassen industrie.
Artikel 6
Als interventiewaarden worden aangemerkt de in tabel 1 van bijlage 1
bij de Circulaire bodemsanering 2009 voor grond opgenomen
interventiewaarden bodemsanering.
Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 8
Voor de beoordeling van stoffen waarvoor geen waarden zijn
vastgesteld in deze regeling, kunnen na overleg met het Rijksinstituut
voor volksgezondheid en milieu en door tussenkomst van de inspecteur
milieuhygiëne waarden worden bepaald door de Minister.
§ 3. De beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde grond
Artikel 9
1.Grond van een verontreinigingsgehalte dat voor enige parameter
ligt boven de samenstellingswaarden voor herbruikbare grond is
reinigbaar, indien:
a. de grond kan worden gereinigd tot waarden die voldoen aan de
samenstellingswaarden voor schone grond voor alle parameters;
b. de reinigingskosten minder bedragen dan € 75,– per ton,
exclusief BTW, en
c. de hoeveelheid bij de reiniging vrijkomende te storten
reststoffen minder bedraagt dan 20% (gewichtsprocenten) van de
droge stof van de te reinigen grond.
2.Grond als bedoeld in het eerste lid is, indien wordt voldaan aan
de onderdelen b en c van dat lid, tevens reinigbaar indien de grond
kan worden gereinigd tot waarden die voldoen aan de
samenstellingswaarden voor herbruikbare grond voor alle parameters.
Artikel 10 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 11
Grond als bedoeld in de aanhef van het eerste lid van artikel 9 is
eveneens reinigbaar indien:
a. de hoeveelheid bij de reiniging vrijkomende te storten
reststoffen 20% (gewichtsprocenten) van de droge stof of meer
bedraagt van de te reinigen grond;
b. de grond kan worden gereinigd tot de waarden genoemd in
onderdeel a van het eerste lid dan wel in het tweede lid van artikel
9, en
c. de reinigingskosten minder bedragen dan € 50,- per ton,
exclusief BTW.
Artikel 12
Grond als bedoeld in de aanhef van het eerste lid van artikel 9 die
bij toepassing van de artikelen 9 en 11 niet-reinigbaar blijkt te zijn,
geldt desalniettemin als reinigbaar mits naar het oordeel van de
Minister redelijkerwijs kan worden verwacht dat die grond metterdaad kan
worden gereinigd binnen 5 jaar te rekenen met ingang van de dag dat die
grond niet-reinigbaar werd beoordeeld en tijdens die periode voldoende
opslagcapaciteit voor die grond aanwezig is.
Artikel 13
1.Ten aanzien van grond als bedoeld in de aanhef van het eerste lid
van artikel 9 geeft de Minister bij zijn besluit op basis van artikel
2, onderdeel f, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden
afvalstoffen alle reinigingstechnieken aan met de toepassing waarvan
voor de betrokken partij grond kan worden voldaan aan de criteria,
genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot met c, en het tweede lid
van artikel 9.
2.Indien geen reinigingstechniek als bedoeld in het eerste lid voor
de betrokken partij grond beschikbaar is, geeft de Minister bij zijn
besluit op basis van artikel 2, onderdeel f, van het Besluit
stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen alle reinigingstechnieken
aan met de toepassing waarvan voor de betrokken partij grond kan
worden voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 11.
3.Indien evenmin een reinigingstechniek als bedoeld in het tweede
lid voor de betrokken partij grond beschikbaar is, geeft de Minister
bij zijn besluit op basis van artikel 2, onderdeel f, van het Besluit
stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen aan of voor de betrokken
partij grond kan worden voldaan aan de criteria, genoemd in artikel
12.
4.Indien evenmin kan worden voldaan aan de criteria, genoemd in
artikel 12, geeft de Minister in een verklaring aan dat de betrokken
partij grond niet-reinigbaar is.
§ 4. De beoordeling van de reinigbaarheid van residu dat is
vrijgekomen bij de procesmatige reiniging van partijen verontreinigde
grond waaruit naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu zal
ontstaan
Artikel 14
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. procesmatige reiniging: het, met behulp van een installatie en
daarmee samenhangende voorzieningen, beheerst verwijderen van
verontreinigingen zodat nuttige toepassing of hergebruik mogelijk
wordt;
b. partij waarop de BRL SIKB 7500 van toepassing is en waaruit
naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu zal ontstaan:
partij waarop de BRL SIKB 7500 van toepassing is en waarin een of
meer van de parameters voor anorganische stoffen zijn gelegen op of
boven de tussenwaarde.
Artikel 15
Het residu van de procesmatige reiniging van een partij waarop de BRL
SIKB 7500 van toepassing is en waaruit naar verwachting niet-reinigbaar
te storten residu zal ontstaan, en die is gereinigd overeenkomstig het
bepaalde in BRL SIKB 7500 en SIKB-protocol 7510, door een persoon of
instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is
erkend, wordt aangemerkt als niet-reinigbare verontreinigde grond.
§ 5. De beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde grond
waarvan is gebleken dat zij evident niet-reinigbaar is
Artikel 16
In afwijking van de artikelen 9, 11 en 12 wordt verontreinigde grond
in elk geval aangemerkt als niet-reinigbare verontreinigde grond, indien
het betreft:
a. verpakte grondmonsters;
b. de minerale stof die resteert na de destillatie van het
mengsel van oliehoudende boorspoeling en boorgruis;
c. de minerale stof die resteert na de reiniging van
ballastbedgrind.
Hoofdstuk 2. De beoordeling van verontreinigde grond in het kader van
het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
§ 1. De aanvraag van een verklaring
Artikel 17
1.De aanvraag wordt ingediend bij SenterNovem, onderdeel Bodem+.
2.Voor het indienen van een aanvraag wordt het formulier met
toelichting gebruikt, dat verkrijgbaar is bij SenterNovem, onderdeel
Bodem+, via http://www.senternovem.nl/bodemplus/index.asp.
3.Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt waarvan een
overzicht verkrijgbaar is bij SenterNovem, onderdeel Bodem+, via
http://www.senternovem.nl/bodemplus/index.asp.
4.Voor zover § 2, § 3 of § 4 van toepassing is, voldoet de
aanvraag voorts aan het in de desbetreffende paragraaf bepaalde.
§ 2. Bepalingen met betrekking tot het onderzoek van verontreinigde
grond
Artikel 18
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. verontreinigde grond met betrekking waartoe § 3 van
toepassing is;
b. partijen met betrekking waartoe toepassing wordt gegeven aan
§ 4, en
c. verontreinigde grond waarvan is gebleken dat zij evident
niet-reinigbaar is.
Artikel 19
De aanvraag heeft betrekking op een ontgraven en in depot geplaatste
partij.
Artikel 20
1.De te beoordelen partij is niet groter dan 2.000 ton.
2.De onderverdeling van een in depot geplaatste partij in partijen
van ten hoogste 2.000 ton geschiedt overeenkomstig paragraaf 6.1.2 van
SIKB-protocol 1001, door een persoon of instelling die daartoe op
grond van het Besluit bodemkwaliteit is erkend.
Artikel 21
1.De partij wordt in depot bemonsterd, door een persoon of
instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is
erkend, overeenkomstig:
a. SIKB-protocol 1001, of;
b. het accreditatieprogramma bouwstoffenbesluit (AP04) voor de
monstername conform het schema voor de monsterneming ten behoeve
van het handhavingsprotocol schone grond.
2.Bij het gebruik van SIKB-protocol 1001 wordt bemonsterd
overeenkomstig de doelstelling keuring niet-reinigbare grond voor
verwijdering (ten behoeve van verklaring waaruit blijkt dat de grond
niet reinigbaar is), zoals opgenomen in tabel 1 van hoofdstuk 6 van
genoemd protocol.
3.Bij het gebruik van SIKB-protocol 1001 wordt ten aanzien van het
nemen van grepen de strategie 2 maal 50 grepen gevolgd, overeenkomstig
hoofdstuk 6 van genoemd protocol, met uitzondering van de paragrafen
6.2.2, 6.2.4 en 6.2.5 uit genoemd protocol.
Artikel 22
De voorbehandeling en de analyse van de monsters wordt uitgevoerd
overeenkomstig het accreditatieprogramma bouwstoffenbesluit (AP04) voor
de bewerking van monsters en het laboratoriumonderzoek, door een persoon
of instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is
erkend.
Artikel 23
1.Indien de partij wordt bemonsterd ten aanzien van asbest,
geschiedt dit overeenkomstig NEN 5707 of NEN 5897.
2.De voorbehandeling en de analyse van de monsters wordt uitgevoerd
overeenkomstig NEN 5707 of NEN 5897.
§ 3. Bepalingen met betrekking tot het onderzoek van grond waarvan
is gebleken dat zij is verontreinigd met asbest
Artikel 24
1.Deze paragraaf is van toepassing op verklaringen voor
verontreinigde grond waarvan is gebleken dat deze grond is
verontreinigd met asbest tot boven de samenstellingswaarde voor
herbruikbare grond, bedoeld in onderdeel b van artikel 5.
2.Artikel 18, aanhef en onder b en c, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 25
Voor het indelen van de te ontgraven grond in partijen worden de
richtlijnen gehanteerd die zijn opgenomen in bijlage 4.
Artikel 26
1.De partij wordt bemonsterd overeenkomstig een nader onderzoek
asbest, dan wel een depotkeuring, conform NEN 5707 of NEN 5897.
2.In geval van een onderzoek naar asbest in de bodem dient het
veldwerk te worden uitgevoerd door een persoon of instelling, die
daartoe op grond van hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit is
erkend, overeenkomstig SIKB-protocol 2018.
3.In geval van een partijkeuring naar asbest in de grond dient het
veldwerk te worden uitgevoerd door een persoon of instelling, die
daartoe op grond van hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit is
erkend, overeenkomstig SIKB-protocol 1001.
4.In geval van een onderzoek naar de chemische samenstelling van de
grond of bodem dient het veldwerk te worden uitgevoerd door een
persoon of instelling die daartoe op grond van het Besluit
bodemkwaliteit is erkend, overeenkomstig SIKB-protocol 1001 of
SIKB-protocol 2001.
Artikel 27
1. Ten aanzien van asbest worden de voorbehandeling en de analyse
van de monsters uitgevoerd overeenkomstig NEN 5707 of NEN 5897.
2. Ten aanzien van andere contaminanten worden de voorbehandeling
en de analyse van de monsters uitgevoerd overeenkomstig AS SIKB 3000
dan wel AP04.
§ 4. Bepalingen met betrekking tot de aanvraag van een verklaring
voor residu dat is vrijgekomen bij de procesmatige reiniging van
partijen verontreinigde grond waaruit naar verwachting niet-reinigbaar
te storten residu zal ontstaan
Artikel 28
1.Deze paragraaf is van toepassing op een verklaring voor residu
van de procesmatige reiniging van partijen waaruit naar verwachting
niet-reinigbaar te storten residu zal ontstaan.
2.Artikel 14 is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
Tenzij in de aanvraag anders is aangegeven, heeft de aanvraag
betrekking op de afgifte van een verklaring die zal gelden voor het
residu als bedoeld in artikel 28 dat bij de aanvrager van de verklaring
ontstaat in de periode van zes maanden nadat de verklaring is afgegeven.
Artikel 30
1.Bij de aanvraag dienen de navolgende gegevens te worden
overgelegd:
a. een bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager op het moment van
de aanvraag is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit voor
bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, onderdeel
SIKB-protocol 7510, en
b. een prognose van de hoeveelheid te produceren
niet-reinigbaar te storten residu in de eerstvolgende periode van
zes maanden.
2.Artikel 17, derde lid, is niet van toepassing.
Artikel 31
Indien de aanvrager in de periode van zes maanden voorafgaand aan de
datum van indiening van de aanvraag de beschikking heeft gehad over een
verklaring als bedoeld in deze paragraaf, wordt zijn aanvraag niet in
behandeling genomen zolang hij niet heeft voldaan aan het bepaalde in
artikel 35.
§ 5. Bepalingen met betrekking tot een verklaring voor residu dat is
vrijgekomen bij de procesmatige reiniging van partijen verontreinigde
grond waaruit naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu zal
ontstaan
Artikel 32
1.Deze paragraaf is van toepassing op degene die beschikt over een
geldige verklaring die is verleend met toepassing van § 4 van
hoofdstuk 2.
2.Indien deze paragraaf van toepassing is:
a. blijven de artikelen 9, 11 en 12 buiten toepassing met
betrekking tot het residu van de procesmatige reiniging van een
partij waaruit naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu
zal ontstaan, en
b. kan degene op wie deze paragraaf van toepassing is, voor het
residu bedoeld onder a geen aanvraag indienen op grond van § 1
tot en met 3 van hoofdstuk 2.
3.Deze paragraaf is niet langer van toepassing op degene die
schriftelijk heeft verklaard niet langer gebruik te willen maken van
deze paragraaf.
Artikel 33
Tenzij in de verklaring anders is aangegeven, is een verklaring die
met toepassing van § 4 van hoofdstuk 2 is verleend, geldig voor alle
residu dat bij de houder van de verklaring ontstaat in de periode van
zes maanden nadat de verklaring is afgegeven en dat is vrijgekomen bij
de procesmatige reiniging van partijen waaruit naar verwachting
niet-reinigbaar te storten residu zal ontstaan, en die zijn gereinigd
overeenkomstig het bepaalde in BRL SIKB 7500 en SIKB-protocol 7510, door
een persoon of instelling die daartoe op grond van het Besluit
bodemkwaliteit is erkend.
Artikel 34
Degene op wie deze paragraaf van toepassing is, houdt de navolgende
partijen verontreinigde grond gescheiden:
a. partijen waarop de BRL SIKB 7500 van toepassing is en waaruit
naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu zal ontstaan;
b. partijen waarop de BRL SIKB 7500 van toepassing is en waaruit
naar verwachting reinigbaar residu zal ontstaan;
c. partijen waarop de BRL SIKB 7500 niet van toepassing is.
Artikel 35
1.Na zes maanden na de datum van afgifte van de verklaring die met
toepassing van § 4 van hoofdstuk 2 is verleend, dienen met betrekking
tot de verstreken periode van zes maanden de volgende gegevens te
worden overgelegd aan SenterNovem, onderdeel Bodem+:
a. een overzicht met de herkomst en status van de ingekomen
partijen, waarvan het residu onder de verklaring die met
toepassing van § 4 van hoofdstuk 2 is verleend, is gestort;
b. de hoeveelheid ingenomen verontreinigde grond in tonnen
droge stof;
c. de hoeveelheid afgevoerd residu in tonnen gespecificeerd
naar verwerker.
2.Jaarlijks dient een materialenbalans over de
scheidingsinstallatie van het voorgaande boekjaar te worden overgelegd
aan SenterNovem, onderdeel Bodem+.
§ 6. De reikwijdte en geldigheid van een verklaring
Artikel 36
In de verklaring wordt aangegeven binnen welke minimum- en
maximumwaarden de beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde
grond van kracht is.
Artikel 37
1.De verklaring is niet geldig voor een partij die na afgifte van
de verklaring meer dan 10% (gewichtsprocenten) in massa groter blijkt
dan in de verklaring is aangegeven.
2.Indien de partij na afgifte van de verklaring meer dan 10%
(gewichtsprocenten) in massa groter blijkt dan in de verklaring is
aangegeven, dan wordt het meerdere aangemerkt als een afzonderlijke
partij, waarvoor een aparte verklaring moet worden aangevraagd.
§ 7. Het wijzigen en intrekken van een verklaring
Artikel 38
Een verklaring kan op verzoek van de houder van de verklaring in elk
geval worden gewijzigd:
a. indien hij de desbetreffende partij wil splitsen in
deelpartijen;
b. in geval de verklaring is gebaseerd op een in situ
beoordeling: indien de omvang of de samenstelling van de partij na
het ontgraven is gewijzigd.
Artikel 39
Een verklaring kan worden ingetrokken indien:
a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken
dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien
bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b. de omvang of de samenstelling van de partij zodanig is
gewijzigd dat een hernieuwde beoordeling noodzakelijk is;
c. gedurende ten minste twee jaren van de verklaring geen gebruik
is gemaakt.
§ 8. De beslistermijn
Artikel 40
Het besluit inzake het afgeven of wijzigen van een verklaring wordt
genomen binnen vier weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Hoofdstuk 3. De beoordeling van verontreinigde grond in het kader van
de Wet bodembescherming
Artikel 41
Op de beoordeling van verontreinigde grond in het kader van de Wet
bodembescherming zijn de artikelen 1 tot en met 13 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 42
Voor het indelen van de te ontgraven grond in partijen worden de
richtlijnen gehanteerd die zijn opgenomen in bijlage 4.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 43
Op een aanvraag die is ingediend bij de Minister voor het tijdstip
waarop deze regeling in werking is getreden en waarop op dat tijdstip
nog niet onherroepelijk is beslist, zijn de Beleidsregels verontreinigde
grond Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, zoals die
luidden ten tijde van de aanvraag, van toepassing totdat op de aanvraag
onherroepelijk is beslist.
Artikel 44
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 45
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beoordeling
reinigbaarheid grond 2006.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den
Haag, 12 juli 2006.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
Bijlage 1 [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 2A [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 2B [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 2C [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 2D [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 3 [Vervallen per 01-07-2009]
Bijlage 4, behorende bij de artikelen 25
en 42
Indelen in partijen, versie juli 2009
Om een zo doelmatig mogelijke
verwerking te realiseren is het van belang dat, indien relevant, een
partij-indeling wordt gemaakt. Een project dient u zodanig in partijen
in te delen dat elke partij (binnen bepaalde marges) redelijk homogeen
is zowel voor wat betreft grondsoort als verontreinigingen, rekening
houdend met de verwerkingsmogelijkheden. De wijze van indelen kan in
sterke mate de kosten van verwerken beïnvloeden. Hoe beter de
indeling, hoe goedkoper de verwerking. Als handleiding is het
navolgende opgesteld hetgeen tevens fungeert als aanvulling op de
toelichting formulier aanvraag verklaring verontreinigde grond.
Voor de indeling geldt dat deze niet
alleen theoretisch, maar ook praktisch uitvoerbaar moet zijn.
Voorwaarden tijdens de sanering hiervoor zijn veelal:
− milieukundige begeleiding;
− depotvorming (op of nabij
de locatie);
− en aanvullende
bemonstering.
Grote projecten
Voor grote projecten raden wij u aan om
voorafgaand aan de aanvraag over de wijze van indelen in overleg te
treden met Bodem+.
Homogene eenheden
De locatie dient u in te delen in
homogene eenheden: de partijen. Bij de indeling van partijen dient u
achtereenvolgens rekening te houden met:
1. grondsoort
2. verontreinigingsgraad:
a. categorieën;
b. zware metalen;
c. asbest;
d. overige verontreinigingen.
Daarnaast is het zinvol om rekening te
houden met gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval (de Europese lijst van
gevaarlijke afvalstoffen).
1. Indelen op grondsoort
Te onderscheiden
bodemlagen/grondsoorten geven meestal een verschil in aard en mate van
verontreiniging en daarmee ook een verschil in
verwerkingsmogelijkheden. De hoeveelheid fijne delen van de grond is
met name van belang voor het bepalen van de reinigingskosten en de
keuze van de reinigingstechnieken. Voor hergebruik is de fysische
samenstelling van de grond evenwel ook van belang.
Minder dan 20 gewichtsprocenten fijne
delen (fractie < 32 tot 63 μm)
Des te minder fijne delen de grond
bevat des te minder residu ontstaat bij natte of ‘extractieve’
reiniging. Grond met minder dan 20 gewichtsprocenten aan fijne delen
is in het algemeen nat reinigbaar. Zwak siltig, matig siltig en kleiig
zand kan daarom vrijwel altijd nat worden gereinigd. De grondsoorten
sterk siltig zand, uiterst siltig zand en sterk tot zwak zandige klei
zijn mogelijk nat reinigbaar.
Meer dan 20 gewichtsprocenten fijne
delen (fractie < 32 tot 63 μm)
Natte reiniging van grond met meer dan
20 gewichtsprocenten aan fijne delen is over het algemeen minder
doelmatig. Bij thermische reiniging is de hoeveelheid fijne delen in
mindere mate van belang; deze is wel bepalend voor de doorvoersnelheid
in de installatie en in samenhang met het vochtgehalte de
belangrijkste kostenfactor.
Bijmengingen
De aanwezigheid van puin en/of afval
kan de kosten en/of het resultaat van de reiniging beïnvloeden. In
veel gevallen verdient het daarom aanbeveling om puin en afval op de
locatie af te zeven op maximaal 32 mm. Als afzeven niet mogelijk is,
dan een indeling maken van partijen mèt en partijen zonder puin en/of
afval. Partijen met meer dan 50 gewichtsprocenten bodemvreemd
materiaal niet aanmelden.
2. Indelen op verontreinigingsgraad
a. Categorieën
Partijen grond die worden toegepast op
of in de landbodem worden volgens het Besluit bodemkwaliteit onder het
generieke kader ingedeeld in de categorieën Achtergrondwaarden
(AW2000) en Maximale Waarden voor de bodemfunctieklassen Wonen en
Industrie. Deze maximale waarden zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage
B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit. Voor een toelichting op de
normstelling en toetsingskaders voor grond en baggerspecie wordt
verwezen naar hoofdstuk 5 van de Handreiking Besluit bodemkwaliteit.
b. Zware metalen
Na de indeling op grondsoort en
categorieën is voor de verontreinigde grond een indeling nodig op
zware metaalgehalten om een beoordeling van de reinigingsmogelijkheden
mogelijk te maken. Bij deze indeling spelen de Achtergrondwaarden en
de Maximale Waarden voor de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie een
belangrijke rol.
De volgende partijen zijn te
onderscheiden:
1. gehalte aan zware metalen onder
de Achtergrondwaarden uit tabel 1 van bijlage B behorende bij de
Regeling bodemkwaliteit (vrij toepasbaar als schone grond);
2. gehalte aan zware metalen onder
de Maximale Waarden voor de bodemfunctieklasse Industrie uit tabel
1 van bijlage B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit
(herbruikbare grond).
3. gehalte aan zware metalen boven
de Maximale Waarden voor de bodemfunctieklasse Industrie uit tabel
1 van bijlage B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit (niet
herbruikbare grond).
c. Asbest
Na indeling op grondsoort en
categorieën is voor verontreinigde asbesthoudende grond een indeling
nodig op asbestgehalten om een beoordeling van de
reinigingsmogelijkheden te maken. Bij deze indeling spelen de
hergebruikswaarde (Maximale Waarde voor de bodemfunctieklasse
Industrie) voor asbesthoudende grond (100 mg/kg droge stof gewogen) en
de interventiewaarde voor asbesthoudende grond (eveneens 100 mg/kg
droge stof gewogen) een belangrijke rol. De restconcentratienorm en
interventiewaarde voor asbesthoudende grond, zijnde 100 mg/kg droge
stof, betreft een gewogen norm. Deze gewogen norm kan worden berekend
op basis van de formule: 1 × serpentijnasbestgehalte + 10 ×
amfiboolasbestgehalte.
De volgende partijen zijn te
onderscheiden:
1. gewogen gehalte asbest onder de
hergebruikswaarde c.q. de interventiewaarde;
2. gewogen gehalte asbest gelijk
aan of boven de hergebruikswaarde c.q. de interventiewaarde.
d. Overige verontreinigingen
De verwerkingskosten van thermische
reiniging nemen stapsgewijs toe voor olie, PAK/cyanide en
chloorkoolwaterstoffen (CKW’s). Daarom dient de verontreinigde grond
te worden onderscheiden (na de indeling op zware metalen) in partijen
verontreinigd met alleen olie (PAK < 50mg/kg ds., cyanide <
25mg/kg ds., CKW’s < 20mg/kg ds.), partijen met PAK > 50mg/kg
ds. en/of cyanide > 25mg/kg ds. (al dan niet met olie doch zonder
CKW’s > 20mg/kg ds.) en partijen met CKW’s > 20mg/kg ds. (al
dan niet met olie en/of PAK en/of cyanide); anders gelden voor de
gehele partij de hoogste verwerkingskosten.
Voor natte reiniging nemen de
reinigingskosten toe als de verontreinigingen meer dan een factor 5
boven de Maximale Waarden voor de bodemfunctieklasse Industrie (tabel
1 uit bijlage B behorende bij de Regeling bodemkwaliteit) liggen.
Daarom dient de verontreinigde grond te worden onderscheiden (na het
indelen op zware metalen) in grond met verontreinigingen beneden 5
maal de Maximale Waarden voor de bodemfunctieklasse Industrie en grond
met verontreinigingen boven 5 maal de Maximale Waarden voor de
bodemfunctieklasse Industrie.
|