| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet bodembescherming
(Wbb)
UITVOERINGSREGELING
LOZINGENBESLUIT BODEMBESCHERMING
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 6, 8, 14, 14a, 17
juncto artikel 8, 18, tweede lid, 21, 21a, 22 en 34 van het
Lozingenbesluit bodembescherming;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
het Lozingenbesluit:
het Lozingenbesluit bodembescherming;
zandfractie:
het gewichtspercentage minerale delen met een korrelgrootte groter
dan 50 micrometer en kleiner dan 2000 micrometer;
d60:
de korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie
een kleinere korrelgrootte bezit;
effectievekorrel korreldiameter of d10-waarde
korrelgrootte waarvoor geldt dat 60 procent van de zandfractie een
kleinere korrelgrootte bezit;
uniformiteitscoëfficiënt:
de verhouding van de d60-waarde en de d10-waarde van de
zandfractie;
ruw afvalwater:
huishoudelijk afvalwater, dat nog niet is voorbehandeld;
dagaanvoer:
het in een tijdvak van 24 aaneengesloten uren aangevoerde volume;
maximale uuraanvoer:
het maximaal aangevoerde volume over een vak van een uur;
organische vuilvracht:
de massahoeveelheid organisch vuil in water aangevoerd per
tijdseenheidberekend als het produkt van de dagaanvoer en de
BZV5-concentratie van dit water;
BZV5:
het Biochemisch Zuurstof Verbruik, zijnde de massahoeveelheid
zuurstof die door micro-organismen per liter water wordt verbruikt,
gedurende een aaneengesloten tijdvak van 5 dagen, bij 20° C;
voorbezonken afvalwater:
huishoudelijk afvalwater dat is voorbehandeld door een afscheiding
van bezinkbare en opdrijvende stoffen, stoffen zonder toevoeging van
chemicaliën, maar dat nog niet biologisch is behandeld;
verblijftijd:
de tijd gedurende welke een waterdeeltje gemiddeld in een tank
verblijft, berekend als het quotiënt van de inhoud van de tank die
kan worden benut en het aangevoerd watervolume per tijdseenheid;
hydraulischede ontwerpbelasting:
de bij de dimensionering aangehouden wateraanvoer per dag en per
eenheid van het filteroppervlak;
ontwerpbelasting:
de bij de dimensionering aangehouden belasting;
specifiek oppervlak:
het totale oppervlak van een materiaal per eenheid van volume van
het materiaal;
hydraulischede oppervlaktebelasting:
wateraanvoer per oppervlakte-eenheid van de nabezinktank;
leemgehalte:
het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte
kleiner dan 50 micrometer;
lutumgehalte:
het gewichtspercentage minerale bodemdelen met een korrelgrootte
kleiner dan 2 micrometer;
mediaan van de zandfractie (M 50):
de korrelgrootte waarvoor geldt dat 50 procent van de zandfractie
een grotere korrelgrootte en 50 procent een kleinere korrelgrootte
bezit;
bovengrond:
het bewortelde bovenste gedeelte van de bodem dat rijk is aan
organische stof;
ondergrond:
het gedeelte van de bodem, niet zijnde de bovengrond;
infiltratieklasse:
de indeling van de grond naar doorlatendheid;
zijwand oppervlak:
het wandoppervlak van een zakput gerekend vanaf de onderzijde tot
aan de hoogte van de aanvoerleiding van het huishoudelijk afvalwater;
horizontaal filteroppervlak:
de oppervlakte van het horizontale grensvlak gelegen tussen bodem
en grindpakket bij een infiltratievoorziening, niet zijnde een zakput;
Hoofdstuk 2. Algemene bouwvoorschriften voor zuiveringssystemen en
infiltratievoorzieningen
Artikel 2
Het onderdeel van een zuiveringssysteem, waar het huishoudelijk
afvalwater biologisch wordt behandeld, moet zodanig zijn uitgevoerd, dat
voldoende lucht voor de instandhouding van een aëroob biologisch
zuiveringsproces kan toetreden.
Artikel 3
Filterzand moet aan de volgende eisen voldoen:
a. de uniformiteitscoëfficiënt moet kleiner of gelijk aan 4
zijn,
b. de effectieve korreldiameter moet groter of gelijk aan 0,25 mm
en kleiner of gelijk aan 0,45 mm zijn,
c. de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen,
welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 1,
en
d. het filterzand moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van
organische of toxische aard.
Artikel 4
Grof grind en fijn grind van scheidings- en deklagen moeten aan de
volgende eisen voldoen:
a. de korrelgrootteverdeling moet zijn gelegen tussen de grenzen,
welke zijn aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage 1,
en
b. het grind moet vrij zijn van verontreinigende stoffen van
organische of toxische aard.
Artikel 5
1. Vrij verval-leidingen moeten een inwendige diameter hebben van
ten minste 100 mm.
2. Persleidingen moeten een inwendige diameter hebben van ten
minste 40 mm.
3. Leidingen moeten bij vrij verval onder een verhang van ten
minste 1:500 zijn gelegen.
Artikel 6
1. Indien mechanische voorzieningen zoals pompen en motoren zijn
aangebracht, moeten deze zijn voorzien van 4 of 5-tallige
bedrijfsurentellers.
2. Bedrijfsstoringen van mechanische voorzieningen als bedoeld in
het eerste lid, moeten, door optische of akoestische signalen, van
buitenaf duidelijk waarneembaar zijn.
Artikel 7
Bij de aanleg van of werkzaamheden ter plaatse van een
infiltratievoorziening mag de structuur van de bodem niet zodanig worden
verstoord dat de doorlatendheid van de bodem in horizontale of verticale
richting wordt veranderd.
Hoofdstuk 3. Algemene dimensioneringsvoorschriften voor
zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8
Naar een zuiveringssysteem of een infiltratievoorziening mag geen
hemel- of drainagewater worden afgevoerd.
§ 3.2. Dimensionering van zuiveringssystemen
§ 3.2.1. Huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten
Artikel 9
De dimensioneringsvoorschriften, die in deze paragraaf zijn
opgenomen, gelden voor huishoudelijk afvalwater afkomstig van
woonruimten alleen, indien dit afvalwater tezamen met huishoudelijk
afvalwater afkomstig van een of meer andere lozingsbronnen op een
zuiveringssysteem als bedoeld in artikel 15 van het Lozingenbesluit
wordt aangesloten.
Artikel 10
1. Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor
huishoudelijk afvalwater, moet bij het bepalen van het aantal inwoners
per woonruimte ten minste worden aangehouden:
a. 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak
kleiner of gelijk aan 35 m2;
b. 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak
groter dan 35 m2.
Artikel 11
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk
afvalwater moet voor de aanvoer van ruw afvalwater worden aangehouden:
a. een dagaanvoer van 0,15 m3 per inwoner,
b. een maximale uuraanvoer van 1/10 van de dagaanvoer, en
c. als organische vuilvracht van het ruwe afvalwater een
BZV5-aanvoer van 50 gram O2 per inwoner per dag.
§ 3.2.2. Huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten
Artikel 12
1. De dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het
gedurende een aaneengesloten tijdvak van een jaar dagelijks
geregistreerde waterverbruik per 24 aaneengesloten uren.
2. Indien meer dan 10 procent van het geregistreerde water-verbruik
niet in de bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als
bedoeld in artikel 2 van het Lozingenbesluit, bepaalt het bevoegd
gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde
in het eerste lid, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt
uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water.
Artikel 13
1. Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor
huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet als
gemiddelde BZV5-concentratie van het ruwe afvalwater worden
aangehouden:
a. bij huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of
instellingen met een groot aandeel keukenafvalwater: ten minste
1000 mg O2 per liter;
b. in de overige gevallen: ten minste 500 mg O2 per liter.
2. Indien de werkelijke gemiddelde BZV5-concentratie ten minste 10
procent lager is dan de concentratie die in het eerste lid is
aangegeven, mag deze werkelijke gemiddelde BZV5-concentratie voor de
dimensionering worden aangehouden.
Artikel 14
Bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet de organische
vuilvracht in het ruwe afvalwater worden bepaald als het produkt van het
waterverbruik, bepaald overeenkomstig artikel 12, en de
BZV5-concentratie, bepaald overeenkomstig artikel 13.
Artikel 15
1. De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren
waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten over een tijdvak
van een jaar zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het
geregistreerde waterverbruik, bedoeld in artikel 12, en de dagwaarden
van de organische vuilvracht, bedoeld in artikel 14, dat deze waarden:
a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig
gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden over een
tijdvak van een jaar,
b. ten hoogste 73 dagen van het jaar worden overschreden,
waarbij een overschrijding niet langer dan 20 aaneengesloten dagen
mag plaatsvinden, en
c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden
met gemiddeld meer dan 50 procent, waarbij het totaal aantal dagen
van deze overschrijdingsperioden maximaal 18 dagen van het jaar
mag bedragen.
2. De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem te hanteren
waarden voor de dagaanvoer en de organische vuilvracht in het ruwe
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moeten indien daarbij
gedurende een aaneengesloten tijdvak van langer dan een maand per jaar
geen lozing in de bodem plaatsvindt, over een tijdvak van een jaar
zodanig worden vastgesteld uit de dagwaarden van het geregistreerde
waterverbruik, bedoeld in artikel 12, en de dagwaarden van de
organische vuilvracht, bedoeld in artikel 14, dat deze waarden:
a. ten minste gelijk zijn aan de som van het rekenkundig
gemiddelde en de standaardafwijking van de dagwaarden gedurende
het tijdvak dat de lozing in de bodem plaatsvindt,
b. ten hoogste op 14 dagen worden overschreden in een tijdvak
van 56 achtereenvolgende dagen, en
c. ten hoogste op 5 achtereenvolgende dagen worden overschreden
met gemiddeld meer dan 50 procent.
Artikel 16
De bij de dimensionering van een zuiveringssysteem voor huishoudelijk
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, gehanteerde waarden voor de
maximale uuraanvoer moeten zodanig worden vastgesteld dat deze waarden:
a. redelijkerwijs niet kunnen worden overschreden en
b. ten minste 1/10 van de bij de dimensionering gehanteerde
dagaanvoer bedragen.
§ 3.2.3. Overige dimensioneringsvoorschriften voor
zuiveringssystemen
Artikel 17
Indien op één zuiveringssysteem verschillende lozingsbronnen van
huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering
van het zuiveringssysteem worden uitgegaan van de gesommeerde
dagaanvoer, maximale uuraanvoer en organische vuilvracht van het ruwe
afvalwater van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld
overeenkomstig de artikelen 10, 11, 15 en 16.
Artikel 18
Voor het bepalen van de organische vuilvracht aan BZV5 in
voorbezonken afvalwater mag de organische vuilvracht aan BZV5 van ruw
afvalwater worden verminderd met 25 procent bij toepassing van een
septic tank met een verblijftijd van ten minste 3 dagen, bij een
oxydatiebed- en een biorotorsysteem.
Artikel 19
Indien in een zuiveringssysteem recirculatie van afvalwater
plaatsvindt, moet bij de dimensionering in voldoende mate rekening
worden gehouden met de verhoogde hydraulische belasting van het
zuiveringssysteem of onderdelen hiervan.
§ 3.3. Dimensionering van infiltratievoorzieningen
§ 3.3.1. Huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten
Artikel 20
1. Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor
huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet bij het
bepalen van het aantal inwoners per woonruimte ten minste worden
aangehouden:
a. 2 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak
kleiner of gelijk aan 35 m2;
b. 4 inwoners per woonruimte, bij woonruimten met een oppervlak
groter dan 35 m2.
Artikel 21
Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor
huishoudelijk afvalwater, afkomstig van woonruimten, moet voor de
aanvoer van afvalwater worden uitgegaan van een dagaanvoer van 0,15 m3
per inwoner.
§ 3.3.2. Huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten
Artikel 22
De dimensionering van een infiltratievoorziening voor huishoudelijk
afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, moet zijn gebaseerd op het
geregistreerde waterverbruik, bepaald overeenkomstig artikel 12.
Artikel 23
Bij de dimensionering van een infiltratievoorziening voor
huishoudelijk afvalwater, niet afkomstig van woonruimten, kan voor de te
hanteren waarde van de dagaanvoer worden uitgegaan van de waarde van de
dagaanvoer als bedoeld in artikel 15.
§ 3.3.3. Overige dimensioneringsvoorschriften voor
infiltratievoorzieningen
Artikel 24
Indien op een infiltratievoorziening verschillende lozingsbronnen van
huishoudelijk afvalwater worden aangesloten, moet bij de dimensionering
van de infiltratievoorziening worden uitgegaan van de gesommeerde
dagaanvoer van de afzonderlijke lozingsbronnen, vastgesteld
overeenkomstig de artikelen 20, 21 en 23.
Hoofdstuk 4. Zuiveringssystemen voor beperkte lozingen van
huishoudelijk afvalwater in de bodem
Artikel 25
De septic tank, bedoeld in artikel 6 van het Lozingenbesluit, moet
een zodanige inhoud hebben dat:
a. ten minste 6 m3 kan worden benut bij minder dan 6
lozingseenheden;
b. ten minste 12 m3 kan worden benut bij ten minste 6 en ten
hoogste 10 lozingseenheden.
Artikel 26
1. De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn.
2. De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn:
a. 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten
hoogste 10 m3;
b. 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan
10 m3.
Artikel 27
1. De septic tank moet uit drie compartimenten bestaan, waarbij de
volumeverhouding tussen de compartimenten, van de inhoud die kan
worden benut, in de stroomrichting 2:1:1 moet bedragen.
2. Opdeling van de septic tank in afzonderlijke in serie
geschakelde tanks is toegestaan, mits het volume van één
compartiment niet over verschillende tanks is verdeeld. De
afzonderlijke tanks gelden tezamen als één septic tank.
3. Parallel-schakeling van afzonderlijke septic tanks is
toegestaan, mits iedere tank voldoet aan de voorschriften die voor een
afzonderlijke septic tank gelden.
4. De scheidingswanden tussen de compartimenten van de septic tank
moeten ten minste 20 cm boven het waterniveau uitsteken.
Artikel 28
1. De instroomopening in het eerste compartiment van de septic tank
moet zich ten minste 10 cm boven het waterniveau bevinden en vrij
kunnen afwateren. De toevoerpijp moet ten minste 5 en ten hoogste 10
cm uit de binnenwand steken.
2. De doorstroomopeningen in de scheidingswanden tussen de
compartimenten van de septic tank moeten zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. doorvoer van bodemslib en drijflagen wordt voorkomen,
b. de gezamenlijke oppervlakte van de doorstroomopeningen per
scheidingswand ten minste 100 cm2 en ten hoogste 400 cm2 bedraagt,
c. de bovenkant van de doorstroomopeningen ten minste 30 cm
onder het waterniveau ligt, en
d. de onderkant van de doorstroomopeningen ten minste hoger
ligt dan de helft van de waterhoogte gemeten vanaf de bodem van de
tank.
3. De afvoeropening van de septic tank moet zijn voorzien van een
duikschot of een T-stuk zodat afvoer van bodemslib of drijflagen wordt
voorkomen.
Artikel 29
Het slib moet eenmaal per twee jaar, of zoveel vaker als voor een
goede werking van de tank nodig is, uit de septic tank worden
verwijderd.
Hoofdstuk 5. Zuiveringssystemen voor omvangrijke lozingen van
huishoudelijk afvalwater in de bodem
§ 5.1. Voorbehandeling
Artikel 30
1. Van het huishoudelijk afvalwater afkomstig van bedrijven of
instellingen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, moet het
vethoudend keukenafvalwater voorafgaande aan de behandeling in een
septic tank als bedoeld in artikel 31, eerste lid, door een
vetafscheider worden geleid.
2. De vetafscheider moet een zodanige inhoud hebben dat de
verwerkingscapaciteit ten minste 2 liter per seconde is.
3. De vetafscheider moet zodanig zijn uitgevoerd dat doorvoer van
vetten wordt voorkomen.
Artikel 31
1. De voorbehandeling van een omvangrijke lozing van huishoudelijk
afvalwater moet plaatsvinden in een septic tank.
2. De septic tank moet zodanig zijn gedimensioneerd dat:
a. de verblijftijd van het afvalwater bij een opgehoogd in
filtratiebed-, een opgehoogd filtratiebed- of een
zandfiltersysteem ten minste 8 dagen bedraagt, en de inhoud, die
kan worden benut, ten minste 6 m3 bedraagt;
b. de verblijftijd van het afvalwater bij een oxydatiebed- of
een biorotorsysteem ten minste 3 dagen bedraagt, en de inhoud, die
kan worden benut, ten minste 4 m3 bedraagt.
Artikel 32
1. De waterhoogte in de septic tank moet ten minste 1,2 meter zijn.
2. De waterhoogte in de septic tank mag ten hoogste zijn:
a. 2,2 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten
hoogste 10 m3;
b. 2,5 meter bij een inhoud die kan worden benut van meer dan
10 en minder dan 50 m3;
c. 3 meter bij een inhoud die kan worden benut van ten minste
50 m3.
Artikel 33
De artikelen 27, 28 en 29 zijn van toepassing.
§ 5.2. Biologische behandeling
§ 5.2.1. Algemeen
Artikel 34
De biologische behandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk
afvalwater moet plaatsvinden:
a. bij een opgehoogd infiltratiebedsysteem: in het opgehoogd
infiltratiebed;
b. bij een opgehoogd filtratiebedsysteem: in het opgehoogd
filtratiebed;
c. bij een zandfiltersysteem: in het zandfilter;
d. bij een oxydatiebedsysteem: in het oxydatiebed;
e. bij een biorotorsysteem: in de biorotor.
§ 5.2.2. Het opgehoogd infiltratiebed
Artikel 35
1. De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd
infiltratiebed met voorbezonken afvalwater is ten hoogste de waarde
als bedoeld in de artikelen 65 en 66.
2. De onderzijde van het filterzandpakket moet boven de gemiddeld
hoogste grondwaterstand zijn gelegen en mag niet meer dan 20 cm onder
het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen.
Artikel 36
1. De aanvoerdrainleidingen, minimaal twee stuks, gelegen boven het
filterzandpakket, moeten zijn omgeven met een laag grof grind, zodanig
dat zowel aan de boven- als aan de onderzijde van de leidingen een
laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
2. Het aanvoersysteem moet zodanig zijn uitgevoerd dat het
aangevoerde afvalwater gelijkmatig over het filteroppervlak kan worden
verspreid.
3. De onderlinge afstand tussen de aanvoerdrainleidingen moet ten
minste 1 meter bedragen.
4. De lengte van de aanvoerdrainleidingen mag ten hoogste 30 meter
zijn.
5. De benedenstroomse uiteinden van de aanvoerdrainleidingen moeten
zijn afgesloten. Het achtervlak moet aan de bovenzijde voorzien zijn
van een ontluchtingsgat met een diameter van 1 cm.
Artikel 37
1. Het filterzandpakket moet ten minste 60 cm hoog zijn.
2. Het filterzandpakket en het aanvoersysteem moeten zijn afgedekt
met een grondlaag van ten minste 50 cm.
3. Tussen de grondlaag en de grindlaag van het aanvoersysteem moet
een scheidingslaag zijn aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is, en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
§ 5.2.3. Het opgehoogd filtratiebed
Artikel 38
1. De hydraulische ontwerpbelasting van een opgehoogd filtratiebed
met voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,03 m3per m2
filteroppervlak per dag zijn.
2. De onderzijde van de afvoerdrainleidingen:
a. moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn
gelegen, en
b. mag niet meer dan 50 cm onder het niveau van het
oorspronkelijk bodemoppervlak zijn gelegen.
Artikel 39
De artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
Artikel 40
1. De afvoerdrainleidingen onder het filterzandpakket moeten recht
onder de aanvoerdrainleidingen zijn gelegen, op een vloeistofdichte
laag, onder een verhang van 1:500.
2. Het aantal afvoerdrainleidingen moet gelijk zijn aan het aantal
aanvoerdrainleidingen.
3. De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof
grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een
laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
4. De bovenstroomse uiteinden van de afvoerdrainleidingen moeten
zijn voorzien van ontluchtingspijpen.
Artikel 41
1. Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het
afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10
cm zijn aangebracht.
2. Het filterzandpakket en de aan- en afvoerstelsels moeten aan de
onderzijde tot aan het niveau van het oorspronkelijk bodemoppervlak
door middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn
afgescheiden.
§ 5.2.4. Het zandfilter
Artikel 42
1. Een zandfilter moet uit twee filtereenheden bestaan, die
afwisselend moeten worden gebruikt. Iedere filtereenheid moet
afzonderlijk de totale dagelijkse aanvoer van afvalwater kunnen
verwerken.
2. De hydraulische ontwerpbelasting van een filtereenheid met
voorbezonken afvalwater mag ten hoogste 0,2 m3per m2 filteroppervlak
per dag zijn.
Artikel 43
Het aanvoersysteem boven het filterzandpakket moet zodanig zijn
uitgevoerd dat het water gelijkmatig over het filteroppervlak wordt
verdeeld.
Artikel 44
1. Bij meerdere afvoerdrainleidingen moet de onderlinge afstand ten
minste 1 meter bedragen.
2. De afvoerdrainleidingen moeten op een vloeistofdichte laag zijn
gelegen onder een verhang van 1:500.
3. De afvoerdrainleidingen moeten zijn omgeven met een laag grof
grind zodanig dat aan de bovenzijde van de afvoerdrainleidingen een
laag van ten minste 20 cm aanwezig is.
Artikel 45
1. Het filterzandpakket moet ten minste 90 cm hoog zijn.
2. Tussen het filterzandpakket en de laag grof grind rondom het
afvoerstelsel moet een scheidingslaag van fijn grind van ten minste 10
cm zijn aangebracht.
3. De filtereenheden en de aan- en afvoerstelsels moeten door
middel van een vloeistofdichte laag van de bodem zijn afgeschermd.
§ 5.2.5. Het oxydatiebed
Artikel 46
1. Bij een bedvulling met losse kunststof vulmaterialen met een
specifiek oppervlak van 150 tot 200 m2 per m3 bedinhoud, mag de
ontwerpbelasting van een oxydatiebed met voorbezonken afvalwater ten
hoogste 0.3 kg BZV5 per m3 bedinhoud per dag zijn.
2. Bij toepassing van andere vulmaterialen mag:
a. de ontwerpbelasting betrekking hebbend op het specifiek
oppervlak van het vulmateriaal ten hoogste 1,75 g BZV5 per m2 per
dag met voorbezonken afvalwater bedragen, en
b. de ontwerpbelasting ten hoogste 0,5 kg BZV5 per m3 bedinhoud
met voorbezonken afvalwater bedragen.
Artikel 47
1. Het vulmateriaal van een oxydatiebed moet:
a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van
micro-organismen, en
b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van
organische of toxische aard.
2. De hoogte van de laag vulmaterialen moet ten minste 1 meter
zijn.
Artikel 48
1. Het voorbezonken afvalwater moet gelijkmatig over het oppervlak
van een oxydatiebed worden verspreid.
2. De spoelwerking van het afvalwater moet zodanig zijn dat het
overschot aan biomassa op het vulmateriaal met de waterstroom kan
worden afgevoerd.
3. Het gezuiverde afvalwater moet in voldoende mate kunnen worden
gerecirculeerd over het oxydatiebed.
§ 5.2.6. De biorotor
Artikel 49
De ontwerpbelasting van een biorotor met voorbezonken afvalwater mag
ten hoogste 5 gram BZV5 per m2 dragermateriaal per dag zijn.
Artikel 50
Het dragermateriaal moet:
a. geschikt zijn voor een goede aanhechting van micro-organismen,
en
b. bij aanleg vrij zijn van verontreinigende stoffen van
organische of toxische aard.
Artikel 51
1. De rotor en het bassin waarin de rotor ronddraait, moeten
zodanig zijn uitgevoerd, dat in het bassin geen hydraulisch dode
ruimten dan wel kortsluitstromen kunnen ontstaan.
2. Het contact tussen het dragermateriaal en het afvalwater moet
zodanig zijn dat het overschot aan biomassa op het drageroppervlak met
de waterstroom kan worden afgevoerd.
3. Indien het biorotorbassin in meerdere compartimenten is
opgedeeld moet een ongehinderde doorvoer van afvalwater en overschot
aan biomassa kunnen plaatsvinden.
4. De biorotor moet zijn voorzien van een verwijderbare,
ondoorzichtige overkapping.
§ 5.3. Nabehandeling
§ 5.3.1. Algemeen
Artikel 52
De nabehandeling van omvangrijke lozingen van huishoudelijk
afvalwater moet plaatsvinden in een nabezinktank of in een
trommelfilter.
§ 5.3.2. De nabezinktank
Artikel 53
1. Een nabezinktank moet op basis van de maximale uuraanvoer
zodanig zijn gedimensioneerd dat:
a. de hydraulische oppervlaktebelasting ten hoogste 0,4 m3 per
m2 per uur bedraagt,
b. het oppervlak van de nabezinktank ten minste 0,6 m2
bedraagt,
c. de waterhoogte ten minste 1,1 meter is, en
d. de verblijftijd ten minste 3,5 uur is.
2. Indien gegevens voor de maximale uuraanvoer ontbreken moet
hiervoor 1/10 van de dagaanvoer worden aangehouden.
Artikel 54
1. Een nabezinktank moet horizontaal worden doorstroomd op een
zodanige wijze dat:
a. de aan- en afvoer van het afvalwater het bezinkingsproces
niet kunnen verstoren en
b. er geen kortsluitstromen kunnen optreden.
2. Een afvoer moet tegen overstort van drijvende stoffen zijn
beschermd door een duikschot.
Artikel 55
1. De nabezinktank moet zodanig zijn uitgevoerd dat het
afgescheiden slib uit de slibtrechter kan worden afgezogen.
2. De nabezinktank moet zijn voorzien van een pomp die het
afgescheiden slib automatisch afvoert naar het eerste compartiment van
de septic tank of naar een afzonderlijke opslag voor slib.
3. De capaciteit van de pomp moet zodanig zijn, dat de hoeveelheid
afgescheiden slib dagelijks volledig wordt afgevoerd.
§ 5.3.3. Het trommelfilter
Artikel 56
1. Een trommelfilter moet bespannen zijn met filterdoek met een
maaswijdte van ten hoogste 50 micrometer.
2. Een trommelfilter moet zijn voorzien van een automatische
spoelinrichting.
Hoofdstuk 6. Onderzoek bij lozingen van huishoudelijk afvalwater in
de bodem
§ 6.1. Onderzoek bij beperkte lozingen
Artikel 57
1. Op basis van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse
van de aan te leggen infiltratievoorziening moeten van de grondlaag
dan wel de grondlagen die in contact komen met de
infiltratievoorziening worden vastgesteld:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de
grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
2. Uit de gegevens bedoeld in het eerste lid moet worden
vastgesteld of de grondlaag dan wel de grondlagen waarmee de
infiltratievoorziening in contact zal komen gerekend moet worden tot
de bovengrond dan wel de ondergrond.
3. De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet
plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2.
4. Indien uit de bodemkundige profielbeschrijving de grens tussen
boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de indeling van
de grondlaag dan wel de grondlagen worden uitgegaan van de ondergrond.
Artikel 58
1. De gemiddeld hoogste grondwater-stand moet worden vastgesteld op
grond van een bodemkundige profielbeschrijving ter plaatse van de
aanleg van de infiltratievoorziening.
2. Indien de grondwaterstand dieper dan 5 meter beneden het
bodemoppervlak is gelegen geldt als de gemiddeld hoogste
grondwaterstand het niveau van 5 meter beneden het bodemoppervlak.
3. Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat
in afwijking van het eerste en tweede lid de gemiddeld hoogste
grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan de lozing
in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als de
gemiddeld hoogste grondwaterstand.
§ 6.2. Onderzoek bij omvangrijke lozingen
Artikel 59
1. Het aantal grondboringen moet ten minste zijn:
a. tot 25 lozingseenheden: 6 grondboringen;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 8 grondboringen;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 11 grondboringen;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 15 grondboringen.
2. De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de
infiltratievoorziening gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak
worden uitgevoerd.
Artikel 60
1. Van de grondboringen, bedoeld in artikel 59, eerste lid, moeten
ten minste worden uitgevoerd:
a. tot 25 lozingseenheden: 4 grondboringen tot 2 meter en 2
grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
b. van 25 tot 50 lozingseenheden: 6 grondboringen tot 2 meter
en 2 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
c. van 50 tot 100 lozingseenheden: 8 grondboringen tot 2 meter
en 3 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak;
d. van 100 tot en met 200 lozingseenheden: 10 grondboringen tot
2 meter en 5 grondboringen tot 6 meter beneden het bodemoppervlak.
2. Ten minste één van de grondboringen tot 6 meter beneden het
bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een
peilbuis.
3. Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het tweede lid,
kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter
beneden het bodemoppervlak is gelegen.
Artikel 61
1. Bij het aanleggen van een zakput geldt in afwijking van de
artikelen 59 en 60 het bepaalde in dit artikel.
2. Bij het aanleggen van een zakput moeten ten minste 2
grondboringen per zakput worden uitgevoerd.
3. De grondboringen moeten ter plaatse van de aanleg van de zakput
gelijkmatig verdeeld over het bodemoppervlak worden uitgevoerd.
4. De diepte van de grondboringen per zakput moet ten minste zijn:
1 grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak en 1 grondboring
tot beneden de onderzijde van de infiltratievoorziening.
5. Ten minste één grondboring tot 10 meter beneden het
bodemoppervlak moet worden gebruikt voor het plaatsen van een
peilbuis.
6. Het plaatsen van een peilbuis, als bedoeld in het vijfde lid,
kan achterwege blijven indien de grondwaterstand dieper dan 10 meter
beneden het bodemoppervlak is gelegen.
Artikel 62
1. Op grond van de gegevens uit de grondboringen als bedoeld in
artikel 59, eerste lid, dan wel artikel 61, tweede lid, moeten de
dikte en de diepte van de grondlaag dan wel de grondlagen worden
vastgesteld.
2. Van elke grondlaag moet worden bepaald:
a. het leemgehalte,
b. het lutumgehalte,
c. het organische-stofgehalte in gewichtsprocenten van de
grond, en
d. de mediaan van de zandfractie.
3. Op grond van de gegevens uit de grondboringen moet worden
vastgesteld op welke diepte de grens tussen boven- en ondergrond zich
bevindt.
4. De indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen moet
plaatsvinden met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage 2.
5. Indien op grond van de gegevens uit de grondboringen de grens
tussen boven- en ondergrond niet is vast te stellen, moet bij de
indeling van de grondlaag dan wel de grondlagen, worden uitgegaan van
de ondergrond.
Artikel 63
1. Tussen 1 februari en 1 mei moet in de peilbuis, bedoeld in
artikel 60, tweede lid, dan wel bedoeld in artikel 61, vijfde lid, ten
minste tweemaal per maand de grondwaterstand worden gemeten.
2. De gemiddeld hoogste grondwaterstand moet worden vastgesteld
door de resultaten van de metingen, bedoeld in het eerste lid, te
vergelijken met gegevens van de grondwaterstand in het tijdvak,
bedoeld in het eerste lid, van het meest nabijgelegen meetpunt dat is
opgenomen in het Archief van grondwaterstanden van TNO waarvan de
gemiddeld hoogste grondwaterstand over de voorafgaande periode bekend
is of berekend kan worden.
3. Bij de vergelijking, bedoeld in het tweede lid, moet tevens
gebruik worden gemaakt van een of meer bodemkundige
profielbeschrijvingen ter plaatse van de aanleg van de
infiltratievoorziening.
4. Indien de grondwaterstand dieper dan 6 meter, en in het geval
van een zakput, dieper dan 10 meter beneden het bodemoppervlak is
gelegen, dan geldt als de gemiddeld hoogste grondwater-stand het
niveau van 6 meter, en in het geval van een zakput het niveau van 10
meter, beneden het bodemoppervlak.
5. Het bevoegd gezag kan op daartoe strekkende aanvraag bepalen dat
in afwijking van het eerste, tweede, derde en vierde lid de gemiddeld
hoogste grondwaterstand die ter plaatse in de 5 jaar voorafgaand aan
de lozing in de bodem voor andere doeleinden is vastgesteld geldt als
de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
Hoofdstuk 7. Infiltratievoorzieningen voor beperkte en omvangrijke
lozingen van huishoudelijk afvalwater in de bodem
§ 7.1. Nadere dimensioneringsvoorschriften voor
infiltratievoorzieningen voor beperkte lozingen
Artikel 64
1. Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in artikel 57,
derde lid, moet met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage
2, de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de
grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de
infiltratievoorziening.
2. De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratie-voorziening
mag ten hoogste de waarde zijn zoals is aangegeven in de bij deze
regeling behorende bijlage 3.
3. Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met
grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen moet bij
de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden
gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de
daarbijbehorende infiltratieklassen.
§ 7.2. Nadere dimensioneringsvoorschriften voor
infiltratievoorzieningen voor omvangrijke lozingen
Artikel 65
1. Op basis van de indeling in grondlagen, bedoeld in artikel 62,
vierde lid, moet met behulp van de bij deze regeling behorende bijlage
2, de bijbehorende infiltratieklasse worden vastgesteld van de
grondlaag dan wel de grondlagen die in contact komen met de
infiltratievoorziening.
2. De hydraulische ontwerpbelasting van de infiltratievoorziening
mag ten hoogste de waarde zijn, zoals is aangegeven in de bij deze
regeling behorende bijlage 3.
3. Indien de infiltratievoorziening in contact zal komen met
grondlagen waarbij sprake is van meerdere infiltratieklassen, moet bij
de vaststelling van de hydraulische ontwerpbelasting rekening worden
gehouden met het relatieve aandeel van de grondlagen en de daarbij
behorende infiltratieklassen.
Artikel 66
1. Indien uit de grondboringen tot 6 meter beneden het
bodemoppervlak, bedoeld in artikel 60, eerste lid, dan wel uit de
grondboring tot 10 meter beneden het bodemoppervlak, bedoeld in
artikel 61, vierde lid, blijkt dat één of meer grondlagen, gelegen
in het gedeelte van de bodem beneden de onderzijde van de
infiltratievoorziening, zodanige eigenschappen bezitten dat moet
worden aangenomen dat de afvoer van het geïnfiltreerde huishoudelijk
afvalwater onvoldoende kan plaatsvinden dan wel tot een niet
toelaatbare verhoging van de grondwaterstand zal leiden, moet de
doorlatendheid van dat gedeelte van de bodem worden bepaald.
2. Indien de doorlatendheid van één of meer grondlagen gelegen in
het gedeelte van de bodem, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan
de hydraulische ontwerpbelasting, bedoeld in artikel 65, tweede lid,
moet de hydraulische ontwerpbelasting zodanig worden verkleind dat
deze in overeenstemming is met de waarde van de doorlatendheid van het
gedeelte van de bodem als bedoeld in het eerste lid.
§ 7.3. Infiltratievoorzieningen
§ 7.3.1. Het infiltratiekanaal
Artikel 67
1. Een infiltratiekanaal bestaat uit ten minste twee kanaaleenheden
die elk één drainleiding bevatten.
2. De drainleidingen moeten elk zijn omgeven met een laag grof
grind zodanig dat aan de boven- en onderzijde van de leidingen een
laag van ten minste 10 cm aanwezig is.
3. Het grindpakket en de drainleidingen moeten zijn afgedekt met
een grondlaag van ten minste 50 cm.
4. Tussen de grondlaag en de grindlaag moet een scheidingslaag
worden aangebracht, die:
a. water- en luchtdoorlatend is en
b. transport van vaste deeltjes voorkomt.
5. De benedenstroomse uiteinden van de drainleidingen moeten:
a. voorzien zijn van ontluchtingspijpen bij aanvoer onder vrij
verval, dan wel
b. afgesloten zijn bij aanvoer onder druk, waarbij het
achtervlak aan de bovenzijde is voorzien van een ontluchtingsgat
met een diameter van 1 cm.
Artikel 68
Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak
wordt verdeeld,
b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte
hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm,
c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en
d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 2
meter bedraagt.
§ 7.3.2. Het infiltratiebed
Artikel 69
Artikel 67 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
de drainleidingen van een infiltratiebed zijn gelegen in een
aaneengesloten grindpakket.
Artikel 70
Een infiltratiekanaal moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. de aanvoer van water gelijkmatig over het infiltratieoppervlak
wordt verdeeld,
b. de drainleidingen met inbegrip van het grindpakket een breedte
hebben van ten minste 30 cm en ten hoogste 90 cm,
c. de lengte van de drainleidingen ten hoogste 30 meter is, en
d. de onderlinge afstand tussen de drainleidingen ten minste 1
meter bedraagt.
§ 7.3.3. De zakput
Artikel 71
1. Een zakput moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. deze aan de onderzijde open is, en
b. ten minste 10 procent van het wandoppervlak is voorzien van
openingen, welke regelmatig over het wandoppervlak moeten zijn
verdeeld, zodanig dat grof grind niet in de zakput terecht komt.
2. Aan de onderzijde van de zakput en aan de buitenzijde van het
wandoppervlak van de zakput moet een laag grof grind van ten minste 20
cm zijn aangebracht.
Artikel 72
De aanvoerleiding moet zodanig zijn uitgevoerd dat:
a. het effluent van een zuiveringssysteem vrij kan afwateren in
de zakput, en
b. deze ten minste 20 cm onder de bovenkant van de zakput is
gelegen.
Artikel 73
Het gebruik van meerdere zakputten is uitsluitend toegestaan indien:
a. de onderlinge afstand tussen de zakputten groter is dan
driemaal de doorsnede van de grootste zakput, en
b. iedere zakput voldoet aan de voorschriften die voor een
afzonderlijke zakput gelden.
§ 7.3.4. Het opgehoogd infiltratiebed
Artikel 74
Artikel 35, tweede lid, en de artikelen 36 en 37 zijn van toepassing.
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
Artikel 75
Een kennisgeving, als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het
Lozingenbesluit, moet worden gedaan op een formulier waarvan het model
is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.
Artikel 76
Als deskundig bedrijf bedoeld in artikel 18 van het besluit, wordt
aangewezen de keuringsinstantie die voor het uitvoeren van de keuring
gecertificeerd is door een certificeringsinstantie, daartoe
geaccrediteerd door de Raad voor accreditatie danwel door een nationale
accreditatieinstelling van een der andere lid-staten van de Europese
Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte.
Artikel 77
Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de
Uitvoeringsregeling Lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt.
1990, 123) vastgestelde besluiten op deze regeling.
Artikel 78
De Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming (Stcrt.
1990, 123) wordt ingetrokken.
Artikel 79
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop
het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1997, ...) in werking
treedt.
Artikel 80
Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling Lozingenbesluit
bodembescherming.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 1997.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
M. de Boer.
Bijlage 1. Grenswaarden korrelgrootteverdeling filterzand, fijn
grind en grof grind
[Illustratie verwijderd]
Bijlage 2. Indeling in typen bovengronden (b-nummers) en ondergronden
(0-nummers) volgens Staringreeks alsmede de indeling in
infiltratieklassen
[Illustratie verwijderd]
Bijlage 3. Hydraulische ontwerpbelasting van infiltratievoorzieningen
op basis van de infiltratieklasse, zoals vermeld in bijlage 2, alsmede
op basis van het zuiveringssysteem
[Illustratie verwijderd]
Bijlage 4. Kennisgevingsformulier Lozingenbesluit bodembescherming
Bestaande omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem
Aan: Burgemeester en wethouders van de gemeente of gedeputeerde
staten van de provincie
- Streepje is: hier invullen wat gevraagd wordt
0 Aankruisen wat van toepassing is
1. Naam: ...
Adres: ...
Postcode en woonplaats: ...
Telefoonnummer: ...
2. Geeft kennis van:
een lozing in de bodem,
een verandering van de lozingswijze
tijdstip van de wijziging: ...
3. Adres waar de lozing in de bodem plaatsvindt: ...
Postcode en gemeente: ...
Telefoonnummer: ...
Kadastrale aanduiding van het terrein waar in de bodem wordt
geloosd: ...
4. De lozing in de bodem vindt plaats bij een:
recreatiebedrijf nl. een ...
hotel, restaurant of andere horecavoorziening
kazerne
internaat
ziekenhuis
overig bedrijf/instelling nl. een ...
5. De afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het
huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering
bedraagt: ... meter
6. Het aantal lozingseenheden, berekend aan de hand van het
bepaalde in artikel 4 van het Lozingenbesluit bodembescherming
bedraagt:
meer dan 10 tot 25 lozingseenheden
25 tot 50 lozingseenheden
50 tot 100 lozingseenheden
100 tot en met 200 lozingseenheden
7. Gegevens over het zuiveringssysteem
Type zuiveringssysteem:
opgehoogd infiltratiebedsysteem;
opgehoogd filtratiebedsysteem;
zandfiltersysteem;
oxydatiebedsysteem;
biorotorsysteem.
De dagaanvoer als bedoeld in artikel 15 van de
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming bedraagt: ...
m3 per dag
De gemiddelde BZV5-concentratie van het ruwe afvalwater als
bedoeld in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit
bodembescherming bedraagt: ... mg O2 per liter.
Keuring zuiveringssysteem:
Goedgekeurd door : ...
Datum van keuring: ...
8. De gemiddeld hoogste grondwaterstand, bepaald volgens artikel
63 van de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming, ligt
op een diepte van: ... meter ten opzichte van het bodemoppervlak
9. Gegevens over de infiltratievoorziening:
De dimensionering (hydraulische ontwerpbelasting) van de
infiltratievoorziening bepaald volgens de artikelen 65 en 66 van de
Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming bedraagt: ...
m3 per m2 per dag.
Type infiltratievoorziening: ...
infiltratiekanaal;
infiltratiebed;
zakput;
opgehoogd infiltratiebed.
Het infiltratie-oppervlak van de infiltratievoorziening bedraagt:
... m2
De afstand van de onderzijde van de infiltratievoorziening tot
het bodemoppervlak bedraagt: ... meter.
Hierbij dient een rapport van het uitgevoerde onderzoek naar de
dimensionering van de infiltratievoorziening te worden overgelegd.
Bij de kennisgeving moet een plattegrondtekening worden
overgelegd van het terrein waar in de bodem wordt geloosd, waarop de
ligging van het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening is
aangegeven.
Datum: ...
Handtekening: ...
|
|
|