|
BESLUIT van 15 mei 1937 tot vaststelling van een
Algemeenen Maatregel van Bestuur als bedoeld in de artikelen 407, 412,
450d, 451d en 451i van het Wetboek van Koophandel
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van
Waterstaat van 24 Februari 1937, 1ste Afdeeling C, n°. 885, en van 25
Februari 1937, La. L.L., Afd. Vervoer- en Mijnwezen;
Den Raad van State gehoord, advies van 13 April
1937, n°. 42;
Gezien het nader gemeenschappelijk rapport van
Onze voornoemde Ministers van 7 Mei 1937, 1ste Afdeeling C, n°. 1201 en
van 11 Mei 1937, La. L., Afd. Vervoer- en Mijnwezen;
Gelet op de artikelen 407, 412, 450d,
451d en 451i van het Wetboek van Koophandel;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Met ingang van
den dag, waarop de Wet van 14 Juni 1930 (Staatsblad
n°. 240) in werking treedt, de volgende bepalingen vast te stellen:
Hoofdstuk I. Van de ambtenaren van
aanmonstering
Artikel 1 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 2 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 3 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 4 [Vervallen per 01-05-1990]
Hoofdstuk II. Van de monstering
Artikel 5 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 6 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 7 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 8 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 9 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 10 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 10bis [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 11 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 12 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 13 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 14 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 15 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 16 [Vervallen per 01-05-1990]
Hoofdstuk III
Artikel 17 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 18 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 19 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 20 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 21 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 22 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 23 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 24 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 25 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 26 [Vervallen per 01-05-1990]
Artikel 27 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 28 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 29 [Vervallen per 01-02-2002]
Hoofdstuk IV
Artikel 30 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 31 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 31a [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 32 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 33 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 34 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 35 [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 35a [Vervallen per 01-02-2002]
Hoofdstuk V. Van de voeding van de
schepelingen
Artikel 36. Verplichting van de
zeewerkgever ten aanzien van de voeding
1.De zeewerkgever is verplicht zorg te
dragen, dat vóór den aanvang van de reis voldoende voeding aan boord
is en dat deze voeding in behoorlijken staat verkeert.
2.De zeewerkgever is verplicht zorg te
dragen, dat gedurende de reis de aan boord aanwezige voeding in
behoorlijken toestand blijft en, indien dit noodig is, wordt
aangevuld.
Artikel 37. Hoeveelheid en hoedanigheid
van de voeding
1.Bij het vaststellen van de soort en
van de hoeveelheid mede te nemen voeding moet rekening gehouden worden
met het aantal leden van de bemanning, den duur der reis, met den aard
van de reis en de mogelijkheid tot aanvullen van de voorraden
gedurende de reis.
2.Zorg dient te worden gedragen voor
voldoende afwisseling in de dagelijksche voeding.
3.De voeding moet van voldoende
hoedanigheid en voedingswaarde zijn.
Artikel 37a [Vervallen per 01-02-2002]
Artikel 37b. Bereiding van maaltijden
1.Alle schepen moeten zijn uitgerust
met voldoende kooktoestellen voor het bereiden van goede maaltijden.
Op schepen met een lengte van 35 meter en meer moeten deze
kooktoestellen zijn opgesteld in een afzonderlijke kombuis.
2.De kombuis moet voldoende groot zijn.
Met betrekking tot de verwarming, verlichting en ventilatie van de
kombuis dient, voor zover toepasselijk, te worden voldaan aan het
bepaalde in de artikelen 51, 52 en 53 van dit besluit.
3.De kombuis moet zijn aangesloten op
het systeem van stromend koud en warm zoetwater.
4.De kombuis moet zijn uitgerust met
voldoende keukengerei en de nodige kasten, planken en bordenrekken en
gootstenen van roestvrij materiaal die van voldoende
afvoermogelijkheden zijn voorzien.
5.De kombuis moet zodanig zijn
ingericht dat op elk ogenblik warme dranken kunnen worden gemaakt voor
de bemanning.
Artikel 38. Afwijkende bepalingen voor
visschersvaartuigen
De in de artikelen 36, 37 en 37a genoemde
verplichtingen gelden niet voor visschersvaartuigen, tenzij de
zeewerkgever de zorg voor de voeding bij de arbeidsovereenkomst
uitdrukkelijk op zich heeft genomen.
Artikel 39. Berging van de voeding
1.De voeding moet gedurende de reis
worden geborgen in van andere ruimten behoorlijk afgesloten
bergplaatsen, zo gelegen en zonodig zodanig geventileerd en gekoeld,
dat de voeding in goede toestand blijft.
2.De in het vorige lid bedoelde
bergplaatsen moeten, alvorens daarin voedsel wordt geborgen, afdoende
zijn gereinigd, terwijl gedurende de reis zorg moet worden gedragen,
dat zij behoorlijk worden schoongehouden.
Artikel 40. Verplichting van zeewerkgever
en kapitein ten aanzien van het drinkwater
Voor de aanvang van de reis is de
zeewerkgever, en gedurende de reis is de kapitein verplicht zorg te
dragen, dat een voldoende hoeveelheid drinkwater aan boord is en dat dit
water van behoorlijke hoedanigheid is.
Artikel 41. Hoeveelheid drinkwater
1.Bij de beoordeling of de hoeveelheid
drinkwater voldoende is, moet rekening worden gehouden met het aantal
opvarenden, het aantal reisdagen en de mogelijkheid van aanvulling
gedurende de reis, zonodig door distilleren.
2.Ongeacht de bevoegdheid van de
kapitein om in noodgevallen het zoetwater te rantsoeneren, kan hij de
leiding van stromend zoetwater sluiten, indien het verbruik meer dan
30 liter per schepeling per dag bedraagt.
Artikel 42. Laden en bergen van het
drinkwater
1. Het drinkwater moet geborgen worden
in daarvoor geschikte tanks, welke zodanig moeten worden afgesloten,
dat geen vreemde bestanddelen in de tanks kunnen komen.
2. Voordat de tanks worden gevuld,
moeten zij inwendig schoon zijn.
3. Telkenmale wanneer een tank voor
onderzoek, onderhoud of anderszins is betreden, moet zij, alvorens in
gebruik te mogen worden genomen, worden gevuld met drinkwater, waarin
10 gram vrij chloor per ton moet worden gemengd. Dit water moet, nadat
het ten minste 2 uur in de tank is geweest, worden uitgepompt, waarna
de tank mag worden gevuld.
4. Tijdens het laden van drinkwater
moet daaraan per ton water worden toegevoegd een gestabiliseerd
hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 g. vrij chloor
per ton vrijkomt, dan wel een hoeveelheid gestabiliseerd hypochloriet
benevens een hoeveelheid ammoniumzout zodanig, dat minstens 2,5 g.
monochlooramine (NH2Cl) per ton ontstaat. Bedoelde toevoeging moet op
zulk een wijze geschieden, dat behoorlijke menging gewaarborgd is.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan gelijkwaardig geachte
stoffen toelaten, welke in bepaalde hoeveelheden 0,7 g. vrij chloor
per ton water opleveren.
5. Tijdens het laden van het drinkwater
moet zoveel mogelijk zorggedragen worden, dat de aanvoerslang door
middel van balkjes of van andere geschikte middelen vrij van de kade
gehouden wordt. Alvorens het uit een aanvoerslang komende water in een
drinkwatertank geleid wordt, moet het water gedurende ten minste een
minuut op de volle aanvoerdruk door de slang stromen.
Artikel 42a. Eisen, waaraan
drinkwatertanks moeten voldoen
1.Drinkwatertanks mogen niet aan
olietanks of verzameltanks voor vuil water grenzen, doch moeten
daarvan gescheiden zijn door kofferdams. Pijpleidingen, van welke aard
ook, welke niet voor het uitpompen van drinkwater zijn bestemd, mogen
niet door drinkwatertanks lopen.
2.De constructie van een drinkwatertank
moet zodanig zijn, dat zo mogelijk bij het leegpompen geen restant
daarin achter blijft.
Artikel 42b. Peilen van drinkwatertanks
1.Peilstokken of andere instrumenten,
die gebruikt worden om het restant drinkwater in tanks op te meten,
moeten steeds vóór het gebruik gereinigd zijn. Zij moeten worden
opgeborgen op een plaats, waar het gevaar van besmetting het geringst
is. Bij het gebruik van metalen roestvrije tapelines, welke worden
geborgen in een doos, waarin enkele formalinetabletten aanwezig zijn,
is het afzonderlijk reinigen niet nodig.
2.De kapitein moet er op toezien, dat
de persoon, belast met het peilen, onmiddellijk vóór hij gaat
peilen, de handen wast.
Artikel 42c. Zout- en zoetwaterkranen
1.In kombuizen en pantry’s moet bij
elke drinkwaterkraan een opschrift "drinkwater" en bij elke
zoutwaterkraan een opschrift "zoutwater" aangebracht zijn.
2.Na vertrek uit een haven moet de
zoutwaterleiding, welke voor afwas van keuken- en eetgerei dient,
buiten de driemijlsgrens geruime tijd worden doorgespoeld, voordat
deze voor afwasdoeleinden gebezigd mag worden.
Artikel 43. Toezicht
1. Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36 tot en met 42 zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Door het houden van onverwachte
inspecties overtuigen de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en
Waterstaat zich er van, dat de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften
behoorlijk worden nageleefd. Indien zij het noodzakelijk achten een
monster van de voedingsmiddelen of van het drinkwater te nemen, roepen
zij daartoe deskundige hulp in.
3. De bij besluit van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer
en Waterstaat zijn bevoegd aanbevelingen te doen met betrekking tot de
naleving van de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften.
4. Gedurende de reis houdt de kapitein
of een door hem aan te wijzen officier, vergezeld van een
verantwoordelijk lid van de civiele dienst, iedere maand een
inspectie, waarbij wordt nagegaan de toestand van de voorraad
levensmiddelen en water en waarbij tevens alle ruimten en uitrustingen
gebruikt voor de bewaring en de behandeling van levensmiddelen en
water, alsmede de kombuis en elke andere inrichting, gebruikt voor het
bereiden en het opdienen van maaltijden worden geïnspecteerd. Van de
bevindingen wordt in het scheepsdagboek melding gemaakt.
5. Indien een derde deel van de
schepelingen of een organisatie die rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid is van zeewerkgevers of zeelieden schriftelijk een
klacht indient bij Onze Minister van Verkeer en Waterstaat met
betrekking tot de deugdelijkheid of de hoeveelheid van de eet- en
drinkwaren, is deze verplicht een onderzoek in te stellen naar de
gegrondheid van de klacht. De klacht moet zo spoedig mogelijk, en
tenminste 24 uur vóór het vastgestelde tijdstip van vertrek
ingediend zijn.
Hoofdstuk VI. Van de aanwezigheid aan
boord van sterken drank voor gebruik door de bemanning
Artikel 44. Maximum hoeveelheid sterken
drank
1. Er mag voor gebruik van de bemanning
geen sterke drank aan boord worden medegenomen, boven de hoeveelheid
van 0,1 liter per reisdag voor elk lid van de bemanning.
2. Voor schepen in vaste lijndiensten
wordt het aantal reisdagen gerekend volgens de vastgestelde
afvaarttabellen. Voor alle andere schepen wordt het aantal reisdagen
door of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vastgesteld,
met dien verstande, dat dit aantal nimmer meer dan 180 dagen mag
bedragen.
Artikel 45. Omschrijving van sterken
drank
Onder sterken drank, bedoeld in artikel
44, wordt verstaan drank, die bij een temperatuur van vier graden van de
honderddeelige schaal voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol
bestaat, met uitzondering van wijn.
Hoofdstuk VII. Van de verblijven van de
schepelingen
§ 1. Algemene Bepalingen
Artikel 46. Omschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. "verblijven": de dag- en
nachtverblijven en alle ruimten voor sanitaire doeleinden,
ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de
bemanning;
b. "passagiersschip": een
schip waarvoor een "veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen" is afgegeven, nog geldig op het ogenblik van
vertrek;
c. "ton": registerton van
1/0,353 kubieke meter; waar in dit besluit de grootte van een schip
in deze eenheid wordt uitgedrukt, wordt daaronder verstaan de
bruto-inhoud van het schip als vastgesteld volgens de bepalingen
krachtens de Meetbrievenwet 1948 (Stb. I 492); indien de grootte van
een schip is vastgesteld volgens de bepalingen krachtens de
Meetbrievenwet 1981 (Stb. 122) en derhalve wordt aangegeven als
bruto-tonnage, heeft deze term dezelfde betekenis als de term
bruto-inhoud uitgedrukt in registerton;
d. "officieren": de
schepelingen, aan wie de monsterrol de rang van officier toekent;
e. "scheepsgezellen": alle
schepelingen die niet de rang van officier hebben;
f. "onderofficieren": die
scheepsgezellen, die dienst doen in een toezichthoudende functie of
in een functie met bijzondere verantwoordelijkheid en die door de
zeewerkgever als zodanig worden beschouwd.
g. "volwassene": een
persoon die ten minste 18 jaar oud is;
h. "des nachts": de tijd
tussen 23 uur en het tijdstip van zonsopgang de volgende dag;
i. "bestaande schepen":
schepen, geen vissersschepen zijnde, waarvan de kiel is gelegd of de
bouw in een overeenkomstige fase van ontwikkeling was voor de datum
van inwerkingtreding van dit besluit;
j. "vissersschepen": alle
schepen die in de uitoefening van het visserijbedrijf worden
gebruikt voor het vangen van vis of van andere levende rijkdommen
van de zee;
k. "lengte": van een
vissersschip: de lengte gemeten van de voorzijde van het bovenste
uiteinde van de voorsteven tot de achterzijde van het bovenste
uiteinde van de achtersteven. Indien geen achtersteven aanwezig is,
behoort de lengte te worden genomen tot het snijpunt van de
voorzijde van de roerkoning (of de lijn in het verlengde daarvan)
met het bovenste dek;
l. "bestaande
vissersschepen": vissersschepen waarvan de kiel is gelegd voor
12 mei 1977;
m. "sleepboot": een schip,
in hoofdzaak bestemd voor het slepen of bergen van vaartuigen, en
waarmee in de regel geen andere personen of goederen worden vervoerd
dan die, welke tot de eigen bemanning en uitrusting, of tot die van
het gesleept wordende, te slepen of te bergen object behoren, dan
wel bij het bergingswerk nodig zijn;
n. "aannemersmaterieel":
een schip dat uitsluitend bestemd is voor het verrichten van
aannemingswerkzaamheden, als hoedanig onder meer worden beschouwd
baggerwerkzaamheden, het inheien van palen, het inspuiten van
jackets en het leggen van pijpleidingen.
Artikel 47. Onttrekken aan de bestemming
Zonder toestemming van alle rechtstreeks
daarbij betrokken schepelingen mag, zolang het schip in dienst is, geen
deel van de dag- en nachtverblijven worden onttrokken aan zijn
bestemming. Slechts in gevallen van overmacht kan, ter beoordeling van
de kapitein, hiervan worden afgeweken. Deze onttrekking wordt door hem
met de redenen in het scheepsdagboek vermeld.
§ 2. Bepalingen met betrekking tot
schepen, geen vissersschepen zijnde
Artikel 48. Plaats en algemene inrichting
van de verblijven
1. Alle verblijven moeten midscheeps of
in het acherschip zijn gelegen.
2. In bijzondere gevallen kan Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, indien de in het eerste lid
voorgeschreven ligging in verband met de grootte, het type, de vaart
of de beoogde dienst van het schip, niet wenselijk of practisch
onmogelijk wordt geacht, toestaan dat verblijven in het voorschip
achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
3. Behalve op schepen van minder dan
200 ton moeten afzonderlijke dagverblijven en nachtverblijven aanwezig
zijn.
4. Er moeten afzonderlijke
dagverblijven en nachtverblijven voor officieren zijn ingericht.
5. Nachtverblijven moeten zodanig zijn
gelegen dat de vloer boven de zomerlastlijn ligt. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat kan toestaan dat aan boord van
passagiersschepen, sleepboten en aannemersmaterieel en schepen van
minder dan 500 ton, de vloer van nachtverblijven beneden die lastlijn
is gelegen, mits maatregelen zijn getroffen voor voldoende verlichting
en ventilatie; deze verblijven mogen dan niet onder dienstgangen zijn
gelegen.
6. Op alle schepen dient het
geluidniveau in de verblijven volgens een door Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat vast te stellen methode te worden bepaald en
dienen de resultaten daarvan aan deze ter beschikking te worden
gesteld.
7. In de nachtverblijven en
recreatieruimten dient een aansluiting op het centraal antennesysteem
aanwezig te zijn.
8. Voor sleepboten en
aannemersmaterieel, zomede voor andere schepen van minder dan 500 ton
kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vrijstelling verlenen van
de voorschriften vervat in het derde en vierde lid van dit artikel.
Artikel 49. Algemene eisen dag- en
nachtverblijven
1. De luiken, deuren, kappen in of op
de dag- en nachtverblijven, uitkomende in de vrije lucht, moeten
zodanig van een waterkering zijn voorzien en gesloten kunnen worden,
dat geen regen of overkomend zeewater binnen kan dringen. De plaats en
het aantal der toegangen tot de dag- en nachtverblijven moeten zo zijn
gekozen, dat de veiligheid voldoende verzekerd is. De inrichting van
de toegangen tot deze verblijven moet zo zijn, dat deze toegangen
steeds aan beide zijden gemakkelijk en vlug kunnen worden geopend en
voldoende doorgang laten.
2. De dekken, welke de dag- en
nachtverblijven boven en onder afsluiten, en de schotten, welke deze
verblijven van de buitenlucht afsluiten, moeten waterdicht zijn.
3. Een houten vloerdek moet behoorlijk
zijn gebreeuwd en gepekt. Een stalen vloerdek moet zijn bedekt met
hout of ander materiaal, dat de warmte slecht geleidt en van voldoende
dikte is. Indien de vloeren van samengesteld materiaal zijn
vervaardigd, moeten de verbindingen met de wanden naar boven zijn
afgerond. Van de verplichting tot het aanbrengen van de in dit lid
voorgeschreven bedekking van een stalen vloerdek kan Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat vrijstelling verlenen voor schepen, die
uitsluitend worden gebruikt voor reizen in de tropen of in andere
gebieden met naar zijn oordeel vergelijkbare klimaatsomstandigheden.
4. Als het stalen bovendek van een dag-
en nachtverblijf aan de buitenlucht of aan de invloed van enige
warmtebron aan boord is blootgesteld, moet het aan de bovenzijde met
hout ter dikte van ten minste 5 centimeter of met ander deugdelijk en
gelijkwaardig isolatiemateriaal zijn bekleed dan wel moet aan de
onderzijde een bekleding met even groot isolerend vermogen zijn
aangebracht. Een tevens aangebracht plafond, aansluitend tegen de
dekbalken, moet geheel of gedeeltelijk wegneembaar zijn.
5. De ruimten, welke voor nachtverblijf
dienen, moeten van alle andere ruimten, die niet uitsluitend voor
verblijf zijn aangewezen, door goed afsluitende schotten zijn
gescheiden. Indien de inrichting van het schip dit noodzakelijk maakt,
mogen een of meer deuren in die schotten zijn aangebracht. De
nachtverblijven mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met de
overige in artikel 46, onder a, genoemde ruimten, noch met de kombuis
of de bakkerij. Dit voorschrift is niet van toepassing op de ruimten
voor de waterclosetten, wastafels, badkuipen en douches welke worden
vermeld in artikel 58, vierde, vijfde en zesde lid. De in dit lid
bedoelde schotten moeten van staal of ander deugdelijk materiaal
doelmatig zijn vervaardigd en zo goed mogelijk waterdicht en gasdicht
zijn.
6. De buitenwanden van de dag- en
nachtverblijven moeten van staal of ander deugdelijk materiaal zijn
vervaardigd en voldoende zijn geïsoleerd. Een schot van een
machinekamerschacht, van kombuizen en andere ruimten waarin warmte
wordt ontwikkeld, moet zo nodig met een isolerende laag zijn bedekt,
opdat geen warmte-uitstraling naar de aangrenzende verblijven of
gangen naar die verblijven plaatsvindt.
7. Schotten in de dag- en
nachtverblijven moeten vervaardigd zijn van deugdelijk materiaal,
waarin zich niet gemakkelijk ongedierte kan nestelen.
8. Dag- en nachtverblijven,
ziekenverblijven en ontspanningsruimten moeten zodanig zijn
geïsoleerd dat overmatige condensatie of te hoge temperatuur wordt
voorkomen.
9. De hoogte tussen de dekken van alle
verblijven dient zodanig te zijn dat de bemanning zich daarin vrij kan
bewegen. Gemeten vanaf de onderkant van de in het verblijf doorlopende
dekbalken, dan wel van de onderkant van het plafond tot de bovenkant
van de vloerbedekking dient deze hoogte ten minste 2,00 meter te
bedragen.
Indien naar het oordeel van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat hierdoor geen vermindering van het
gerief van de bemanning ontstaat, kan hij een mindere hoogte toestaan,
doch slechts tot 1,90 meter.
10. Hoofdstoom- en afvoerleidingen van
lieren en andere hulpwerktuigen moeten buiten de dag- en
nachtverblijven en zo mogelijk buiten de gangen naar deze verblijven
worden gehouden. Indien pijpen, andere dan die in de voorgaande zin
bedoeld, door een dag- of nachtverblijf of door een gang naar een
zodanig verblijf lopen, moeten deze zo nodig afdoende zijn
geïsoleerd. Flenskoppelingen van pijpen mogen slechts bij hoge
uitzondering in een dag- of nachtverblijf zijn aangebracht.
Lucht- en overvloeipijpen van tanks
mogen niet in een dag- of nachtverblijf of in een gang naar een
zodanig verblijf uitmonden.
11. Ankerkettingen mogen niet door een
dag- of nachtverblijf lopen, tenzij zij door zware stalen kokers zijn
beschermd.
12. Ruimten, gebruikt voor het stallen
van vee of pluimvee mogen niet op hetzelfde dek zijn gelegen als de
dag- of nachtverblijven, tenzij op een afstand van ten minste 5 meter
van de deuren van die verblijven. Dit voorschrift is niet van
toepassing indien deze verblijven volkomen door ononderbroken
waterdichte of gasdichte schotten van die ruimten zijn afgescheiden.
13. In de dag- en nachtverblijven
moeten de huid en de eindschotten van de bovenbouw met hout zijn
beschoten of op soortgelijke wijze van een bekleding van ander
deugdelijk materiaal zijn voorzien. Indien de ruimte tussen wand en
wegering niet voor ratten ontoegankelijk is gemaakt, moet zij op een
aantal plaatsen toegankelijk worden gemaakt voor onderzoek en
reiniging. De beschieting van deze verblijven moet zijn vervaardigd
van materiaal, waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden
schoongehouden en dat waarborgen biedt, dat ongedierte er zich niet
gemakkelijk in kan nestelen.
14. De wanden en plafonds van dag- en
nachtverblijven moeten gemakkelijk kunnen worden schoongehouden en als
regel zijn geschilderd in een lichte kleur. Gebruik van witkalk is
niet toegestaan. Indien betimmering met een edele houtsoort is
toegepast, kan met een voor die houtsoort passende bewerking worden
volstaan.
15. Er moeten voldoende middelen
aanwezig zijn voor het afvoeren van water uit de dag- en
nachtverblijven.
Artikel 50. Algemene eisen ten aanzien
van de in artikel 46, onder a, bedoelde ruimten
De bepalingen van artikel 49 zijn van
overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, onder a, bedoelde
overige ruimten, met dien verstande, dat de beschieting en de isolatie
van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig wordt geoordeeld.
Artikel 51. Luchtbehandelingsinstallatie
1. Alle verblijven van de bemanning op
schepen van 200 ton en meer dienen te zijn aangesloten op een
luchtbehandelingsinstallatie. Dit voorschrift is niet van toepassing
op schepen die uitsluitend worden gebezigd op reizen in gebieden waar
naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat een
dergelijke installatie wegens de klimaatomstandigheden niet
noodzakelijk is.
2. Een radiohut en een centrale
controlekamer in de machinekamer moeten eveneens op de in het eerste
lid genoemde installatie, dan wel op een afzonderlijke
luchtbehandelingsinstallatie, zijn aangesloten.
3. De luchtbehandelingsinstallatie
dient zodanig te zijn ontworpen dat ten opzichte van de buitenlucht te
allen tijde een behaaglijke temperatuur en relatieve vochtigheid wordt
gehandhaafd en een voldoende aantal luchtwisselingen wordt bereikt. De
installatie dient te zijn aangepast aan de omstandigheden welke op zee
kunnen voorkomen en mag geen hinderlijk lawaai of trillingen
veroorzaken. Voor het overige dient de luchtbehandelingsinstallatie te
voldoen aan de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen
eisen.
Artikel 52. Verwarming en ventilatie
1. Op schepen, die ingevolge het
bepaalde in artikel 51, eerste lid, niet behoeven te zijn uitgerust
met een luchtbehandelingsinstallatie, dienen de in de volgende leden
genoemde voorzieningen te worden getroffen teneinde te voorzien in
verwarming en ventilering van de verblijven. Het bepaalde in het
negende lid van dit artikel is ook van toepassing op schepen die zijn
voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie.
2. De verblijven moeten zijn
aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de
verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de
klimaatsomstandigheden. De verwarming dient te geschieden door toevoer
van stoom, heet water, warme lucht, of een ander geschikt middel, dan
wel door middel van elektriciteit. De verwarmingsinrichting en de
plaats en wijze van opstelling daarvan dienen te voldoen aan door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat te stellen eisen. Radiatoren in de
verblijven dienen doelmatig te zijn geplaatst en waar nodig
afgeschermd.
3. Het bepaalde in het tweede lid is
niet van toepassing op schepen die uitsluitend worden gebruikt voor
reizen in de tropen en in andere gebieden met naar het oordeel van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare
klimaatsomstandigheden.
4. Het verwarmingssysteem dient steeds
in gebruik te zijn zolang leden van de bemanning aan boord wonen of
werken en de omstandigheden dit vereisen. De verwarmingsinstallatie
dient een zodanige capaciteit te hebben dat onder normale
weersomstandigheden die tijdens de reis kunnen worden ondervonden, in
alle verblijven steeds een temperatuur van ten minste 20° C kan
worden onderhouden.
5. Alle verblijven moeten, dit ter
beoordeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, doeltreffend
kunnen worden geventileerd, en wel zodanig, dat de lucht in
bevredigende toestand blijft zonder dat hinderlijke tocht wordt
veroorzaakt.
6. Schepen die regelmatig worden
gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met, naar het
oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare
klimaatsomstandigheden, dienen te zijn uitgerust met mechanische
ventilatiemiddelen en met elektrisch aangedreven waaiers, met dien
verstande dat slechts een van deze middelen behoeft te worden
aangebracht in ruimten waar dit een voldoende ventilatie verzekert.
7. Schepen die uitsluitend worden
gebruikt voor reizen in gebieden buiten die genoemd in het zesde lid,
dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of
elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die uitsluitend worden
gebruikt voor reizen in koude streken, kan Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat vrijstelling van dit voorschrift geven.
8. Het vermogen dat nodig is om de
ventilatiemiddelen, als bedoeld in het zesde en zevende lid, aan te
drijven, moet, wanneer dit praktisch mogelijk is, beschikbaar zijn
zolang leden van de bemanning aan boord wonen of werken en de
omstandigheden dit vereisen.
9. Alle waterclosetten moeten
onafhankelijk van elk ander gedeelte van de verblijven op de
buitenlucht ventileren.
Artikel 53. Verlichting
1. Alle verblijven dienen behoorlijk te
zijn verlicht, een en ander ter beoordeling van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat.
2. Het daglicht dient voldoende toegang
te hebben tot de dag- en nachtverblijven. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan voor passagiersschepen, sleepboten en
aannemersmaterieel bijzondere regelingen treffen.
3. Alle verblijven dienen te zijn
voorzien van elektrisch licht. Indien geen twee onafhankelijke
elektriciteitsbronnen voor verlichting aanwezig zijn, moet een ander
doeltreffend verlichtingsmiddel voor noodgevallen zijn aangebracht.
4. In de nachtverblijven moet een
elektrische leeslamp aan het hoofdeinde van elke slaapplaats zijn
aangebracht.
Artikel 54. Nachtverblijven
1. Aan boord van schepen, geen
passagiersschepen zijnde, dient ieder volwassen lid van de bemanning
de beschikking te hebben over een eigen nachtverblijf. Wanneer de
grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden waarvoor het
wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat hiervan vrijstelling verlenen.
2.
a. Voor de eerste stuurman, de
eerste scheepswerktuigkundige en de andere officieren, chefs van
diensten, zomede voor stuurlieden, scheepswerktuigkundigen en
radio-officieren welke als chef van de zeewacht optreden en
bovendien voor de chef radio-officier op schepen met meer dan drie
radio-officieren moeten voor ieder afzonderlijk een hut als
nachtverblijf beschikbaar zijn.
b. De overige officieren dienen
eveneens over een afzonderlijk nachtverblijf te beschikken. Indien
zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 65,
tweede lid, kan niettemin Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
vrijstelling van dit voorschrift verlenen met dien verstande dat
ten hoogste twee officieren in één nachtverblijf mogen worden
ondergebracht.
c. In een hut bestemd tot
nachtverblijf van onderofficieren mogen ten hoogste twee personen
worden ondergebracht.
d. Van de overige schepelingen
mogen ten hoogste twee schepelingen van hetzelfde nachtverblijf
gebruik maken, behalve aan boord van passagiersschepen, waar het
maximaal toegestane aantal schepelingen in één nachtverblijf
vier bedraagt.
3. Voor nachtverblijven aan boord van
zeilschepen, schepen van minder dan 400 ton, sleepboten en
aannemersmaterieel en voor nachtverblijven van fabriekspersoneel op
schepen, bestemd voor de walvisvangst, kan Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat afwijking van de in het vorig lid gegeven voorschriften
toestaan.
4. Aan boord van schepen van 3000 ton
en meer dienen de eerste stuurman en de eerste scheepswerktuigkundige
de beschikking te hebben over een aan het nachtverblijf grenzend
dagverblijf.
5. Aan boord van schepen van 500 ton en
meer moeten de nachtverblijven voor de leden van het dekpersoneel, het
machinekamerpersoneel en het personeel van de civiele dienst per
categorie gescheiden zijn, een en ander ter beoordeling van Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat.
6. Het onderbrengen van de bemanning
moet zo geschieden, dat de wachten gescheiden zijn en vrije
wachtsgasten (daglieden) geen nachtverblijf met wachtdoenden delen.
Wanneer de grootte en indeling van het schip en de werkzaamheden
waarvoor het wordt gebruikt dit niet toelaten kan Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat hiervan ontheffing verlenen.
7. Op elk nachtverblijf moet duidelijk
het aantal schepelingen worden vermeld waarvoor het is bestemd.
Artikel 55. Eisen nachtverblijven en
slaapplaatsen
1.Alle nachtverblijven moeten zodanig
zijn uitgevoerd en ingericht, dat de netheid wordt bevorderd en
redelijk comfort aan de bewoners wordt verzekerd.
2.Het vloeroppervlak in nachtverblijven
bestemd voor scheepsgezellen, ingericht voor één persoon, moet ten
minste bedragen:
a. op schepen, geen
passagiersschepen zijnde:
|
(i) |
van minder dan 500
ton: |
3,00 vierkante meter |
|
(ii) |
van 500 ton en meer,
doch van minder dan 1000 ton: |
3,25 vierkante meter |
|
(iii) |
van 1000 ton en meer, doch van
minder dan 3000 ton: |
3,75 vierkante meter |
|
(iv) |
van 3000 ton en meer, doch minder
dan 10 000 ton: |
4,25 vierkante meter |
|
(v) |
van 10 000 ton en meer: |
4,75 vierkante meter |
b. op passagiersschepen:
|
(i) |
van minder dan 1000
ton: |
3,00 vierkantemeter |
|
(ii) |
van 1000 ton en meer,
doch minder dan 3000 ton: |
3,25 vierkante meter |
|
(iii) |
van 3000 ton en meer: |
3,75 vierkante meter |
3.Het vloeroppervlak in
nachtverblijven bestemd voor scheepsgezellen, ingericht voor meer
dan één persoon, moet per persoon ten minste bedragen:
a. op schepen, geen
passagiersschepen zijnde:
|
(i) |
van minder dan 500
ton: |
2,00 vierkante meter |
|
(ii) |
van 500 ton en meer,
doch minder dan 1000 ton: |
2,25 vierkante meter |
|
(iii) |
van 1000 ton en meer, doch minder
dan 3000 ton: |
2,75 vierkante meter |
|
(iv) |
van 3000 ton en meer, doch minder
dan 10 000 ton: |
3,25 vierkante meter |
|
(v) |
van 10 000 ton en meer: |
3,75 vierkante meter |
b. op passagiersschepen:
|
(i) |
van minder dan 1000
ton: |
2,00 vierkante meter |
|
(ii) |
van 1000 ton en meer,
doch minder dan 3000 ton: |
2,35 vierkante meter |
|
(iii) |
van 3000 ton en meer: |
3,00 vierkante meter |
4.Het vloeroppervlak in
nachtverblijven bestemd voor officieren die niet de beschikking
hebben over een eigen dagverblijf, moet per persoon ten minste
bedragen op schepen van:
|
a. minder dan 500 ton: |
4,0 vierkante meter |
|
b. 500 ton en meer, doch minder dan
1000 ton: |
5,0 vierkante meter |
|
c. 1000 ton en meer, doch minder
dan 3000 ton: |
6,5 vierkante meter |
|
d. 3000 ton en meer: |
7,5 vierkante meter |
5.Het vloeroppervlak wordt gemeten
tussen de wanden van het verblijf. Kleine of onregelmatig gevormde
oppervlakken, die de beschikbare ruimte niet daadwerkelijk vergroten
en niet voor plaatsing van meubilair kunnen dienen worden niet
meegemeten. Aan het verblijf verbonden badkamers worden bij de
berekening van het vloeroppervlak buiten beschouwing gelaten.
6.Behalve de slaapplaatsen moet in
elk nachtverblijf voor elke bewoner een kleerkast aanwezig zijn met
een hoogte van ten minste 1,75 meter en met een dwarsdoorsnede van
ten minste 0,2 meter. De kleerkast moet zijn voorzien van een
legplank en van een roe waaraan kleding op kleerhangers kan worden
gehangen alsmede van een slot of van lippen voor een hangslot. Ook
moet voor elke bewoner een lade of soortgelijke ruimte aanwezig zijn
met een inhoud van ten minste 60 kubieke decimeter. Deze ruimte mag
met de kleerkast één geheel uitmaken.
7.In een nachtverblijf dient een
tafel of lessenaar met een gemakkelijke zitgelegenheid aanwezig te
zijn. Voorts dient een nachtverblijf te zijn uitgerust met een
spiegel, kastjes voor toiletbenodigdheden, een boekenrek en een
voldoende aantal kleerhangers. Voor de patrijspoorten moeten
gordijnen of jalouzieën zijn aangebracht.
8.De meubels dienen te zijn
vervaardigd van glad, hard materiaal dat niet krom trekt of roest en
waarin zich geen ongedierte kan nestelen.
9.Onverminderd het bepaalde in het
zesde en zevende lid dient een nachtverblijf voor officieren tevens
te zijn voorzien van een wastafel met warm en koud stromend zoet
water, die is aangesloten op een afvoer; de wastafel mag zich ook in
een aan het verblijf verbonden eigen badkamer bevinden.
10.Voor elke schepeling moet een
afzonderlijke slaapplaats beschikbaar zijn.
11.Slaapplaatsen moeten behoorlijk
van elkaar zijn gescheiden en elk afzonderlijk toegankelijk zijn. Er
mogen niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar zijn
aangebracht. Op schepen van 500 ton en meer mogen zich langs het
scheepsboord ter plaatse van patrijspoorten geen slaapplaatsen boven
elkaar bevinden.
12.De onderkant van de onderste
slaapplaats moet ten minste 30 centimeter boven de vloer liggen; de
afstand tussen de onderkant van de onderste slaapplaats en de
onderkant van de bovenste slaapplaats en de afstand tussen de
onderkant van de bovenste slaapplaats en de onderkant van het
plafond dienen ten minste 75 centimeter te bedragen. Aan de
onderkant van de bovenste slaapplaats dient een stofdichte bodem van
hout, zeildoek of ander geschikt materiaal te zijn aangebracht.
13.De slaapplaatsen moeten
binnenwerks gemeten ten minste 2,00 meter lang en 80 centimeter
breed zijn.
14.De slaapplaatsen moeten zijn
vervaardigd van hout, of van deugdelijk hard materiaal, dat niet
gemakkelijk roest. De constructie moet zodanig zijn, dat er zich
geen ongedierte in kan nestelen en de slaapplaats gemakkelijk kan
worden schoongemaakt. Indien slaapplaatsen uit buizen zijn
samengesteld, mogen deze buizen geen openingen hebben, welke aan
ongedierte toegang kunnen verlenen. Houten kooiplanken moeten
uitneembaar zijn. Elke slaapplaats moet zijn voorzien van een vaste
of los ingelegde staaldraadmatras of van een andere ondermatras van
daarmede gelijkwaardige constructie, zomede van een bovenmatras van
doeltreffend materiaal. Bij gebruik van een matras met binnenvering
of van een schuimrubbermatras kan een ondermatras vervallen.
15.Onder de opening van een
luchtkoker mag geen slaapplaats aanwezig zijn.
Artikel 56. Dagverblijven
1. Aan boord van schepen van 200 ton en
meer moeten voldoende dagverblijven zijn, gescheiden van de
nachtverblijven en zo dicht mogelijk bij de kombuis.
2. Er dient een afzonderlijk
dagverblijf te zijn:
a. aan boord van schepen van 400
ton en meer, doch minder dan 1000 ton:
1°. voor de kapitein en de
officieren;
2°. voor de scheepsgezellen.
b. aan boord van schepen van 1000
ton meer:
1°. voor de kapitein en de
officieren;
2°. voor de scheepsgezellen
van het dekpersoneel;
3°. voor de scheepsgezellen
van het machinekamerpersoneel.
Het bepaalde onder 2° en 3° mag
worden vervangen door "onderofficieren" onderscheidenlijk
"overige scheepsgezellen".
3. In afwijking van het bepaalde in het
tweede lid, onder b, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
toestaan dat voor de scheepsgezellen één gezamenlijk dagverblijf
wordt ingericht indien organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden,
die als representatief kunnen worden aangemerkt, daar de voorkeur aan
geven.
4. Voor het personeel van de civiele
dienst moet hetzij een afzonderlijk dagverblijf zijn ingericht, hetzij
behoorlijke gelegenheid tot gebruik van maaltijden in een van de
dagverblijven worden gegeven.
5. De grootte en inrichting, het aantal
tafels en zitbanken of stoelen, vastgezet of verplaatsbaar, van elk
dagverblijf moeten voldoende zijn voor het grootste aantal personen
dat gelijktijdig van het verblijf gebruik zou kunnen maken.
6. Het vloeroppervlak van de
dagverblijven voor officieren en scheepsgezellen mag niet minder
bedragen dan 1 vierkante meter per zitplaats.
7. Indien bijzondere omstandigheden dit
noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voor
passagiersschepen afwijking van het bepaalde in het tweede, vierde,
vijfde en zesde lid toestaan.
8. Voor de bemanningsleden dienen te
allen tijde beschikbaar te zijn:
a. een koelkast, die zich op een
gemakkelijk toegankelijke plaats moet bevinden, en groot genoeg
is, gezien het aantal personen dat van het dagverblijf of de
dagverblijven gebruik maakt;
b. voorzieningen voor het
verstrekken van warme dranken; en
c. voorzieningen voor het
verstrekken van gekoeld water.
9. Indien pantry’s in
niet-rechtstreekse verbinding met de dagverblijven staan, moet zijn
voorzien in voldoende kastruimte voor het opbergen van eetgerei
alsmede in een geschikte gelegenheid voor het schoonmaken daarvan.
10. De bovenkanten van tafels, banken
en stoelen moeten zijn vervaardigd van vochtwerend materiaal, zonder
barsten en gemakkelijk schoon te houden.
Artikel 57. Ontspanningsruimten
1. Aan boord van alle schepen moeten
van het open dek een of meer gedeelten toegankelijk zijn voor de
schepelingen, wanneer zij geen dienst hebben.
2. Aan boord van schepen van 500 ton en
meer moeten voor de officieren en voor de scheepsgezellen
ontspanningsruimten aanwezig zijn, gelegen op een daartoe geschikte
plaats en op passende wijze ingericht.
Wanneer buiten de dagverblijven niet is
voorzien in afzonderlijke ontspanningsruimten, dienen deze
dagverblijven op zodanige wijze te zijn ingericht, gemeubileerd en
uitgerust, dat zij als ontspanningsruimte kunnen dienst doen.
3. In de ontspanningsruimten moet ten
minste een boekenkast aanwezig zijn, alsmede gelegenheid worden
geboden tot lezen en schrijven en zo mogelijk tot gezelschapsspelen.
4. Op schepen van 8000 ton en meer
dient een rookkamer of een bibliotheek aanwezig te zijn, waar films
kunnen worden vertoond en naar televisie kan worden gekeken. Voorts
dient te zijn voorzien in een ruimte waar men kan knutselen of
gezelschapsspelen kan beoefenen. Er dient een zwembad aanwezig te zijn
tenzij, naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,
de inrichting van het schip daartoe onvoldoende mogelijkheid biedt.
Artikel 58. Badkuipen, douches, wastafels
en waterclosetten
1. Aan boord van schepen dienen op een
geschikte plaats voor officieren en scheepsgezellen sanitaire
voorzieningen aanwezig te zijn, bestaande uit tenminste een
watercloset, een badkuip en/of douche en een wastafel met warm en koud
stromend zoet water voor iedere 6 personen of minder, die niet
beschikken over de sanitaire voorzieningen als bedoeld in het vierde,
vijfde en zesde lid van dit artikel, met dien verstande dat op een
schip van:
400 tot 500 ton ten minste 2, 500 tot
800 ton ten minste 3, 800 tot 3000 ton ten minste 4, en van 3000 ton
en meer ten minste 6 waterclosetten aanwezig moeten zijn.
Bij de berekeningen van het aantal
voorzieningen wordt bij meer dan 6 schepelingen of een veelvoud van 6
schepelingen, een aantal van 2 schepelingen of minder verwaarloosd.
Voor vrouwelijke schepelingen dienen afzonderlijke sanitaire
voorzieningen ter beschikking te staan.
2. De beschikbaarheid van de
waterclosetten dient gelijkelijk over de groepen van officieren en
scheepsgezellen te worden verdeeld.
3. Aan boord van schepen van 500 ton en
meer moeten ten behoeve van de officieren waterclosetten in de
nabijheid van hun nachtverblijven beschikbaar zijn.
4. Op schepen van 5000 ton en meer,
doch minder dan 15 000 ton, moeten ten minste vijf eenpersoons
nachtverblijven voor officieren een daaraan verbonden eigen badkamer
bezitten, welke is voorzien van een watercloset, een badkuip en/of
douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water; de
wastafel mag zich in het nachtverblijf bevinden. Bovendien moeten op
schepen van 10 000 ton en meer, doch minder dan 15 000 ton de
nachtverblijven van alle overige officieren voorzien zijn van een
daaraan verbonden eigen badkamer, dan wel van een badkamer die op
dezelfde wijze is uitgerust en is gelegen in een ruimte tussen twee
nachtverblijven en die vanuit deze nachtverblijven direkt bereikbaar
is.
5. Aan boord van schepen van 15 000 ton
en meer dienen de éénpersoons nachtverblijven voor de officieren te
zijn voorzien van een daaraan verbonden eigen badkamer, voorzien van
een watercloset, een badkuip en/of douche en een wastafel met warm en
koud stromend zoet water; de wastafel mag zich in het nachtverblijf
bevinden.
6. Aan boord van schepen van 25 000 ton
en meer, met uitzondering van passagiersschepen, dient per twee
scheepsgezellen een badkamer aanwezig te zijn in een ruimte tussen
twee aangrenzende nachtverblijven en van daaruit rechtstreeks te
bereiken, dan wel een badkamer gelegen tegenover deze verblijven. Deze
badkamers dienen te zijn uitgerust met een watercloset, een badkuip
en/of douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water.
7. Aan boord van schepen van 5000 ton
en meer, met uitzondering van passagiersschepen, dient elk
nachtverblijf voor scheepsgezellen te zijn voorzien van een wastafel
met koud en warm stromend zoet water die is aangesloten op een afvoer,
behalve wanneer een wastafel aanwezig is in een badkamer die is
ingericht overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid.
8. Aan boord van schepen van 1600 ton
en meer, met uitzondering van schepen waarop het gehele
machinekamerpersoneel de beschikking heeft over een eigen
nachtverblijf en een badkamer per een of twee nachtverblijven, dienen
kleedruimten aanwezig te zijn, die
a. buiten de machinekamer zijn
gelegen, doch gemakkelijk bereikbaar zijn vanuit de machinekamer.
Deze ruimten moeten door het machinekamerpersoneel vanuit de
machinekamer kunnen worden bereikt zonder dat men in de open lucht
komt;
b. zijn voorzien van een kleerkast
voor elk lid van het personeel alsmede van badkuipen en/of douches
en wastafels met warm en koud stromend zoet water.
9. Aan boord van schepen van 1600 ton
en meer dient te zijn voorzien in:
a. een aparte toiletruimte,
bevattende een watercloset en een wastafel met warm en koud
stromend zoet water, die gemakkelijk bereikbaar is vanaf het
navigatie brugdek en bedoeld voor diegenen die daar hun werk
verrichten;
b. een watercloset en een wastafel
met warm en koud stromend zoet water, gemakkelijk bereikbaar
vanuit de machinekamer, indien deze voorzieningen niet zijn
aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de centrale
controlekamer in de machinekamer.
10. Op schepen waar het aantal
schepelingen groter dan 100 is, kan Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat een vermindering van het aantal wastafels, badkuipen en
douches toestaan.
11. De in dit artikel genoemde
waterclosetten aan boord van schepen van 500 ton en meer zijn
uitsluitend bestemd ten gebruike van schepelingen. Deze waterclosetten
worden niet meegeteld voor het aantal, dat krachtens de Stuwadoorswet
voor de havenarbeiders aan boord beschikbaar moet zijn.
Artikel 59. Eisen sanitaire voorzieningen
De sanitaire ruimten en voorzieningen,
als bedoeld in artikel 58, behalve de ruimten die zijn verbonden met
hutten, moeten voldoen aan de volgende eisen:
a. De vloer moet van deugdelijk,
duurzaam en gemakkelijk te reinigen materiaal zijn, dat
ondoordringbaar is voor vocht; schotten moeten zijn vervaardigd van
staal of ander deugdelijk materiaal, dat tot ten minste 23
centimeter boven de vloer waterdicht is.
b. Waterclosetten moeten op voldoende
wijze van elkaar zijn gescheiden en gemakkelijk bereikbaar zijn.
Waterclosetten mogen noch rechtstreeks in verbinding staan met de
nachtverblijven, noch met een doodlopende gang tussen de
nachtverblijven en de waterclosetten, met dien verstande, dat dit
niet geldt voor een watercloset tussen twee nachtverblijven, welke
tezamen voor niet meer dan 4 personen zijn bestemd.
c. Waterclosetten moeten van een
ruime afvoer zijn voorzien en elk afzonderlijk door middel van een
vaste inrichting gemakkelijk kunnen worden doorgespoeld, zodanig,
dat geen stank wordt verspreid. De waterclosetten moeten van een
zodanig model zijn en de afvoer moet zodanig zijn ingericht, dat de
kans op verstopping zo klein mogelijk is en het schoonhouden
vergemakkelijkt wordt.
d. Wastafels en badkuipen moeten
voldoende afmetingen hebben en zijn vervaardigd van deugdelijk
materiaal, met een glad oppervlak, niet onderhevig aan scheuren,
schilferen of roesten.
e. De vloer van een ruimte, waarin
een watercloset of een wasgelegenheid is ondergebracht, moet zijn
voorzien van een behoorlijke waterafvoer.
Artikel 60. Wassen en drogen van kleding,
opbergen van oliegoed
1. Er dient voldoende gelegenheid te
zijn voor het wassen, drogen en strijken van kleding, in een mate die
in overeenstemming is met het aantal bemanningsleden en de normale
duur van de reis. Deze voorzieningen dienen te worden aangebracht op
een gemakkelijk vanuit de hutten te bereiken plaats.
2. De voorzieningen, als bedoeld in het
vorige lid, dienen te bestaan uit:
a. wasmachines;
b. droogtrommels of behoorlijk
verwarmde en geventileerde droogkamers;
c. strijkijzers en strijkplanken of
gelijkwaardige voorzieningen.
3. Op schepen van minder dan 250 ton
mag van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken,
mits andere voorzieningen worden getroffen, die naar het oordeel van
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat genoegzaam zijn.
4. Er moet buiten, doch nabij de
nachtverblijven, voldoende behoorlijk geventileerde bergruimte zijn om
oliegoed, natte en vuile kleding op te hangen. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat kan toestaan, dat deze kledingstukken op schepen
van minder dan 400 ton in een goed sluitende kast in het nachtverblijf
worden opgeborgen, mits deze kast op een ruimte buiten het verblijf
ventileert.
Artikel 61. Ziekenverblijf en ziekenkooi
1. Aan boord van elk schip met een
bemanning van 15 schepelingen of meer, dat een reis maakt gedurende
welke het langer dan 3 achtereenvolgende etmalen op zee blijft, moet
een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn.
Deze bepaling geldt niet ten aanzien
van sleepboten en aannemersmaterieel.
2. Het ziekenverblijf moet doelmatig
zijn gelegen, en gemakkelijk bereikbaar zijn.
3. Het ziekenverblijf moet zo groot
zijn, dat de verpleging naar behoren kan geschieden en de patiënten
gerieflijk zijn gehuisvest. De patiënten moeten op gemakkelijke wijze
in en uit het verblijf kunnen worden gebracht. De verlichting,
ventilatie en verwarming moeten voldoen aan de eisen voor de
verblijven als bedoeld in de artikelen 48 tot en met 53.
4. In het ziekenverblijf moet voldoende
wasgelegenheid met toebehoren en afvoer van vuil water zijn
aangebracht. De wasgelegenheid dient te zijn voorzien van warm en koud
stromend zoet water.
5. Indien het aantal leden van de
bemanning, dat verblijf houdt in hutten voor meer dan één persoon,
minder dan 30 bedraagt, moet het ziekenverblijf zijn voorzien van
één slaapplaats. Bedraagt dat aantal 30 of meer, dan dient het
ziekenverblijf te zijn voorzien van twee slaapplaatsen, of zoveel meer
als in verband met de omstandigheden van de reis door Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat wordt vastgesteld. Indien voor passagiers
geen ziekenverblijf aanwezig is, mogen de passagiers in het
ziekenverblijf worden opgenomen en gelden de voorschriften van dit lid
voor de schepelingen en de passagiers gezamenlijk.
6. De slaapplaatsen mogen niet boven
elkaar zijn geplaatst. Hun inrichting moet ten minste voldoen aan de
eisen, als bedoeld in het elfde lid en als bedoeld in artikel 55,
tiende tot en met vijftiende lid.
7. In of in de onmiddellijke nabijheid
van het ziekenverblijf moeten, uitsluitend voor gebruik door
patiënten een watercloset en een daaraan toegevoegde badkamer
beschikbaar zijn. Deze ruimten moeten van het ziekenverblijf zijn
afgescheiden.
8. Indien een arts tot de bemanning
behoort, moet een ruimte bij het ziekenverblijf worden ingericht als
apotheek en verbandkamer, die van het ziekenverblijf moet zijn
afgescheiden.
9. Het ziekenverblijf mag niet voor
andere doeleinden dan het verplegen of behandelen van zieken en
gewonden worden gebruikt.
10. Aan boord van alle schepen welke
krachtens het bepaalde in het eerste lid niet van een ziekenverblijf
behoeven te zijn voorzien, moet voor een zieke of gewonde een
éénpersoonsnachtverblijf beschikbaar kunnen worden gesteld, waarin
de slaapplaats als ziekenkooi is ingericht. Is het aantal schepelingen
minder dan 6, dan kan worden volstaan met een als ziekenkooi
ingerichte slaapplaats in een nachtverblijf.
11. De ziekenkooi moet zodanig zijn
ingericht, dat de zieke er gemakkelijk met de matras kan worden
ingebracht en uitgenomen waartoe zo nodig de schotten wegneembaar
moeten zijn.
12. Indien iemand aan een ernstige of
aan een besmettelijke ziekte lijdt, moet getracht worden de zieke,
afgezonderd van alle anderen, te verplegen.
Artikel 62. Diversen
1. Schepen, die geregeld worden
gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met naar het
oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, vergelijkbare
klimaatsomstandigheden moeten zijn uitgerust met tenten over de aan de
zon blootgestelde dekken boven de verblijven en over de voor
ontspanning bestemde dekruimten.
2. Aan boord van schepen, die niet zijn
voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie en welke geregeld havens
aandoen, waar malaria voorkomt of kan voorkomen, moeten de dag-,
nacht- en ziekenverblijven tegen binnendringen van muskieten zijn
beschermd door passende horren voor patrijspoorten en luchtkokers,
alsmede voor deuren, toegang gevende tot het open dek.
3. Aan boord van schepen van meer dan
3000 ton moet zowel voor de dekdienst als voor de machinedienst een
afzonderlijke ruimte als kantoor beschikbaar zijn.
Artikel 63. Reinheid van de verblijven
1.De verblijven moeten, wanneer een
schip voor de eerste maal of opnieuw in de vaart wordt gebracht,
schoon zijn.
2.De verblijven moeten schoon en in
behoorlijk bewoonbare toestand worden gehouden.
3.Ten minste eenmaal per week wordt
door de kapitein of een daarvoor door hem aangewezen officier een
inspectie van alle verblijven gehouden, waarbij hij zich door een of
meer leden van de bemanning doet vergezellen. Van zijn bevindingen
wordt in het scheepsdagboek melding gemaakt.
Artikel 64. Plichten van de kapitein
Indien tijdens de reis gebreken ontstaan
aan de in dit Hoofdstuk omschreven voorzieningen, dient de kapitein deze
zo spoedig mogelijk te doen verhelpen.
Artikel 65. Vrijstellingen
1. Behoudens het bepaalde in het tweede
lid kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met de
organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief
kunnen worden aangemerkt, hetzij in een incidenteel geval, hetzij
algemeen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de artikelen 48
tot en met 62, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of
beperkingen.
2. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan voor schepen, aan boord waarvan vanwege de
samenstelling van de bemanning rekening moet worden gehouden met de
belangen van bemanningsleden die verschillende gewoonten van
godsdienstige en maatschappelijke aard hebben, na overleg met de
organisaties van zeewerkgevers en zeevarenden die als representatief
kunnen worden aangemerkt, vrijstelling verlenen van het bepaalde in de
artikelen 54, eerste lid en tweede lid, onder d, 55, tweede en derde
lid, en 58, eerste en zesde lid, onder zo nodig door hem te stellen
voorwaarden of beperkingen, mits de hiervoor bedoelde organisaties ter
zake overeenstemming hebben bereikt.
Artikel 66. Uitsluiting bestaande schepen
Behoudens het bepaalde in artikel 67,
eerste lid, is het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62 niet van
toepassing op bestaande schepen. Op bestaande schepen blijft van
toepassing het bepaalde in de artikelen 46 tot en met 64 van het
Koninklijk besluit van 15 mei 1937, Stb. 242, zoals gewijzigd bij
Koninklijk besluit van 5 juni 1975, Stb. 327.
Artikel 67. Bijzondere voorzieningen voor
bestaande schepen
1. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan, na raadpleging van de organisaties van zeewerkgevers
en zeevarenden die als representatief kunnen worden aangemerkt, voor
een bestaand schip, dat:
a. hetzij de Nederlandse
nationaliteit verkrijgt;
b. hetzij ingrijpende veranderingen
in de bouw of grote reparaties ondergaat volgens een tevoren
ontworpen plan, echter niet ten gevolge van een ongeval of ramp;
c. hetzij op de datum van
inwerkingtreding van dit besluit in aanbouw is;
bepalen, dat het geheel of gedeeltelijk
moet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 48 tot en met 62. Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat kan daarbij voorschrijven dat de te
treffen voorzieningen binnen een bepaalde termijn dienen te worden
aangebracht.
2. Voorzieningen als bedoeld in het
vorige lid worden uitsluitend voorgeschreven voor zover deze redelijk
en uitvoerbaar zijn; rekening wordt gehouden met de daarmee
samenhangende technische, economische en andere problemen die
voortvloeien uit het uitvoeren van de voorgeschreven voorzieningen.
3. Een beschikking als bedoeld in het
eerste lid wordt schriftelijk en met redenen omkleed gegeven.
§ 3. Bepalingen met betrekking tot
vissersschepen
Artikel 68. Plaats en algemene inrichting
van de verblijven
1. Alle verblijven dienen midscheeps of
in het achterschip te zijn gelegen. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan, in byzondere gevallen, indien de grootte, het type of
de beoogde vaart van het schip deze ligging onredelijk of
onuitvoerbaar maakt, toestaan dat de verblijven in het voorschip
achter het aanvaringsschot zijn gelegen.
2. Voldoende dagverblijven moeten
aanwezig zijn, gescheiden van de nachtverblijven en zo dicht mogelijk
bij de kombuis gelegen. Indien op schepen met een lengte van minder
dan 24 meter een afzonderlijk dagverblijf niet mogelijk is, kan worden
volstaan met een gecombineerd dag- en nachtverblijf.
3. Op schepen met een lengte van 60
meter en meer moeten zowel voor de kapitein en de officieren als voor
de scheepsgezellen afzonderlijke dagverblijven aanwezig zijn.
Artikel 69. Algemene eisen dag- en
nachtverblijven
1. De plaats, de toegangen, de
constructie en de indeling van de dag- en nachtverblijven ten opzichte
van andere ruimten dienen zodanig te zijn dat de veiligheid, de
bescherming tegen weersinvloeden en overkomend zeewater en de isolatie
tegen hitte en koude, overmatig lawaai of tegen uitwaseming van andere
ruimten, voldoende zijn verzekerd.
2. De inrichting van de toegangen tot
de dag- en nachtverblijven moet zo zijn, dat deze toegangen steeds aan
beide zijden gemakkelijk en vlug kunnen worden geopend en voldoende
doorgang laten.
3. Indien Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat dit noodzakelijk acht, dienen dag- en nachtverblijven op
naar zijn oordeel doelmatige plaatsen te zijn voorzien van
nooduitgangen.
4. Het materiaal en de constructie van
de dekken in alle dag- en nachtverblijven moeten zijn goedgekeurd door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat. Het oppervlak van deze dekken
dient ondoordringbaar te zijn voor vocht en gemakkelijk schoon te
houden.
5. Indien de vloeren zijn vervaardigd
uit samengesteld materiaal, dienen de verbindingen met de wanden naar
boven te zijn afgerond om spleten of naden te vermijden.
6. Als het stalen bovendek van dag- en
nachtverblijven aan de buitenlucht of aan de invloed van enige
warmtebron aan boord is blootgesteld, moet het aan de bovenzijde met
hout ter dikte van ten minste 5 centimeter of met ander deugdelijk en
gelijkwaardig isolatiemateriaal zijn bekleed, dan wel moet aan de
onderzijde een bekleding met even groot isolerend vermogen zijn
aangebracht. In elk dag- en nachtverblijf moet aansluitend tegen de
dekbalken een plafond zijn aangebracht, dat geheel of gedeeltelijk
wegneembaar is.
7. Nachtverblijven mogen niet
rechtstreeks in verbinding staan met visruimen, opslagplaatsen voor
vismeel, ruimten waarin werktuigen zijn opgesteld, kombuizen,
lampenhutten, verfhutten, bergruimten, droogkamers, gemeenschappelijke
wasplaatsen en privaten. Dat deel van het schot dat bovengenoemde
ruimten scheidt van de nachtverblijven, alsmede de buitenschotten van
de nachtverblijven, dienen doelmatig te zijn geconstrueerd van staal
of ander goedgekeurd materiaal. Genoemde schotten moeten water- en
gasdicht zijn.
8. Buitenschotten van dag- en
nachtverblijven dienen doelmatig te zijn geïsoleerd. Schotten van een
machinekamerschacht, van een kombuis en van een andere ruimte waarin
warmte wordt ontwikkeld, dienen doelmatig te zijn geïsoleerd opdat
geen warmteuitstraling plaats vindt naar aangrenzende verblijven of
gangen van de verblijven. Tevens dient er voor te worden gezorgd dat
bescherming plaats vindt tegen warmteuitstraling van stoom en/of
warmwaterleidingen.
9. Schotten in dag- en nachtverblijven
moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal waarin zich geen
ongedierte kan nestelen.
10. Dag- en nachtverblijven en gangen
in de verblijven dienen doelmatig te zijn geïsoleerd om condensatie
en te hoge temperaturen te voorkomen.
11. De hoogte van de dag- en
nachtverblijven tussen de dekken, gemeten van de onderkant van het
plafond tot de bovenkant van de vloerbedekking moet op alle plaatsen
waar de bemanning zich vrij moet kunnen bewegen, ten minste 2,0 meter
bedragen.
12. Hoofdstoom- en afvoerleidingen van
lieren en andere hulpwerktuigen dienen buiten de dag- en
nachtverblijven en zo mogelijk buiten de gangen naar deze verblijven
te worden gehouden. Waar deze leidingen toch door de gangen zijn
gevoerd, dienen zij te zijn voorzien van een doelmatige isolatie en
omkasting.
Flenskoppelingen van pijpen mogen
slechts bij hoge uitzondering in een dag- of nachtverblijf zijn
aangebracht. Lucht- en overvloeipijpen van tanks mogen niet in een
dag- of nachtverblijf of in een gang naar een zodanig verblijf
uitmonden.
13. Ankerkettingen mogen niet door een
dag- of nachtverblijf lopen, tenzij beschermd door zware kokers.
14. In de dag- en nachtverblijven
moeten de huid en de eindschotten van de bovenbouw met hout zijn
beschoten of op soortgelijke wijze van een bekleding van ander
deugdelijk materiaal zijn voorzien. De beschieting dient te zijn
vervaardigd van materiaal waarvan het oppervlak gemakkelijk kan worden
schoongehouden en waarin zich geen ongedierte kan nestelen.
15. De wanden en plafonds van dag- en
nachtverblijven dienen gemakkelijk te kunnen worden schoongehouden.
Indien zij zijn geschilderd, dient dit in een lichte kleur te zijn.
Witkalk mag niet worden gebruikt.
16. Voldoende middelen moeten aanwezig
zijn voor het afvoeren van water uit de dag- en nachtverblijven.
17. Al het mogelijke dient te worden
gedaan om de dag- en nachtverblijven te beschermen tegen het
binnendringen van vliegen en andere insekten.
Artikel 70. Algemene eisen ten aanzien
van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde ruimten
De bepalingen van artikel 69 zijn van
overeenkomstige toepassing op de in artikel 46, eerste lid, bedoelde
overige ruimten, met dien verstande dat de beschieting en de isolatie
van wanden slechts daar behoeft te worden aangebracht, waar dit door
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat nodig wordt geoordeeld.
Artikel 71. Verwarming
1. Alle verblijven moeten zijn
aangesloten op een doeltreffende verwarmingsinrichting die buiten de
verblijven moet zijn opgesteld en die is aangepast aan de
klimatologische omstandigheden. De verwarming dient te geschieden door
toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit. De
verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan
dienen te voldoen aan door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te
stellen eisen.
2. Het verwarmingssysteem dient steeds
in gebruik te zijn zolang de bemanning aan boord woont of werkt en de
omstandigheden dit vereisen.
3. Radiatoren in verblijven dienen
doelmatig te zijn geplaatst en waar nodig afgeschermd.
4. De verwarmingsinrichting dient een
zodanig vermogen te hebben dat onder normale weersomstandigheden die
tijdens de reis kunnen worden ondervonden, in alle verblijven steeds
een temperatuur van ten minste 20°C kan worden onderhouden.
Artikel 72. Verlichting
1. Overdag moet een verblijf licht
ontvangen door schijnlichten of doelmatige lichtglazen van voldoende
grootte, patrijspoorten of ramen, zodanig dat het aan een persoon met
normale gezichtsscherpte mogelijk is bij helder weer gewoon drukwerk
te lezen op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen van het
verblijf. Indien naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat door de ligging van het verblijf een voldoende natuurlijke
verlichting niet mogelijk is, kan met de kunstmatige verlichting als
bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel worden volstaan.
2. Alle verblijven moeten elektrisch
kunnen worden verlicht. Wanneer geen twee onafhankelijke
elektriciteitsbronnen voor de verlichting aanwezig zijn, moet tevens
een elektrische noodverlichting zijn aangebracht.
3. De elektrische verlichting moet
zodanig zijn aangebracht en van zodanige sterkte zijn, dat de
gebruikers van het verblijf er een optimaal profijt van hebben.
4. Boven de normale verlichting van het
nachtverblijf moet aan het hoofdeinde van elke slaapplaats een
doelmatige elektrische leeslamp zijn aangebracht. Tevens dient in dit
verblijf gedurende de gehele nacht een blauwe lamp te branden.
Artikel 73. Ventilatie
1. Alle verblijven moeten ten genoege
van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat doeltreffend kunnen worden
geventileerd, zodanig dat de lucht in een bevredigende toestand blijft
en voldoende afvoer van bedorven en toevoer van verse lucht onder alle
weersomstandigheden zijn gewaarborgd, zonder dat hinderlijke tocht
wordt veroorzaakt.
2. Schepen die regelmatig worden
gebezigd op reizen in de tropen of in andere gebieden met
vergelijkbare klimatologische omstandigheden, dienen te zijn uitgerust
met mechanische ventilatiemiddelen en met elektrisch aangedreven
waaiers, met dien verstande dat slechts één van deze middelen
behoeft te worden aangebracht in ruimten waar dit een voldoende
ventilatie verzekert.
3. Schepen die worden gebezigd op
reizen in gebieden buiten die genoemd in het tweede lid van dit
artikel, dienen te zijn uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen
of met elektrisch aangedreven waaiers. Voor schepen die geregeld
worden gebezigd op reizen in koude streken, kan Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat vrijstelling van dit voorschrift verlenen.
4. Het vermogen dat nodig is om de
ventilatiemiddelen, voorgeschreven in het tweede en derde lid van dit
artikel, aan te drijven, moet beschikbaar zijn gedurende de gehele
tijd dat de bemanning aan boord woont of werkt en de omstandigheden
dit vereisen.
5. Alle privaten moeten onafhankelijk
van elk ander gedeelte van de verblijven op de buitenlucht ventileren.
Artikel 74. Nachtverblijven
1.Met in achtneming van het bepaalde in
het tweede lid van dit artikel, dient een nachtverblijf ten hoogste te
zijn bestemd voor het hieronder vermelde aantal personen:
a. een nachtverblijf voor
officieren:
op schepen met een lengte van 60
meter en meer: 1 persoon
op schepen met een lengte van
minder dan 60 meter: 2 personen;
b. een nachtverblijf voor
scheepsgezellen:
op schepen met een lengte van 60
meter en meer: 2 personen
op schepen met een lengte van 35
tot 60 meter: 4 personen
op schepen met een lengte van
minder dan 35 meter: 6 personen.
2.Op schepen met een lengte van minder
dan 35 meter kan het nachtverblijf voor officieren en dat voor
scheepsgezellen worden gecombineerd tot één verblijf voor ten
hoogste 6 personen.
3.Op schepen met een lengte van 35
meter en meer moeten voor het dekpersoneel, het machinekamerpersoneel
en het personeel voor de civiele dienst afzonderlijke nachtverblijven
beschikbaar zijn.
4.Voor zover dit praktisch uitvoerbaar
is, moet het onderbrengen van de bemanning zo geschieden dat de
wachten gescheiden zijn en vrije wachtgasten (daglieden) geen
nachtverblijf delen met wachtdoenden.
5.Elk nachtverblijf moet duidelijk zijn
gemerkt met het maximum aantal personen waarvoor het bestemd is.
Artikel 75. Eisen nachtverblijven en
slaapplaatsen
1.Alle nachtverblijven moeten zodanig
zijn uitgevoerd en ingericht, dat de netheid wordt bevorderd en
redelijk comfort aan de bewoners wordt verzekerd.
2.Het vloeroppervlak per persoon in een
nachtverblijf voor scheepsgezellen of in een gecombineerd
nachtverblijf voor officieren en scheepsgezellen als bedoeld in het
tweede lid van artikel 74, de ruimte ingenomen door slaapplaatsen en
kasten niet meegerekend, moet ten minste bedragen:
a. op schepen met een lengte van 13
tot 19 meter: 0,5 m2,
b. op schepen met een lengte van 19
tot 26 meter: 0,75 m2,
c. op schepen met een lengte van 26
tot 35 meter: 0,9 m2,
d. op schepen met een lengte van 35
meter en meer: 1,0 m2.
3.Het vloeroppervlak per persoon in een
nachtverblijf voor officieren, de ruimte ingenomen door slaapplaatsen
en kasten niet meegerekend, moet ten minste bedragen:
a. op schepen met een lengte van
minder dan 60 meter: 2,0 m2,
b. op schepen met een lengte van 60
meter en meer: 2,5 m2.
4.In een nachtverblijf dient voor
iedere bewoner een kleerkast aanwezig te zijn met een hoogte van ten
minste 1,75 met en een dwarsdoorsnede van ten minste 0,2 m2, voorzien
van een legplank en een roede waaraan kleding op kleerhangers kan
worden gehangen. De kast moet zijn voorzien van een slot of van lippen
voor een hangslot.
5.In een nachtverblijf dient voor
iedere bewoner een lade of soortgelijke ruimte aanwezig te zijn met
een inhoud van tenminste 60 dm3.
6.In een nachtverblijf dient een tafel
of lessenaar met een gemakkelijke zitgelegenheid aanwezig te zijn.
De tafel of lessenaar mag vast,
klapbaar of uitschuifbaar zijn.
7.Een nachtverblijf dient te zijn
uitgerust met een spiegel, kastjes voor toiletbenodigdheden, een
boekenrek en een voldoende aantal kleerhaken.
8.Een nachtverblijf voor officieren
moet bovendien zijn voorzien van een wastafel, de nodige legkasten of
laden, gordijnen, handdoek- en deurhaken en van een doelmatige
vloerbedekking.
9.De meubelen dienen te zijn
vervaardigd van glad, hard materiaal dat niet krom trekt of roest en
waarin zich geen ongedierte kan nestelen.
10.Voor de patrijspoorten in een
nachtverblijf dienen gordijnen of jaloezieën te zijn aangebracht.
11.Voor elk lid van de bemanning moet
een afzonderlijke slaapplaats beschikbaar zijn.
12.Slaapplaatsen moeten behoorlijk van
elkaar zijn gescheiden en elk afzonderlijk toegankelijk zijn.
13.Er mogen niet meer dan twee
slaapplaatsen boven elkaar zijn aangebracht.
14.De onderkant van de onderste
slaapplaats moet ten minste 30 centimeter boven de vloer liggen; de
afstand tussen de onderkant van de onderste slaapplaats en de
onderkant van de bovenste slaapplaats en de afstand tussen de
onderkant van de bovenste slaapplaats en de onderkant van het plafond
dient ten minste 75 centimeter te bedragen.
15.Aan de onderkant van de bovenste
slaaplaats dient een stofdichte bodem van hout, zeildoek of ander
geschikt materiaal te zijn aangebracht.
16.De slaapplaatsen moeten binnenwerks
gemeten ten minste 2,0 meter lang en 0,68 meter breed zijn.
17.De slaapplaatsen moeten van hout of
van deugdelijk hard materiaal dat niet gemakkelijk roest, zijn
vervaardigd. De constructie moet zo zijn dat er zich geen ongedierte
in kan nestelen en de slaapplaats gemakkelijk kan worden
schoongemaakt.
Indien slaapplaatsen uit buizen zijn
samengesteld, mogen deze buizen geen openingen hebben die aan
ongedierte toegang kunnen verlenen. Houten kooiplanken moeten
uitneembaar zijn. Elke slaapplaats moet zijn voorzien van een matras
van deugdelijk materiaal. Als vulling voor matrassen mag geen
materiaal worden gebruikt, waarin zich ongedierte kan nestelen.
18.Onder de opening van een luchtkoker
mag geen slaapplaats aanwezig zijn.
Artikel 76. Eisen dagverblijven
1.De grootte en de inrichting, het
aantal tafels en geschikte zitplaatsen van een dagverblijf moeten
voldoende zijn voor het aantal personen dat gelijktijdig van het
verblijf gebruik moet kunnen maken.
2.Tenzij pantries aanwezig zijn die in
rechtstreekse verbinding staan met de dagverblijven, moet in deze
verblijven voldoende kastruimte aanwezig zijn voor het opbergen van
eetgerei, alsmede een geschikte gelegenheid voor het schoonmaken
daarvan.
3.De bovenkanten van tafels en
zitplaatsen moeten zijn vervaardigd van vochtwerend materiaal, zonder
barsten en gemakkelijk schoon te houden.
4.Waar dit uitvoerbaar is, dienen de
dagverblijven zodanig te zijn ontworpen, gemeubileerd en uitgerust dat
zij gelegenheid bieden tot ontspanning.
5.Indien een
radiodistributie-installatie aanwezig is, moeten de dagverblijven
daarop zijn aangesloten.
Artikel 77. Sanitaire voorzieningen
1.Elk schip moet zijn voorzien van
voldoende sanitaire voorzieningen, met inbegrip van wastafels, douches
en privaten.
2.Voor personen die gebruik maken van
een nachtverblijf dat niet is voorzien van eigen sanitair, moeten de
volgende voorzieningen aanwezig zijn:
a. één wastafel voor elke 6
personen of minder,
b. één douche voor elke 8
personen of minder,
c. één privaat voor elke 8
personen of minder.
Bij de berekening wordt een aantal van
3 personen of minder ten aanzien van douches en privaten en een aantal
van 2 personen of minder ten aanzien van wastafels, verwaarloosd.
Artikel 78. Eisen sanitaire inrichtingen
1.Sanitaire inrichtingen bestemd voor
gemeenschappelijk gebruik dienen aan de volgende eisen te voldoen:
a. de vloer moet van deugdelijk,
duurzaam en gemakkelijk te reinigen materiaal zijn vervaardigd dat
ondoordringbaar is voor vocht; een behoorlijke waterafvoer moet
mogelijk zijn;
b. de schotten moeten van staal of
ander deugdelijk materiaal zijn vervaardigd en tot een hoogte van
ten minste 25 centimeter boven de vloer waterdicht zijn
uitgevoerd;
c. privaten moeten op voldoende
wijze van elkaar zijn gescheiden; zij moeten gemakkelijk
bereikbaar zijn gelegen, afgescheiden van de verblijven. Zij mogen
noch rechtstreeks in verbinding staan met de nachtverblijven, noch
met een doodlopende gang tussen de nachtverblijven en de privaten,
met dien verstande dat dit niet geldt voor een privaat tussen twee
nachtverblijven die tezamen voor niet meer dan 4 personen zijn
bestemd;
d. privaten moeten van een ruime
afvoer zijn voorzien en elk afzonderlijk door middel van een
deugdelijke vast aangebrachte inrichting van voldoende capaciteit
gemakkelijk kunnen worden doorgespoeld, zodanig dat geen stank
wordt verspreid. De watertoevoer moet steeds beschikbaar zijn en
onafhankelijk te bedienen. De privaten moeten van een zodanig
model zijn en de afvoer zodanig zijn ingericht, dat de kans op
verstopping zo klein mogelijk is en het schoonhouden
vergemakkelijkt wordt. De afvoer mag niet door drinkwatertanks en,
indien uitvoerbaar, niet onderdeks door dag- of nachtverblijven
lopen;
e. wastafels moeten voldoende
afmetingen hebben en zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal met
een gladde oppervlakte, niet onderhevig aan scheuren, schilferen
of roesten;
f. alle wastafels en douches moeten
zijn voorzien van stromend koud en warm zoetwater.
2.Het bepaalde onder a, b, d, e en f
van het eerste lid van dit artikel is mede van toepassing op wastafels
in nachtverblijven en op sanitaire inrichtingen die rechtstreeks in
verbinding staan met nachtverblijven.
Artikel 79. Wassen en drogen van kleding
1.Op schepen met een lengte van 35
meter en meer moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor het wassen
en drogen van kleding.
2.De wasplaats voor kleding dient
geschikte spoelbakken te bevatten die zijn voorzien van een afvoer.
Zij mogen in een badkamer worden geplaatst indien niet in een
afzonderlijke wasruimte kan worden voorzien. De spoelbakken moeten
zijn voorzien van stromend koud en warm zoet water.
3.Een van de verblijven afgescheiden
ruimte moet beschikbaar zijn voor het drogen van kleding. Deze ruimte
moet voldoende kunnen worden verwarmd en geventileerd en zijn voorzien
van middelen voor het ophangen van kleding.
Artikel 80. Berging van oliegoed en natte
of vuile kledingstukken
Op elk schip dient nabij de
nachtverblijven, doch daarvan gescheiden, voldoende en behoorlijk
geventileerde bergruimte aanwezig te zijn om oliegoed en natte of vuile
kledingstukken op te hangen.
Artikel 81. Ziekenverblijf en ziekenkooi
1.Op schepen met een lengte van 45
meter en meer moet een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig zijn dat
voldoet aan het terzake bepaalde in artikel 61 van dit besluit.
2.Op schepen met een lengte van 35 tot
45 meter moet voor een zieke of gewonde een éénpersoons
nachtverblijf beschikbaar kunnen worden gesteld, waarin de slaapplaats
als ziekenkooi is ingericht. Op schepen met een lengte van minder dan
35 meter kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte
slaapplaats in een nachtverblijf.
3.De ziekenkooi moet zodanig zijn
ingericht, dat de zieke er gemakkelijk met de matras ingebracht en
uitgenomen kan worden, waartoe zo nodig de schotten wegneembaar moeten
zijn.
4.Indien iemand aan een ernstige of aan
een besmettelijke ziekte lijdt, moet zoveel doenlijk getracht worden
de zieke afgezonderd van alle anderen te verplegen.
Artikel 82. Reinheid van de verblijven
1.De verblijven moeten schoon en in
behoorlijk bewoonbare toestand worden gehouden; goederen en voorraden
die niet het persoonlijk eigendom zijn van de gebruikers van het
verblijf, mogen er niet worden opgeborgen.
2.Ten minste éénmaal per week wordt
door de kapitein of een daarvoor door hem aangewezen officier een
inspectie van alle verblijven gehouden, waarbij hij zich door een of
meer leden van de bemanning doet vergezellen. Van zijn bevindingen
wordt in het scheepsdagboek melding gemaakt.
Artikel 83. Plichten van de kapitein
De kapitein is verplicht, indien gebreken
blijken aan voorgeschreven inrichtingen en hulpmiddelen, daarin zo
spoedig mogelijk te doen voorzien.
Artikel 84. Toepasselijkheid en
vrijstellingen
1. Behoudens het bepaalde in het derde
en vierde lid, zijn de artikelen 68-81 niet van toepassing op
bestaande vissersschepen. Op bestaande vissersschepen blijven van
toepassing de artikelen 46-65, voorkomende in het besluit van 15 mei
1937, Stb. 242, zoals deze luiden vóór de datum waarop dit besluit
in werking treedt.
2. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan, na overleg met de rechtspersoonlijkheid bezittende
organisaties van zeewerkgevers en vissers afwijkingen toestaan van het
bepaalde in de artikelen 68-81, indien deze afwijkingen voordelen
medebrengen welke tot resultaat hebben, dat de inrichting over het
geheel genomen niet minder gunstig is dan die, welke het gevolg zou
zijn van volledige toepassing van de bepalingen van dit besluit.
3. Voor een vissersschip dat op de
datum waarop dit besluit in werking treedt geheel gereed is, kan Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat, na raadpleging van de
rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties van zeewerkgevers en
vissers, wanneer het schip onder Nederlandse vlag wordt gebracht of
wanneer ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties aan
het schip worden uitgevoerd volgens een tevoren ontworpen plan en niet
tengevolge van een ongeval of ramp, wijzigingen voorschrijven, welke
nodig zijn om het schip te laten voldoen aan de eisen gesteld in de
artikelen 68-81, voor zover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening
houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing
voordoen.
4. Is een vissersschip op de datum
waarop dit besluit in werking treedt in aanbouw of wordt het op die
datum verbouwd, dan kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na
raadpleging van de in het derde lid genoemde belanghebbenden,
wijzigingen voorschrijven, welke nodig zijn om het schip te laten
voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 69-81, voorzover hij dit
mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen
welke zich bij de toepassing voordoen.
5. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat kan bij de toepassing van het derde of vierde lid bepalen
binnen welke tijdsduur de voor te schrijven wijzigingen ten uitvoer
moeten worden gelegd.
§ 4. Toezicht en inspectie
Artikel 85
1. Met het toezicht op de naleving van
het bepaalde bij of krachtens de artikelen 47 tot en met 84 zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
2. Het certificaat bedoeld in artikel
407 van het Wetboek van Koophandel wordt in twee exemplaren
uitgereikt.
3. Ter verkrijging van een certificaat,
als bedoeld in het tweede lid, wendt de eigenaar zich, alvorens met de
bouw van het schip wordt begonnen, tot Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, onder overlegging van een algemeen plan, aangevende de
plaats en de algemene indeling van de verblijven van de bemanning en
de kombuis. Alvorens met de bouw van de verblijven en de kombuis wordt
aangevangen, moet een uitgewerkt plan met toelichting worden
overgelegd, aangevende de ligging van elke ruimte, de meubilering en
stoffering, de ventilatie, verlichting en verwarming en de sanitaire
inrichtingen.
4. Afschriften van het uitgereikte
certificaat voor de verblijven moeten op zodanige plaatsen aan boord
worden opgehangen, dat elke schepeling van de inhoud kan kennis nemen.
5. Wanneer door een organisatie die
rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is van zeelieden, dan
wel door tenminste een derde van de schepelingen bij Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat een klacht is ingediend, inhoudende, dat de
verblijven niet aan de voorschriften voldoen, wordt door een bij
besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat een onderzoek
ingesteld, indien de klacht zo tijdig binnenkomt, dat het onderzoek
kan geschieden zonder het schip op te houden.
Hoofdstuk VIII. Processueele bepaling
Artikel 86. Uitvoering artikel 450d
Wetboek van Koophandel
De oproeping door den griffier, bedoeld
in artikel 450d van het Wetboek van Koophandel, geschiedt bij
aangeteekenden brief, tenzij de rechter op grond van bijzondere
omstandigheden eene andere wijze van oproeping beveelt, in welk geval
deze andere wijze wordt gevolgd.
Hoofdstuk IX. Slotbepalingen
Artikel 87. Intrekking besluiten
Bij het in werking treden van dit besluit
zijn ingetrokken de Koninklijke besluiten van:
30 Augustus 1829 (Staatsblad no. 61);
5 October 1867 (Staatsblad no. 104),
gewijzigd bij Koninklijk besluit van 27 Juni 1921 (Staatsblad no. 814);
29 Juni 1878 (Staatsblad no. 99),
laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14 Maart 1933
(Staatsblad no. 95);
17 Juni 1906 (Staatsblad no. 206);
2 April 1929 (Staatsblad no. 140);
2 April 1929 (Staatsblad no. 141),
gewijzigd bij Koninklijk besluit van 31 Mei 1930 (Staatsblad no. 222);
10 April 1929 (Staatsblad no. 150).
Artikel 88. Verkorte benaming
Dit besluit kan worden aangehaald onder
den titel van "Schepelingenbesluit".
Onze Ministers van Justitie en van Waterstaat zijn belast met de
uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den
Raad van State.
Het Loo, den 15den Mei 1937
WILHELMINA
De Minister van Justitie,
Van
Schaik
De Minister van Waterstaat,
Van Lidth de Jeude
Uitgegeven den vijf en twintigsten
Mei 1937
De Minister van Justitie,
Van
Schaik
|