| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van Militair
Strafrecht (WvMS)
RIJKSBESLUIT
UITVOERINGSBEPALINGEN MILITAIR STRAF- EN
TUCHTRECHT
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
RIJKSBESLUIT van 25 november 1999, houdende regels met
betrekking tot de uitvoeringsbepalingen ingevolge het Wetboek van
Militair Strafrecht, de Wet militair tuchtrecht en de Wet militaire
strafrechtspraak (Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf-
en tuchtrecht)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1999, nr.
CST99/0117/016 99002114, directie juridische zaken, gedaan mede
namens Onze Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 21, 36b, 44a,
59, 71 en 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht, de artikelen 46,
65, 80p, 92, 98, 103 en 105 van de Wet militair tuchtrecht en de
artikelen 6, 9, 11, 17, 18, 23, 33 en 61 van de Wet militaire
strafrechtspraak;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 18 oktober 1999);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Defensie van 24 november 1999, nr. CST 99/0117/016
99.003153 uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Nadere bepalingen met betrekking tot het Wetboek van
militair strafrecht
§ 1. Tenuitvoerlegging buiten het Europese deel van Nederland en
buiten het Koninkrijk
Artikel 1
1. Tenuitvoerlegging in strafinrichtingen in Aruba, Curaçao of
Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba als bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan
plaatsvinden, indien:
a. het feitelijk onmogelijk is om gebruik te maken van een
daartoe bestemde inrichting of bestemd gebouw in Nederland, of
b. de veroordeelde in een van deze landen is geboren, terwijl
zulks dienstbaar is aan de voorbereiding van de terugkeer van de
veroordeelde in het maatschappelijk leven, dan wel
c. de veroordeelde zich op het tijdstip waarop de straf
uitvoerbaar is geworden, in een van deze landen bevindt, met dien
verstande, dat hij, anders dan met zijn schriftelijke toestemming
ten hoogste zes maanden van de straf in zulk een inrichting of
gebouw ondergaat.
2. De straf wordt ten uitvoer gelegd, indien zij bestaat uit:
a. gevangenisstraf: in een gevangenis;
b. militaire detentie: in een huis van bewaring;
c. hechtenis: in een huis van bewaring.
Artikel 2
1.Tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het
Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in een
strafinrichting buiten het Koninkrijk, die naar het oordeel van het
met de tenuitvoerlegging belaste gezag daarvoor genoegzaam geschikt
is, of, doch voor ten hoogste vier weken, op een plaats bestemd of
geschikt voor het ondergaan van een tuchtrechtelijke straf. Tenzij het
feitelijk onmogelijk is de veroordeelde zijn verdere straf in een
strafinrichting binnen het Koninkrijk te doen ondergaan, vindt, zonder
diens schriftelijke toestemming, de tenuitvoerlegging voor ten hoogste
zes maanden in een strafinrichting buiten het Koninkrijk plaats.
2.Is een strafinrichting buiten het Koninkrijk niet of niet meer
beschikbaar, dan kan de gehele straf of het gehele verdere deel van de
straf worden ondergaan op een plaats bestemd of geschikt voor het
ondergaan van een tuchtrechtelijke straf.
3.Bij de aanwijzing van die plaatsen ziet het met de
tenuitvoerlegging belaste gezag erop toe dat de vrijheid van de
veroordeelde ten gevolge van die aanwijzing niet anders wordt beperkt
dan uit de aard van de opgelegde straf noodzakelijk voortvloeit.
§ 2. Tijdstip van ingang bijkomende straf
Artikel 3
1. Met betrekking tot het tijdstip van ingang van de bijkomende
straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen,
genoemd in artikel 36 van het Wetboek van Militair Strafrecht, of de
luchtvaart uit te oefenen, genoemd in artikel 36a van die wet, en de
daaraan verbonden administratieve gevolgen wordt die straf
gelijkgesteld met de overeenkomstige straf van het burgerlijk
strafrecht van het rijksdeel, waar de veroordeelde op het tijdstip van
het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak woont, of, zo
hij op dat tijdstip militair is, is gestationeerd. Is de veroordeelde
buiten het Koninkrijk woonachtig onderscheidenlijk gestationeerd, dan
vindt gelijkstelling met de overeenkomstige straf in het Wetboek van
Strafrecht van het Europese deel van Nederland plaats.
2. Indien met toepassing van het eerste lid het tijdstip van ingang
van de daar genoemde bijkomende straffen niet kan worden bepaald, gaan
zij in zodra de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.
3. Bij de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, verliest een aan de
veroordeelde door Onze Minister van Defensie afgegeven militair
rijbewijs zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de
rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.
4. De veroordeelde is verplicht het betrokken rijbewijs binnen acht
dagen nadat het zijn geldigheid heeft verloren, op eerste vordering
over te geven aan een door het met de tenuitvoerlegging belaste gezag
aangewezen opsporingsambtenaar. De ambtenaar zendt het bewijs
onverwijld naar dat gezag.
5. Indien een militair de bijkomende straf van ontzegging van de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd, geeft het openbaar
ministerie daarvan kennis aan Onze Minister van Defensie. De datum
waarop deze bijkomende straf onherroepelijk wordt of is geworden,
wordt eveneens medegedeeld.
§ 3. Verpleging in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire,
Sint Eustatius of Saba
Artikel 4
1. De verpleging van personen, bedoeld in artikel 44a van het
Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in Aruba, Curaçao
of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien
a. de gelegenheid ontbreekt gebruik te maken van een daartoe
bestemd psychiatrisch ziekenhuis of een daartoe bestemde
inrichting in Nederland, of
b. de ter beschikking gestelde in één van deze landen is
geboren.
2. De verpleging kan slechts plaatsvinden in een psychiatrisch
ziekenhuis of een inrichting welke naar het oordeel van het met de
tenuitvoerlegging belaste gezag daartoe, mede met het oog op de
persoon van de ter beschikking gestelde, genoegzaam geschikt is.
§ 4. Transactie
Artikel 5
1. De uitoefening van de bevoegdheid tot het stellen van
voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging, bestaande uit de
betaling van een bepaalde geldsom aan de staat of in de gehele of
gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte
schade, dan wel beide, wordt in de bij het tweede lid aangewezen zaken
toegekend aan de krachtens artikel 59 van de Wet militaire
strafrechtspraak aangewezen bevelvoerende militairen.
2. De bevoegdheid tot het stellen van voorwaarden ter voorkoming
van strafvervolging kan slechts worden uitgeoefend in zaken,
betrekking hebbend op de strafbare feiten omschreven in de artikelen
141, 142, 266, 267, 300, eerste lid, 310, 311, eerste lid, aanhef en
onder 4 en 5, 321, 350, 424, 426 en 453 van het Wetboek van Strafrecht
van het Europese deel van Nederland.
3. De officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket
bij het in artikel 3, tweede lid, van de Wet militaire
strafrechtspraak aangewezen gerecht, stelt een richtlijn vast, waarin
per delictscategorie de bedragen worden aangegeven, tegen betaling
waarvan de verdachte, op een daartoe strekkend aanbod van de
bevelvoerende militair, de strafvervolging terzake van de strafbare
feiten, bedoeld in het tweede lid kan voorkomen. De officier van
justitie volgt daarbij zoveel mogelijk de dienovereenkomstige
landelijk geldende tarieflijst voor het door het College van
procureurs-generaal vastgestelde transactiebeleid inzake deze feiten.
4. De officier van justitie kan de bevelhebber van een
krijgsmachtdeel schriftelijk mededelen dat klemmende redenen in het
belang van de strafvordering vergen dat een bepaalde bevelvoerende
militair behorende tot dat krijgsmachtdeel tot nader bericht geschorst
wordt in de uitoefening van de bevoegdheid tot het stellen van
voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging. De bevelhebber draagt
zorg dat deze mededeling de betrokken bevelvoerende militair
onverwijld bereikt en dat deze dienovereenkomstig handelt.
5. Indien de redenen der schorsing zijn vervallen, stelt de
officier van justitie de bevelhebber daarvan onverwijld schriftelijk
in kennis. Deze draagt zorg dat dit bericht de betrokken bevelvoerende
militair bereikt.
Artikel 6
Indien het strafbare feit is begaan in deelneming met een of meer
personen op wie uitsluitend het Wetboek van Strafrecht van het Europese
deel van Nederland van toepassing is, oefent de bevelvoerende militair
de hem verleende transactiebevoegdheid niet uit dan met door tussenkomst
van de bevelhebber van het betrokken krijgsmachtdeel verkregen
toestemming van de officier van justitie.
Artikel 7
1.De officier van justitie ziet erop toe dat de bevelvoerende
militair, indien de voorwaarde, gesteld ter voorkoming van
strafvervolging, bestaat in de betaling van een geldsom, geen andere
bedragen aanwijst dan vastgelegd zijn in de richtlijn, bedoeld in
artikel 5, derde lid, voor de overeenkomstige strafbare feiten. Hij
draagt zorg dat de bevelvoerende militairen door tussenkomst van de
bevelhebber van het betrokken krijgsmachtdeel in het bezit worden
gesteld van deze richtlijn. Aan de betrokken persoon verleent de
betrokken bevelvoerende militair, ter gelegenheid van de uitoefening
van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, desgevraagd
inzage van deze richtlijn.
2.De bevelvoerende militair reikt onverwijld aan degene die
vrijwillig voldoet aan de voorwaarde tot betaling van een geldsom, een
gedagtekend en door de bevelvoerende militair ondertekend
betalingsbewijs uit. De officier van justitie stelt het formulier van
dit betalingsbewijs vast.
3.De bevelvoerende militair houdt van ieder aanbod en iedere inning
aantekening. Hij vermeldt daarin de personen aan wie de voorwaarde is
gesteld, het ontdekte strafbare feit en de wijze van voldoening. De
aantekeningen worden, uiterlijk binnen een jaar, overgelegd aan de
officier van justitie, bedoeld in artikel 5, derde lid, door
tussenkomst van de betrokken bevelhebber.
4.Met betrekking tot de verantwoording van de op het transactie
aanbod verkregen gelden zijn de artikelen 11, 12, 13 en 14 van het
Transactiebesluit 1994 van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat waar in die artikelen wordt gedoeld op de buitengewoon
opsporingsambtenaren onderscheidenlijk de korpschef daarvoor in de
plaats treedt de bevelvoerende militair onderscheidenlijk de
bevelhebber van het betrokken krijgsmachtdeel en dat met hoofdofficier
van justitie steeds wordt gedoeld op de ambtsdrager, aangeduid in
artikel 5, derde lid, van dit besluit.
§ 5. Bekendmaking «tijd van oorlog»
Artikel 8
1.De bekendmaking van een aanwijzing als bedoeld in artikel 71 van
het Wetboek van Militair Strafrecht geschiedt kort voor de
vermoedelijke aanvang van de opgedragen taak mondeling door de
militair die over het aangewezen gedeelte van de krijgsmacht het bevel
voert.
2.Bij de bekendmaking wordt eveneens medegedeeld dat onmiddellijk
daarna en totdat de opgelegde taak is geëindigd, ten aanzien van
voormeld gedeelte voor de toepassing van de strafwet tijd van oorlog
aanwezig wordt geacht en de personen tegenover wie het geweld van de
wapens kan worden aangewend, worden gelijkgesteld met de vijand.
3.Van de bekendmaking en de mededeling wordt door degene die de
bekendmaking en mededeling heeft gedaan, proces-verbaal opgemaakt, dat
aan Onze Minister van Defensie wordt gezonden.
§ 6. Dienstvoorschriften
Artikel 9
1.Onder de in artikel 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht
bedoelde besluiten van algemene strekking worden, naast de in dit
besluit vervatte regelen van algemene strekking, mede verstaan de
schriftelijke besluiten van algemene strekking welke voor de
inwerkingtreding van de Rijkswet van 14 juni 1990, tot wijziging van
het Wetboek van Militair Strafrecht in verband met de herziening van
het militair tuchtrecht en ter afschaffing van de doodstraf, door Onze
Minister van Defensie of door het gezag dat op grond van de Wet op de
Krijgstucht alstoen bevoegd was tot het opleggen van krijgstuchtelijke
straffen, werden vastgesteld en bekendgemaakt. Bij de toepassing van
artikel 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht worden dergelijke
besluiten gelijkgesteld met besluiten die zijn vastgesteld krachtens
dit besluit.
2.Tot het ter verzekering van het goede functioneren van de
krijgsmacht, ter bevordering van de veiligheid en ter handhaving van
de discipline geven van dienstvoorschriften, zijn bevoegd:
a. Onze Minister van Defensie;
b. de door Onze Minister van Defensie aan te wijzen
functionarissen;
c. de bevelvoerend militair, bedoeld in artikel 49, eerste lid,
van de Wet militair tuchtrecht, alsmede de boven hem gestelde
bevelvoerende militairen.
3.De bevelvoerende militair, bedoeld in het tweede lid, onder c, is
niet bevoegd dienstvoorschriften te geven die in strijd zijn met
dienstvoorschriften die gegeven zijn door boven hem gestelde
bevelvoerende militairen of door Onze Minister van Defensie.
4.De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze algemene
maatregel van rijksbestuur geldende dienstvoorschriften, gegeven
krachtens artikel 9, tweede lid, van het Besluit uitvoeringsbepalingen
militair straf- en tuchtrecht berusten vanaf dat tijdstip op artikel
9, tweede lid, van dit rijksbesluit.
Hoofdstuk II. Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militair
tuchtrecht
§ 1. Tuchtrechtelijke geldboete
Artikel 10
1.De betaling, de administratie, het beheer en de verantwoording
van geïnde geldboeten geschiedt volgens door Onze Minister van
Defensie te stellen regels. Als betaling worden in ieder geval
aangemerkt:
a. contante betaling;
b. verstrekken van een machtiging tot inhouding op de
bezoldiging.
2.Naar door Onze Minister van Defensie te stellen regels worden de
uit geldboeten ontvangen gelden periodiek ter nadere verrekening
overgedragen aan het Ministerie van Defensie. De zodanig ontvangen
gelden komen ten goede aan 's Rijks schatkist.
§ 2. Vergoeding voor advocaat, getuige en deskundige
Artikel 11
1.Vergoedingen als bedoeld in artikel 65 van de Wet militair
tuchtrecht van door niet-militaire getuigen en deskundigen gemaakte
onkosten worden berekend naar de regelen, vervat in de artikelen 1 tot
en met 4, 6 en 7a van het Besluit tarieven in strafzaken.
2.Op de ingevolge artikel 92, vierde lid, van de Wet militair
tuchtrecht toegevoegde advocaat is het Besluit vergoedingen
rechtsbijstand 1994 van overeenkomstige toepassing. Daarbij wordt de
wegingsfactor, genoemd in bijlage II B, onder Z.080, bij dat besluit
gebruikt.
§ 3. Herstel geleden nadeel
Artikel 12
Herstel van het geleden nadeel ingeval een beklag of beroep over de
wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van
uitgaansverbod geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, geschiedt
als volgt:
a. indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van
tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst wordt voor iedere
dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht,
een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur toegekend;
b. indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van
tenuitvoerlegging van een straf van uitgaansverbod:
1E. en de straf is ondergaan op een vrije dag: voor iedere
dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt
geacht, wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van twee
uren toegekend;
2E. en de straf is ondergaan op een werkdag: voor iedere dag
waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht,
wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur
toegekend.
Artikel 13
1.Herstel van het geleden nadeel van een bij de beslissing op
beklag of in beroep geheel of gedeeltelijk teniet-gedane of
verminderde reeds ondergane straf van strafdienst of van
uitgaansverbod, geschiedt als volgt:
a. iedere dag waarop de straf van strafdienst is ondergaan,
wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van maximaal een halve
werkdag;
b. iedere vrije dag waarop de straf van uitgaansverbod is
ondergaan, wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van één
werkdag;
c. iedere werkdag waarop de straf van uitgaansverbod is
ondergaan, wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van een halve
werkdag.
2.Indien een dag uitgaansverbod ten onrechte gedeeltelijk is
ondergaan, wordt 12 uur of meer met vrije tijd voor de duur van een
hele werkdag vergoed en wordt minder dan 12 uur vergoed met vrije tijd
voor de duur van een halve werkdag.
Artikel 14
1.Op het verlenen van verlof in verband met herstel van het geleden
nadeel als bedoeld in de artikelen 12 en 13 zijn de artikelen 63, 64,
65 en 67 van het Algemeen militair ambtenarenreglement van
overeenkomstige toepassing.
2.Ingeval herstel van het geleden nadeel plaatsvindt binnen 30
dagen voordat de militair de dienst verlaat of nadat de militair de
dienst heeft verlaten, wordt op verzoek van de militair de toegekende
vrije tijd vervangen door een geldbedrag.
3.Onze Minister van Defensie bepaalt welk geldbedrag in de plaats
komt van ieder uur toegekende vrije tijd.
§ 4. Bewaring van en klachten ten aanzien van ingenomen voorwerpen
en geschriften
Artikel 15
1.Op grond van artikel 103 van de Wet militair tuchtrecht ingenomen
geschriften of voorwerpen worden zo spoedig mogelijk na inneming
deugdelijk gewaarmerkt en bewaard door de commandant van de
rechthebbende in een goed afgesloten kast of ruimte, welke niet voor
derden toegankelijk is.
2.Indien de rechthebbende niet bekend is, worden de geschriften of
voorwerpen bewaard:
a. bij inneming op een militaire plaats, niet zijnde een
militair voertuig dat in gebruik is bij of ten behoeve van de
krijgsmacht: door de commandant van die militaire plaats;
b. bij inneming in de overige gevallen: door de commandant van
de brigade van de Koninklijke marechaussee in wiens ressort de
geschriften of voorwerpen zijn ingenomen.
3.De bewaarder geeft een geschrift of voorwerp uitsluitend af aan
de rechthebbende tegen een bewijs, waarin de datum der afgifte, de
aard van het geschrift of voorwerp en de naam, de rang en het
registratienummer van de ontvanger zijn vermeld.
Artikel 16
1.De rechthebbende en eventuele andere belanghebbenden kunnen
schriftelijk klagen bij de voorzitter van de militaire kamer, bedoeld
in artikel 87 van de Wet militair tuchtrecht, over het gebruik van de
ingenomen voorwerpen of geschriften, over de wijze van bewaring, het
voortduren der inneming, over het uitblijven en de wijze van
teruggave.
2.Het klaagschrift wordt binnen vijf dagen na de inneming ingediend
bij de commandant.
3.De artikelen 82, tweede en derde lid, 83, 84, 104, derde, vijfde
en zesde lid van de Wet militair tuchtrecht, zijn van overeenkomstige
toepassing.
4.Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond dan
geeft hij de daarmede overeenkomende last.
§ 5. Uitvoering tuchtstraffen opgelegd aan krijgsgevangenen
Artikel 17
De duur van de straf van arrest, genoemd in artikel 89, eerste lid,
onder 4, van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van
krijgsgevangenen, is ten hoogste dertig dagen.
Artikel 18
Bij de oplegging van de straf van arrest kan door de kampcommandant
voor gestraften die op grond van hun persoonlijkheid niet geschikt zijn
om in gemeenschap te worden geplaatst of op gronden ontleend aan de
veiligheid, worden bepaald welk deel van dat arrest in afzondering wordt
ondergaan.
Artikel 19
1.Het arrest wordt door de krijgsgevangene ondergaan:
a. «niet in afzondering» in een daartoe bestemde ruimte of
bestemd lokaal of, indien niet aanwezig, op een door de
kampcommandant aan te wijzen plaats;
b. «in afzondering» in een daartoe bestemde cel of, indien
niet aanwezig, op een andere door de kampcommandant aan te wijzen
plaats.
2.Op gronden ontleend aan de lichamelijke of geestelijke toestand
van de met arrest gestrafte krijgsgevangene, de omstandigheden van het
klimaat of het weer dan wel de toestand van de ruimte, het lokaal of
de cel waarin het arrest moet worden ondergaan onderscheidenlijk de
toestand van de daartoe aangewezen plaats, kan de rechtstreeks boven
de kampcommandant gestelde bevelvoerende militair de plaats van arrest
wijzigen indien dit in het belang van de gestrafte noodzakelijk is.
3.Het arrest, genoemd in het eerste lid, onder a, mag niet worden
ondergaan in gemeenschap met niet met arrest gestrafte
krijgsgevangenen, behoudens tijdens het verrichten van werkzaamheden
welke de met arrest gestrafte krijgsgevangene zijn opgedragen.
Artikel 20
Het is de met arrest gestrafte krijgsgevangene verboden de plaats
waar hij zijn straf moet ondergaan gedurende zijn straftijd zonder
noodzaak te verlaten of zonder daartoe verkregen toestemming aldaar
bezoek te ontvangen. De kampcommandant kan de gestrafte toestemming
verlenen tot het bijwonen van godsdienstoefeningen.
Artikel 21
1.Aan een krijgsgevangene, verdacht van een tuchtvergrijp, kan
voorlopig arrest worden aangezegd, indien de orde en tucht in het
krijgsgevangenkamp zulks vereisen of indien hij zich schuldig heeft
gemaakt aan een van de vergrijpen als bedoeld in artikel 105, onder d,
van de Wet militair tuchtrecht.
2.Het voorlopig arrest wordt ondergaan in de vorm van het in
artikel 19 omschreven arrest in afzondering.
Hoofdstuk III. Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militaire
strafrechtspraak
§ 1. Reis- en verblijfskosten, eedsaflegging en tenue van de
militaire leden
Artikel 22
1.De militaire leden genieten een vergoeding van reis- en
verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor
de burgerlijke ambtenaren werkzaam op de ministeries zijn of zullen
worden vastgesteld.
2.De militaire leden leggen de eed of belofte af in handen van het
desbetreffende college.
3.Van het afleggen van de eed of belofte wordt een akte opgemaakt.
4.De eed of belofte wordt afgenomen op requisitoir van het openbaar
ministerie.
5.De militaire leden zijn ter terechtzitting gekleed in de tenue
vastgesteld voor het betrokken krijgsmachtdeel.
§ 2. Bevelsgebied commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied
Artikel 23
Het bevelsgebied, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
militaire strafrechtspraak, van de commandant der zeemacht in het
Caraïbisch gebied beslaat het grond- en watergebied van Aruba, Curaçao
en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het zeegebied
van de Atlantische Oceaan, de Caraïbische Zee en de Golf van Mexico
begrensd:
– ten noorden door: de parallel van 35 graden noorderbreedte;
– ten oosten door: de meridiaan van 51 graden westerlengte
vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar;
– ten zuiden door: de evenaar;
– ten westen door: de meridiaan van 100 graden westerlengte
vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar.
§ 3. Reis- en verblijfskostenvergoeding voor de officier-raadsman en
voor de verdachte
Artikel 24
Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 23, vijfde lid,
van de Wet militaire strafrechtspraak, van de officier die als raadsman
optreedt en van de kosten, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die
wet, van de verdachte die in verband met de uitoefening van de dienst in
een ander land verblijft dan waarin de rechter zitting houdt en wiens
verschijnen in persoon door de rechter is bevolen, is het Besluit
dienstreizen defensie van toepassing.
§ 4. Bevoegdheden van de opsporingsambtenaren buiten het Koninkrijk
Artikel 25
1. Voorzover aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen
141, 142 en 154 van het Wetboek van Strafvordering van het Europese
deel van Nederland, bevoegdheden toekomen in verband met het opsporen
van feiten, waarvan de rechter bedoeld in de Wet militaire
strafrechtspraak kennis neemt, kunnen zij die bevoegdheid buiten het
grondgebied van het Europese deel van Nederland slechts uitoefenen,
voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
2. Voorzover zij deze bevoegdheden uitoefenen in Aruba, Curaçao en
Sint Maarten en in Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten laste van
personen die niet aan de rechtsmacht van de in het eerste lid bedoelde
rechter zijn onderworpen, nemen zij daarbij de ter plaatse geldende
wetgeving betreffende de gewone strafvordering in acht.
Artikel 26
1. Buiten het Koninkrijk zijn de in de artikelen 141, 142 en 154
van het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van Nederland
bedoelde opsporingsambtenaren bevoegd van de aan de militaire
rechtsmacht onderworpen bestuurder van een motorrijtuig de overgifte
te vorderen van het hem ingevolge enige binnen het Koninkrijk geldende
regeling afgegeven rijbewijs, dan wel van het hem in het buitenland
uitgereikte internationaal rijbewijs, indien tegen deze bestuurder
proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van:
a. het eerste of het tweede lid van artikel 8 van de
Nederlandse Wegenverkeerswet 1994;
b. artikel 163 of 164 van het Wetboek van Militair Strafrecht
dan wel;
c. met de onder a en b genoemde bepalingen overeenkomende
voorschriften van de wegenverkeerswetgeving van Aruba, Curaçao en
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De bestuurder is op de eerste vordering van de opsporingsambtenaar
verplicht tot overgifte van het rijbewijs.
2. Het ingevorderde rijbewijs of internationaal rijbewijs of de
ingevorderde rijbewijzen worden, tegelijk met het proces-verbaal,
onverwijld opgezonden aan de betrokken officier van justitie bij de
rechterlijke instantie bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak.
Deze is bevoegd dat bewijs of die bewijzen onder zich te houden,
totdat de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen,
of indien bij die uitspraak de bestuurder de bevoegdheid
motorrijtuigen te besturen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die
uitspraak, wat betreft de bijkomende straf van ontzegging, voor
tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In dat laatste geval draagt hij
zorg dat, na het bovenbedoelde tijdstip, het binnen het Koninkrijk
afgegeven rijbewijs wordt ingeleverd bij degene, die dat bewijs heeft
afgegeven.
3. In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig,
voorzover geen andere bestuurder beschikbaar is, onder toezicht, of
voorzover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt,
in bewaring worden gesteld. In dat geval wordt het motorrijtuig op
kosten van de verdachte overgebracht naar een door de verbaliserende
persoon geschikt geachte plaats en aldaar op kosten van de verdachte
bewaard, totdat het door of vanwege de eigenaar of houder wordt
afgehaald. Indien de eigenaar of houder een ander is dan de verdachte,
is hij bevoegd die kosten op de verdachte te verhalen.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel 27
Het Besluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht wordt
ingetrokken.
Artikel 28
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip dat de Rijkswet van 2
juni 1999 tot wijziging van de Wet militair tuchtrecht, het Wetboek van
militair strafrecht en de Wet militaire strafrechtspraak naar aanleiding
van het gehouden evaluatie-onderzoek in werking treedt.
Artikel 29
Dit besluit wordt aangehaald als: Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen
militair straf- en tuchtrecht.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 25 november 1999
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Staatssecretaris van Defensie,
H.A.L. van Hoof
Uitgegeven de dertigste november 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|