| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafrecht (Sr)
BESLUIT
GEDRAGSBEÏNVLOEDING JEUGDIGEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 januari 2008, houdende uitwerking van
de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen die strafbare
feiten hebben begaan (Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 november 2007, nr.
55287556/07/6;
Gelet op de artikelen 77w, vijfde lid en
77z van het Wetboek van Strafrecht en artikel 493, zesde lid, van
het Wetboek van Strafvordering;
De Raad van State gehoord (advies van 20
december 2007, nr. W03.07.0444/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 18 januari 2008, nr. 5525895/08/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit Besluit wordt verstaan onder:
1°. jeugdreclassering: een stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van die wet;
2°. maatregel: de maatregel betreffende het gedrag van de
jeugdige, bedoeld in artikel 77h, vierde lid, onderdeel b, van het
Wetboek van Strafrecht;
3°. de wet: het Wetboek van Strafrecht;
4°. gedragsinterventie: een gestructureerd geheel van
methodische handelingen gericht op de beïnvloeding van gedrag of
omstandigheden van de jeugdige, met als doel het voorkomen van
recidive;
5°. vrijheidsbenemende straf of maatregel: jeugddetentie en
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Artikel 2
1. De rechter kan bij schorsing van de tenuitvoerlegging van
het bevel tot voorlopige hechtenis, naast de in artikel 493, zesde
lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde bijzondere voorwaarde
van hulp en steun, één of meer van de volgende bijzondere
voorwaarden aan de schorsing verbinden:
1°. zich gedurende een door de rechter te bepalen termijn te
houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien deze
aanwijzingen inhouden dat de verdachte zich onder behandeling van een
bepaalde deskundige of bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op
een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde
instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde
personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een
bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van alcohol, verdovende middelen of
andere middelen die het gedrag van de jeugdige in negatieve zin kunnen
beïnvloeden;
9°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de jeugdige
betreffende.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°,
of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, kunnen
geheel of ten dele bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel
5, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet ten aanzien van de
verdachte een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze op deze vorm
van zorg is aangewezen.
3. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden,
genoemd in het eerste lid, beperken tot een bij de beslissing tot
schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur,
met dien verstande dat een behandeling als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel 1°, de begeleiding bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2°,
en de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 9°, ten hoogste
zes maanden kunnen duren.
4. [Dit lid is nog niet in werking getreden]
5. Indien de rechter aan de schorsing van de voorlopige hechtenis
de bijzondere voorwaarde van hulp en steun, bedoeld in artikel 493,
zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, verbindt, geeft hij tot
het verlenen van die hulp en steun opdracht aan de jeugdreclassering.
6. De in artikel 493, zesde lid, van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde instemming moet blijken uit een door de
verdachte ondertekende verklaring, waarin de aard en inhoud van de
bijzondere voorwaarden zijn omschreven. De instemming van de verdachte
kan eveneens blijken uit het proces-verbaal ter terechtzitting.
Artikel 3
1. Indien de rechter bepaalt dat een aan de jeugdige op te
leggen straf of maatregel als bedoeld in artikel 77x van de wet geheel
of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, kunnen daaraan
één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden:
1°. zich gedurende de proeftijd houden aan de aanwijzingen van de
jeugdreclassering, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat de
jeugdige zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of
bepaalde instantie zal stellen;
2°. het aanvaarden van intensieve begeleiding;
3°. het volgen van een leerproject van ten hoogste 120 uren;
4°. een verplichting om op een bepaald tijdstip of gedurende een
bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
5°. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij
een bepaalde instantie;
6°. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde
personen of instellingen;
7°. een verbod om zich op of in de directe omgeving van een
bepaalde locatie te bevinden;
8°. een verbod op het gebruik van alcohol, verdovende middelen of
andere middelen die het gedrag van de jeugdige in negatieve zin kunnen
beïnvloeden;
9°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare
feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen
termijn, korter dan de proeftijd;
10°. herstel van de door het strafbare feit veroorzaakte schade
binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de
proeftijd;
11°. storting van een door de rechter vast te stellen waarborgsom,
ten hoogste gelijk aan het verschil tussen het maximum van de
geldboete die voor het feit kan worden opgelegd en de opgelegde boete;
12°. storting van een door de rechter vast te stellen geldbedrag
in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling
die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten
te behartigen. Het bedrag kan niet hoger zijn dan de geldboete die ten
hoogste voor het strafbare feit kan worden opgelegd;
13°. andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde
betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de
veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen.
2. Een behandeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel 1°,
of de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 13°, kan geheel
of ten dele bestaan uit een vorm van zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet op de jeugdzorg, indien de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet ten aanzien van de
jeugdige een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat deze op deze vorm
van zorg is aangewezen.
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden]
Artikel 4
1. Het programma, bedoeld in artikel 77w, derde lid, van de wet
kan bestaan uit een of meer gedragsinterventies.
2. Indien de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige
gezamenlijk met een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt
opgelegd, voorziet het programma bedoeld in artikel 77w, derde lid, van
de wet in ieder geval in begeleiding van de jeugdige bij een
verantwoorde terugkeer in de samenleving. De rechter neemt in zijn
vonnis zodanige bepalingen op als hij voor de juiste uitvoering van die
begeleiding noodzakelijk acht.
3. [Dit lid is nog niet in werking getreden]
Artikel 5
1. De artikelen 1, 2, eerste tot en met derde, vijfde en zesde
lid, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste en tweede lid, van dit besluit
treden in werking op het tijdstip waarop de Wet van 20 december 2007
tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en de Wet op de jeugdzorg met het oog op verruiming van
de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen
(gedragsbeïnvloeding jeugdigen) (Stb. 2007, 575) in werking
treedt.
2. De artikelen 2, vierde lid, 3, derde lid en 4, derde lid, van
dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gedragsbeïnvloeding
jeugdigen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 januari 2008
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de negenentwintigste januari 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|