|
De Minister van
Justitie;
Gelet op artikel 77j, tweede lid,
Wetboek van Strafrecht;
Gelet op het advies van de Raad voor
Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming van 3 mei 2001, kenmerk
5095686/01/TH/rb;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. relatie: persoon met wie de jeugdige aantoonbaar een pedagogisch
betekenisvolle relatie heeft;
b. strafonderbreking: onderbreking van de tenuitvoerlegging van de
vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 77j, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
Artikel 2
1. Strafonderbreking wordt door de jeugdige schriftelijk
aangevraagd bij de directeur.
2. De Minister van Veiligheid en Justitie beslist over het
verzoek tot strafonderbreking.
Artikel 3
1. Na ontvangst van het verzoek tot strafonderbreking wint de
directeur alle benodigde inlichtingen en adviezen in. Inlichtingen van
niet aan de inrichting verbonden artsen, psychiaters en psychologen
kunnen slechts worden ingewonnen na schriftelijke toestemming van de
jeugdige.
2. Betreft het een verzoek van een jeugdige ten aanzien van wie
en voor zolang het openbaar ministerie een executie-indicator heeft
geplaatst, dan vraagt de directeur het openbaar ministerie om advies.
3. De directeur adviseert de Minister van Veiligheid en Justitie
omtrent de toekenning van strafonderbreking.
4. Alvorens aan de Minister van Veiligheid en Justitie advies uit
te brengen hoort de directeur de jeugdige. Van het horen wordt
aantekening gehouden.
Artikel 4
1. Aan de jeugdige kan
strafonderbreking worden verleend voor onverwachte gebeurtenissen of
omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige, waarbij
zijn aanwezigheid noodzakelijk is en het tijdelijk verlaten van de
inrichting op grond van artikel 32 van het Reglement justitiële
jeugdinrichtingen onvoldoende mogelijkheden biedt.
2. Gebeurtenissen of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid
zijn onder andere:
a. het in levensgevaar verkeren van een relatie;
b. het overlijden of de begrafenis van een relatie;
c. een bevalling van de jeugdige of diens partner;
d. het niet in staat zijn om naar de inrichting te reizen van een
relatie.
3. In bijzondere omstandigheden kan de Minister van Veiligheid en
Justitie toestaan dat de jeugdige aan wie strafonderbreking is verleend
in het buitenland verblijft.
Artikel 5
Bij het bepalen van de duur van de strafonderbreking wordt rekening
gehouden met de omstandigheden van het geval. De strafonderbreking wordt
toegekend voor een duur langer dan drie etmalen tot maximaal drie
maanden.
Artikel 6
1. Bij de beoordeling van de
toekenning van het verzoek tot strafonderbreking wordt het belang van
de jeugdige afgewogen tegen de risico's voor de continuďteit van de
tenuitvoerlegging en voor de maatschappelijke orde en veiligheid. Het
verzoek tot strafonderbreking kan slechts worden verleend indien de
eventuele risico's aanvaardbaar worden geacht.
2. Als risico's kunnen worden aangemerkt:
a. het gevaar voor niet terugkeren naar de inrichting;
b. weigering in te stemmen met preventieve maatregelen ter
voorkoming van het niet terugkeren naar de inrichting;
c. gevaar voor recidive;
d. maatschappelijke onrust als gevolg van de strafonderbreking;
e. vermoeden dat de strafonderbreking zal leiden tot alcohol- of
drugsmisbruik;
f. twijfel over het nakomen van afspraken;
g. agressieve gedragskenmerken die een risico kunnen opleveren voor
een ongestoord verloop van de strafonderbreking;
h. het bestaan van ernstige spanningsvelden in de leef- of
woonsfeer of rond mogelijk te ontmoeten personen;
i. risico van mogelijk ongewenste confrontatie van de jeugdige met
een slachtoffer of met anderszins bij het delict betrokkene;
j. het vermoeden dat de jeugdige slachtoffer zal worden van een
wraakactie.
3. Bij de inschatting van het risico's betrekt de Minister van
Veiligheid en Justitie in ieder geval:
a. de aard van het delict, de door het delict veroorzaakte
maatschappelijke onrust en de inschatting van het ontvluchtings- of
recidivegevaar;
b. relevante ervaringen bij eerder genoten verloven;
c. een recente rapportage over de jeugdige en zijn gedrag in de
inrichting.
Artikel 7
1. De beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie
wordt onverwijld meegedeeld aan de directeur van de inrichting waar de
jeugdige verblijft.
2. Bij toekenning van de strafonderbreking geeft de Minister van
Veiligheid en Justitie in een schriftelijke mededeling aan de jeugdige
de aanvangsdatum en de duur van de strafonderbreking en eventuele
bijzondere voorwaarden aan.
3. Bij afwijzing van het verzoek tot strafonderbreking geeft de
Minister van Veiligheid en Justitie de jeugdige schriftelijk, voor
zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen
omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
Artikel 8
1. Strafonderbreking kan slechts worden gewijzigd en
ingetrokken door de Minister van Veiligheid en Justitie.
2. In verband met gewijzigde omstandigheden of indien zich
tijdens de strafonderbreking een incident voordoet, kan de Minister van
Veiligheid en Justitie, afhankelijk van de aard van het incident, de
reeds verleende strafonderbreking of het daarvan nog resterende gedeelte
intrekken, naar een ander tijdstip verplaatsen of nadere voorwaarden
stellen.
3. De directeur stelt de Minister van Veiligheid en Justitie
onverwijld van de gewijzigde omstandigheden of het incident in kennis.
4. Van een incident is in ieder geval sprake wanneer de jeugdige
tijdens de strafonderbreking betrokken is bij een verstoring van de
openbare orde of bij een strafbaar feit.
5. De Minister van Veiligheid en Justitie geeft de jeugdige een
schriftelijke, voor zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal
een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.
Artikel 9
1. Indien de jeugdige wegens ziekte niet in staat is tijdig
naar de inrichting terug te keren, meldt hij dit onverwijld aan de
inrichting. Desgevraagd toont de jeugdige aan dat hij om medische
redenen niet in staat is terug te keren.
2. De directeur neemt, na overleg met de inrichtingsarts en voor
zover mogelijk gehoord de jeugdige maatregelen met het oog op een zo
spoedig mogelijke voortzetting van vrijheidsontneming.
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking op 1 september 2001.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling strafonderbreking
jeugdigen.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals.
|