| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Beginselenwet
verpleging terbeschikkinggestelden
REGLEMENT
VERPLEGING TERBESCHIKKINGGESTELDEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 22 mei 1997, houdende regels omtrent de
tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling en de
verpleging van terbeschikkinggestelden en overige verpleegden
strafrechtstoepassing (Reglement verpleging terbeschikkinggestelden)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 21 november 1996, nr.
591920/96/6;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet en de
artikelen 37c , eerste lid, 38, eerste lid, en 38a, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 5, tweede
lid, 6, tweede lid, 8, derde lid, 10, vijfde lid, 15, eerste en tweede
lid, 16, tweede lid, 18, vierde lid, 19, tweede lid, 26, derde lid, 40,
vierde lid, 45, 51, tweede en vierde lid, 70, derde lid, en 75 van de
Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden;
Gezien het advies van de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing van 11 oktober 1996, nr. RA 88/96;
De Raad van State gehoord (advies van 17 maart
1997, nr. W03.96.0563);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 13 mei 1997, nr. 626752/97/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;
b. de reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995.
HOOFDSTUK 2. AANWIJZING VAN PARTICULIERE INRICHTINGEN
Artikel 2
1.Een aanvraag tot aanwijzing als particuliere inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden, bedoeld in artikel 37d,
eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wordt bij Onze
Minister ingediend.
2.De aanvraag bevat de volgende bescheiden:
a. de statuten of reglementen van de rechtspersoon die het
psychiatrisch ziekenhuis beheert;
b. een schriftelijke verklaring inhoudende dat een voorgenomen
wijziging van de situatie met betrekking tot een der onderwerpen
genoemd onder a en in het derde lid, ten minste een maand voordat
de desbetreffende wijziging wordt doorgevoerd ter kennis van Onze
Minister wordt gebracht.
3.De rechtspersoon die het psychiatrisch ziekenhuis beheert legt
tevens over:
a. de door Onze Minister verlangde gegevens over de bouwkundige
voorzieningen die van belang zijn voor de beoordeling van de
veiligheid binnen de inrichting en de maatschappelijke veiligheid
daarbuiten;
b. de door Onze Minister verlangde gegevens over de personele
en materiële toerusting die van belang zijn voor de beoordeling
van de geschiktheid van de inrichting voor de verpleging van ter
beschikking gestelden.
4.Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3
1.De aanwijzing als particuliere inrichting wordt door Onze
Minister ingetrokken:
a. op verzoek van de rechtspersoon die het psychiatrisch
ziekenhuis beheert;
b. indien de beveiliging dan wel de personele of materiële
toerusting van de inrichting, bedoeld in artikel 2, derde lid,
niet meer voldoet aan de eisen die daaraan naar het oordeel van
Onze Minister moeten worden gesteld.
2.De aanwijzing als particuliere inrichting kan door Onze Minister
worden ingetrokken, indien de rechtspersoon heeft gehandeld in strijd
met de toepasselijke regelgeving alsmede hetgeen overeenkomstig
artikel 2, tweede lid, onder b, is verklaard.
HOOFDSTUK 3. RIJKSINRICHTINGEN
Artikel 4
1.Het hoofd van de rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1
oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het
jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en
opbrengsten voor dat jaar.
2.Het hoofd van de rijksinrichting brengt jaarlijks vóór 1 maart
aan Onze Minister verslag over zijn werkzaamheden in het voorgaande
jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd.
3.Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de
in het eerste en tweede lid genoemde stukken.
HOOFDSTUK 4. AANTEKENINGEN
Artikel 5
1.Omtrent iedere ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
worden door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden aantekeningen gehouden omtrent diens
lichamelijke en geestelijke gesteldheid, bedoeld in artikel 509o,
tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafvordering.
2.De aantekeningen bevatten in elk geval:
a. zo volledig mogelijke gegevens betreffende de afkomst en het
verleden;
b. gegevens omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid
bij binnenkomst;
c. gegevens omtrent de ontwikkelingen gedurende de verpleging;
d. gegevens omtrent belangrijke voorvallen gedurende de
verpleging.
3.Onze Minister kan een model voor de aantekeningen vaststellen.
Artikel 6
1.Het hoofd van de inrichting houdt in een register aantekening van
de beslissingen tot beperking van het recht op onaantastbaarheid van
het lichaam van de verpleegde, genoemd in de artikelen 24 tot en met
28 en 30, alsmede de beslissingen tot afzondering of separatie,
genoemd in artikel 34, en van elke strafoplegging, genoemd in artikel
49 van de wet.
2.De aantekening bevat in elk geval:
a. de personalia van de verpleegde;
b. de aard van de genomen beslissing;
c. de omstandigheden die aanleiding gaven tot het nemen van de
beslissing;
d. de diagnose, voor zover de beslissing wordt genomen ter
afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van
de geestvermogens van de verpleegde;
e. indien de verpleegde zich tegen de beslissing heeft verzet,
een mededeling daarvan;
f. voor zover van toepassing, de duur van de beperkende
maatregel.
3.Onze Minister kan een model voor het register vaststellen.
HOOFDSTUK 5. COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE
Artikel 7
1.Bij elke inrichting is een commissie van toezicht waarvan de
leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal
voor herbenoeming in aanmerking komen.
2.De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door
Onze Minister vast te stellen aantal leden.
3.De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van
elke commissie maken in elk geval deel uit:
a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;
b. een psychiater;
c. een gedragsdeskundige met kennis van de intramurale zorg
voor geestelijk gestoorden;
d. een advocaat.
Artikel 8
1.De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister
benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.
2.Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid
van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en
ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens
secretaris van de beklagcommissie.
3.De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende
secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde
secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens
afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van
toezicht een of meerdere plaatsvervangende secretarissen toevoegen die
geen lid zijn van de commissie.
4.Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot
benoeming.
Artikel 9
1.De benoeming van de leden en de secretaris alsmede de aanwijzing
van de voorzitter van de commissie van toezicht bij een justitiële
particuliere inrichting geschiedt op voordracht van het bestuur dan
wel de Raad van Toezicht indien die de taken van het bestuur vervult.
2.Een lid van het bestuur of de Raad van Toezicht indien die de
taken van het bestuur vervult, kan niet worden benoemd tot lid,
secretaris of plaatsvervangend secretaris van de commissie van
toezicht.
Artikel 10
Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris
komen niet in aanmerking:
a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de
verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen,
niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie;
b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden;
c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde
instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging
van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen indien zij in het
kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met de
personen ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van
toezicht is ingesteld;
d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze
Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij
door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het
geding zou kunnen komen;
e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de
functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als
bedoeld in het Besluit justitiële gegevens of de politiegegevens,
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet politiegegevens. De
bezwaren dienen betrekking te hebben op het vertrouwelijk karakter
van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegheden.
Artikel 11
1.Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister
tussentijds ontslagen:
a. op eigen verzoek;
b. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat
onverenigbaar is verklaard met het lidmaatschap van een commissie
van toezicht;
c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke
uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een
uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot
gevolg heeft;
d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen
of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen
vertrouwen.
2.Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden
verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de
ambts- of beroepsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft
plaatsgevonden.
Artikel 12
1.De leden van de commissie van toezicht hebben te allen tijde
toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar
de verpleegden verblijven.
2.De leden van de commissie van toezicht ontvangen van het hoofd
van de inrichting en de personeelsleden of medewerkers in de
inrichting alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van de
verpleegden en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van
vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken
inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig
wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met
de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking
voortvloeit. Dossiers die verpleegden betreffen kunnen worden
ingezien, tenzij de verpleegde bezwaar maakt.
3.Het hoofd van de inrichting brengt alle voor de uitoefening van
de taak der commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis
van de commissie.
Artikel 13
1.De commissie van toezicht vergadert, zo mogelijk, eenmaal in de
maand.
2.Het hoofd van de inrichting woont de vergaderingen van de
commissie van toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een
algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de
inrichting is geschied.
3.De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van het hoofd
van de inrichting te vergaderen.
4.Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van
toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie
te doen bijwonen.
5.In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt
mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de
door de beklagcommissie behandelde klaagschriften, en de bijzondere
opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.
Artikel 14
1.De maandcommissaris, bedoeld in artikel 10, vierde lid, tweede
volzin, van de wet, houdt ten minste tweemaal per maand in de
inrichting spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekend gemaakt en kan
worden bezocht door elke verpleegde die de wens daartoe te kennen
geeft.
2.De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de
commissie van toezicht.
Artikel 15
1.De beklagcommissie, of, indien artikel 59, derde lid, van de wet
wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon,
houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening
van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan
door een secretaris.
2.Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als
voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke
macht.
Artikel 16
1.De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 maart aan
Onze Minister en aan de sectie terbeschikkingstelling en, voor zover
het een justitiële particuliere inrichting betreft, tevens aan het
bestuur, verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar.
2.Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht zowel aan
de door haar ingevolge artikel 55 van de wet verrichte bemiddeling en
de uitkomsten daarvan als aan de werkzaamheden van de beklagcommissie,
onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop
genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent
de inrichting van het verslag.
Artikel 17
1.De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat
gedragen.
2.De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van
reis- en verblijfskosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun
werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor
de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.
3.Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen
ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde
vergoeding.
HOOFDSTUK 6. Plaatsing en overplaatsing
Artikel 18
Van een uitspraak waarbij door de rechter ten aanzien van een ter
beschikking gestelde met toepassing van artikel 37b of 38c van het
Wetboek van Strafrecht een bevel tot verpleging van overheidswege is
gegeven, doet het openbaar ministerie zo spoedig mogelijk mededeling aan
Onze Minister, onder bijvoeging van het dossier van de zaak.
Artikel 19
De beslissing van Onze Minister omtrent de plaatsing in een
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden die strekt tot
tenuitvoerlegging van het bevel tot verpleging van overheidswege wordt
door hem zo spoedig mogelijk medegedeeld aan het hoofd van de
betreffende inrichting en aan het openbaar ministerie bij de rechtbank
die in de eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake
waarvan de terbeschikkingstelling is gelast, alsmede het openbaar
ministerie binnen wiens arrondissement de betrokkene wordt geplaatst.
Artikel 20
1.Met inachtneming van artikel 11, tweede lid, van de wet kan,
indien de omstandigheden zulks wenselijk maken, Onze Minister
ambtshalve of op schriftelijk verzoek van het hoofd van de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden waarin de ter
beschikking gestelde verblijft, beslissen dat de ter beschikking
gestelde naar een andere inrichting zal worden overgeplaatst.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden stelt in dit geval een eindverslag op van de verpleging in
diens inrichting. Hij voegt dit toe aan het verpleegdedossier.
Artikel 21
1.De beslissing van Onze Minister tot overplaatsing, bedoeld in
artikel 20, wordt zo spoedig mogelijk medegedeeld aan het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden waarin de ter
beschikking gestelde verblijft en aan het hoofd van de inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden waarheen de ter beschikking
gestelde zal worden overgeplaatst. De beslissing van Onze Minister,
bedoeld in artikel 13 en 14, eerste lid, van de wet wordt zo spoedig
mogelijk medegedeeld aan het hoofd van de inrichting voor verpleging
van ter beschikking gestelden waarin de ter beschikking gestelde
verblijft en aan de inrichting tot klinische observatie bestemd
onderscheidenlijk aan het psychiatrisch ziekenhuis waarheen de ter
beschikking gestelde zal worden overgeplaatst. De voorgaande
beslissingen worden tevens gemeld aan het openbaar ministerie bij de
rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf
ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast, het openbaar
ministerie van het arrondissement waarin de verpleging geschiedt, en
het openbaar ministerie van het arrondissement waarin de verpleging
zal worden voortgezet.
2.Ingeval het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden met toepassing van artikel 14, tweede lid, van
de wet voorlopig beslist tot overplaatsing naar een psychiatrisch
ziekenhuis deelt hij dit onverwijld mede aan Onze Minister. Indien
Onze Minister de beslissing bekrachtigt is het eerste lid van dit
artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
1.Overbrenging van een ter beschikking gestelde met het oog op de
aanvang van de tenuitvoerlegging van het bevel tot verpleging van
overheidswege geschiedt op last van het openbaar ministerie bij de
rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf
ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast.
2.Overbrenging van een ter beschikking gestelde of anderszins
verpleegde naar een psychiatrisch ziekenhuis met machtiging van de
rechter geschiedt op last van het openbaar ministerie bij het gerecht
dat de machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen heeft verleend.
3.Indien artikel 14, tweede lid, van de wet is toegepast, indien
het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden het proefverlof heeft beëindigd of in geval van
ongeoorloofde afwezigheid, geschiedt de overbrenging krachtens
beslissing van het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden. Deze kan ter uitvoering van zijn beslissing de
hulp inroepen van het openbaar ministerie van het arrondissement
waarin de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde verblijft.
4.In de andere gevallen geschiedt de overbrenging bij beslissing
van Onze Minister.
5.Onze Minister kan omtrent overbrenging, bedoeld in dit artikel,
nadere regels stellen.
HOOFDSTUK 7. ONGEOORLOOFDE AFWEZIGHEID EN ANDERE BIJZONDERE
VOORVALLEN
Artikel 23
1.Ongeoorloofde afwezigheid vangt aan op de dag dat de ter
beschikking gestelde of anderszins verpleegde zich aan de
tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft
onttrokken.
2.Ongeoorloofde afwezigheid eindigt op de dag dat de ter
beschikking gestelde of anderszins verpleegde zich meldt, hij wordt
aangehouden, of door intrekking van het verzoek om signalering. Deze
dag wordt niet meegerekend in de duur van de ongeoorloofde
afwezigheid, bedoeld in artikel 38f, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht.
3.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden verzoekt de politie de ongeoorloofd afwezig ter beschikking
gestelde of anderszins verpleegde te signaleren. Onze Minister kan
aanwijzingen geven ten aanzien van dit verzoek alsmede de intrekking
daarvan.
4.Van het verzoek om signalering en van de intrekking van een
verzoek om signalering wordt aantekening gehouden in een daartoe
bestemd register dat volgens een door Onze Minister vastgesteld model
is ingericht.
5.Onze Minister wordt onverwijld in kennis gesteld van elk verzoek
om signalering of een intrekking van een verzoek om signalering.
Artikel 24
Het hoofd van de inrichting meldt onverwijld andere bijzondere
voorvallen aan Onze Minister. Hij verstrekt Onze Minister te allen tijde
alle verlangde inlichtingen. Onze Minister kan nadere regels stellen
omtrent de inhoud en de wijze van melding.
HOOFDSTUK 8. VERPLEGINGS- EN BEHANDELINGSPLAN EN EVALUATIE
Artikel 25
In het verplegings- en behandelingsplan worden ten minste opgenomen:
a. de diagnose van de stoornis van de verpleegde;
b. de therapeutische middelen die zullen worden toegepast, zo
mogelijk gerelateerd aan de verschillende aspecten die in de
stoornis te onderscheiden zijn;
c. de vrijheden die de verpleegde zijn toegekend boven de hem bij
of krachtens de wet toekomende rechten, alsmede de voorwaarden die
daaraan verbonden zijn en de consequenties van het niet opvolgen van
die voorwaarden.
Artikel 26
1.Het verplegings- en behandelingsplan bestrijkt ten minste een
periode van één jaar.
2.Gedurende de verpleging kan het verplegings- en behandelingsplan
worden gewijzigd. Bij een wijziging wordt het evaluatieverslag
betrokken.
3.Een wijziging in het verplegings- en behandelingsplan wordt,
zoveel mogelijk in overleg met de verpleegde, vastgesteld. De
wijziging wordt hem voor het ingaan daarvan medegedeeld.
Artikel 27
1.Het hoofd van de inrichting geeft in het evaluatieverslag zijn
visie op de persoon van de verpleegde weer en besteedt daarbij in elk
geval aandacht aan de volgende aspecten:
a. het verblijf op de afdeling;
b. de vraag, het aanbod en het gebruik dat gemaakt wordt van de
behandeling;
c. de veranderingen in het psychische toestandsbeeld van de
verpleegde in het kader van de verpleging en behandeling;
d. de bewegingsvrijheid binnen en buiten de inrichting;
e. incidenten waarbij de verpleegde betrokken is geweest;
f. toegepaste individuele beperkingen;
g. de mening van de verpleegde.
2.Het verslag bevat voornemens die van belang zijn voor de
verpleging en behandeling.
3.Het verslag komt tot stand in samenwerking met de bij de
verpleging en behandeling meest betrokken personeelsleden of
medewerkers.
Artikel 28
1.Indien de verpleegde gedurende de verslagperiode heeft verbleven
in een andere inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
of in een psychiatrisch ziekenhuis, dan wel in een huis van bewaring,
verschaft het hoofd van die inrichting, de geneesheer-directeur van
dat ziekenhuis onderscheidenlijk de directeur van dat huis van
bewaring, de nodige gegevens aan hem die met de vaststelling van het
verslag is belast.
2.Dezelfde verplichting geldt voor de instelling, bedoeld in
artikel 51, tweede lid, van de wet, die gedurende de verslagperiode
belast is geweest met het verlenen van hulp en steun aan de verpleegde
in het kader van proefverlof.
HOOFDSTUK 9. HET VERPLEEGDEDOSSIER
Artikel 29
Het verpleegdedossier wordt op zorgvuldige wijze, volgens een vaste
standaardindeling opgebouwd. In ieder geval worden hierin onderscheiden:
a. persoons- en identificatiegegevens;
b. justitiële gegevens;
c. behandelgegegevens;
d. gegevens omtrent het verblijf.
Artikel 30
Naast de in artikel 19, eerste lid, van de wet genoemde gegevens,
worden in het verpleegdedossier opgenomen:
a. een afschrift van de mededelingen, bedoeld in artikel 54 van
de wet;
b. de uitspraken van de beklagcommissie en de beroepscommissie
alsmede de verslagen bedoeld in artikel 55, zesde lid, van de wet;
c. de ontvangen afschriften van rechterlijke beslissingen
betreffende de terbeschikkingstelling;
d. machtigingen van Onze Minister, bedoeld in de artikelen 50,
eerste lid, en 51, eerste lid, van de wet;
e. gegevens met betrekking tot de toepassing van artikel 26 van
de wet;
f. overige gegevens omtrent de gezondheid van de verpleegde en te
diens aanzien uitgevoerde verrichtingen, een en ander voor zover de
opname van deze gegevens voor een goede verpleging en behandeling
aan hem noodzakelijk is.
Artikel 31
1.Gedurende het verblijf van een verpleegde in een inrichting wordt
het verpleegdedossier in een afsluitbare ruimte in de inrichting
bewaard.
2.Het hoofd van de inrichting zendt het verpleegdedossier
gelijktijdig met de overplaatsing van de verpleegde, bedoeld in
artikel 11, derde lid, van de wet, aan het hoofd van de inrichting
waar de verpleegde verder zal worden verpleegd. Bij overplaatsing van
en naar een particuliere inrichting, niet zijnde een justitiële
particuliere inrichting, wordt het verpleegdedossier onderscheidenlijk
het dossier, bedoeld in het Besluit patiëntendossier Bopz,
gelijktijdig met de formele overplaatsing meegezonden.
Artikel 32
1.Het hoofd van de inrichting bewaart het verpleegdedossier
gedurende een termijn van tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip
dat de terbeschikkingstelling eindigde.
2.Na de in het eerste lid genoemde termijn worden de bescheiden,
opgenomen in het verpleegdedossier, vernietigd, ofwel zodanig bewerkt
dat deze niet meer tot de verpleegde kunnen worden herleid, tenzij dit
in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de
verpleegde.
3.Indien de verpleegde vóór de afloop van de in het eerste lid
bedoelde termijn opnieuw ter beschikking wordt gesteld met bevel tot
verpleging van overheidswege vervalt de bewaartermijn en vangt deze
aan op het tijdstip dat de nieuwe terbeschikkingstelling eindigt.
HOOFDSTUK 10. GEDWONGEN GENEESKUNDIGE HANDELINGEN
Artikel 33
1.Voordat het hoofd van de inrichting beslist dat een door de arts
noodzakelijk geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden
toegepast, pleegt het hoofd van de inrichting overleg met die arts en
met het hoofd van de afdeling waar de verpleegde verblijft. Indien de
handeling door een andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem
overlegd.
2.Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder dwang
noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit
de stoornis van de geestvermogens van de verpleegde, pleegt het hoofd
van de inrichting bovendien overleg met de voor de behandeling
verantwoordelijke psychiater.
3.In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt
nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid
van de verpleegde of van anderen niet op een andere wijze kan worden
afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt
steeds gekozen voor de voor de verpleegde minst ingrijpende handeling.
4.In de situatie, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de wet,
pleegt het afdelingshoofd het in het eerste respectievelijk tweede lid
bedoelde overleg. Het overleg van het hoofd van de inrichting met de
in het eerste respectievelijk tweede lid bedoelde personen vindt zo
spoedig mogelijk na de geneeskundige handeling plaats.
5.De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de
toepassing van artikel 26 van de wet wordt opgenomen in het register
als bedoeld in artikel 6 en in het verpleegdedossier en dat de
resultaten van het overleg alsmede de afspraken die daarbij zijn
gemaakt worden opgenomen in het verplegings- en behandelingsplan.
Artikel 34
1.De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een
daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.
2.Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt
onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van
toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter
afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de
geestvermogens van de verpleegde wordt tevens onverwijld melding
gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg.
3.De verpleegde wordt gedurende de periode die volgt op de
gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door
een arts of in diens opdracht door een verpleegkundige. Het verslag
van zijn bevindingen wordt opgenomen in het verpleegdedossier.
Artikel 35
1.Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen
geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van
een arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de
toestand van de verpleegde dat de toepassing van de gedwongen
geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt
opgenomen in het verplegings- en behandelingsplan.
2.Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling
als bedoeld in artikel 33, tweede lid, de duur van twee weken te boven
gaat wordt door het hoofd van de inrichting een commissie samengesteld
bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een arts of een
psychiater en een psycholoog.
3.De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen
na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de gedwongen
geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de twee weken,
advies uit aan het hoofd van de inrichting over de voortzetting van de
gedwongen geneeskundige handeling.
HOOFDSTUK 10a. TOEZICHT OP TELEFOONGESPREKKEN
Artikel 35a
1. Telefoongesprekken die in verband met het toezicht, bedoeld in
artikel 38, tweede lid, van de wet worden opgenomen, worden bewaard
voor een periode van ten hoogste acht maanden.
2. Na het verstrijken van de periode, genoemd in het eerste lid,
wordt een opgenomen telefoongesprek gewist.
3. Indien bij de uitoefening van het toezicht blijkt dat een
telefoongesprek met een persoon als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
van de wet is opgenomen, wordt dit opgenomen gesprek terstond gewist.
4. De verpleegde wordt van het opnemen van het telefoonverkeer op
de hoogte gesteld.
5. Opgenomen telefoongesprekken worden slechts verstrekt aan derden
die ingevolge de uitvoering van hen bij of krachtens de wet opgedragen
taken, tot kennisneming daarvan bevoegd zijn.
6. De verstrekking, bedoeld in het vijfde lid, kan slechts
geschieden in verband met:
a. de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid
van de verpleegde voor de veiligheid van anderen dan de verpleegde
of de algemene veiligheid van personen of goederen;
b. de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting;
c. de bescherming van slachtoffers van of anderszins
betrokkenen bij misdrijven;
d. de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.
HOOFDSTUK 11. GEESTELIJKE VERZORGING
Artikel 36
Aan een inrichting zijn geestelijke verzorgers van verschillende
godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval
geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en
geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond.
Artikel 37
1.Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een
hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistisch geestelijke verzorging
aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende
instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies
omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.
2.De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast
met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke
verzorgers bij de rijksinrichtingen behorende tot hun gezindte of
levensovertuiging.
Artikel 38
1.De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of
rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot
het humanistisch verbond bij een rijksinrichting geschiedt door of
vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke,
genoemd in artikel 37, eerste lid.
2.De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of
rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot
het humanistisch verbond bij een justitiële particuliere inrichting
geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de
betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 37, eerste lid.
Artikel 39
1.Een geestelijke verzorger van een andere dan de in artikel 36
genoemde gezindte of levensovertuiging kan door het hoofd van de
rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij
wijze van een aanstelling. Het hoofd van de rijksinrichting neemt deze
beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting
verbonden geestelijke verzorgers.
2.Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van
geestelijk verzorgers zoals bedoeld in de eerste volzin van het eerste
lid.
3.Een geestelijke verzorger die aan een rijksinrichting is
verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij
regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn
werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.
HOOFDSTUK 12. EIGEN GELD EN ARBEIDSLOON
Artikel 40
1.Onder eigen geld wordt verstaan:
a. het geld dat de verpleegde bij binnenkomst in de inrichting
in zijn bezit heeft;
b. het geld dat tijdens zijn verblijf in de inrichting te
zijnen gunste wordt ontvangen;
c. de vergoeding voor het verrichten van werkzaamheden en het
arbeidsloon, bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet.
2.Het beheer van het eigen geld van de verpleegde berust bij het
hoofd van de inrichting, tenzij in het verplegings- en
behandelingsplan anders is bepaald.
3.Wanneer de verpleegde geen beheer over zijn eigen geld heeft,
heeft hij de beschikking over een rekening-courant bij de inrichting.
Artikel 41
De ter beschikking gestelde of anderzins verpleegde die geen inkomen
heeft, ontvangt vanwege Onze Minister een door deze vast te stellen zak-
en kleedgeld.
HOOFDSTUK 13. MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 42
1.De verpleegdenraad, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de
wet, bestaat uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden.
2.De leden worden gekozen bij meerderheid van stemmen.
3.Het lidmaatschap van de verpleegdenraad eindigt na verloop van
een termijn van twee jaar of zoveel eerder als de verpleging van het
betreffende lid in de inrichting eindigt, aan hem proefverlof is
verleend, dan wel zodra deze schriftelijk voor het lidmaatschap heeft
bedankt.
Artikel 43
Het hoofd van de inrichting biedt de verpleegdenraad ten minste
eenmaal per maand de gelegenheid tot het voeren van het overleg, bedoeld
in artikel 70, tweede lid, van de wet, tenzij bijzondere omstandigheden
zich hiertegen verzetten.
Artikel 44
1.Het hoofd van de inrichting verschaft de verpleegdenraad de
informatie, de tijd en de materiële middelen die voor zijn
functioneren nodig zijn en biedt de verpleegdenraad eenmaal per maand
gedurende twee uren de gelegenheid zich intern te beraden en daartoe
te vergaderen.
2.De leden van de verpleegdenraad hebben het recht aan het overleg,
bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de wet, alsmede aan het in het
eerste lid genoemde intern beraad deel te nemen.
3.Het intern beraad, bedoeld in het eerste lid, vindt zonder
toezicht plaats.
4.Het hoofd van de inrichting kan op grond van de handhaving van de
orde of veiligheid in de inrichting van het bepaalde in het tweede en
derde lid afwijken.
Artikel 45
Geschillen tussen de verpleegdenraad en het hoofd van de inrichting
kunnen door elk van beide partijen ter bemiddeling worden voorgelegd aan
de commissie van toezicht.
HOOFDSTUK 14. VERLENGING VAN DE TERBESCHIKKINGSTELLING
Artikel 46
1.Indien drie maanden voor het tijdstip waarop de termijn van de
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal
zijn verstreken, de verpleging nog niet is beëindigd, maakt het hoofd
van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden binnen
een maand te rekenen vanaf voornoemd tijdstip een advies, bedoeld in
artikel 509o, tweede lid, onder 1°, van het Wetboek van
Strafvordering, op en zendt dit aan Onze Minister. Het advies betreft:
a. de wenselijkheid van de verlenging van de
terbeschikkingstelling;
b. de termijn, waarover naar zijn mening, de verlenging zich
zou moeten uitstrekken.
2.Indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende
gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van
anderen dan de ter beschikking gestelde of de algemene veiligheid van
personen of goederen dusdanig is teruggebracht dat het verantwoord is
de verpleging onder voorwaarden te beëindigen, doet het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden bij het
advies, bedoeld in het eerste lid, een daartoe strekkend schriftelijk
voorstel.
3.Bij het advies wordt een afschrift van de aantekeningen, bedoeld
in artikel 509o, tweede lid, onder 2°, van het Wetboek van
Strafvordering, overgelegd alsmede, indien het hoofd van de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden niet zelf psychiater is,
het advies van een aan de inrichting verbonden psychiater.
4.Indien in het geval, bedoeld in het eerste lid, de ter
beschikking gestelde op grond van proefverlof buiten de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden verblijft en in zijn
proefverlof door de reclassering wordt begeleid, voegt het hoofd van
de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden bij zijn
advies de beschouwingen van de reclassering inzake de wenselijkheid
van verlenging van de terbeschikkingstelling of de voorwaardelijke
beëindiging van de verpleging.
5.Onze Minister zendt het advies met de bijlagen aan het openbaar
ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen
van het misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast.
Artikel 47
Indien de verlenging van de terbeschikkingstelling er toe zou kunnen
leiden dat de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van
zes jaar of een veelvoud van zes jaar te boven gaat, zendt het hoofd van
de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden zes maanden
voor het tijdstip waarop de termijn van de terbeschikkingstelling zal
zijn verstreken, een voorlopig advies betreffende de wenselijkheid van
de verlenging van de terbeschikkingstelling aan Onze Minister. Artikel
46, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 48
1.Indien de verpleging voorwaardelijk is beëindigd of aan de
terbeschikkingstelling voorwaarden zijn verbonden, zendt de
reclassering die de ter beschikking gestelde hulp en steun verleent,
indien verlenging van de terbeschikkingstelling wettelijk mogelijk is,
drie maanden voor het tijdstip waarop de termijn van de
terbeschikkingstelling zal zijn verstreken, advies inzake de
wenselijkheid van die verlenging aan Onze Minister. Dit advies gaat
vergezeld van een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend
advies van een psychiater die zelf de ter beschikking gestelde heeft
onderzocht.
2.De in het eerste lid bedoelde stukken worden twee maanden voor
het tijdstip waarop de termijn van de terbeschikkingstelling zal zijn
verstreken door tussenkomst van Onze Minister toegezonden aan het
openbaar ministerie, bedoeld in artikel 46, vijfde lid.
Artikel 49
1.Indien het openbaar ministerie naar aanleiding van het voorlopig
advies, bedoeld in artikel 47, voornemens is een vordering tot
verlenging van de terbeschikkingstelling in te dienen waardoor de
totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van zes jaar of
een veelvoud van zes jaar te boven gaat, doet het daarvan zo spoedig
mogelijk mededeling aan Onze Minister.
2.Na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, draagt
Onze Minister zorg voor het tijdig totstandkomen van een advies of
rapport van deskundigen als bedoeld in artikel 509o, vierde lid, van
het Wetboek van Strafvordering en voor tijdige toezending daarvan aan
het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 46, vijfde lid.
3.Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het onderzoek dat
ten grondslag ligt aan het advies of rapport, bedoeld in artikel 509o,
vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 50
Indien het openbaar ministerie daarom verzoekt, wordt terstond een
nieuw advies als bedoeld in artikel 46, eerste lid, of 48, eerste lid,
aan Onze Minister gezonden. Artikel 46, vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 51
1.Het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 46, vijfde lid, doet
Onze Minister zo spoedig mogelijk mededeling:
a. van zijn beslissing geen vordering tot verlenging van de
terbeschikkingstelling in te dienen;
b. van zijn vordering tot voorwaardelijke beëindiging van de
verpleging van overheidswege overeenkomstig artikel 38g, eerste
lid, van het Wetboek van Strafrecht;
c. indien een vordering tot verlenging van de
terbeschikkingstelling is ingediend of een vordering als bedoeld
onder b is ingediend, van de beslissing van de rechtbank op deze
vordering en, indien deze niet onherroepelijk is geworden, van het
instellen van beroep bij de bijzondere kamer van het gerechtshof
te Arnhem, van een voorlopige beëindiging van de verpleging van
overheidswege als bedoeld in artikel 509w, derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering, en van de beslissing op het beroep.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden waarin de betrokkene wordt verpleegd en de reclassering die
de betrokkene tijdens proefverlof hulp en steun verleent, worden door
Onze Minister op de hoogte gesteld van een beslissing van de rechter
als bedoeld in het eerste lid, tenzij andere wettelijke bepalingen
reeds op andere wijze in die kennisgeving voorzien.
HOOFDSTUK 15. BIJWONEN GERECHTELIJKE PROCEDURE
Artikel 52
1.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden stelt de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
in de gelegenheid de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden te verlaten teneinde een gerechtelijke procedure bij te
wonen:
a. indien hij krachtens wettelijk voorschrift verplicht is voor
een rechter of bestuursorgaan te verschijnen;
b. indien hij ter zake van een misdrijf moet terecht staan;
c. indien hij bij het bijwonen van de procedure een
aanmerkelijk belang heeft en tegen het verlaten van de inrichting
hiertoe geen overwegend bezwaar bestaat.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden kan bepalen dat gedurende het verblijf buiten de inrichting
toezicht wordt uitgeoefend.
Hoofdstuk 16. Verlof en proefverlof
Artikel 53
1. Verlof als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet, wordt
in de navolgende vormen onderscheiden:
a. begeleid verlof;
b. onbegeleid verlof;
c. transmuraal verlof;
d. incidenteel verlof.
2. Voordat het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden overgaat tot het verlenen van een vorm van
verlof, bedoeld in het eerste lid, verzoekt deze Onze Minister
schriftelijk een machtiging. De machtiging van Onze Minister kan mede
omvatten het meermalen verlenen van de in het eerste lid onderscheiden
verlofsoort. De machtiging wordt verleend voor de duur van een jaar.
Ten behoeve van het verlenen van een nieuwe machtiging draagt de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden twee maanden
voor het verlopen van de machtiging zorg voor een evaluatie aan Onze
Minister. Een nieuwe machtiging wordt slechts verleend indien een
evaluatie afgegeven is.
De machtiging vervalt:
1°. zodra de ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde
vierentwintig uur ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van
overmacht, of
2°. zodra het openbaar ministerie aan het hoofd van de
tbs-inrichting meldt dat de ter beschikking gestelde of anderszins
verpleegde wordt aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit
waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens de
tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met bevel tot
verpleging van overheidswege.
Het hoofd van de inrichting doet van een strafbaar feit als bedoeld
in onderdeel 2° binnen vierentwintig uur aangifte bij een
opsporingsambtenaar. Indien aan de ter beschikking gestelde ten
aanzien van wie door het hoofd van de inrichting aangifte wordt
gedaan, verlof is verleend, wordt dit verlof terstond ingetrokken door
het hoofd van de inrichting. Het hoofd van de inrichting verleent geen
verlof aan de ter beschikking gestelde ten aanzien van wie door het
hoofd van de inrichting aangifte wordt gedaan, tot aan de mededeling
van het openbaar ministerie als bedoeld in onderdeel 2°.
3. Onze Minister kan de machtiging intrekken bij overtreding van de
voorwaarden, gesteld bij het verlenen van verlof of indien feiten of
omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van het
verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of
niet in deze vorm zou zijn verleend. Onze Minister kan per inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden of afdeling daarvan alle
verlofmachtigingen intrekken indien er aanwijzingen zijn dat zich bij
die inrichting of afdeling een patroon voordoet van meerdere
onttrekkingen of andere incidenten.
4. Het verzoek van het hoofd van de inrichting voor verpleging van
ter beschikking gestelden komt tot stand na multidisciplinair overleg
binnen diens inrichting.
5. Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden stelt in de huisregels een nadere procedure vast die
voorafgaat aan het verlenen van verlof. In de huisregels wordt tevens
een procedure opgenomen betreffende de wijze en de frequentie van
controle op het verlof.
6. Bij aanvang van het verlof ontvangt de ter beschikking gestelde
of anderzins verpleegde een verlofpas. Hierop staat in ieder geval het
tijdstip van aanvang en einde van het verlof aangegeven.
7. Er is een proef elektronisch volgsysteem als voorwaarde bij
verlof. De proef is tijdelijk van aard en duurt ten hoogste zes jaar.
Deelname aan deze proef geschiedt op vrijwillige basis. Bij
ministeriële regeling worden regels gesteld over deze proef waaronder
de doelgroep, de criteria en de rechtspositie van de ter beschikking
gestelde.
8. Onze Minister stelt nadere regels aangaande het verlaten van de
inrichting bij wijze van verlof.
Artikel 54
1. De machtiging tot het verlenen van proefverlof van Onze
Minister, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de wet, wordt
schriftelijk door het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden aangevraagd.
2. Bij dit verzoek wordt overgelegd een proefverlofplan, opgesteld
in samenwerking met de reclassering, zo mogelijk die in het
arrondissement waarin de ter beschikking gestelde tijdens dit
proefverlof zal zijn gehuisvest.
3. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk op dit verzoek. Deze
beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden. De
machtiging van Onze Minister wordt verleend voor de duur van een jaar.
4. Onze Minister brengt een machtiging als bedoeld in het eerste
lid schriftelijk ter kennis van het openbaar ministerie bij de
rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf
ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast, het openbaar
ministerie in het arrondissement waarin de ter beschikking gestelde
zich op grond van het proefverlofplan zal vestigen en van de
reclassering die aan de ter beschikking gestelde hulp en steun zal
verlenen.
5. Onze Minister stelt nadere regels aangaande het verlaten van de
inrichting bij wijze van proefverlof.
Artikel 54a
Er is een proef forensisch psychiatrisch toezicht in de fase van
proefverlof. De proef is tijdelijk van aard en duurt ten hoogste drie
jaar. Onze Minister wijst inrichtingen voor verpleging van ter
beschikking gestelden aan waar de proef plaatsvindt. In de proef wordt,
onverminderd de betrokkenheid van de reclassering, op de ter beschikking
gestelde die met proefverlof is, toezicht gehouden door de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden.
Artikel 55
Bij aanvang van het proefverlof ontvangt de ter beschikking gestelde
van het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden een schriftelijke verklaring waarin de voorwaarden zijn
vermeld die aan het proefverlof zijn verbonden, benevens de gronden
waarop het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden overeenkomstig artikel 50, derde lid, van de wet, het
proefverlof kan intrekken.
Artikel 56
De ter beschikking gestelde of anderzins verpleegde ontvangt zo nodig
vergoeding voor een reis of reisgelegenheid naar de plaats van
bestemming en voor de terugkeer, voor zover daarin niet bij een andere
wettelijke regeling is voorzien.
Artikel 57
1.Indien het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden het proefverlof intrekt, geeft hij daarvan
terstond kennis aan Onze Minister. Deze kennisgeving wordt onder
vermelding van de datum van ingang van de beslissing schriftelijk
bevestigd.
2.Het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden stelt de ter beschikking gestelde zo spoedig mogelijk
schriftelijk in kennis van de beslissing tot intrekking van het
proefverlof.
3.Het hoofd van de inrichting geeft van de beslissing tot
intrekking van het proefverlof schriftelijk bericht aan de instanties
genoemd in artikel 54, vierde lid.
4.De machtiging van Onze Minister vervalt:
1°. zodra de ter beschikking gestelde vierentwintig uur
ongeoorloofd afwezig is, tenzij sprake is van overmacht, of
2°. zodra het openbaar ministerie aan het hoofd van de
tbs-inrichting meldt dat de ter beschikking gestelde wordt
aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten, begaan tijdens het
proefverlof.
Het hoofd van de inrichting doet van een strafbaar feit, als
bedoeld in onderdeel 2°, binnen vierentwintig uur aangifte bij een
opsporingsambtenaar. Indien aan de ter beschikking gestelde ten
aanzien van wie door het hoofd van de inrichting aangifte wordt
gedaan, proefverlof is verleend, wordt dit verlof terstond ingetrokken
door het hoofd van de inrichting. Het hoofd van de inrichting verleent
geen proefverlof aan de ter beschikking gestelde ten aanzien van wie
door het hoofd van de inrichting aangifte wordt gedaan, tot aan de
mededeling van het openbaar ministerie als bedoeld in onderdeel 2°.
5.Onze Minister kan de machtiging intrekken bij overtreding van de
voorwaarden, gesteld bij het verlenen van proefverlof of indien feiten
of omstandigheden bekend worden waardoor, indien deze ten tijde van
het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging
niet of niet in deze vorm zou zijn verleend. Onze Minister geeft
terstond kennis van het intrekken van de machtiging tot proefverlof
aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking
gestelden.
Artikel 58
Bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de
wet, strekkende tot het verkrijgen van hulp en steun worden door het
hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
ter kennis gebracht van de reclassering die de ter beschikking gestelde
hulp en steun verleent. Hetzelfde geldt met betrekking tot beslissingen
die strekken tot wijziging, aanvulling of opheffing van de voorwaarden
waarop de verlening van hulp en steun betrekking heeft.
Artikel 59
1.De reclassering, bedoeld in artikel 58, stelt zich zo spoedig
mogelijk nadat zij is belast met het verlenen van hulp en steun in
verbinding met met het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden dat aan de ter beschikking gestelde proefverlof
heeft verleend.
2.De reclassering draagt er zorg voor dat het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden in kennis
wordt gesteld van alle bijzondere voorvallen welke de ter beschikking
gestelde betreffen.
Artikel 60
1.De reclassering rapporteert regelmatig aan het hoofd van de
inrichting dat proefverlof heeft verleend, met dien verstande dat de
eerste rapportage plaatsvindt nadat een maand van het proefverlof is
verstreken en dat vervolgens telkens wordt gerapporteerd over een
periode van twee maanden.
2.Indien de ter beschikking gestelde de veiligheid van anderen of
de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar brengt of
dreigt te brengen dan wel de bij het proefverlof opgelegde
verplichtingen niet nakomt, wordt daarover tussentijds gerapporteerd.
3.In de loop van de eerste helft van de derde maand voor het
tijdstip waarop de termijn van de terbeschikkingstelling met
verpleging van overheidswege zal zijn verstreken, zendt de
reclassering aan het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter
beschikking gestelden haar beschouwingen inzake de wenselijkheid van
verlenging van de terbeschikkingstelling. Deze beschouwingen gaan zo
mogelijk vergezeld van het advies van de aan de reclassering verbonden
psychiater die bemoeienis heeft gehad met de ter beschikking gestelde.
Artikel 61
1.De reclassering kan uit eigen beweging aan het hoofd van de
inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden een voorstel
doen tot wijziging of opheffing van de voorwaarden, bedoeld in artikel
51, tweede lid, van de wet.
2.De reclassering kan uit eigen beweging door tussenkomst van het
hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
en Onze Minister aan het openbaar ministerie een voorstel doen tot het
vorderen van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van
overheidswege.
3.De reclassering dient desgevraagd het hoofd van de inrichting
voor verpleging van ter beschikking gestelden en Onze Minister van
advies.
HOOFDSTUK 17. VOORWAARDELIJKE BEËINDIGING VAN HET BEVEL TOT
VERPLEGING EN TER BESCHIKKING GESTELDEN MET VOORWAARDEN
Artikel 62
Van de uitspraak waarbij de rechter aan de reclassering opdracht
geeft de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden
hulp en steun te verlenen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, of 38g,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, doet het openbaar ministerie
zo spoedig mogelijk mededeling aan Onze Minister en aan de reclassering
in het arrondissement waar de voorwaarden ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 63
Het algemeen toezicht op ter beschikking gestelden die niet van
overheidswege worden verpleegd, berust bij Onze Minister.
Artikel 64
1.Bij beëindiging van het verblijf in de inrichting voor
verpleging van ter beschikking gestelden ontvangt de ter beschikking
gestelde of anderszins verpleegde vergoeding voor een reis of
reisgelegenheid naar zijn woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
2.Indien de omstandigheden daartoe grond opleveren, kan Onze
Minister beslissen dat de betrokkene onder geleide naar de plaats van
zijn bestemming wordt overgebracht.
Artikel 65
1.Onze Minister ontvangt ten behoeve van het toezicht, bedoeld in
artikel 63, zo spoedig mogelijk mededeling van elke op een niet van
overheidswege verpleegde ter beschikking gestelde betrekking hebbende:
a. onherroepelijk geworden uitspraak waarbij
terbeschikkingstelling met voorwaarden is gelast, als bedoeld in
artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
b. rechterlijke beslissing inzake een vordering op grond van
artikel 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van Strafrecht;
c. beslissing tot vrijheidsontneming door het bevoegd gezag;
d. onherroepelijk geworden uitspraak van een burgerlijk of
militair gerecht waarbij ten aanzien van de ter beschikking
gestelde opnieuw is beslist dat hij zich aan een misdrijf heeft
schuldig gemaakt.
2.De in het eerste lid genoemde feiten worden aan Onze Minister
medegedeeld door de ambtenaren met de tenuitvoerlegging van de in dat
lid bedoelde rechterlijke beslissingen belast, onderscheidenlijk elke
ambtenaar van het openbaar ministerie die van de in het eerste lid,
onder c, bedoelde beslissing tot vrijheidsontneming kennis krijgt.
Artikel 66
1.Onze Minister doet de hem overeenkomstig artikel 65 alsmede
overige met betrekking tot de ter beschikking gestelde die niet van
overheidswege wordt verpleegd, verschafte gegevens, voor zover hem dit
wenselijk voorkomt, opnemen in een algemeen op zijn departement
gehouden register.
2.Indien met betrekking tot een ter beschikking gestelde die niet
van overheidswege wordt verpleegd, de kennisneming van de gegevens uit
het algemeen register naar het oordeel van Onze Minister van belang
kan zijn voor het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste
aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de
terbeschikkingstelling is gelast, doet Onze Minister dit openbaar
ministerie die gegevens toekomen, al dan niet onder bijvoeging van
zijn beschouwingen.
Artikel 67
1.Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, en van de voorwaarden, bedoeld in artikel 38g,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is steeds mede belast het
openbaar ministerie in het arrondissement waarin de ter beschikking
gestelde feitelijk woont.
2.Het openbaar ministerie, bedoeld in het eerste lid, wordt, voor
zover nodig, door Onze Minister in kennis gesteld van de voorwaarden,
bedoeld in het eerste lid, en van een verstrekte opdracht tot het
verlenen van hulp en steun. Een op een later tijdstip gegeven
rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwaarden, opdracht tot
het verlenen van hulp en steun of verlenging van de
terbeschikkingstelling wordt eveneens, voor zover nodig, ter kennis
van dit openbaar ministerie gebracht. Het openbaar ministerie doet zo
nodig de nieuwe of gewijzigde voorwaarden op de ontslagbrief
aantekenen.
Artikel 68
De reclassering, bedoeld in artikel 62, stelt zich zo spoedig
mogelijk nadat zij is belast met het verlenen van hulp en steun in
verbinding met het openbaar ministerie dat op grond van artikel 67,
eerste lid, het toezicht op de ter beschikking gestelde uitoefent. Zij
draagt er zorg voor dat deze instantie in kennis wordt gesteld van
misdrijven en andere bijzondere voorvallen welke de ter beschikking
gestelde betreffen.
Artikel 69
Met betrekking tot de voorwaarden, bedoeld in artikel 38, eerste lid,
en 38g, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, rapporteert de
reclassering ten minste eenmaal per drie maanden aan Onze Minister en
aan het openbaar ministerie dat op grond van artikel 67, eerste lid, het
toezicht op de ter beschikking gestelde uitoefent.
Artikel 70
De reclassering kan een voorstel doen aan het openbaar ministerie tot
wijziging, aanvulling of opheffing van de voorwaarden, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, en artikel 38g, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht. Het voorstel wordt door tussenkomst van Onze Minister aan
het openbaar ministerie bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft
kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de
terbeschikkingstelling is gelast, gezonden.
Artikel 71
1.Indien de ter beschikking gestelde de voorwaarden overtreedt, of
anderzins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene
veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de reclassering
een voorstel tot het geven van een bevel tot verpleging door
tussenkomst van Onze Minister zenden aan het openbaar ministerie bij
de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennis genomen van het
misdrijf ter zake waarvan de terbeschikkingstelling is gelast.
2.De reclassering dient desgevraagd Onze Minister en het openbaar
ministerie, bedoeld in het eerste lid, van advies.
HOOFDSTUK 18. VEREISTEN AAN INRICHTINGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 38A,
TWEEDE LID, WETBOEK VAN STRAFRECHT
Artikel 72
Van een inrichting als bedoeld in artikel 38a, tweede lid, van het
Wetboek van Strafrecht, wordt vereist dat deze:
a. een instelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die is toegelaten
voor het verlenen van zorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, of
b. is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in
artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen.
Artikel 73
De directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 38a, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, verleent de door Onze Minister
aangewezen ambtenaren te allen tijde toegang tot de plaatsen waar ter
beschikking gestelden verblijven. De ambtenaren zijn, voor zover dit
voor de uitoefening van hun taak redelijkerwijs nodig is, bevoegd de op
deze personen betrekking hebbende stukken in te zien.
Artikel 74
De directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 38a, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, houdt van de in deze inrichting
opgenomen ter beschikking gestelden aantekeningen als bedoeld in artikel
5. Het tweede en derde lid van artikel 5 zijn van toepassing. Artikel 24
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de melding
tevens wordt gedaan aan het openbaar ministerie dat op grond van artikel
67, eerste lid, het toezicht op de ter beschikking gestelde uitoefent
alsmede aan de reclassering, bedoeld in artikel 62.
Artikel 75
De directeur van een inrichting als bedoeld in artikel 38a, tweede
lid, van het Wetboek van Strafrecht, verschaft de reclassering die is
belast met de hulp en steun van een ter beschikking gestelde die in zijn
inrichting verblijft de informatie die nodig is met het oog op de
verlening van hulp en steun en de opstelling van de adviezen die de
reclassering opstelt met betrekking tot de ter beschikking gestelde.
HOOFDSTUK 19. BELONING EN VERGOEDING TOLK EN PERSONEN IN HET KADER
VAN EEN BEKLAG- OF BEROEPSZAAK
Artikel 76
1.De beloning van de tolk of de vertaler en de vergoeding van de
door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 78, onder a, van de wet
geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in
strafzaken.
2.De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis
van de in het eerste lid genoemde bepalingen de hoogte van de beloning
en vergoeding vast. Met de uitbetaling is het hoofd van de inrichting
belast.
Artikel 77
De vergoeding van de door een persoon als bedoeld in artikel 61,
vierde lid, van de wet gemaakte kosten geschiedt volgens de Wet tarieven
in strafzaken. Artikel 76, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK 20. KOSTEN
Artikel 78
Bij overlijden van een ter beschikking gestelde of anderzins
verpleegde komen de kosten van begrafenis of crematie voor zover die
redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden geacht en niet ten laste van
het vermogen van betrokkene of diens erfgenamen kunnen worden gebracht,
ten laste van de Staat.
Artikel 79
1.Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten komen ten laste van de Staat:
a. de kosten van verpleging en behandeling van de ter
beschikking gestelde of anderszins verpleegde die voortvloeien uit
hulpverlening door gedragsdeskundigen in verband met de
geestesstoornis van de betrokkene;
b. andere kosten van geneeskundige verzorging van de ter
beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd;
c. de kosten van overbrenging van een ter beschikking gestelde
of anderzins verpleegde naar enige voor hem in het kader van de
verpleging bestemde plaats.
2.De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens proefverlof komen
niet ten laste van de Staat.
HOOFDSTUK 21. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 80
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit
besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het
vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor
wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter
zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot
geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift
hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van
dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
Artikel 81
[Wijzigt de Gevangenismaatregel]
Artikel 82
[Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995]
Artikel 83
[Wijzigt de Besluit registratie justitiële gegevens]
Artikel 84
[Wijzigt de Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994]
Artikel 85
[Wijzigt de Arbeidstijdenbesluit]
Artikel 86
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenbesluit]
Artikel 87
[Wijzigt de Besluit voorrang hebbende regelingen
ziekenfondsverzekering]
Artikel 88
Het Reglement tenuitvoerlegging terbeschikkingstelling van 6 juni
1988 (Stb. 1988, 282) en de Tijdelijke regeling van de rechtspositie van
ter beschikking gestelden van 29 januari 1987 (Stb. 1987, 55) worden
ingetrokken.
Artikel 89
Indien een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden
op het moment van inwerkingtreding van dit besluit is aangewezen op
grond van artikel 26, eerste lid, Reglement tenuitvoerlegging
terbeschikkingstelling, geldt deze aanwijzing als aanwijzing op grond
van artikel 2 van het onderhavige besluit.
Artikel 90
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 91
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement verpleging ter
beschikking gestelden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 mei 1997
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de vijfde juni 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|