St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wetboek van Strafrecht (Sr)

 

TRANSACTIEBESLUIT  1994

Tekst zoals deze geldt op 29 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013

 

 

BIJLAGE, bedoeld in artikel 3.3 van het Besluit OM-afdoening en artikel 3 van het Transactiebesluit 1994 (pdf-bestand)

 

 

 
BESLUIT van 9 mei 1994, houdende regels ter uitvoering van artikel 74c van het Wetboek van Strafvordering, inzake de transactiebevoegdheid van de politie, de Koninklijke marechaussee en enige buitengewoon opsporingsambtenaren 1994

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 429054/94/6,
     Gelet op artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht;
     De Raad van State gehoord (advies van 19 april 1994, nr. W03.94.0132);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht nr. 436870/94/6;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1. Begripsbepaling

 

Artikel 1

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. transactiebevoegdheid: de bevoegdheid tot het stellen van de voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging, bestaande in de betaling van een bepaalde geldsom, bedoeld in artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht;

b. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

c. bevoegde ambtenaar: de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;

d. hoofdofficier van justitie: officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket;

e. buitengewoon opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

f. toezichthouder: de toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

g. direct toezichthouder: de direct toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar;

h. Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau.

2. Als korpschef in de zin van dit besluit wordt aangemerkt met betrekking tot

a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

b. de ambtenaren werkzaam bij de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid:

1. voor de toepassing van artikel 4: de betrokken districtscommandant,

2. voor de toepassing van de overige artikelen: de commandant van de Koninklijke marechaussee;

c. de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, vierde lid en vijfde lid: het hoofd van de organisatie, waarbij zij werkzaam zijn.

 

§ 2. De transactiebevoegdheid

 

Artikel 2

1. Voor de in artikel 3, onder a, aangewezen zaken wordt de transactiebevoegdheid toegekend aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 154, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede aan de hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 154, onder c, van die wet, voor zover het betreft de brigadecommandanten en de afdelingscommandanten en de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters die als hun vervanger zijn aangewezen, voor zolang zij als zodanig optreden, alsmede de adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters, ingedeeld bij de centrale recherche Koninklijke marechaussee en de recherchegroepen.

2. Voor de in artikel 3, onder b, aangewezen zaken wordt de transactiebevoegdheid toegekend aan de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, alsmede aan de ambtenaren die een basisopleiding volgen aan een onderwijsinstelling, ressorterend onder het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, uitsluitend gedurende hun praktijkstage bij de politie.

3. Voor de in artikel 3, onder b en c, aangewezen zaken wordt transactiebevoegdheid toegekend aan de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voor de gevallen waarin deze militairen zijn belast met de uitvoering van de politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, c, d, e en f, van de Politiewet 2012.

4. Voor de in artikel 3, onder b, aangewezen zaken wordt transactiebevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover deze ambtenaren bevoegd zijn tot de opsporing van die zaken.

5. In afwijking van het vierde lid, wordt voor de in het vierde lid aangewezen zaken geen transactiebevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van een gemeente, voor zover voor die zaken in de desbetreffende gemeente krachtens een verordening als bedoeld in artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

 

Artikel 3

Als zaken waarin de transactiebevoegdheid kan worden uitgeoefend worden aangewezen:

a. de zaken, aangeduid in de bijlage van dit besluit en zoals nader omschreven in de richtlijnen, gesteld door het openbaar ministerie, die de ontdekking betreffen van een misdrijf, omschreven in artikel 310 of artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover het feit de toeëigening betreft van goederen met een waarde van ten hoogste € 120 uit een winkel, voor zover de verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

b. de zaken welke betreffen de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel door de bevoegde ambtenaar ontdekte overtredingen, aangeduid in de bijlage van dit besluit, voor zover de verdachte de leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft en hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in de bijlage van dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan;

c. de op heterdaad of met een technisch hulpmiddel ontdekte verkeersovertredingen, aangeduid in de bijlage van dit besluit en strafbaar gesteld bij artikel 169 van het Wetboek van Militair Strafrecht juncto de Verkeersregeling defensie voor zover de verdachte militair is en hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die feiten in de bijlage van dit besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan en de overtreding is begaan op een militair terrein met een voertuig dat niet bij de krijgsmacht in gebruik is.

 

Artikel 4

1.De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel de taakvervulling van een bevoegde ambtenaar vordert dat tot nader bericht die ambtenaar geen gebruik zal maken van de verleende transactiebevoegdheid. Alvorens een beschikking als bedoeld in de eerste volzin te geven, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef.

2.De korpschef draagt zorg voor de uitvoering van de beschikking. De hoofdofficier van justitie geeft zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg.

3.Van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een buitengewoon opsporingsambtenaar, wordt een afschrift gezonden aan de direct toezichthouder van de ambtenaar. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaar is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder.

 

Artikel 5

1.De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat naar zijn oordeel het belang van een goede rechtsbedeling vordert dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de transactiebevoegdheid.

2.Alvorens een besluit als in het eerste lid bedoeld te nemen, hoort de hoofdofficier van justitie de betrokken korpschef. Dit horen kan achterwege blijven, indien de hoofdofficier van justitie het nodig oordeelt dat in het gehele arrondissement in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de transactiebevoegdheid.

3.De betrokken korpschefs dragen zorg voor de uitvoering van het besluit.

4.Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op buitengewoon opsporingsambtenaren wordt een afschrift gezonden aan de betrokken direct toezichthouder. Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de ambtenaren is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de toezichthouder.

 

§ 3. De betaling en het Centraal Justitieel Incassobureau

 

Artikel 6

1.De betaling van een geldsom ter voorkoming van strafvervolging geschiedt door storting of overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau.

2.In bijzondere gevallen kan de betaling eveneens plaatsvinden op een door de bevoegde ambtenaar aan te wijzen plaats.

3.Als plaats van betaling als bedoeld in het tweede lid, wordt slechts aangewezen een politiebureau of - indien de bevoegde ambtenaar een militair van de koninklijke marechaussee is - een brigadebureau of de betrokken doorlaatpost, dan wel een tijdelijke plaats van betaling, ingesteld door of vanwege de betrokken korpschef.

4.Degene die betaalt, maakt daarbij op een door de bevoegde ambtenaar aan te geven wijze melding van de zaak waarop de betaling betrekking heeft.

5.Indien de zaak waarop betaling van een geldsom ter voorkoming van strafvervolging betrekking heeft, niet is vermeld op de wijze, bedoeld in het vierde lid, kan het Centraal Justitieel Incassobureau het aan hem betaalde bedrag terugstorten op de rekening waarvan het bedrag afkomstig is, of anderszins het bedrag terugbetalen aan de persoon die heeft betaald.

 

Artikel 7

1.De betaling van de geldsom geschiedt binnen twee weken na de dag waarop het strafbare feit is ontdekt, dan wel, bij storting of overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau, uiterlijk zes weken na die dag.

2.In het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden de in het eerste lid bedoelde termijnen bepaald vanaf de dag waarop de voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging is gesteld.

 

Artikel 7a

1.Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, te ondersteunen bij hun taken met betrekking tot de inning van de gelden, voortvloeiend uit het gebruik van de transactiebevoegdheid.

2.Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.

3.De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel.

 

§ 4. Het toezicht

 

Artikel 8

1.In het belang van een juist gebruik van de transactiebevoegdheid wordt er op toegezien, dat de bevoegde ambtenaar die besluit een voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging te stellen, aan de betrokken persoon een kennisgeving doet toekomen waarin de voorwaarde is vermeld.

2.Indien de verdachte wordt staande gehouden, wordt de kennisgeving aanstonds aan hem uitgereikt. In andere gevallen wordt de kennisgeving achtergelaten op het voertuig waarmee het feit werd begaan, dan wel zo spoedig mogelijk aan de betrokken persoon toegezonden. In het geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 vindt de toezending niet later plaats dan drie maanden na de dag waarop het strafbare feit werd begaan.

3.Onze Minister stelt het formulier van de kennisgeving vast, dan wel de eisen waaraan een formulier van kennisgeving moet voldoen.

 

Artikel 9

1.Mede in het belang van een juiste verantwoording der ontvangen geldsommen wordt er op toegezien, dat de bevoegde ambtenaar ter voorkoming van strafvervolging geen andere voorwaarde stelt dan de betaling van een door het openbaar ministerie vastgestelde en door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakte geldsom.

2.Er wordt voorts op toegezien, dat aan degene die anders dan door storting of overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau aan de gestelde voorwaarde voldoet, onverwijld een betalingsbewijs wordt uitgereikt dat door de met de inning belaste ambtenaar is gedagtekend en ondertekend.

3.De bevoegde ambtenaar en de met de inning belaste ambtenaar worden in het bezit gesteld van een lijst met voor transactie vatbare feiten en daarvoor vastgestelde geldsommen. Aan de betrokken persoon verlenen zij desgevraagd inzage in deze lijst.

 

Artikel 10

1. De bevoegde ambtenaar houdt aantekening van elke zaak waarin hij een voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging heeft gesteld. Tevens wordt in de gevallen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, aantekening gehouden van de voldoening aan de gestelde voorwaarde.

2. De in het eerste lid bedoelde aantekeningen worden, uiterlijk binnen een jaar nadat zij zijn opgemaakt, desverlangd getoond aan de ambtenaren van het openbaar ministerie in het arrondissement waar de opsporingsambtenaren hun dienst hebben uitgeoefend.

3. De hoofdofficier van justitie wint periodiek rapport in van de politiechef van een regionale eenheid over de waarop de onder hem ressorterende in het arrondissement hun dienst uitoefenende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende transactiebevoegdheid. De politiechef zendt zijn rapport in door tussenkomst van de korpschef.

4. Het hoofd van het landelijk parket, bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, wint periodiek rapport in van de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012 over de wijze waarop de onder deze ressorterende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende transactiebevoegdheid.

 

§ 5. De verantwoording der gelden

 

Artikel 11

1. Het hoofd van de Directie Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie draagt zorg voor de opening van een of meer bankrekeningen van het Centraal Justitieel Incassobureau die uitsluitend zijn bestemd voor de betaling van gelden, voortvloeiend uit het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 74 en 74c van het Wetboek van Strafrecht.

2. De directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau is belast met het beheer van de rekeningen. Hij draagt er zorg voor dat de ontvangen gelden periodiek worden overgemaakt op een daartoe bestemde bankrekening van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

3. Onze Minister stelt nadere voorschriften vast omtrent het beheer van de in het eerste lid bedoelde bankrekeningen en de in verband daarmee te voeren administratie.

 

Artikel 12

1.Door of vanwege de korpschef worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met de inning van gelden die anders dan door storting of overschrijving op een in artikel 11, eerste lid, bedoelde rekening worden betaald.

2.Onze Minister stelt het formulier vast van het door deze ambtenaren uit te reiken betalingsbewijs, dan wel de eisen waaraan het betalingsbewijs moet voldoen.

3.De ontvangen gelden worden regelmatig op de voorgeschreven wijze overgemaakt op de daartoe bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau.

4.Onze Minister stelt nadere voorschriften vast omtrent de verstrekking en het beheer van de betalingsbewijzen, de afrekening en verantwoording van de ontvangen gelden en de in verband daarmee te voeren administratie.

 

Artikel 13

De met de inning belaste ambtenaren en al degenen die verder bij de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid, bedoelde voorschriften zijn betrokken, verstrekken desgevraagd alle inlichtingen hieromtrent aan de hoofdofficier van justitie, alsmede aan de directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau.

 

Artikel 14

1. Wat de politie betreft doet de korpschef, bedoeld in artikel 27, van de Politiewet 2012 op de door Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave van de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid, bedoelde voorschriften en van de met het oog op de toepassing van dit besluit verrichte accountantscontrole.

2. Wat de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaren betreft doen de betrokken korpschefs op de door Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave van de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid, bedoelde voorschriften en van de met het oog op de toepassing van dit besluit verrichte accountantscontrole.

 

§ 6. Bijstand

 

Artikel 15

In het geval de transactiebevoegdheid wordt uitgeoefend gedurende de periode dat ingevolge artikel 57, 58 of 59 van de Politiewet 2012 bijstand wordt verleend, geschieden de betaling van de transactie op de wijze van, en de afrekening, verantwoording en controle van de ontvangen gelden door de politie.

 

§ 6a. Inning van transactiegelden ten behoeve van het openbaar ministerie

 

Artikel 15a

1.Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taken met betrekking tot de inning van de gelden, voortvloeiend uit het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2.Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.

3.De amtenaren van het openbaar ministerie verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel.

4.De betaling van de geldsom geschiedt binnen zes weken vanaf de dagtekening van de acceptgiro die de betrokkene van het CJIB ontvangt, dan wel binnen een door het openbaar ministerie bepaalde andere termijn.

5.De artikelen 6, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.

 

§ 6b. De administratiekosten [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

 

Artikel 15b [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

De geldsom ter voorkoming van strafvervolging wordt vermeerderd met de administratiekosten. De omvang van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. Op de betaling van de administratiekosten zijn de artikelen van dit besluit betreffende de betaling van de geldsom, het toezicht en de verantwoording van de gelden, van overeenkomstige toepassing. De administratiekosten worden samen met de geldsom in rekening gebracht.

 

§ 7. Slotbepalingen

 

Artikel 16

Het Besluit politietransactie, het Besluit transactie Koninklijke Marechaussee en het Besluit transactie Rijksdienst voor het Wegverkeer worden ingetrokken.

 

Artikel 17

Dit besluit wordt aangehaald als: Transactiebesluit 1994.

 

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de Politiewet 1993 in werking treedt.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 9 mei 1994

 

BEATRIX

 

De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

Uitgegeven de veertiende juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto

 

 

BIJLAGE, bedoeld in artikel 3.3 van het Besluit OM-afdoening en artikel 3 van het Transactiebesluit 1994 (pdf-bestand)

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Sr | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x