| |
|
|
|
|
BESLUIT van 9 mei 1994, houdende regels ter uitvoering
van artikel 74c van het Wetboek van Strafvordering, inzake de
transactiebevoegdheid van de politie, de Koninklijke marechaussee en
enige buitengewoon opsporingsambtenaren 1994
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Justitie van 7 maart 1994, Stafafdeling Wetgeving
Publiekrecht, nr. 429054/94/6,
Gelet op artikel 74c van het Wetboek van
Strafrecht;
De Raad van State gehoord (advies van 19 april
1994, nr. W03.94.0132);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 28 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht nr.
436870/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepaling
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. transactiebevoegdheid: de
bevoegdheid tot het stellen van de voorwaarde ter voorkoming van
strafvervolging, bestaande in de betaling van een bepaalde
geldsom, bedoeld in artikel 74c van het Wetboek van Strafrecht;
b. Onze Minister: Onze Minister van
Veiligheid en Justitie;
c. bevoegde ambtenaar: de
opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2;
d. hoofdofficier van justitie:
officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket;
e. buitengewoon
opsporingsambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste
lid, van het Wetboek van Strafvordering;
f. toezichthouder: de
toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon
opsporingsambtenaar.
g. direct toezichthouder: de direct
toezichthouder, bedoeld in artikel 1 van het Besluit buitengewoon
opsporingsambtenaar;
h. Centraal Justitieel
Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in
artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel
Incassobureau.
2. Als korpschef in de zin van dit
besluit wordt aangemerkt met betrekking tot
a. de ambtenaren, bedoeld in
artikel 2, eerste en tweede lid: de korpschef, bedoeld in artikel
27 van de Politiewet 2012;
b. de ambtenaren werkzaam bij de
Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 2, eerste en derde
lid:
1. voor de toepassing van
artikel 4: de betrokken districtscommandant,
2. voor de toepassing van de
overige artikelen: de commandant van de Koninklijke
marechaussee;
c. de ambtenaren, bedoeld in
artikel 2, vierde lid en vijfde lid: het hoofd van de organisatie,
waarbij zij werkzaam zijn.
§ 2. De transactiebevoegdheid
Artikel 2
1. Voor de in artikel 3, onder a,
aangewezen zaken wordt de transactiebevoegdheid toegekend aan de
hulpofficieren van justitie, bedoeld in artikel 154, onder a en b, van
het Wetboek van Strafvordering, alsmede aan de hulpofficieren van
justitie, bedoeld in artikel 154, onder c, van die wet, voor zover het
betreft de brigadecommandanten en de afdelingscommandanten en de
adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters die als hun vervanger
zijn aangewezen, voor zolang zij als zodanig optreden, alsmede de
adjudant-onderofficier en de opperwachtmeesters, ingedeeld bij de
centrale recherche Koninklijke marechaussee en de recherchegroepen.
2. Voor de in artikel 3, onder b,
aangewezen zaken wordt de transactiebevoegdheid toegekend aan de
ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van
het Wetboek van Strafvordering, alsmede aan de ambtenaren die een
basisopleiding volgen aan een onderwijsinstelling, ressorterend onder
het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, uitsluitend
gedurende hun praktijkstage bij de politie.
3. Voor de in artikel 3, onder b en c,
aangewezen zaken wordt transactiebevoegdheid toegekend aan de
militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 141,
aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, voor de
gevallen waarin deze militairen zijn belast met de uitvoering van de
politietaken, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, c, d, e en f,
van de Politiewet 2012.
4. Voor de in artikel 3, onder b,
aangewezen zaken wordt transactiebevoegdheid toegekend aan
buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover deze ambtenaren bevoegd
zijn tot de opsporing van die zaken.
5. In afwijking van het vierde lid,
wordt voor de in het vierde lid aangewezen zaken geen
transactiebevoegdheid toegekend aan buitengewoon opsporingsambtenaren
in dienst van een gemeente, voor zover voor die zaken in de
desbetreffende gemeente krachtens een verordening als bedoeld in
artikel 154b, eerste lid, van de Gemeentewet een bestuurlijke boete
kan worden opgelegd.
Artikel 3
Als zaken waarin de transactiebevoegdheid
kan worden uitgeoefend worden aangewezen:
a. de zaken, aangeduid in de bijlage
van dit besluit en zoals nader omschreven in de richtlijnen, gesteld
door het openbaar ministerie, die de ontdekking betreffen van een
misdrijf, omschreven in artikel 310 of artikel 321 van het Wetboek
van Strafrecht, voor zover het feit de toeëigening betreft van
goederen met een waarde van ten hoogste € 120 uit een winkel, voor
zover de verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
b. de zaken welke betreffen de op
heterdaad of met een technisch hulpmiddel door de bevoegde ambtenaar
ontdekte overtredingen, aangeduid in de bijlage van dit besluit,
voor zover de verdachte de leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft
en hetzij behoort tot een categorie die met betrekking tot die
feiten in de bijlage van dit besluit is vermeld, hetzij, in het
geval bedoeld in artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
1994, de eigenaar of houder is van het motorrijtuig waarmee het feit
is begaan;
c. de op heterdaad of met een
technisch hulpmiddel ontdekte verkeersovertredingen, aangeduid in de
bijlage van dit besluit en strafbaar gesteld bij artikel 169 van het
Wetboek van Militair Strafrecht juncto de Verkeersregeling defensie
voor zover de verdachte militair is en hetzij behoort tot een
categorie die met betrekking tot die feiten in de bijlage van dit
besluit is vermeld, hetzij, in het geval bedoeld in artikel 181,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de eigenaar of houder is
van het motorrijtuig waarmee het feit is begaan en de overtreding is
begaan op een militair terrein met een voertuig dat niet bij de
krijgsmacht in gebruik is.
Artikel 4
1.De hoofdofficier van justitie kan
bepalen dat naar zijn oordeel de taakvervulling van een bevoegde
ambtenaar vordert dat tot nader bericht die ambtenaar geen gebruik zal
maken van de verleende transactiebevoegdheid. Alvorens een beschikking
als bedoeld in de eerste volzin te geven, hoort de hoofdofficier van
justitie de betrokken korpschef.
2.De korpschef draagt zorg voor de
uitvoering van de beschikking. De hoofdofficier van justitie geeft
zijn nader bericht slechts na hernieuwd overleg.
3.Van de beschikking, bedoeld in het
eerste lid, die betrekking heeft op een buitengewoon
opsporingsambtenaar, wordt een afschrift gezonden aan de direct
toezichthouder van de ambtenaar. Indien de hoofdofficier van justitie
niet de toezichthouder van de ambtenaar is, wordt tevens een afschrift
gezonden aan de toezichthouder.
Artikel 5
1.De hoofdofficier van justitie kan
bepalen dat naar zijn oordeel het belang van een goede rechtsbedeling
vordert dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen
het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren
geen gebruik wordt gemaakt van de transactiebevoegdheid.
2.Alvorens een besluit als in het
eerste lid bedoeld te nemen, hoort de hoofdofficier van justitie de
betrokken korpschef. Dit horen kan achterwege blijven, indien de
hoofdofficier van justitie het nodig oordeelt dat in het gehele
arrondissement in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen
gebruik wordt gemaakt van de transactiebevoegdheid.
3.De betrokken korpschefs dragen zorg
voor de uitvoering van het besluit.
4.Indien een besluit als bedoeld in het
eerste lid, betrekking heeft op buitengewoon opsporingsambtenaren
wordt een afschrift gezonden aan de betrokken direct toezichthouder.
Indien de hoofdofficier van justitie niet de toezichthouder van de
ambtenaren is, wordt tevens een afschrift gezonden aan de
toezichthouder.
§ 3. De betaling en het Centraal
Justitieel Incassobureau
Artikel 6
1.De betaling van een geldsom ter
voorkoming van strafvervolging geschiedt door storting of
overschrijving op een daartoe bestemde bankrekening van het Centraal
Justitieel Incassobureau.
2.In bijzondere gevallen kan de
betaling eveneens plaatsvinden op een door de bevoegde ambtenaar aan
te wijzen plaats.
3.Als plaats van betaling als bedoeld
in het tweede lid, wordt slechts aangewezen een politiebureau of -
indien de bevoegde ambtenaar een militair van de koninklijke
marechaussee is - een brigadebureau of de betrokken doorlaatpost, dan
wel een tijdelijke plaats van betaling, ingesteld door of vanwege de
betrokken korpschef.
4.Degene die betaalt, maakt daarbij op
een door de bevoegde ambtenaar aan te geven wijze melding van de zaak
waarop de betaling betrekking heeft.
5.Indien de zaak waarop betaling van
een geldsom ter voorkoming van strafvervolging betrekking heeft, niet
is vermeld op de wijze, bedoeld in het vierde lid, kan het Centraal
Justitieel Incassobureau het aan hem betaalde bedrag terugstorten op
de rekening waarvan het bedrag afkomstig is, of anderszins het bedrag
terugbetalen aan de persoon die heeft betaald.
Artikel 7
1.De betaling van de geldsom geschiedt
binnen twee weken na de dag waarop het strafbare feit is ontdekt, dan
wel, bij storting of overschrijving op een daartoe bestemde
bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau, uiterlijk zes
weken na die dag.
2.In het geval bedoeld in artikel 181,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden de in het eerste lid
bedoelde termijnen bepaald vanaf de dag waarop de voorwaarde ter
voorkoming van strafvervolging is gesteld.
Artikel 7a
1.Het Centraal Justitieel Incassobureau
heeft tot taak de ambtenaren, bedoeld in artikel 2, te ondersteunen
bij hun taken met betrekking tot de inning van de gelden,
voortvloeiend uit het gebruik van de transactiebevoegdheid.
2.Het Centraal Justitieel Incassobureau
verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie
van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.
3.De bevoegde ambtenaren verstrekken
het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens die het behoeft in
verband met de uitvoering van dit artikel.
§ 4. Het toezicht
Artikel 8
1.In het belang van een juist gebruik
van de transactiebevoegdheid wordt er op toegezien, dat de bevoegde
ambtenaar die besluit een voorwaarde ter voorkoming van
strafvervolging te stellen, aan de betrokken persoon een kennisgeving
doet toekomen waarin de voorwaarde is vermeld.
2.Indien de verdachte wordt staande
gehouden, wordt de kennisgeving aanstonds aan hem uitgereikt. In
andere gevallen wordt de kennisgeving achtergelaten op het voertuig
waarmee het feit werd begaan, dan wel zo spoedig mogelijk aan de
betrokken persoon toegezonden. In het geval bedoeld in artikel 181,
eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 vindt de toezending niet
later plaats dan drie maanden na de dag waarop het strafbare feit werd
begaan.
3.Onze Minister stelt het formulier van
de kennisgeving vast, dan wel de eisen waaraan een formulier van
kennisgeving moet voldoen.
Artikel 9
1.Mede in het belang van een juiste
verantwoording der ontvangen geldsommen wordt er op toegezien, dat de
bevoegde ambtenaar ter voorkoming van strafvervolging geen andere
voorwaarde stelt dan de betaling van een door het openbaar ministerie
vastgestelde en door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakte
geldsom.
2.Er wordt voorts op toegezien, dat aan
degene die anders dan door storting of overschrijving op een daartoe
bestemde bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau aan de
gestelde voorwaarde voldoet, onverwijld een betalingsbewijs wordt
uitgereikt dat door de met de inning belaste ambtenaar is gedagtekend
en ondertekend.
3.De bevoegde ambtenaar en de met de
inning belaste ambtenaar worden in het bezit gesteld van een lijst met
voor transactie vatbare feiten en daarvoor vastgestelde geldsommen.
Aan de betrokken persoon verlenen zij desgevraagd inzage in deze
lijst.
Artikel 10
1. De bevoegde ambtenaar houdt
aantekening van elke zaak waarin hij een voorwaarde ter voorkoming van
strafvervolging heeft gesteld. Tevens wordt in de gevallen, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, aantekening gehouden van de voldoening aan de
gestelde voorwaarde.
2. De in het eerste lid bedoelde
aantekeningen worden, uiterlijk binnen een jaar nadat zij zijn
opgemaakt, desverlangd getoond aan de ambtenaren van het openbaar
ministerie in het arrondissement waar de opsporingsambtenaren hun
dienst hebben uitgeoefend.
3. De hoofdofficier van justitie wint
periodiek rapport in van de politiechef van een regionale eenheid over
de waarop de onder hem ressorterende in het arrondissement hun dienst
uitoefenende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende
transactiebevoegdheid. De politiechef zendt zijn rapport in door
tussenkomst van de korpschef.
4. Het hoofd van het landelijk parket,
bedoeld in artikel 137, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, wint periodiek rapport in van de korpschef, bedoeld in
artikel 27 van de Politiewet 2012 over de wijze waarop de onder deze
ressorterende ambtenaren gebruik hebben gemaakt van de verleende
transactiebevoegdheid.
§ 5. De verantwoording der gelden
Artikel 11
1. Het hoofd van de Directie
Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Veiligheid en
Justitie draagt zorg voor de opening van een of meer bankrekeningen
van het Centraal Justitieel Incassobureau die uitsluitend zijn bestemd
voor de betaling van gelden, voortvloeiend uit het gebruik van de
bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 74 en 74c van het Wetboek van
Strafrecht.
2. De directeur van het Centraal
Justitieel Incassobureau is belast met het beheer van de rekeningen.
Hij draagt er zorg voor dat de ontvangen gelden periodiek worden
overgemaakt op een daartoe bestemde bankrekening van het Ministerie
van Veiligheid en Justitie.
3. Onze Minister stelt nadere
voorschriften vast omtrent het beheer van de in het eerste lid
bedoelde bankrekeningen en de in verband daarmee te voeren
administratie.
Artikel 12
1.Door of vanwege de korpschef worden
ambtenaren aangewezen die zijn belast met de inning van gelden die
anders dan door storting of overschrijving op een in artikel 11,
eerste lid, bedoelde rekening worden betaald.
2.Onze Minister stelt het formulier
vast van het door deze ambtenaren uit te reiken betalingsbewijs, dan
wel de eisen waaraan het betalingsbewijs moet voldoen.
3.De ontvangen gelden worden regelmatig
op de voorgeschreven wijze overgemaakt op de daartoe bestemde
bankrekening van het Centraal Justitieel Incassobureau.
4.Onze Minister stelt nadere
voorschriften vast omtrent de verstrekking en het beheer van de
betalingsbewijzen, de afrekening en verantwoording van de ontvangen
gelden en de in verband daarmee te voeren administratie.
Artikel 13
De met de inning belaste ambtenaren en al
degenen die verder bij de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid,
bedoelde voorschriften zijn betrokken, verstrekken desgevraagd alle
inlichtingen hieromtrent aan de hoofdofficier van justitie, alsmede aan
de directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau.
Artikel 14
1. Wat de politie betreft doet de
korpschef, bedoeld in artikel 27, van de Politiewet 2012 op de door
Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave van de uitvoering van
de in artikel 12, vierde lid, bedoelde voorschriften en van de met het
oog op de toepassing van dit besluit verrichte accountantscontrole.
2. Wat de Koninklijke marechaussee en
de buitengewoon opsporingsambtenaren betreft doen de betrokken
korpschefs op de door Onze Minister te bepalen wijze jaarlijks opgave
van de uitvoering van de in artikel 12, vierde lid, bedoelde
voorschriften en van de met het oog op de toepassing van dit besluit
verrichte accountantscontrole.
§ 6. Bijstand
Artikel 15
In het geval de transactiebevoegdheid
wordt uitgeoefend gedurende de periode dat ingevolge artikel 57, 58 of
59 van de Politiewet 2012 bijstand wordt verleend, geschieden de
betaling van de transactie op de wijze van, en de afrekening,
verantwoording en controle van de ontvangen gelden door de politie.
§ 6a. Inning van transactiegelden ten
behoeve van het openbaar ministerie
Artikel 15a
1.Het Centraal Justitieel Incassobureau
heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taken
met betrekking tot de inning van de gelden, voortvloeiend uit het
gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van
Strafrecht.
2.Het Centraal Justitieel Incassobureau
verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie
van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.
3.De amtenaren van het openbaar
ministerie verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de
gegevens die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel.
4.De betaling van de geldsom geschiedt
binnen zes weken vanaf de dagtekening van de acceptgiro die de
betrokkene van het CJIB ontvangt, dan wel binnen een door het openbaar
ministerie bepaalde andere termijn.
5.De artikelen 6, eerste, tweede,
vierde en vijfde lid, en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6b. De administratiekosten [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 15b [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
De geldsom ter voorkoming van
strafvervolging wordt vermeerderd met de administratiekosten. De omvang
van deze kosten wordt bepaald bij ministeriële regeling. Op de betaling
van de administratiekosten zijn de artikelen van dit besluit betreffende
de betaling van de geldsom, het toezicht en de verantwoording van de
gelden, van overeenkomstige toepassing. De administratiekosten worden
samen met de geldsom in rekening gebracht.
§ 7. Slotbepalingen
Artikel 16
Het Besluit politietransactie, het
Besluit transactie Koninklijke Marechaussee en het Besluit transactie
Rijksdienst voor het Wegverkeer worden ingetrokken.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als:
Transactiebesluit 1994.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking met ingang
van de dag waarop de Politiewet 1993 in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 9 mei 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de veertiende juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
BIJLAGE, bedoeld in artikel
3.3 van het Besluit OM-afdoening en artikel 3 van het Transactiebesluit
1994
(pdf-bestand)
|
|
|