| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafvordering (Sv)
BESLUIT
BUITENGEWOON OPSPORINGSAMBTENAAR
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 11 november 1994, houdende regels ter
uitvoering van artikel 142, vierde lid, van het Wetboek van
Strafvordering betreffende de bekwaamheid en betrouwbaarheid, beëdiging
en instructie van, alsmede het toezicht op buitengewoon
opsporingsambtenaren, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid
geldt, de beëindiging van de opsporingsbevoegdheid en enige andere
onderwerpen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op voordracht
van Onze Minister van Justitie van 22 april 1994, Stafafdeling Wetgeving
Publiekrecht, nr. 436121/94/6;
Gelet op artikel 142 van het Wetboek van
Strafvordering, artikel 17, derde lid, Wet economische delicten en
artikel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Invoeringswet Politiewet
1993;
De Raad van State gehoord (advies van 30
augustus 1994, nr. W03.94.0246);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 28 oktober 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
461681/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van
opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 3;
c. akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van
opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder
a, van het Wetboek van Strafvordering;
d. aanwijzing: de aanwijzing, bedoeld in artikel 142, eerste
lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;
e. aanvullende opsporingsbevoegdheid: de aanvullende
opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
f. de akte van beëdiging: de akte van beëdiging, bedoeld in
artikel 19, eerste lid;
g. politiebevoegdheden: de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8,
eerste en derde lid, van de Politiewet 1993;
h. werkgever: de werkgever van de buitengewoon
opsporingsambtenaar;
i. bewijs van bekwaamheid: een bewijs van het met goed gevolg
afgelegd hebben van het door Onze Minister goedgekeurde examen;
j. legitimatiebewijs: een bewijs als bedoeld in artikel 26 van
dit besluit;
k. insigne: het onderscheidingsteken, bedoeld in artikel 26a,
eerste lid.
2. Als standplaats in de zin van dit besluit wordt aangemerkt:
a. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn
taak in meer politieregio's, dan wel in het gehele land uit te
oefenen: de gemeente van vestiging van de werkgever;
b. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn
taak in één politieregio uit te oefenen:
1°. de gemeente waar hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht,
dan wel
2°. een gekozen gemeente uit de gemeenten, waarin hij
werkzaam is.
3. In dit besluit wordt verstaan onder het College van
procureurs-generaal: het College van procureurs-generaal, bedoeld in
artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
4. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. toezichthouder: de hoofdofficier van justitie, bedoeld in
artikel 36, tweede lid;
b. direct toezichthouder: degene, die op grond van artikel 36,
derde lid, als direct toezichthouder is aangewezen.
De (direct) toezichthouder is geen toezichthouder bedoeld in
artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2
De buitengewoon opsporingsambtenaar die beschikt over:
a. een titel van opsporingsbevoegdheid,
b. de bekwaamheid en betrouwbaarheid voor het uitoefenen van
opsporingsbevoegdheden, en
c. een akte van beëdiging,
is bevoegd op het grondgebied, vermeld in die akte, de
opsporingsbevoegdheden uit te oefenen ter zake van de feiten die in die
akte zijn vermeld en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken als
bedoeld in artikel 152 Wetboek van Strafvordering.
Hoofdstuk 2. De titel van opsporingsbevoegdheid
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 3
De titel van opsporingsbevoegdheid is de rechtsgrond die de
bevoegdheid tot opsporen bepaalt van de buitengewoon
opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a, b of c
, dan wel artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De
titel, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b , en de
aanvullende bevoegdheid op grond van artikel 142, derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering worden overeenkomstig dit hoofdstuk verleend.
Artikel 4
1.Een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend, een aanwijzing
wordt gedaan, dan wel een aanvullende opsporingsbevoegdheid wordt
toegekend, indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de
uitoefening van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst
waarbij hij werkzaam is, en een beroep op de politie voor het
uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of
niet wenselijk is.
2.Een akte van opsporingsbevoegdheid en de aanvullende
opsporingsbevoegdheid gelden voor de duur van maximaal vijf jaren met
ingang van de dag waarop de akte van beëdiging is uitgereikt. De
geldigheidsduur kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
3.De aanwijzing en de categoriaal verleende aanvullende
opsporingsbevoegdheid gelden voor de duur van maximaal vijf jaren met
ingang van de datum van inwerkingtreding van de beschikking. De
geldigheidsduur kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
Artikel 5
Een aanvraag tot het verlenen van een akte van opsporingsbevoegdheid,
het doen van een aanwijzing, dan wel het toekennen van aanvullende
opsporingsbevoegdheid bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. een aanduiding van de feiten waarvoor opsporingsbevoegdheid
wordt aangevraagd;
b. een aanduiding van het grondgebied waarvoor de
opsporingsbevoegdheid moet gelden.
Artikel 6
1. Een aanvraag tot verlenging of wijziging van een akte van
opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing en de aanvullende
opsporingsbevoegdheid wordt uiterlijk drie maanden voor het verlopen
van de geldigheidsduur ingediend.
2. Onze Minister kan de akte van opsporingsbevoegdheid, de
aanwijzing en de aanvullende opsporingsbevoegdheid ambtshalve wijzigen
of vervangen.
3. Indien Onze Minister bij beschikking de akte van
opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing of de aanvullende
opsporingsbevoegdheid verlengt, wijzigt of vervangt, past hij de akten
van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaren zo
spoedig mogelijk aan. Tot het tijdstip waarop de aanpassing heeft
plaatsgevonden, wordt de akte van beëdiging geacht te zijn gebaseerd
op de nieuwe beschikking.
Artikel 7
Op elke aanvraag ingevolge dit hoofdstuk wordt zo spoedig mogelijk,
in elk geval binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, beslist.
Artikel 8
1.Een akte van opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing en de
aanvullende opsporingsbevoegdheid worden ingetrokken op aanvraag van
de werkgever of indien de noodzaak, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
niet meer aanwezig is.
2.De intrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door degene
die de akte van opsporingsbevoegdheid of de aanvullende
opsporingsbevoegdheid heeft verleend, dan wel de aanwijzing heeft
gedaan.
§ 2. De procedure voor het verkrijgen van de akte van
opsporingsbevoegdheid
Artikel 9
1.De werkgever dient een aanvraag tot het verlenen van de akte van
opsporingsbevoegdheid in bij Onze Minister.
2.Onze Minister raadpleegt in ieder geval bij de aanvraag voor een
categorie of eenheid het College van procureurs-generaal en Onze
Ministers wie het mede aangaat.
3.De aanvraag bevat, naast de in artikel 5 genoemde gegevens, de
volgende gegevens:
a. naam, voornamen, woonplaats alsmede geboortedatum en -plaats
van de persoon, ten behoeve van wie de aanvraag tot buitengewoon
opsporingsambtenaar wordt gedaan;
b. een omschrijving van diens functie en standplaats.
4.Bij de aanvraag wordt een bewijs van bekwaamheid van de
desbetreffende persoon gevoegd. Indien de aanvraag betrekking heeft op
de verlenging of wijziging van de akte van opsporingsbevoegdheid wordt
een bewijs van beëdiging bijgevoegd.
Artikel 10
Onze Minister verleent de akte van opsporingsbevoegdheid, waarin
staan vermeld het grondgebied en de strafbare feiten waarvoor de
opsporingsbevoegdheid geldt.
Artikel 11
1. De hoofdofficier van justitie kan een aanvraag indienen tot het
verlenen van de akte van opsporingsbevoegdheid aan een of meer
personen, voor de duur van een onderzoek dat wordt uitgevoerd onder
leiding van een officier van justitie die tot zijn parket behoort.
2. Onze Minister beslist op de aanvraag en doet een afschrift van
zijn beschikking toekomen aan de direct toezichthouder.
3. Onze Minister kan een ontheffing als bedoeld in artikel 16,
derde lid, verlenen indien de te benoemen persoon over voldoende
bekwaamheid beschikt.
4. Bij het verlenen van de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld
in het eerste lid, kan de aanwijzing van de toezichthouder en de
direct toezichthouder achterwege blijven. In dat geval is het gestelde
in hoofdstuk 6, met uitzondering van artikel 35 niet van toepassing op
de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar.
§ 3. De procedure voor het verkrijgen van een aanwijzing
Artikel 12
1.De werkgever dient een aanvraag tot aanwijzing van categorieën
of eenheden als bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder b, van het
Wetboek van Strafvordering in bij Onze Minister.
2.De aanvraag bevat, naast de in artikel 5 genoemde gegevens, de
volgende gegevens:
a. een omschrijving van de categorie of eenheid binnen de
organisatie en van de functies, waarvan de opsporingsbevoegdheid
deel moet uitmaken, en
b. een opgave van het hoogste aantal personen dat in die
functies moet kunnen worden aangesteld.
3.Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 13
In de beschikking wordt het hoogste aantal personen vermeld dat op
grond van de aanwijzing beëdigd kan worden als buitengewoon
opsporingsambtenaar. Een afschrift van de beschikking wordt aan het
College van procureurs-generaal gezonden.
§ 4. De procedure voor het verkrijgen van de aanvullende
opsporingsbevoegdheid
Artikel 14
1.De werkgever dient een aanvraag voor een aanvullende
opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 142, derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering in bij Onze Minister.
2.De aanvraag ten behoeve van de categorie of eenheid bevat, naast
de in artikel 5 genoemde gegevens, de volgende gegevens:
a. een omschrijving van de categorie of eenheid binnen de
organisatie en van de functies, waarvan de opsporingsbevoegdheid
deel moet uitmaken, en
b. een opgave van het hoogste aantal personen dat in die
functies moet kunnen worden aangesteld.
3.Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 15 [Vervallen per 30-01-2010]
Hoofdstuk 3. De bekwaamheid en de betrouwbaarheid
Artikel 16
1. Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden, indien hij de daarvoor vastgestelde
basiskennis en vaardigheden bezit. De bekwaamheid blijkt uit het met
goed gevolg hebben afgelegd van een examen waarmee Onze Minister heeft
ingestemd.
2. Onze Minister kan ten aanzien van categorieën buitengewoon
opsporingsambtenaren aanvullende bekwaamheidseisen stellen. Onze
Minister bepaalt daarbij of het voldoen aan die eisen blijkt uit het
met goed gevolg hebben afgelegd van een examen waarmee hij heeft
ingestemd of uit het met goed gevolg hebben doorlopen van een
opleidingsprogramma waarmee hij heeft ingestemd. Het
opleidingsprogramma kan worden doorlopen na de beëdiging.
3. Van het met goed gevolg afleggen van de in het eerste en tweede
lid bedoelde examens en van het met goed gevolg hebben doorlopen van
het in het tweede lid bedoelde programma kan ontheffing worden
verleend, indien de bekwaamheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden op andere wijze blijkt. Bij het verlenen van
een ontheffing kunnen aanwijzingen en voorschriften worden gegeven met
het oog op het waarborgen van een adequaat niveau van bekwaamheid voor
de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
Artikel 17
1.Een persoon beschikt over de betrouwbaarheid voor de uitoefening
van opsporingsbevoegdheden, indien hij van onbesproken gedrag is.
2.Onze Minister beslist of een persoon betrouwbaar is voor de
uitoefening van de opsporingsbevoegdheden.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 18
1.Onze Minister beëdigt de persoon, bedoeld in artikel 2, tot
buitengewoon opsporingsambtenaar.
2.De werkgever dient een aanvraag tot beëdiging van een
buitengewoon opsporingsambtenaar in bij Onze Minister en overlegt
daarbij een bewijs van de titel van opsporingsbevoegdheid en een
bewijs van bekwaamheid van de te beëdigen persoon.
3.De aanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt tevens
geacht te zijn een aanvraag tot beëdiging.
4.De beëdiging vindt plaats voor de opsporing van de feiten
waartoe een persoon ingevolge de titel van opsporingsbevoegdheid
bevoegd is, op het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid
geldt.
5.Indien gebleken is dat de in het eerste lid bedoelde persoon
voldoet aan de voorwaarden voor beëdiging wordt hij binnen 12 weken
na ontvangst van de aanvraag beëdigd.
Artikel 19
1.Onze Minister maakt ten behoeve van de beëdiging een akte van
beëdiging op. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een door Onze
Minister vastgesteld model.
2.In de akte van beëdiging zijn in elk geval opgenomen de feiten
tot de opsporing waarvan de desbetreffende persoon beëdigd is en het
grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. Als grondgebied
wordt bepaald het gebied waarop de desbetreffende persoon zijn functie
uitoefent in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar
wordt beëdigd.
3.Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is
politiebevoegdheden uit te oefenen dan wel geweldmiddelen, als bedoeld
in artikel 37, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie en de
Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, te
gebruiken, wordt daarvan aantekening gemaakt op de akte.
Artikel 20
1.Onze Minister neemt van de te beëdigen persoon de eed,
verklaring of belofte van zuivering en een ambtseed of ambtsbelofte,
vastgelegd in bijlage A, af. Het proces-verbaal van de aflegging van
de eden, verklaring en beloften wordt aan de akte van beëdiging
toegevoegd en maakt vanaf dat moment daarvan deel uit.
2.Bij de bekendmaking of de beëdiging ontvangt de buitengewoon
opsporingsambtenaar, de akte van beëdiging, het legitimatiebewijs, de
tekst van hoofdstuk 5 en, voorzover op hem van toepassing, een
afschrift van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke
marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
3.Onze Minister zendt een afschrift van de akte van beëdiging aan
de toezichthouder en de direct toezichthouder.
Artikel 21
1.Onze Minister kan van de bevoegdheid tot het afleggen van de
eden, verklaringen en beloften, bedoeld in artikel 20, eerste lid,
mandaat verlenen aan de direct toezichthouder dan wel, indien de
desbetreffende persoon behoort tot een dienst ressorterend onder een
van Onze Ministers die het mede aangaat, aan het hoofd van die dienst.
Onze Minister zendt in dat geval de door hem opgemaakte akte van
beëdiging van te voren toe aan de direct toezichthouder of het hoofd
van dienst.
2.De direct toezichthouder dan wel het hoofd van dienst in wiens
handen de aflegging van de eden, verklaringen en beloften heeft
plaatsgevonden, maakt van de aflegging proces-verbaal op en voegt dat
toe aan de akte van beëdiging. Bij de beëdiging ontvangt de
buitengewoon opsporingsambtenaar de in artikel 20, tweede lid,
bedoelde stukken en wordt daarvan mededeling gedaan aan Onze Minister.
Artikel 22
1.Bij wijziging van de titel van opsporingsbevoegdheid, de
opsomming van de feiten tot welke opsporing de buitengewoon
opsporingsambtenaar ingevolge zijn titel bevoegd is, de standplaats
dan wel het grondgebied waarvoor de opsporing geldt, behoeven de eden,
verklaringen en beloften niet opnieuw te worden afgelegd indien de
akte van beëdiging overeenkomstig artikel 23 is aangepast.
2.In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, worden de afgelegde
eden, verklaringen of beloften geacht te zijn afgelegd voor de
opsporing van de feiten op het grondgebied genoemd in de gewijzigde
akte van beëdiging.
Artikel 23
1.Een aanvraag tot wijziging van de akte van beëdiging wordt
ingediend bij Onze Minister. Bij deze aanvraag wordt de akte
overgelegd.
2.Onze Minister, past de akte van beëdiging aan indien de aanvraag
betrekking heeft op een wijziging van:
a. de titel van opsporingsbevoegdheid dan wel de opsomming van
de feiten tot welke opsporing de buitengewoon opsporingsambtenaar
ingevolge die titel bevoegd is, overeenkomstig de bij of krachtens
de wet gewijzigde titel dan wel opsomming;
b. de standplaats;
c. het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt,
indien hem van de noodzaak daartoe is gebleken.
Artikel 24
1.De eed vervalt zodra de opsporingsbevoegdheid is vervallen.
2.Na het vervallen van de eed zendt de buitengewoon
opsporingsambtenaar zijn akte van beëdiging en zijn legitimatiebewijs
aan Onze Minister.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 25
1.De buitengewoon opsporingsambtenaar beperkt de
opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, tot hetgeen nodig is
voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot
buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van
elk optreden waartoe hij niet bevoegd is.
2.De buitengewoon opsporingsambtenaar gedraagt zich bij de
uitoefening van zijn opsporingsbevoegdheden overeenkomstig de bij of
krachtens de wet gegeven regels.
3.Indien hij bevoegd is politiebevoegdheden uit te oefenen,
gedraagt hij zich overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en
vijfde lid, van de Politiewet 1993 en de op hem van toepassing zijnde
bepalingen uit de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke
marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 26
1.Bij het uitoefenen van zijn taak draagt de buitengewoon
opsporingsambtenaar een legitimatiebewijs bij zich, waarvan het model
door Onze Minister is vastgesteld.
2.Onze Minister kan personen of categorieën aanwijzen die bevoegd
zijn een legitimatiebewijs te dragen dat afwijkt van het model,
bedoeld in het eerste lid.
3.Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
op het binnentreden toont de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
Artikel 26a
1.Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar een uniform of
bedrijfskleding draagt, wordt dat uniform of die bedrijfskleding op
een duidelijk zichtbare plaats voorzien van een insigne, waarvan het
model door Onze Minister wordt vastgesteld.
2.Het eerste lid is niet van toepassing op het uniform van een
buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij een politiekorps, de
Koninklijke marechaussee of de Belastingdienst/Douane.
Artikel 27
In het proces-verbaal van opsporingshandelingen of in enige andere
schriftelijke verslaglegging van de uitoefening van bevoegdheden
vermeldt de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn standplaats en het
nummer van zijn akte van beëdiging.
Artikel 28
De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt bij de opsporing de door of
namens het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 148 van het Wetboek van
Strafvordering, gegeven aanwijzingen op, tenzij artikel 80, vierde lid,
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 203 van de Wet
inzake de douane van toepassing is. Hij verstrekt het bevoegd gezag de
gewenste inlichtingen.
Artikel 29
1.De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt bij het uitoefenen van
de politiebevoegdheden de door of namens de meerdere, bedoeld in
artikel 37, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de
Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar,
gegeven aanwijzingen op.
2.Hij verstrekt de meerdere, bedoeld in het eerste lid, de gewenste
inlichtingen.
Artikel 30
1.De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt de aanwijzingen van de
toezichthouder en de direct toezichthouder op die met het oog op een
goede samenwerking met de politie zijn gegeven, tenzij bij of
krachtens wet anders is bepaald.
2.Hij verstrekt hen de gewenste inlichtingen en stelt hen terstond
op de hoogte van een voorgenomen wijziging van zijn standplaats, zijn
functie en zijn werkgever.
Artikel 31
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat hij blijft
beschikken over de bekwaamheid en de betrouwbaarheid voor de
uitoefening van opsporingsbevoegdheden. Hij werkt mee aan de
regelmatige toetsing van de bekwaamheid en volgt in door Onze Minister
te bepalen gevallen een bijscholingsprogramma waarmee deze heeft
ingestemd.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar woont de door de direct
toezichthouder aangewezen bijeenkomsten bij, waarin onderricht wordt
gegeven in zaken welke verband houden met de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
3. Indien de uitoefening van politiebevoegdheden mede het gebruik
van bepaalde geweldmiddelen, als bedoeld in artikel 37, derde lid, van
de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de
buitengewoon opsporingsambtenaar, omvat, oefent de buitengewoon
opsporingsambtenaar met die middelen.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 1. Algemeen
Artikel 32
1. Onze Minister is belast met het toezicht op de buitengewoon
opsporingsambtenaar voor wat betreft diens titel van
opsporingsbevoegdheid en diens bekwaamheid en betrouwbaarheid voor de
uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
2. Ten minste iedere vijf jaar dan wel ten minste op het daartoe op
de akte van beëdiging vermelde tijdstip, stelt Onze Minister vast of
de titel van opsporingsbevoegdheid en de bekwaamheid en de
betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden nog
aanwezig zijn, alsmede of het dienstverband of de functie van de
buitengewoon opsporingsambtenaar ongewijzigd is gebleven en het
opsporen van strafbare feiten nog steeds onderdeel uitmaakt van diens
functie. Onze Minister kan daartoe inlichtingen vragen aan het College
van procureurs-generaal en andere betrokkenen.
3. Onze Minister bepaalt of het nog aanwezig zijn van de
bekwaamheid blijkt uit het met goed gevolg hebben afgelegd van het in
artikel 16, eerste en tweede lid, bedoelde examen of uit het met goed
gevolg hebben doorlopen van het in artikel 16, tweede lid, of artikel
31, eerste lid, bedoelde programma. Artikel 16, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 33
1.Ter vaststelling van de bekwaamheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden legt de werkgever binnen vier weken op een
daartoe strekkend verzoek van Onze Minister, de bewijzen van de
bekwaamheid van buitengewoon opsporingsambtenaar over. Onze Minister
kan uitstel verlenen van de genoemde termijn.
2.Indien binnen de gestelde termijn geen bewijzen van de
bekwaamheid van de betrokkenen zijn overgelegd, wordt die bekwaamheid
geacht niet meer aanwezig te zijn.
Artikel 34
1.Indien is vastgesteld dat een titel van opsporingsbevoegdheid, de
betrouwbaarheid en de bekwaamheid nog steeds aanwezig zijn, wordt
hiervan aantekening gemaakt op de akte van beëdiging. Tevens wordt
een nieuwe datum voor de periodieke toetsing op de akte van beëdiging
vermeld.
2.De beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een geldige titel
van opsporing ontbreekt, wordt bekendgemaakt aan de buitengewoon
opsporingsambtenaar, diens werkgever, de toezichthouder en de direct
toezichthouder.
Artikel 35
1.De opsporingsbevoegdheid vervalt met ingang van de dag na de
datum waarop
a. de titel van opsporingsbevoegdheid vervalt of wijzigt,
tenzij de akte van beëdiging is gewijzigd als bedoeld in artikel
23, tweede lid, onder a ;
b. is vastgesteld dat de bekwaamheid of betrouwbaarheid voor de
uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet meer aanwezig is;
c. is vastgesteld dat het dienstverband met de werkgever is
beëindigd, dan wel dat de opsporing van strafbare feiten geen
onderdeel meer uitmaakt van de functie van de desbetreffende
persoon;
d. door Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van de
desbetreffende persoon is beëindigd.
2.Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon
opsporingsambtenaar beëindigen
a. op een daartoe strekkende aanvraag van de werkgever of van
de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar;
b. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar misbruik maakt
van zijn bevoegdheden;
c. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar de aanwijzingen
van het bevoegd gezag, de toezichthouder en de direct
toezichthouder niet nakomt;
d. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft gehandeld
in strijd met enige andere bepaling bij of krachtens dit besluit
of voor zover op hem van toepassing, de Ambtsinstructie voor de
politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon
opsporingsambtenaar.
3.Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon
opsporingsambtenaar opschorten voor de duur van het onderzoek naar de
in het tweede lid, onder b tot en met d, genoemde handelingen.
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 36
1. Bij de verlening van een titel van opsporingsbevoegdheid of bij
de beëdiging wijst Onze Minister een toezichthouder en een direct
toezichthouder aan.
2. Als toezichthouder wordt een hoofdofficier van justitie
aangewezen.
3. Als direct toezichthouder wordt aangewezen:
a. indien het grondgebied, bedoeld in artikel 5, onder b, is
gelegen binnen de grenzen van een politieregio: de korpschef,
bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993;
b. indien het grondgebied, bedoeld in artikel 5, onder b, is
gelegen in meer dan één politieregio: een korpschef, of het
hoofd van een onder de centrale overheid ressorterende landelijke
dienst;
c. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is bij
de krijgsmacht: de commandant van de Koninklijke marechaussee,
bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Politiewet 1993.
Artikel 37 [Vervallen per 30-01-2010]
Artikel 38
De toezichthouder ziet er op toe dat de buitengewoon
opsporingsambtenaar zijn taak bij de opsporing naar behoren vervult en
de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze
uitoefent. Hij ziet eveneens toe op een goede samenwerking met de
politie.
Artikel 39
1. De direct toezichthouder ziet toe dat de buitengewoon
opsporingsambtenaar het gestelde in hoofdstuk 5 naleeft. Hij oefent
tevens het dagelijks toezicht uit op de juiste uitoefening van
bevoegdheden en een goede samenwerking met de politie.
2. De direct toezichthouder ziet toe dat de werkgever zorg draagt
voor het onderricht aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, tenzij in
de voorschriften, bedoeld in artikel 16, derde lid, een ander persoon
daarvoor is aangewezen.
3. De direct toezichthouder verstrekt de toezichthouder de gewenste
inlichtingen en doet ook ongevraagd mededeling van hetgeen voor het
uitoefenen van het toezicht van belang kan zijn.
Artikel 40
1.De toezichthouder en de direct toezichthouder plegen regelmatig
overleg over het functioneren van de buitengewoon
opsporingsambtenaren. Zij kunnen daarbij de werkgever uitnodigen.
2.Zij kunnen het bevoegd gezag, de meerdere of andere betrokkenen
raadplegen over de uitoefening van bevoegdheden van buitengewoon
opsporingsambtenaren.
3.Zij verschaffen Onze Minister en het College van
procureurs-generaal de gewenste informatie over de buitengewoon
opsporingsambtenaren.
§ 3. De werkgever
Artikel 41
1. De werkgever verschaft de toezichthouder en de direct
toezichthouder alle door hen gewenste informatie met betrekking tot de
in zijn dienst werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren.
2. Onze Minister kan bepalen dat de werkgever, aan wie hij
ingevolge artikel 142, eerste lid, onder b, en derde lid, van het
Wetboek van Strafvordering een categoriale beschikking heeft verleend,
een jaarverslag dan wel op andere door hem te bepalen wijze informatie
aan hem doet toekomen.
3. Onze Minister kan eisen stellen aan het door de werkgever of een
categorie van werkgevers te gebruiken systeem voor het registreren en
verstrekken van de in het eerste lid bedoelde informatie en van
operationele informatie die wordt verkregen in het kader van de
taakuitvoering van de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Artikel 42
1.De werkgever zendt terstond een afschrift van een klacht over het
optreden van een buitengewoon opsporingsambtenaar betreffende de
uitoefening van diens bevoegdheden als buitengewoon
opsporingsambtenaar aan de toezichthouder en de direct toezichthouder.
2.Bij de afhandeling van de klacht neemt de werkgever het oordeel
van de toezichthouder over de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de
uitoefening van die bevoegdheden in acht.
Hoofdstuk 7. Registratie
Artikel 43
1.Onze Minister houdt een registratie bij van de buitengewoon
opsporingsambtenaren die door hem zijn beëdigd. Hij registreert de
gegevens die staan vermeld op de akte van beëdiging alsmede alle
wijzigingen die in de akte van beëdiging zijn aangebracht.
2.Onze Minister bewaart de bescheiden die betrekking hebben op de
buitengewoon opsporingsambtenaren.
3.Onze Minister verschaft desgewenst informatie over de
buitengewoon opsporingsambtenaren aan het College van
procureurs-generaal.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 44 [Vervallen per 04-10-2002]
Artikel 45 [Vervallen per 04-10-2002]
Artikel 46 [Vervallen per 04-10-2002]
Artikel 47 [Vervallen per 04-10-2002]
Artikel 48
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en
werkt het terug tot en met 1 april 1994.
Artikel 49
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon
opsporingsambtenaar.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 november 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zesde december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage A
Bij aanvaarding van de aanwijzing tot buitengewoon
opsporingsambtenaar legt de desbetreffende persoon de navolgende eden
(verklaringen en beloften) af:
1. De eed (verklaring en belofte) van zuivering:
«Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk of onmiddellijk, in welke
vorm dan ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling of beëdiging
als buitengewoon opsporingsambtenaar aan niemand iets heb gegeven of
beloofd.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets in mijn betrekking als
buitengewoon opsporingsambtenaar te doen of te laten, van niemand,
middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal
aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!»
2. De ambtseed of ambtsbelofte:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de
wetten van ons land.
Ik zweer (beloof) dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde
voorschriften en verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de
aan mij verstrekte opdrachten plichtsgetrouw en nauwgezet zal
volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en
die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het
vertrouwelijke karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan
anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot
mededeling verplicht ben.
Ik zweer (beloof) dat ik mij zal gedragen zoals een goed
buitengewoon opsporingsambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig,
onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het
aanzien van het ambt zal schaden.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!»
Bijlage B [Vervallen per 01-01-2008]
|
|
|