| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafvordering (Sv)
BESLUIT
DNA-ONDERZOEK IN STRAFZAKEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 27 augustus 2001, houdende nadere regels
over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in
strafzaken)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 mei 2001, nr.
5096282/01/6;
Gelet op de artikelen 151a, eerste,
vierde, vijfde, zesde en negende lid, 151b, vijfde lid, 195a,
eerste, vierde en vijfde lid, 195b, eerste en tweede lid, en 195d,
vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
De Raad van State gehoord (advies van 16 juli
2001, nr. W03.01.0218/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 20 augustus 2001, nr. 5113447/01/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
1.In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: het Wetboek van
Strafvordering;
b. een DNA-onderzoek: een onderzoek
als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste volzin, of vierde
lid, eerste volzin, 151b, eerste volzin, 195a, eerste lid, eerste
volzin, 195b, eerste lid, eerste volzin, of 195d, eerste lid, van
de wet dan wel artikel 2, derde lid, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden;
c. de DNA-databank: de DNA-databank
voor strafzaken, bedoeld in artikel 14, eerste lid;
d. Onze Minister: Onze Minister van
Justitie;
e. opsporingsambtenaar: een
ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
a, van de Politiewet 1993, een ambtenaar van politie als bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onder b, van die wet, voorzover deze is
aangesteld voor de uitvoering van taken op het terrein van de
technische recherche, of een militair van de Koninklijke
marechaussee als bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek
van Strafvordering;
f. veroordeelde: een persoon als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, of tweede lid, van de
Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden;
g. het instituut: het Nederlands
Forensisch Instituut;
h. NEN-EN ISO/IEC 17025: Algemene
eisen voor de competentie van beproevings- en
kalibratielaboratoria, uitgegeven door het Nederlands
Normalisatie-instituut, zoals deze luidde in april 2000.
2.Met een veroordeling die in kracht
van gewijsde is gegaan wordt voor de toepassing van dit besluit
gelijkgesteld een strafbeschikking die onherroepelijk is geworden.
§ 2. Wijze van afnemen van celmateriaal
en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van
afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal
Artikel 2
1.Degene die gevraagd wordt
schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten
behoeve van DNA-onderzoek, kan zich bij het nemen van zijn beslissing
door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie
onderscheidenlijk de rechter-commissaris wijst hem op deze
mogelijkheid.
2.Op het formulier voor de
schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt melding
gemaakt van de gevolgen van de medewerking aan een DNA-onderzoek.
3.Degene die vrijwillig medewerking
verleent aan een DNA-onderzoek, kan ten behoeve van dat onderzoek
wangslijmvlies, bloed of haarwortels laten afnemen.
4.Het afnemen van wangslijmvlies
geschiedt door van de binnenzijde van iedere wang twee monsters te
nemen.
5.Het afnemen van bloed geschiedt door
middel van een vingerprik.
6.Het afnemen van haarwortels geschiedt
door het uittrekken van ten minste tien haren uit de hoofdhuid.
7.Het afnemen van wangslijmvlies, bloed
of haarwortels geschiedt door een arts of een verpleegkundige. Ingeval
de desbetreffende persoon daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt,
kan het afnemen van wangslijmvlies of haarwortels geschieden door een
daartoe door de officier van justitie aangewezen opsporingsambtenaar
die voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
8.Het afnemen van celmateriaal
geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn
voorgeschreven.
9.Indien de arts of de verpleegkundige
bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is
geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon
daartoe schriftelijk een verzoek heeft ingediend bij de officier van
justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris dan wel de
functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Penitentiaire
beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet verpleging ter
beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen.
Artikel 3
1.Het afnemen van wangslijmvlies, bloed
of haarwortels ten behoeve van een DNA-onderzoek bij een verdachte
ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 151b, eerste lid, of
artikel 195d, eerste lid, van de wet dan wel een veroordeelde
ingevolge een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden geschiedt:
a. op de wijze als omschreven in
artikel 2, vierde tot en met zesde lid, en
b. met de hulpmiddelen die bij
ministeriële regeling zijn voorgeschreven.
2.Het afnemen van wangslijmvlies of
haarwortels bij een verdachte ingevolge een bevel als bedoeld in
artikel 151b, eerste lid, of artikel 195d, eerste lid, van de wet kan,
ingeval de verdachte daar afzonderlijk schriftelijk in toestemt,
geschieden door een daartoe door de officier van justitie aangewezen
opsporingsambtenaar die voldoet aan bij ministeriële regeling
vastgestelde eisen.
3.Het afnemen van wangslijmvlies of
haarwortels bij een veroordeelde ingevolge een bevel als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan,
ingeval de veroordeelde daartegen geen bezwaar maakt, geschieden door
een daartoe door de officier van justitie aangewezen
opsporingsambtenaar of een daartoe door de directeur van de inrichting
of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder k, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder
i, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen die voldoet aan
bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.
4.Artikel 2, negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
1.Bij het afnemen van wangslijmvlies,
bloed of haarwortels is een opsporingsambtenaar dan wel een persoon
als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Penitentiaire beginselenwet,
artikel 1, onder k, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking
gestelden of artikel 1, onder i, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, voorzover het afnemen van het celmateriaal
plaatsvindt bij een veroordeelde en hij in een inrichting als bedoeld
in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1,
onder d, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
verblijft of vanuit de inrichting vrijheden geniet, aanwezig die:
a. daarvan proces-verbaal opmaakt
of een verklaring, indien bij het afnemen van het celmateriaal een
persoon aanwezig is die geen opsporingsambtenaar is, dat hij
voorziet van een identiteitszegel waarop hij de naam, de
geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de persoon van
wie het celmateriaal is afgenomen aanbrengt of, indien deze
gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van
deze persoon kan worden vastgesteld en waarin hij vermeldt dat,
indien het celmateriaal bij een veroordeelde ingevolge artikel 3,
derde lid, is afgenomen door een ander persoon dan een arts of een
verpleegkundige, de veroordeelde daartegen geen bezwaar heeft
gemaakt,
b. de verpakking waarin het van de
persoon afgenomen celmateriaal is gebracht, van een
identiteitszegel voorziet dat gelijk is aan het identiteitszegel,
bedoeld onder a, en
c. ervoor zorgt dat het
celmateriaal, bedoeld onder b, zo spoedig mogelijk in een
verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels, bij
het instituut wordt bezorgd.
2.De opsporingsambtenaar die het
proces-verbaal opmaakt, of de persoon die de verklaring opmaakt,
bedoeld in het eerste lid, is een ander persoon dan de persoon die
ingevolge artikel 2, zevende lid, tweede volzin, ofartikel 3, tweede
of derde lid, wangslijmvlies of haarwortels afneemt.
3.Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld inzake het identiteitszegel en de sluitzegels,
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
1.De opsporingsambtenaar voorziet de
verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs
celmateriaal aanwezig is, dan wel van celmateriaal dat niet is
afgenomen op de wijze als voorzien in artikel 2 of artikel 3, van een
identiteitszegel zodra het voorwerp of celmateriaal in beslag is
genomen dan wel zo spoedig mogelijk daarna.
2.De opsporingsambtenaar voorziet het
proces-verbaal van de inbeslagneming van het voorwerp of het
celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een identiteitszegel dat
gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid. Indien
het te onderzoeken celmateriaal van een bekende verdachte is, vermeldt
hij in het proces-verbaal diens naam en geboortedatum,-plaats en -land
of, indien deze onbekend zijn, andere gegevens waarmee diens
identiteit kan worden vastgesteld.
3.De opsporingsambtenaar zorgt ervoor
dat het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, na
een opdracht van de officier van justitie onderscheidenlijk de
rechter-commissaris tot het daaraan verrichten van DNA-onderzoek, zo
spoedig mogelijk in een verpakking die hij heeft voorzien van een of
meer sluitzegels bij het instituut wordt bezorgd.
4.Voorzover een voorwerp waarop
vermoedelijk celmateriaal van de veroordeelde aanwezig is, in beslag
is genomen, verricht de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d,
van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder
h, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de handelingen,
bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
5.Artikel 4, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. Het instituut legt inzake het
celmateriaal, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, 3, eerste lid, en
5, eerste lid, alsmede inzake het voorwerp, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, in een centraal register de volgende gegevens vast:
a. de datum waarop het is
ontvangen,
b. het nummer van het
identiteitszegel, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onder a
en b, en 5, eerste en tweede lid, alsmede het proces-verbaalnummer
van de strafzaak waarin het celmateriaal is afgenomen en het
parketnummer,
c. een aanduiding van het misdrijf
in verband waarmee het DNA-onderzoek wordt verricht alsmede van de
maximale gevangenisstraf die op dat misdrijf is gesteld,
d. de naam van de officier van
justitie onderscheidenlijk rechter-commissaris die de opdracht tot
het verrichten van DNA-onderzoek heeft gegeven,
e. de naam van het laboratorium dat
het DNA-onderzoek zal verrichten en de datum waarop het
celmateriaal naar dat laboratorium is verzonden, tenzij het
DNA-onderzoek in het laboratorium van het instituut zal worden
verricht, en
f. in geval van celmateriaal van
een bekende persoon, de naam, de geboortedatum en -plaats en het
geboorteland van deze persoon of, indien deze gegevens onbekend
zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden
vastgesteld, alsmede het aan hem toegekende
strafrechtsketennummer.
2. Voorts worden inzake het
celmateriaal gegevens vastgelegd die van belang zijn in verband met
het tijdstip waarop het bijbehorende DNA-profiel uit de DNA-databank
dient te worden verwijderd. De Justitiële Informatiedienst stelt het
instituut daartoe in kennis van veroordelingen die in kracht van
gewijsde zijn gegaan in zaken waarin DNA-onderzoek heeft
plaatsgevonden.
3. Ten aanzien van het celmateriaal van
een veroordeelde of een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid,
onder e, is het eerste lid, onder b, voorzover dit betrekking heeft op
het proces-verbaalnummer van de strafzaak waarin het celmateriaal is
afgenomen en het parketnummer, niet van toepassing.
4. Onze Minister is voor het centrale
register, bedoeld in het eerste lid, verantwoordelijk.
5. De directeur van het instituut voert
het beheer van het centrale register.
§ 3. Verrichten van DNA-onderzoek
Artikel 7
1. DNA-onderzoek wordt verricht in het
laboratorium van het instituut, tenzij het vanwege de capaciteit van
het insituut noodzakelijk is dat het DNA-onderzoek in het laboratorium
van een ander instituut wordt verricht dan wel de officier van
justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris opdracht heeft
gegeven dat het DNA-onderzoek in een laboratorium van een ander
instituut wordt verricht.
2. Als laboratorium van een ander
instituut als bedoeld in het eerste lid, komt slechts in aanmerking:
a. een laboratorium dat door de
Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de
algemene criteria voor het functioneren van
beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17 025, en
deskundig is op het terrein van forensisch DNA-onderzoek, dan wel
b. een laboratorium dat gevestigd
is in het buitenland, door een met de Raad voor Accreditatie
vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria
die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC
17 025, en deskundig is op het terrein van forensisch
DNA-onderzoek.
3. Met toepassing van artikel 28,
eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3.
van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag
om accreditatie, bedoeld in het eerste en het tweede lid.
4. Indien de accreditatie van een
laboratorium als bedoeld in het tweede lid is ingetrokken, is
geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dit
laboratorium niet langer DNA-onderzoek worden verricht.
5. Het DNA-onderzoek, bedoeld in
artikel 151a, vierde lid, eerste volzin, of artikel 195b, eerste lid,
eerste volzin, van de wet wordt niet verricht door:
a. de deskundige die het
DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, eerste
volzin, onderscheidenlijk artikel 195a, eerste lid, eerste volzin,
van de wet heeft verricht, dan wel
b. een deskundige die aan hetzelfde
laboratorium is verbonden als de deskundige, bedoeld onder a.
Artikel 8
1.Indien het DNA-onderzoek in een ander
laboratorium dan het laboratorium van het instituut zal worden
verricht, zorgt het instituut ervoor dat het celmateriaal op basis
waarvan het DNA-onderzoek zal worden verricht, in een verpakking die
is voorzien van een of meer sluitzegels, wordt bezorgd bij het
laboratorium dat het DNA-onderzoek zal verrichten.
2.Het instituut voorziet het
celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een etiket dat is
voorzien van een nummer dat gelijk is aan het nummer van het
identiteitszegel waarmee het instituut het celmateriaal heeft
ontvangen.
3.Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld inzake de sluitzegels, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 9
1.De deskundige verricht het
DNA-onderzoek binnen de termijn die de officier van justitie
onderscheidenlijk de rechter-commissaris die de opdracht tot het
verrichten van het DNA-onderzoek heeft gegeven, heeft gesteld. De
termijn wordt na overleg met het instituut vastgesteld.
2.De deskundige verricht het
DNA-onderzoek volgens een van de methoden die zijn goedgekeurd bij het
verlenen van de accreditatie aan het laboratorium waaraan hij is
verbonden.
Artikel 10
1. De deskundige stelt een verslag op
van de resultaten van het DNA-onderzoek en ondertekent het verslag.
2. Het verslag bevat in ieder geval:
a. ingeval het een DNA-onderzoek
betreft aan celmateriaal van een bekende persoon, de naam, de
geboortedatum en -plaats en het geboorteland van deze persoon of,
indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn
identiteit kan worden vastgesteld,
b. het nummer van het
identiteitszegel dan wel het etiket, bedoeld in artikel 8, tweede
lid,
c. de methode met behulp waarvan
het DNA-profiel is verkregen, en
d. de resultaten en de conclusies
van het DNA-onderzoek.
3. De deskundige doet uiterlijk een
week na dagtekening van het verslag:
a. het verslag toekomen aan de
officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris,
b. een afschrift van het verslag
toekomen aan het instituut, alsmede het DNA-profiel dat uit het
DNA-onderzoek is verkregen, en
c. een afschrift van het verslag
toekomen aan de opsporingsambtenaar die betrokken is bij het
opsporingsonderzoek of het gerechtelijk vooronderzoek in het kader
waarvan het DNA-onderzoek is verricht waarover de deskundige het
verslag heeft opgesteld, met dien verstande dat dit afschrift geen
DNA-profiel bevat.
4. Het derde lid, onder a en c, is niet
van toepassing ingeval het DNA-onderzoek ingevolge een bevel als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij
veroordeelden is verricht en het DNA-profiel van de veroordeelde niet
overeenkomt met een ander in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel.
5. De directeur van het instituut meldt
de officier van justitie onderscheidenlijk de rechter-commissaris zo
spoedig mogelijk of:
a. het DNA-profiel dat is verkregen
uit het celmateriaal van een bekende persoon overeenkomt met het
DNA-profiel dat in verband met hetzelfde strafbare feit is
verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
dat toebehoort aan een onbekende verdachte, dan wel overeenkomt
met een ander DNA-profiel dat is vastgelegd in de DNA-databank of
b. het DNA-profiel dat is verkregen
uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van een
onbekende verdachte, overeenkomt met een DNA-profiel dat is
vastgelegd in de DNA-databank.
6. In geval van artikel 2, vierde lid,
van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geeft de officier van
justitie de functionaris, bedoeld in artikel 1, onder d, van de
Penitentiaire beginselenwet, artikel 1, onder g, van de Beginselenwet
verpleging ter beschikking gestelden of artikel 1, onder h, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen schriftelijk kennis van de
uitslag van het DNA-onderzoek.
7. De officier van justitie geeft een
persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder e, schriftelijk
kennis van de uitslag van het DNA-onderzoek indien zijn DNA-profiel
overeenkomt met een ander verwerkt DNA-profiel en het belang van het
onderzoek dat toelaat.
Artikel 11
1.De deskundige zendt zo spoedig
mogelijk na het verrichten van het DNA-onderzoek het overgebleven
celmateriaal in een verpakking die is voorzien van een sluitzegel,
naar het instituut, tenzij hij is verbonden aan het laboratorium van
het instituut.
2.Artikel 8, tweede en derde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
1.Het aan de verdachte in rekening te
brengen deel van de kosten, bedoeld in de artikelen 151a, vijfde lid,
en 195b, tweede lid, van de wet, voor het verrichten van een
DNA-onderzoek op verzoek van de verdachte bedraagt € 136.
2.Een DNA-onderzoek op verzoek van de
verdachte wordt niet verricht dan nadat hij het bedrag, genoemd in het
eerste lid, aan het instituut heeft betaald.
§ 4. Bewaren en vernietigen van
celmateriaal en DNA-profielen en het verstrekken van informatie daarover
Artikel 13
1. Het instituut bewaart na afloop van
een DNA-onderzoek zoveel celmateriaal als noodzakelijk is met het oog
op een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, vierde lid, eerste
volzin, of artikel 195b, eerste lid, eerste volzin, van de wet dan wel
met het oog op het opnieuw bepalen van het bijbehorende, in de
DNA-databank vastgelegde DNA-profiel.
2. In afwijking van het eerste lid
vernietigt het instituut het celmateriaal van een derde terstond
indien is vastgesteld dat het bijbehorende DNA-profiel niet
overeenkomt met het DNA-profiel dat in verband met hetzelfde strafbare
feit is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van een onbekende verdachte.
3. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op het celmateriaal van een overleden
slachtoffer van een strafbaar feit, met dien verstande dat het
instituut diens celmateriaal bewaart met het oog op het opsporen en
vervolgen van de dader van het strafbare feit als gevolg waarvan het
slachtoffer is overleden of waarbij het slachtoffer was betrokken.
4. Met het celmateriaal, bedoeld in het
tweede lid, vernietigt het instituut tevens het DNA-profiel dat uit
het celmateriaal is verkregen, de gegevens, bedoeld in artikel 6,
alsmede het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 10, derde
lid, onder b.
5. Het instituut houdt aantekening van
iedere vernietiging ingevolge het eerste tot en met vierde lid.
Artikel 14
1.Er is een DNA-databank voor
strafzaken die tot doel heeft de voorkoming, opsporing, vervolging en
berechting van strafbare feiten te bevorderen.
2.Onze Minister is voor de DNA-databank
verantwoordelijk.
3.De directeur van het instituut voert
het beheer van de DNA-databank.
4.Het instituut legt in de DNA-databank
het nummer van het identiteitszegel, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
onder b, vast, alsmede
a. het bijbehorende DNA-profiel van
overleden slachtoffers van misdrijven als omschreven in artikel
67, eerste lid, van de wet,
b. het bijbehorende DNA-profiel dat
is verkregen uit het celmateriaal, bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van onbekende personen,
c. het bijbehorende DNA-profiel van
verdachten ter zake van misdrijven als omschreven in artikel 67,
eerste lid, van de wet,
d. het bijbehorende DNA-profiel van
veroordeelden ter zake van misdrijven als omschreven in het zesde
lid, dan wel
e. het bijbehorende DNA-profiel van
personen die hun straf of maatregel volledig hebben ondergaan ter
zake van misdrijven als omschreven in het zesde lid en die
schriftelijk hebben toegestemd in het afnemen van celmateriaal ten
behoeve van het bepalen en verwerken van hun DNA-profiel.
5.De directeur van het instituut kan de
DNA-profielen die in de DNA-databank zijn vastgelegd, opnieuw bepalen
indien de stand van de techniek dat noodzakelijk maakt. Hij kan tevens
de in de DNA-databank vastgelegde DNA-profielen onderling vergelijken
met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid, en leden van het
openbaar ministerie en met rechtspraak belaste leden van de
rechterlijke macht van de resultaten daarvan in kennis stellen.
6.Misdrijven als bedoeld in het vierde
lid, onder d en e, zijn de misdrijven als omschreven in de artikelen
92 tot en met 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a,
123, 123a, 124, 124a, 141, 157, 179, 240b, 242 tot en met 247, 248a,
248b, 249, 250, eerste lid, onder 1°, en tweede lid, 252, tweede en
derde lid, 256, 273f, 278, 279, tweede lid, 281, eerste lid, onder
2°, 282, 282a, 285a, 285b, 287 tot en met 291, 293, 296, 300, eerste
tot en met derde lid, 301, 302 en 303, 307, tweede lid, 312, 317,
385a, 385b, 385d, 395, tweede lid, onder 2° en 3°, en 396 van het
Wetboek van Strafrecht, de artikelen 118, 119, 120, onderdeel 1°,
122, 142, eerste en tweede lid, 143, eerste lid, en 159 van het
Wetboek van Militair Strafrecht, artikel 5, tweede lid, van de Wet
oorlogsstrafrecht, de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, onder a,
b en f tot en met k, 5, eerste lid, onder a tot en met c, tweede lid,
onder a, b, c, onderdelen 1° en 5°, en d, onderdeel 3°, derde lid,
onder a tot en met e, vijfde lid, onder a tot en met c, j, m en o, en
zesde lid, onder a, b en d, 6, eerste lid, onder a en c, tweede lid en
derde lid, onder a en c, 7, tweede lid, onder a tot en met c, en 8,
eerste lid en tweede lid, onder b, van de Wet internationale
misdrijven, artikel 175, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet
1994 en artikel 122, eerste lid, van de Gezondheids-en welzijnswet
voor dieren, voorzover dit artikel betrekking heeft op artikel 36,
eerste lid, van die wet.
Artikel 15
1. Rechtstreekse toegang tot de
DNA-databank hebben:
a. de ambtenaren die werkzaam zijn
binnen het instituut, voorzover zij deze nodig hebben voor een
goede vervulling van de aan hen door Onze Minister opgedragen
taak, en
b. de medewerkers van de nationale
contactpunten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit
2008/615/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 2008
inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking
in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en
grensoverschrijdende criminaliteit (Pb. EU L 210), voor zover zij
deze nodig hebben ter uitvoering van de artikelen 3, eerste lid,
en 4, eerste lid, van dat besluit en het de DNA-profielen van de
personen, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b tot en met e,
betreft.
De binnen het instituut werkzame
ambtenaren hebben tevens rechtstreekse toegang tot het centrale
register, bedoeld in artikel 6, voorzover zij deze nodig hebben voor
een goede vervulling van de aan hen door Onze Minister opgedragen
taak.
2. Het instituut verstrekt slechts
gegevens uit de DNA-databank en het centrale register, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, aan:
a. de met vervolging belaste leden
van de rechterlijke macht, voorzover zij deze nodig hebben voor de
toepassing van het strafrecht, daarin begrepen de uitvoering van
een verzoek om rechtshulp als bedoeld in artikel 552h van de wet,
of voor de uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden,
b. de met rechtspraak belaste leden
van de rechterlijke macht, voorzover zij deze nodig hebben voor de
toepassing van het strafrecht,
c. de ambtenaren van politie,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid van
de Politiewet 1993, en de militairen van de Koninklijke
marechaussee, bedoeld in artikel 141, onder c, van het Wetboek van
Strafvordering, voorzover zij deze nodig hebben voor de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde,
d. het Korps landelijke
politiediensten, bedoeld in artikel 38 van de Politiewet 1993,
voorzover het deze nodig heeft voor de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde, en
e. de Justitiële Informatiedienst,
voorzover het deze nodig heeft ten behoeve van het ondersteunen
van de leden van de rechterlijke macht, de ambtenaren van politie
en de militairen van de Koninklijke marechaussee, bedoeld onder c,
en het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van
het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, bij de
uitvoering van hun taken.
3. Het instituut beperkt de
verstrekking van gegevens aan de ambtenaren van politie en de
militairen van de Koninklijke Marechaussee, bedoeld in het tweede lid,
onder c, tot de naam van degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank
is vastgelegd, alsmede zijn geboortedatum, -plaats en-land of, indien
deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit
kan worden vastgesteld, alsmede het parketnummer dat bij het
DNA-profiel hoort.
4. Het instituut beperkt de
verstrekking van gegevens aan het Korps landelijke politiediensten tot
de strafzaken die nog niet zijn opgelost en in het kader waarvan een
opdracht tot DNA-onderzoek is gegeven, waarbij vermelding plaatsvindt
a. van het feit dat in die
strafzaken geen celmateriaal is gevonden waaruit het DNA-profiel
van een onbekende of bekende verdachte is verkregen, alsmede van
de bij die strafzaken behorende proces-verbaalnummers,
b. van het feit dat in die
strafzaken celmateriaal is gevonden waaruit het DNA-profiel van
een of meer onbekende of bekende verdachten is verkregen, alsmede
van de bij die strafzaken behorende proces-verbaalnummers en de
naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de
bekende verdachte of verdachten of, indien deze gegevens onbekend
zijn, andere gegevens waarmee de identiteit van de verdachte of de
verdachten kan worden vastgesteld en
c. van het feit dat in meer van die
strafzaken het DNA-profiel van een of meer dezelfde onbekende of
bekende verdachten voorkomt, alsmede van de bij die strafzaken
behorende proces-verbaalnummers en de naam, de geboortedatum en
-plaats en het geboorteland van de bekende verdachte of verdachten
of, indien deze gegevens onbekend zijn, andere gegevens waarmee de
identiteit van de verdachte of de verdachten kan worden
vastgesteld.
5. Het instituut beperkt de
verstrekking van gegevens aan de Justitiële Informatiedienst tot de
naam van degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank is vastgelegd,
alsmede zijn geboortedatum, -plaats en-land of, indien deze gegevens
onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden
vastgesteld, alsmede het nummer waaronder zijn DNA-profiel in de
DNA-databank is vastgelegd.
6. Het instituut verstrekt de gegevens
slechts op schriftelijk verzoek, tenzij het een verstrekking aan het
Korps landelijke politiediensten of de Justitiële Informatiedienst
betreft. In de laatste gevallen vindt de verstrekking rechtstreeks
langs geautomatiseerde weg plaats.
7. Bij iedere verstrekking van gegevens
wordt aantekening gehouden van de datum van de verstrekking, de
identiteit van de verzoeker en de aard van de verstrekte gegevens.
8. Zodra zich een omstandigheid als
bedoeld in artikel 16 of 18 voordoet op grond waarvan het instituut
een DNA-profiel dat in de DNA-databank is vastgelegd, dient te
vernietigen, stelt het instituut het Korps landelijke politiediensten
en de Justitiële Informatiedienst daarvan in kennis. Terstond nadat
het Korps landelijke politiediensten en de Justitiële
Informatiedienst deze kennisgeving hebben ontvangen, vernietigen zij
de gegevens die bij hen over dat profiel zijn vastgelegd.
Artikel 16
1. Zodra zich een omstandigheid
voordoet die meebrengt dat degene wiens DNA-profiel in de DNA-databank
is vastgelegd, niet langer kan worden aangemerkt als een verdachte ter
zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van de
wet, stelt de Justitiële Informatiedienst het instituut daarvan in
kennis.
2. Van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste lid is in ieder geval sprake bij een beslissing tot
niet-vervolging, een kennisgeving van niet verdere vervolging, een
onherroepelijke buitenvervolgingstelling, een rechterlijke verklaring
dat de zaak geëindigd is, een vrijspraak of een onherroepelijk
ontslag van alle rechtsvervolging waarbij niet een maatregel als
bedoeld in artikel 37, 37a juncto 37b of 38, 38m of 77s van het
Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
Artikel 17
1. Terstond nadat het instituut een
kennisgeving als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft ontvangen,
vernietigt het instituut het DNA-profiel van degene die niet langer
kan worden aangemerkt als een verdachte ter zake van een misdrijf als
omschreven in artikel 67, eerste lid, van de wet.
2. Het instituut vernietigt met het
DNA-profiel, bedoeld in het eerste lid, tevens de daarbij behorende
gegevens, bedoeld in artikel 6, het celmateriaal waaruit het
DNA-profiel is verkregen, alsmede het afschrift van het verslag,
bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b.
3. In afwijking van het eerste lid
bewaart het instituut het DNA-profiel indien dat profiel in een andere
zaak overeenkomt met het DNA-profiel van een onbekende verdachte en
degene wiens DNA-profiel het betreft, in die zaak als verdachte is
aangemerkt ter zake van een misdrijf als omschreven in artikel 67,
eerste lid, van de wet.
4. Artikel 13, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 18
1. Het instituut vernietigt het
DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde:
a. twintig jaar nadat een
einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een
misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het
kader van het misdrijf het DNA-profiel is verwerkt of nadat een
strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is
gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene,
b. dertig jaar nadat een
einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een
misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, en in het kader
van het misdrijf het DNA-profiel is verwerkt of nadat een
strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is
gelegd, dan wel twintig jaar na het overlijden van betrokkene, of
c. na het vervallen van het recht
tot strafvordering door verjaring.
2. De termijn van twintig en dertig
jaar, genoemd in het eerste lid, wordt verlengd indien tegen de
betrokkene een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352,
tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verband met een
ander misdrijf is gedaan of een strafbeschikking in verband met een
ander misdrijf is uitgevaardigd. In dat geval wordt het DNA-profiel
vernietigd twintig dan wel dertig jaar nadat de einduitspraak in
verband met dat andere misdrijf is gedaan of de strafbeschikking in
verband met dat andere misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, al
naar gelang op het misdrijf naar de wettelijke omschrijving minder dan
zes jaar dan wel zes jaar of meer gevangenisstraf is gesteld. De
eerste twee volzinnen zijn niet van toepassing in het geval op dat
andere misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf
van minder dan zes jaar is gesteld, terwijl op het eerdere misdrijf
naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of
meer was gesteld en van de termijn van dertig jaar nog niet meer dan
tien jaar is verstreken.
3. De termijn van dertig jaar, genoemd
in het eerste lid, wordt met twintig jaar verlengd indien de duur van
de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel langer is dan
twintig jaar. Indien de gevangenisstraf levenslang is of de
vrijheidsbenemende maatregel de duur van veertig jaar overstijgt,
wordt het DNA-profiel na tachtig jaar vernietigd.
4. In afwijking van het eerste tot en
met derde lid wordt het DNA-profiel van een verdachte of veroordeelde
wegens een misdrijf als bedoeld in de artikelen 240b tot en met 250
van het Wetboek van Strafrecht na tachtig jaar vernietigd.
5. Het instituut vernietigt het
DNA-profiel van een persoon als bedoeld in artikel 14, vierde lid,
onder e, twintig jaar na vastlegging in de DNA-databank of zodra deze
persoon het instuut heeft medegedeeld dat hij zijn toestemming tot het
verwerken van zijn DNA-profiel heeft ingetrokken.
6. Het instituut vernietigt het
DNA-profiel van een overleden slachtoffer:
a. twintig jaar na vastlegging in
de DNA-databank indien het slachtoffer is overleden als gevolg van
of is betrokken bij een misdrijf waarop naar de wettelijke
omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of meer
is gesteld, dan wel
b. twaalf jaar na vastlegging in de
DNA-databank indien het slachtoffer is overleden als gevolg van of
is betrokken bij een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste
lid, van de wet waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van minder dan ten hoogste zes jaar is gesteld.
7. In afwijking van het zesde lid
bewaart het instituut het DNA-profiel van een overleden slachtoffer
tachtig jaar indien het slachtoffer is overleden als gevolg van of is
betrokken bij een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is
gesteld.
8. Het instituut vernietigt het
DNA-profiel van een onbekende verdachte overeenkomstig de termijnen,
genoemd in het zesde en zevende lid.
9. In afwijking van het achtste lid
vernietigt het instituut het DNA-profiel van een onbekende verdachte
zodra is vastgesteld dat het DNA-profiel van een verdachte of
veroordeelde overeenkomt met dat DNA-profiel, en het openbaar
ministerie het instituut ervan in kennis heeft gesteld dat diens
veroordeling in verband met dat strafbare feit in kracht van gewijsde
is gegaan of zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, heeft voorgedaan en er geen sprake is van een veroordeling die in
kracht van gewijsde is gegaan. De eerste volzin is van overeenkomstige
toepassing op het DNA-profiel van een overleden slachtoffer.
Vernietiging van het DNA-profiel van een onbekende verdachte of het
overleden slachtoffer kan telkens tien jaar worden uitgesteld indien
de verdachte of veroordeelde daartoe schriftelijk een verzoek heeft
ingediend bij het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie doet
hem schriftelijk mededeling van de mogelijkheid een verzoek als
bedoeld in de vorige zin in te dienen.
10. Het instituut vernietigt met het
DNA-profiel, bedoeld in het eerste tot en met negende lid, tevens de
daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 6, het celmateriaal
waaruit het DNA-profiel is verkregen, alsmede het afschrift van het
verslag, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b.
11. Artikel 13, vijfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
12. De Justitiële Informatiedienst
verstrekt de informatie die deze dienst ingevolge artikel 8 van het
Besluit identiteitsvaststelling verdachten en veroordeelden van het
openbaar ministerie heeft verkregen, door aan het instituut, voor
zover die informatie nodig is om te kunnen voldoen aan het eerste tot
en met vierde lid. Het openbaar ministerie verstrekt het instituut de
informatie die nodig is om te kunnen voldoen aan het vijfde tot en met
negende lid.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 19
Het Besluit DNA-onderzoeken wordt
ingetrokken.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op het
tijdstip waarop de wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van
het DNA-onderzoek in strafzaken (Stb. 2001, 335) in werking
treedt.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
DNA-onderzoek in strafzaken.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 augustus 2001
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de elfde september 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|