BESLUIT van 15 december 1967, houdende vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 539n,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 12 oktober 1967,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 369/667;
Gelet op artikel 539n, derde lid, van
het Wetboek van Strafvordering;
De Raad van State gehoord (advies van 8
november 1967, nr. 39);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Minister van 6 december 1967, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
442/667;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit heeft betrekking op verdachten die met toepassing van
artikel 539k van het Wetboek van Strafvordering van hun vrijheid
zijn beroofd.
Artikel 2
1. De ruimte waar de verdachte verblijft moet zodanig zijn
ingericht, dat zoveel mogelijk wordt vermeden wat gelegenheid zou
kunnen geven tot contact met derden, ontvluchting, vernieling of
zelfmoord.
2. De verblijfsruimte mag niet door vochtigheid voor de
gezondheid schadelijk zijn en moet aan redelijke eisen van reinheid
voldoen.
Voor voldoende verwarming en luchtverversing behoort te worden zorg
gedragen.
3. In de verblijfsruimte moet een behoorlijk nachtleger aanwezig
zijn.
Artikel 3
1. In de voeding van de verdachte moet naar behoren worden
voorzien.
2. De verdachte moet in staat worden gesteld zich regelmatig te
wassen en te verschonen.
Artikel 4
Indien de omstandigheden zulks toelaten, wordt de verdachte in de
gelegenheid gesteld zich uit eigen gelden voeding te doen verschaffen,
zich bezig te houden met de arbeid die hij verkiest en twee maal per dag
gedurende een half uur beweging in de open lucht te nemen.
Artikel 5
1. Degene in wiens handen de verdachte zich bevindt kan, nadat
hij de verdachte heeft gehoord, wegens het begaan van feiten die
onverenigbaar zijn met de goede orde en tucht uitsluitend de volgende
disciplinaire straffen opleggen:
a. sluiting in de boeien voor ten hoogste veertien dagen;
b. verstrekking van water en brood in plaats van gewoon voedsel
voor ten hoogste vier weken, met dien verstande, dat deze straf,
indien zij langer dan twee dagen duurt, slechts om de andere dag wordt
toegepast;
c. onthouding van verleende gunsten.
2. Verschillende straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd.
Artikel 6
1. Van elke strafoplegging aan boord van een Nederlands schip
wordt aantekening gehouden in het register van strafbare feiten,
bedoeld in artikel 539u van het Wetboek van Strafvordering.
2. Van elke strafoplegging aan boord van een Nederlands
zeevissersvaartuig wordt aantekening gehouden in het scheepsdagboek,
bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Koophandel.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst.
Onze Minister van Justitie is belast met de
uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State.
Soestdijk, 15 december 1967
JULIANA
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak
Uitgegeven de achtentwintigste december 1967
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak