| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafvordering (Sv)
BESLUIT
TENUITVOERLEGGING GELDBOETEN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 8 juni 1994, houdende regels ter
uitvoering van artikel 572, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 december 1993,
Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 418792/93/6;
Gelet op artikel 572, tweede lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
De Raad van State gehoord (advies van 3 mei
1994, nr. W03.93.0861);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 26 mei 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
440005/94/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Het Centraal Justitieel Incassobureau
Artikel 1
1. Het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van
het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau, heeft tot
taak Onze Minister van Justitie en het openbaar ministerie te
ondersteunen bij hun taken met betrekking tot de tenuitvoerlegging van
geldboeten die bij vonnis of arrest dan wel in een strafbeschikking
zijn opgelegd. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft voorts tot
taak de bevoegde ambtenaren, bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit
OM-afdoening, te ondersteunen bij hun taken met betrekking tot de
betaling van gelden als bedoeld in artikel 3a.
2. Dit besluit is niet van toepassing op geldboeten die zijn
opgelegd in een strafbeschikking, uitgevaardigd krachtens artikel 76
van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de
Algemene douanewet.
Artikel 2
Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden die
Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem in verband
met de uitoefening van hun in artikel 1 genoemde taken verlangen.
§ 2. De plaats, wijze en termijn van betaling
Artikel 3
1.De betaling van een geldboete, geschiedt door storting of
overschrijving op een daartoe bestemde giro- of bankrekening van het
Centraal Justitieel Incassobureau. In bijzondere gevallen kan de
betaling geschieden op een door het openbaar ministerie of door het
Centraal Justitieel Incassobureau aan te wijzen plaats, dan wel aan
een door het openbaar ministerie of door het Centraal Justitieel
Incassobureau aan te wijzen persoon.
2.De betaling, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, geschiedt
binnen dertig dagen na de dagtekening van de acceptgiro die de persoon
aan wie de geldboete is opgelegd van het Centraal Justitieel
Incassobureau ontvangt.
3.In het geval ingevolge artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht
of artikel 561, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een
betaling in termijnen is toegestaan, worden de in die artikelen
bedoelde termijnen bepaald vanaf de dagtekening van de acceptgiro die
de persoon aan wie de geldboete is opgelegd van het Centraal
Justitieel Incassobureau ontvangt.
4.De betaling van het ingevolge artikel 24b van het Wetboek van
Strafrecht verhoogde bedrag geschiedt binnen dertig dagen na de
dagtekening van de eerstvolgende acceptgiro die de persoon aan wie de
geldboete is opgelegd van het Centraal Justitieel Incassobureau
ontvangt.
Artikel 3a
1. In geval krachtens artikel 257b van het Wetboek van
Strafvordering een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd kan
betaling van de geldboete in bijzondere gevallen eveneens geschieden
op een plaats die is aangewezen door de bevoegde ambtenaar in de zin
van artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening. Betaling geschiedt in
dat geval binnen een dag na die waarop het strafbare feit is ontdekt.
2. Als plaats van betaling, bedoeld in het eerste lid, wordt
slechts aangewezen een politiebureau of douanekantoor of, indien de
bevoegde ambtenaar een militair van de Koninklijke marechaussee is,
een brigadebureau of de betrokken doorlaatpost, dan wel een tijdelijke
plaats van betaling, ingesteld door of vanwege de betrokken korpschef,
bedoeld in artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening.
3. Artikel 3.7, tweede en derde lid, van het Besluit OM-afdoening
is van overeenkomstige toepassing.
4. Door of vanwege de korpschef, bedoeld in artikel 3.1 van het
Besluit OM-afdoening, worden ambtenaren aangewezen die zijn belast met
de inning van gelden die overeenkomstig het eerste lid worden betaald.
5. De met inning belaste ambtenaar wordt in het bezit gesteld van
een lijst met feiten als bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het
Besluit OM-afdoening. Desgevraagd verleent hij degene die betaalt
inzage in deze lijst.
Artikel 4
1.Degene die betaalt, maakt daarbij op een door het Centraal
Justitieel Incassobureau aan te geven wijze melding van de zaak waar
betaling van de geldboete betrekking op heeft.
2.Ingeval geen melding is gemaakt van de zaak waar betaling van de
geldboete betrekking op heeft op de wijze als bedoeld in het eerste
lid, kan het Centraal Justitieel Incassobureau het aan hem betaalde
bedrag terugstorten op de rekening waarvan het bedrag afkomstig is, of
anderszins het bedrag terugbetalen aan de persoon die betaald heeft.
Artikel 5
1. In het belang van een juiste taakuitoefening bij de inning van
een opgelegde geldboete wordt in de gevallen als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, tweede zin, en 3a, eerste lid, onverwijld een
betalingsbewijs uitgereikt dat door de persoon aan wie wordt voldaan,
is gedagtekend en ondertekend.
2. In de gevallen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede zin,
en 3a, eerste lid, wordt van de inning van de geldboete aantekening
gehouden op de wijze zoals door het Centraal Justitieel Incassobureau
is aangegeven.
3. De aantekeningen worden, uiterlijk een jaar nadat zij zijn
opgemaakt, desverlangd getoond aan de personen die met het toezicht op
de inning van geldboeten zijn belast.
Artikel 6
Een ieder die betrokken is bij de inning en incasso van een opgelegde
geldboete verstrekt het Centraal Justitieel Incassobureau en het
openbaar ministerie de gegevens die zij behoeven in verband met de
uitoefening van hun in artikel 1 bedoelde taken.
§ 3. De verantwoording van de gelden
Artikel 7
1.Het Hoofd van de Centrale Directie Financieel Economische Zaken
van het Ministerie van Justitie draagt zorg voor de opening van een of
meer afzonderlijke giro- of bankrekeningen van het Centraal Justitieel
Incassobureau welke rekeningen bestemd zijn voor de betaling van
gelden voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van opgelegde
geldboeten.
2.De directeur van het Centraal Justitieel Incassobureau is belast
met het beheer van de in het eerste lid bedoelde giro- of
bankrekeningen.
3.Onze Minister van Justitie stelt nadere voorschriften vast
omtrent het beheer van de in het eerste lid bedoelde giro- of
bankrekeningen en de in verband daarmee te voeren administratie.
Artikel 8
1.Onze Minister stelt het formulier vast van het door de in artikel
5, eerste lid, bedoelde personen uit te reiken betalingsbewijs, dan
wel de eisen waaraan het betalingsbewijs moet voldoen.
2.De ontvangen gelden worden regelmatig op de door het Centraal
Justitieel Incassobureau aangegeven wijze overgemaakt op de daartoe
bestemde giro- of bankrekeningen van het Centraal Justitieel
Incassobureau.
3.Onze Minister van Justitie stelt nadere voorschriften vast
omtrent de verstrekking en het beheer van de betalingswijzen, de
afrekening en de verantwoording van de ontvangen gelden alsmede de in
verband daarmee te voeren administratie.
Artikel 9
De beheerder van een politiekorps of van het Korps landelijke
politiediensten doet op de door Onze Minister van Justitie te bepalen
wijze jaarlijks opgave van de uitvoering van de in artikel 8, derde lid,
bedoelde voorschriften en van de met het oog op de toepassing van dit
besluit verrichte accountantscontrole. Wat de Koninklijke marechaussee
en de buitengewoon opsporingsambtenaren betreft wordt de in de eerste
zin bedoelde opgave gedaan door de betrokken korpschefs in de zin van
artikel 3.1 van het Besluit OM-afdoening.
§ 3a. De kosten van verhaal
Artikel 9b
De kosten van het verhaal van een opgelegde geldboete worden op
gelijke voet als de geldboete verhaald op degene aan wie deze geldboete
is opgelegd. Onder de kosten van verhaal zijn begrepen de
invorderingskosten. De kosten van verhaal, voor zover zij niet betreffen
de invorderingskosten, worden berekend overeenkomstig de bij het Besluit
tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders vastgestelde tarieven. De
omvang van de invorderingskosten wordt bepaald bij ministeriële
regeling.
§ 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 10
Het Besluit van 5 oktober 1978, houdende vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 572 van het
Wetboek van Strafvordering (Stb. 496) wordt ingetrokken.
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 12
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tenuitvoerlegging
geldboeten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 8 juni 1994
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A. Kosto
Uitgegeven de veertiende juni 1994
De Minister van Justitie,
A. Kosto
|
|
|