Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. confrontatie: een onderzoek waarbij het uiterlijk van een
verdachte door een getuige wordt geobserveerd om vast te stellen of
de verdachte door deze persoon wordt herkend als betrokkene bij een
strafbaar feit;
c. meervoudige confrontatie: een confrontatie waarbij de
verdachte en minimaal vijf andere personen die uiterlijk gelijkenis
vertonen met de verdachte, worden getoond;
d. geuridentificatieproef: een onderzoek waarbij door een
daarvoor gecertificeerde politiespeurhond onder leiding van zijn
vaste geleider een geurvergelijking wordt uitgevoerd;
e. observatiecel: een cel waarin de ingeslotene permanent kan
worden geobserveerd;
f. permanente observatie: het stelselmatig waarnemen, al dan niet
via technische hulpmiddelen, van het gedrag van een ingeslotene.
§ 2. Het maken van foto’s en video-opnamen
Artikel 2
Degene die een bevel geeft tot het maken van een of meer foto’s of
video-opnamen kan daarbij aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van
het bevel.
Artikel 3 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 4
Het maken van een of meer foto’s of video-opnamen geschiedt door
daartoe door de korpsbeheerder onderscheidenlijk werkgever aangewezen
terzake deskundige personen.
§ 3. De toepassing van een confrontatie
Artikel 5
Degene die een bevel tot een confrontatie geeft kan daarbij
aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.
Artikel 6
De confrontatie wordt geleid door een daartoe door de korpsbeheerder
onderscheidenlijk werkgever aangewezen terzake deskundige
politieambtenaar als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 1993 of een
daartoe aangewezen terzake deskundige militair van de Koninklijke
marechaussee.
Artikel 7
1.Bij een meervoudige confrontatie in persoon wordt de getoonde
selectie fotografisch of op video vastgelegd.
2.De foto's of video-opnamen, bedoeld in het eerste lid, worden,
voor zover deze niet bij de processtukken worden gevoegd, bewaard
zolang de strafzaak niet onherroepelijk is geëindigd en ter
beschikking gehouden voor het onderzoek.
Artikel 8
1.De leider van de confrontatie beschrijft de voorbereiding,
gevolgde werkwijze en de procedure. De beschrijving wordt vastgelegd
in een proces-verbaal of een rapport en gevoegd bij het in het derde
lid bedoelde proces-verbaal.
2.Het feitelijk tonen van de te observeren selectie geschiedt door
een opsporingsambtenaar die niet weet wie van de getoonde personen de
verdachte is.
3.De in het tweede lid bedoelde opsporingsambtenaar maakt een
proces-verbaal op waarin in elk geval melding wordt gemaakt van:
a. de tijdsduur tot het moment van wel of niet herkenning;
b. de verbale en non-verbale reacties van de getuige;
c. de woordelijke verklaring van de getuige omtrent het wel of
niet herkennen van een persoon als betrokkene bij het strafbare
feit;
d. het antwoord van de getuige op de vraag of hij iemand uit de
getoonde selectie heeft herkend vanuit een andere situatie.
Artikel 9
De officier van justitie en de raadsman van de verdachte worden zo
mogelijk in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de meervoudige
confrontatie opmerkingen te maken omtrent de te tonen selectie, zonder
dat de confrontatie daardoor mag worden opgehouden. De gemaakte
opmerkingen worden opgenomen in het in artikel 8, eerste lid, bedoelde
proces-verbaal of rapport.
Artikel 10
Indien ten behoeve van een confrontatie een bevel is gegeven tot het
afscheren of afknippen van snor, baard of hoofdhaar wordt het daarbij
verwijderde haar vernietigd.
§ 4. De toepassing van de geuridentificatieproef
Artikel 11
Degene die een bevel tot een geuridentificatieproef geeft kan daarbij
aanwijzingen geven omtrent de uitvoering van het bevel.
Artikel 12
De geuridentificatieproef wordt uitgevoerd door een combinatie van
een geleider en een politiespeurhond die in het bezit is van een
krachtens artikel 9 van de Regeling politiespeurhonden 1997 verstrekt
certificaat voor de geuridentificatie.
Artikel 13
Als helper bij het uitvoeren van de geuridentificatieproef kunnen
optreden opsporingsambtenaren die in het bezit zijn van een
getuigschrift helper geuridentificatieproeven of
politiespeurhondengeleiders die in het bezit zijn van een krachtens
artikel 9 van de Regeling politiespeurhonden 1997 verstrekt certificaat
inzake de geuridentificatie.
Artikel 14
De helper, bedoeld in artikel 13, en de geleider, bedoeld in artikel
12, maken van de geuridentificatieproef een proces-verbaal op, waarin in
elk geval wordt opgenomen:
a. een verslag van de helper omtrent de gevolgde procedure;
b. de naam van de verdachte;
c. de naam en de hoedanigheid van de helper, de begeleider en de
speurhond;
d. een beschrijving van het voorwerp;
e. een beschrijving van het gedrag en de werkwijze van de
speurhond alsmede het eindresultaat van de proef.
§ 5. De plaatsing in een observatiecel
Artikel 15
1.De maatregel tot plaatsing in een observatiecel, bedoeld in
artikel 61a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt
alleen toegepast in de gevallen waarin en voor zolang noodzakelijk het
gevaar aanwezig is dat de verdachte mogelijk aanwezige sporen
onbruikbaar maakt of verwijdert dan wel op andere wijze het onderzoek
naar sporen belemmert of bemoeilijkt.
2.Degene die het bevel geeft kan daarbij aanwijzingen geven omtrent
de uitvoering van het bevel.
Artikel 16
Van het bevel wordt mededeling gedaan aan de verdachte. Degene die de
mededeling doet maakt hiervan proces-verbaal op.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 17
Dit besluit is niet van toepassing op bevelen tot toepassing van
maatregelen in het belang van het onderzoek die zijn gegeven voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 18
Indien de Wet van 1 november 2001 tot wijziging van het Wetboek van
Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van
maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen
(Stb. 532) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde
tijdstip in werking.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toepassing maatregelen in
het belang van het onderzoek.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 22 januari 2002
BEATRIX
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de zevende februari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals