|
BESLUIT van 30 november 2009, houdende regels met betrekking tot het
beheer en gebruik van watersystemen (Waterbesluit)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Verkeer en Waterstaat van 17 februari 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/132
Sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 1.2, tweede lid, 2.9,
2.14, 3.1, eerste tot en met derde lid, 3.10, tweede lid, 3.11, tweede
lid, 4.3, eerste lid, 4.7, 4.8, tweede lid, 5.1, derde lid, 5.2, derde
lid, 5.29, eerste lid, 6.5, 6.6, 6.7, 6.14, eerste lid, 6.16, eerste
lid, 6.20, tweede lid, 7.8, tweede en derde lid, en 10.1, eerste lid,
van de Waterwet;
De Raad van State gehoord (advies van 5 juni
2009, nr. W09.09.0044/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 24 november 2009, nr.
CEND/HDJZ-2009/1305 sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken,
uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
grondwaterrichtlijn: richtlijn nr.
2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het
grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand
(PbEU L 372);
hoofdwater: oppervlaktewaterlichaam
dat is aangewezen in bijlage II, onderdeel 1, bij dit besluit;
kaderrichtlijn mariene strategie:
richtlijn nr. 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader
voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien
van het mariene milieu (PbEU L 164);
mariene strategie voor de Noordzee:
strategie als bedoeld in artikel 5 van de kaderrichtlijn mariene
strategie ten aanzien van de Nederlandse territoriale zee en de
Nederlandse exclusieve economische zone;
overstromingsrisicobeheerplan: plan
als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn
overstromingsrisico’s;
Protocol: op 7 november 1996 te
Londen tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te
Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de voorkoming van
verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval
en andere stoffen (Trb. 2000, 27);
richtlijn overstromingsrisico’s:
richtlijn nr. 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer
van overstromingsrisico’s (PbEU L 288);
Verdrag: op 22 september 1992 te
Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het
mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische
Oceaan (Trb. 1993, 16);
wet: Waterwet;
zijwater: oppervlaktewaterlichaam
dat in open verbinding staat met een van de hoofdwateren.
2. In dit besluit wordt onder
oppervlaktewaterlichaam mede begrepen een gedeelte van een
oppervlaktewaterlichaam.
§ 2. Stroomgebieddistricten
Artikel 1.2
1. De onderlinge grenzen tussen de
Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten Eems, Maas, Rijn en
Schelde zijn aangegeven op de in bijlage I bij dit besluit opgenomen
kaarten.
2. De onder de stroomgebieddistricten
Eems, Rijn, Maas en Schelde gelegen grondwaterlichamen zijn toegewezen
aan de desbetreffende stroomgebieddistricten, met dien verstande dat
een grondwaterlichaam dat zich bevindt onder twee
stroomgebieddistricten over die stroomgebieddistricten verdeeld is met
inachtneming van de in het eerste lid bedoelde grenzen.
Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen
§ 1. Rangorde bij watertekorten
Artikel 2.1
1. In geval van een watertekort of
dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het
beschikbare water over de maatschappelijke en ecologische behoeften
bij het beheer de volgende rangorde van behoeften in acht genomen:
1°. het waarborgen van de
veiligheid tegen overstroming en het voorkomen van onomkeerbare
schade;
2°. nutsvoorzieningen;
3°. kleinschalig hoogwaardig
gebruik;
4°. overige behoeften.
2. Bij de in het eerste lid, onder 1°,
bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
1°. de stabiliteit van
waterkeringen;
2°. het voorkomen van klink en
zettingen;
3°. natuur, voor zover het gaat om
het voorkomen van onomkeerbare schade.
3. Bij de in het eerste lid, onder 2°,
bedoelde behoeften wordt achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:
1°. drinkwatervoorziening, voor
zover het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid;
2°. energievoorziening, voor zover
het gaat om het waarborgen van de leveringszekerheid.
4. Bij de in het eerste lid, onder 3°,
bedoelde behoeften wordt, op zodanige wijze dat de maatschappelijke en
economische gevolgen zo gering mogelijk zijn, prioriteit toegekend
aan:
a. de tijdelijke beregening van
kapitaalintensieve gewassen;
b. het verwerken van industrieel
proceswater.
5. Bij de in het eerste lid, onder 4°,
bedoelde overige behoeften wordt, op zodanige wijze dat de
maatschappelijke en economische gevolgen zo gering mogelijk zijn,
prioriteit toegekend aan:
a. scheepvaart;
b. landbouw;
c. natuur, voor zover het niet gaat
om het voorkomen van onomkeerbare schade;
d. industrie;
e. waterrecreatie;
f. binnenvisserij;
g. drinkwatervoorziening, voor
zover het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid,
onder 1°;
h. energievoorziening, voor zover
het niet gaat om de behoefte, bedoeld in het derde lid, onder 2°;
i. overige belangen.
Artikel 2.2
Onverminderd artikel 2.1, kunnen bij of
krachtens provinciale verordening voor regionale wateren nadere regels
worden gesteld ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water
over de in artikel 2.1, vierde en vijfde lid, genoemde behoeften in
geval van een watertekort.
§ 2. Meten en beoordelen
Artikel 2.3
1. Het bevoegd gezag controleert het
brengen van stedelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam vanuit
een zuiveringtechnisch werk op de naleving van de eisen gesteld
krachtens de artikelen 6.5 en 6.6 in ieder geval overeenkomstig de in
artikel 6.7, eerste lid, bedoelde regels.
2. Het bevoegd gezag controleert
oppervlaktewaterlichamen waarin vanuit een zuiveringtechnisch werk
stedelijk afvalwater wordt gebracht of waarin bedrijfsafvalwater wordt
gebracht afkomstig van een bij ministeriële regeling aangewezen
categorie van bedrijven of bedrijfsactiviteiten, in ieder geval
wanneer mag worden verwacht dat de kwaliteit van het ontvangende
oppervlaktewaterlichaam in betekenende mate zal worden beïnvloed.
3. Het bevoegd gezag legt binnen vier
maanden na ontvangst van een verzoek daartoe de resultaten van de in
het eerste en tweede lid bedoelde controles over aan Onze Minister.
Hoofdstuk 3. Organisatie van het
waterbeheer
§ 1. Toedeling beheer
Artikel 3.1
1. Het beheer van
oppervlaktewaterlichamen die zijn vermeld in bijlage II bij dit
besluit berust bij het Rijk, met uitzondering van de onderdelen van
beheer van bepaalde oppervlaktewaterlichamen die zijn gelegen buiten
de desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde
beheergrenzen.
2. Voorts berust bij het Rijk het
beheer van de zijwateren, met uitzondering van de onderdelen van
beheer van bepaalde zijwateren die zijn gelegen buiten de
desbetreffende bij ministeriële regeling vastgestelde beheergrenzen.
3. Het beheer van de
oppervlaktewaterlichamen die ingevolge het eerste lid in beheer zijn
bij het Rijk, omvat mede het beheer van de daarin gelegen
ondersteunende kunstwerken.
Artikel 3.2
Het beheer van de primaire waterkeringen
en andere waterkeringen die zijn vermeld in bijlage III bij dit besluit
berust bij het Rijk.
§ 2. Begrenzing oppervlaktewaterlichamen
en aanwijzing drogere oevergebieden
Artikel 3.3
Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
worden:
a. de grenzen van de in artikel 3.1
van dit besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen vastgesteld;
b. de drogere oevergebieden
aangewezen die zijn gelegen binnen bepaalde in artikel 3.1 van dit
besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen.
§ 3. Regels met betrekking tot het
verstrekken van informatie
Artikel 3.4
1. Ten aanzien van hun onderscheiden
aandeel in het waterbeheer verrichten gedeputeerde staten, het
dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders
de analyses en beoordelingen, bedoeld in artikel 5 van de
kaderrichtlijn water.
2. Ten aanzien van hun onderscheiden
aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het
dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders
Onze Minister:
a. de gegevens die nodig zijn voor
het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen;
b. de resultaten van de analyses en
beoordelingen, bedoeld in het eerste lid;
c. gegevens omtrent de voortgang
van de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de
kaderrichtlijn water.
3. De gegevens en resultaten, bedoeld
in het tweede lid, worden elektronisch verstrekt. Bij ministeriële
regeling wordt een website aangewezen die voor de gegevensverstrekking
wordt gebruikt.
4. Ten aanzien van hun onderscheiden
aandeel in het waterbeheer verstrekken gedeputeerde staten, het
dagelijks bestuur van de waterschappen en burgemeester en wethouders
Onze Minister de gegevens die nodig zijn voor het opstellen van de
overstromingsrisicobeheerplannen.
5. Ten aanzien van hun onderscheiden
aandeel in het waterbeheer verstrekken het dagelijks bestuur van de
waterschappen en burgemeester en wethouders aan gedeputeerde staten de
gegevens die nodig zijn voor de overstromingsgevaar- en
overstromingsrisicokaarten, bedoeld in artikel 4.9.
6. Gedeputeerde staten en burgemeester
en wethouders verstrekken op verzoek van Onze Minister ten behoeve van
het door hem uit te oefenen toezicht op het waterbeheer de bij dat
verzoek omschreven gegevens.
7. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de gegevensverstrekking.
Hoofdstuk 4. Plannen
§ 1. Het nationale waterplan
Artikel 4.1
1. De voorbereiding van het nationale
waterplan en de documenten die ten behoeve van het opstellen van dat
plan afzonderlijk worden vastgesteld, geschiedt overeenkomstig
afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat
zienswijzen op het ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een
ieder, gedurende een termijn van zes maanden.
2. Het ontwerp van het nationale
waterplan wordt ten minste een jaar voor het begin van de periode
waarop het plan betrekking heeft ter inzage gelegd.
3. De ontwerpen van het nationale
waterplan en de documenten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens
ter inzage gelegd bij de provincies.
Artikel 4.2
In afwijking van artikel 4.1, eerste lid,
geldt een termijn van zes weken voor het naar voren brengen van
zienswijzen op het ontwerp van tussentijdse wijzigingen van het
nationale waterplan, voor zover die wijzigingen geen betrekking hebben
op een stroomgebiedbeheerplan of overstromingsrisicobeheerplan.
Artikel 4.3
1. Ter voorbereiding van het nationale
waterplan leggen Onze Ministers ter inzage:
a. een tijdschema en een
werkprogramma voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen
die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse
grondgebied, ten minste drie jaren voor het begin van de periode
waarop het plan betrekking heeft;
b. een tussentijds overzicht van
belangrijke waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in de
stroomgebieddistricten, ten minste twee jaren voor het begin van
de periode waarop het plan betrekking heeft;
c. het ontwerp van een samenvatting
van de volgende elementen van de mariene strategie voor de
Noordzee:
1°. de initiële beoordeling,
bedoeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn mariene strategie;
2°. de omschrijving van de
goede milieutoestand, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van
die richtlijn;
3°. de milieudoelen en
bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
van die richtlijn;
4°. het monitoringsprogramma,
bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van die
richtlijn; en
5°. het programma van
maatregelen, bedoeld in de artikelen 13, eerste tot en met
vierde, zevende en achtste lid, en 14 van die richtlijn.
2. Onze Ministers leggen, tegelijk met
ontwerp van het nationale waterplan, ter inzage:
a. het ontwerp van de
stroomgebiedbeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking
hebben op het Nederlandse grondgebied; en
b. het ontwerp van de
overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede
betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied;
c. de initiële beoordeling en het
monitoringsprogramma, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
onder 1° respectievelijk 4°.
3. Op een overstromingsrisicobeheerplan
is artikel 4.3, tweede lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
4. Het ontwerp van een samenvatting,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt telkens ten minste zes
weken voor het tijdstip waarop zij wordt vastgesteld ter inzage
gelegd.
Artikel 4.4
1. Bij de voorbereiding van het
nationale waterplan raadplegen Onze Ministers:
a. vertegenwoordigers uit de kring
van de provincies, de waterschappen en de gemeenten;
b. ten aanzien van
stroomgebiedbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen:
gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van
de waterschappen, op wiens grondgebied het Nederlandse deel van
het stroomgebieddistrict mede is gelegen;
c. ten aanzien van de uitvoering
van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico’s:
de bevoegde autoriteiten van andere staten in de
stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems;
d. ten aanzien van het
Noordzeebeleid: de bevoegde autoriteiten van de staten die partij
zijn bij het Verdrag.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen organisaties en overlegstructuren worden aangewezen die bij de
voorbereiding van het nationale waterplan worden geraadpleegd met
betrekking tot de mariene strategie voor de Noordzee.
Artikel 4.5
1. Het nationale waterplan omvat mede:
a. de
overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieddistricten
Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of
mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied;
b. de aanwijzing van de
oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die
in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk
veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen
overeenkomstig artikel 4, derde lid, van die richtlijn.
2. Een stroomgebiedbeheerplan omvat de
informatie, bedoeld in bijlage VII bij de kaderrichtlijn water en de
artikelen 3, vijfde en zesde lid, 4, vierde lid, 5, vierde en vijfde
lid, en deel C van bijlage II van de grondwaterrichtlijn, betreffende
het Nederlandse deel van het stroomgebieddistrict.
3. Een overstromingsrisicobeheerplan
voldoet aan artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s. Het
plan heeft geen betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels.
Artikel 4.6
1. De in het nationale waterplan op te
nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar
stroomgebieddistrict, in elk geval:
a. maatregelen als bedoeld in
artikel 11 van de kaderrichtlijn water;
b. maatregelen als bedoeld in de
artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de
grondwaterrichtlijn;
c. doelstellingen en maatregelen
als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s.
2. Het in het nationale waterplan op te
nemen Noordzeebeleid omvat mede de volgende elementen van de mariene
strategie voor de Noordzee:
a. de omschrijving van de goede
milieutoestand van de Noordzee, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de kaderrichtlijn mariene strategie en de reeks milieudoelen
en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
van die richtlijn; en
b. een programma van maatregelen,
opgesteld overeenkomstig de eisen gesteld in de artikelen 13,
eerste tot en met vierde, zevende en achtste lid, en 14, van de
kaderrichtlijn mariene strategie.
3. De onderdelen van het nationale
waterplan die dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn water, de
richtlijn overstromingsrisico’s en de kaderrichtlijn mariene
strategie vormen afzonderlijke delen van dat plan. Hieronder vallen in
ieder geval:
a. de doelstellingen en
maatregelen, bedoeld in het eerste lid, alsmede een overzicht van
de financiële middelen die voor de uitvoering van die maatregelen
nodig zijn, en
b. de goede milieutoestand, de
milieudoelen met bijbehorende indicatoren en het programma van
maatregelen, bedoeld in het tweede lid.
4. Maatregelen als bedoeld in artikel
11 van de kaderrichtlijn water dienen uiterlijk drie jaren na de in
artikel 4.8, eerste lid, van de wet bedoelde zesjaarlijkse herziening
operationeel te zijn.
5. Het programma van maatregelen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is uiterlijk een jaar na de in
artikel 4.8, eerste lid, van de wet bedoelde zesjaarlijkse herziening
operationeel.
Artikel 4.6a
Onze Ministers herzien de initiële
beoordeling en het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 4.3, eerste
lid, onderdeel c, onder 1° respectievelijk 4°, eenmaal in de zes
jaren.
Artikel 4.7
Onze Ministers leggen in het nationale
waterplan de functie drinkwateronttrekking vast voor de rijkswateren die
worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie
bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt
onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van
meer dan 50 personen.
Artikel 4.8
1. Onze Ministers leggen in het
nationale waterplan de functie zwemwater vast:
a. indien de maatregelen ter
verwezenlijking van de op grond van artikel 1, derde lid, van de
Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
voorgeschreven klasse «aanvaardbaar» naar hun oordeel
uitvoerbaar en niet onevenredig kostbaar zijn;
b. voor zover die functie
verenigbaar is met de andere aan het water toegekende functies.
2. De functie zwemwater wordt niet
vastgelegd, indien een op grond van artikel 10b, tweede lid, van de
Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
aangewezen locatie gedurende vijf achtereenvolgende jaren in de klasse
«slecht» is ingedeeld.
3. Onze Ministers houden bij de
vaststelling van de functie zwemwater rekening met het oordeel van
gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Wet
hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
4. Indien voor een rijkswater
toepassing wordt gegeven aan artikel 11, tweede lid, van de Wet
hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zijn Onze
Ministers bevoegd om de functie zwemwater niet langer vast te leggen
in het nationale waterplan.
5. Voor zover de in het nationale
waterplan vastgelegde functie zwemwater heeft geleid tot een
aanwijzing op grond van artikel 10b, tweede lid, van de Wet hygiëne
en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, wordt deze functie
gedurende het badseizoen niet ongedaan gemaakt.
Artikel 4.9
1. Gedeputeerde staten van de
provincies dragen zorg voor de productie, de actualisatie en de
elektronische publicatie van overstromingsgevaar- en
overstromingsrisicokaarten, overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn
overstromingsrisico’s, ten minste twee jaren voor de vaststelling
van het overstromingsrisicobeheerplan. De kaarten hebben geen
betrekking op overstromingen vanuit rioolstelsels.
2. De in het eerste lid bedoelde
kaarten worden ten minste eenmaal in de zes jaren herzien.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels gesteld worden over de op de kaarten op te nemen
informatie en de productie, de actualisatie en de vormgeving van die
kaarten.
§ 2. Regionale waterplannen
Artikel 4.10
Een regionaal waterplan omvat mede:
a. de aanwijzing van regionale
oppervlaktewaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water die
niet in beheer zijn bij het Rijk, waarbij kunstmatige of sterk
veranderde oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen overeenkomstig
artikel 4, derde lid, van die richtlijn;
b. de aanwijzing van
grondwaterlichamen in de zin van de kaderrichtlijn water.
Artikel 4.11
1. De in het regionale waterplan op te
nemen doelstellingen en maatregelen omvatten, gerangschikt naar
stroomgebieddistrict, in elk geval:
a. maatregelen als bedoeld in
artikel 11 van de kaderrichtlijn water;
b. maatregelen als bedoeld in de
artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de
grondwaterrichtlijn; en
c. doelstellingen en maatregelen
als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s.
2. Artikel 4.6, derde en vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de onderdelen die
dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie.
Artikel 4.12
1. Provinciale staten leggen de
volgende bijzondere functies voor regionale wateren vast in een
regionaal waterplan:
a. de functie zwemwater;
b. de functie drinkwateronttrekking
voor de regionale wateren die worden gebruikt voor de onttrekking
van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit
dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken, dan wel van
waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50
personen.
2. Artikel 4.8 is van overeenkomstige
toepassing op de vastlegging van de functie zwemwater in een regionaal
waterplan, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt
gelezen: provinciale staten.
3. Een besluit tot tussentijdse
herziening van een regionaal waterplan waarbij uitsluitend voor een
watersysteem of onderdeel daarvan de functie zwemwater wordt
vastgelegd dan wel een zodanige functietoekenning wordt ingetrokken,
kan worden vastgesteld door gedeputeerde staten.
Artikel 4.13
Indien internationale verplichtingen of
bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld over de inhoud van regionale
waterplannen.
§ 3. Beheerplannen
Artikel 4.14
1. De voorbereiding van het beheerplan
voor de rijkswateren geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat zienswijzen op het
ontwerp naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.
2. Het ontwerp van het beheerplan voor
de rijkswateren wordt tevens ter inzage gelegd bij de provincies.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving en
inrichting van het beheerplan voor de rijkswateren.
Artikel 4.15
1. Bij de voorbereiding van het
beheerplan voor de rijkswateren raadpleegt Onze Minister:
a. gedeputeerde staten van de
provincies op wiens grondgebied de rijkswateren of een gedeelte
daarvan, waarop het plan betrekking heeft, zijn gelegen;
b. het dagelijks bestuur van de
waterschappen die watersystemen beheren die samenhangen of samen
kunnen hangen met de rijkswateren of een gedeelte daarvan waarop
het plan betrekking heeft;
c. de bevoegde Belgische, Duitse en
Britse autoriteiten, voor zover het plan betrekking heeft op
grensvormende of grensoverschrijdende wateren;
d. de bevoegde autoriteiten van de
staten die partij zijn bij het Verdrag, voor zover het plan
betrekking heeft op de uitvoering van de kaderrichtlijn mariene
strategie.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen organisaties en overlegstructuren worden aangewezen die bij de
voorbereiding van het beheerplan voor de rijkswateren worden
geraadpleegd met betrekking tot de mariene strategie voor de Noordzee.
Artikel 4.16
1. De in het beheerplan voor de
rijkswateren op te nemen doelstellingen en maatregelen omvatten,
gerangschikt naar stroomgebieddistrict, in elk geval:
a. maatregelen als bedoeld in
artikel 11 van de kaderrichtlijn water;
b. doelstellingen en maatregelen
als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn overstromingsrisico’s;
c. aanvullende maatregelen op het
programma van maatregelen, bedoeld in artikel 4.6, tweede lid,
onderdeel b.
2. Artikel 4.6, derde en vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de onderdelen die
dienen ter uitvoering van de kaderrichtlijn mariene strategie.
Artikel 4.17
Voor zover het nationale waterplan
voorziet in aanvullende toekenning van de functie zwemwater in het
beheerplan voor de rijkswateren, is artikel 4.8 van overeenkomstige
toepassing op die toekenning, met dien verstande dat voor «Onze
Ministers» wordt gelezen: Onze Minister.
Artikel 4.18
Indien internationale verplichtingen of
bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld over de inhoud van beheerplannen.
Hoofdstuk 5. Beheer van waterstaatswerken
§ 1. Vrijstelling leggerplicht
Artikel 5.1
Van de in artikel 5.1, eerste lid, van de
wet bedoelde verplichtingen wordt vrijstelling verleend met betrekking
tot de oppervlaktewaterlichamen Noordzee, Waddenzee, Westerschelde en
IJsselmeer.
§ 2. Aanwijzing rijkswateren peilbesluit
Artikel 5.2
1. Onze Minister stelt peilbesluiten
vast voor de volgende rijkswateren of onderdelen daarvan:
a. Noordzeekanaal, Afgesloten IJ,
Buiten IJ, Amsterdam-Rijnkanaal;
b. Grevelingenmeer;
c. Veerse Meer;
d. Volkerak-Zoommeer, Bathse
Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en
de Kreekraksluizen;
e. IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer,
Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd,
Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer, Drontermeer.
2. De voorbereiding van een peilbesluit
geschiedt overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht, met dien verstande dat Onze Minister binnen acht weken
na afloop van de termijn, genoemd in artikel 3.11, vierde lid, van die
wet, het peilbesluit vaststelt.
3. Bij het vaststellen van een
peilbesluit houdt Onze Minister rekening met het nationale waterplan
en het beheerplan voor de rijkswateren.
§ 3. Regels ten aanzien van het
calamiteitenplan
Artikel 5.3
Het door de beheerder vast te stellen
calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29 van de wet, bevat ten minste:
a. een overzicht van de soorten
calamiteiten die zich in de watersystemen of onderdelen daarvan
kunnen voordoen, waaronder een inventarisatie van de daarmee gepaard
gaande risico’s;
b. een overzicht van te nemen
maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die voortkomen uit de
voor de betreffende watersystemen geldende
overstromingsrisicobeheerplannen, en het beschikbare materieel,
benodigd om de onderscheidene calamiteiten het hoofd te bieden;
c. een overzicht van de diensten,
instanties en organisaties, die bij gevaar kunnen worden
ingeschakeld;
d. een beschrijving van het moment en
de wijze van het door de beheerder informeren van burgemeesters en
wethouders van de gemeenten waarbinnen de watersystemen of
onderdelen daarvan zijn gelegen;
e. een schema met betrekking tot de
calamiteitenorganisatie van de beheerder;
f. een meld- en alarmeringsprocedure;
g. een overzicht waaruit blijkt op
welke wijze de beheerder de kwaliteit van de calamiteitenorganisatie
waarborgt.
Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen
§ 1. Algemeen
Artikel 6.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
bedrijfsafvalwater: afvalwater dat
vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk
afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;
bouwen: een bouwactiviteit als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht;
emissiegrenswaarde:
emissiegrenswaarde als bedoeld in artikel 2, onderdeel 40, van de
kaderrichtlijn water;
huishoudelijk afvalwater: afvalwater
dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en
huishoudelijke werkzaamheden;
inwoner-equivalent (i.e.):
biochemisch zuurstofverbruik van 54 gram per etmaal;
totaal-stikstof: om van totaal
Kjeldahl-stikstof (organisch N + NH3), nitraat (NO3)-stikstof en
nitriet (NO2)-stikstof;
zuiveringsrendement: percentage van
het totaal-fosfaat onderscheidenlijk totaal-stikstof dat uit het
stedelijk afvalwater wordt verwijderd dat op de onder de zorg van
eenzelfde bestuursorgaan staande gezamenlijke zuiveringtechnische
werken wordt aangevoerd.
Artikel 6.1a
Bij het verlenen van een watervergunning
houdt het bevoegd gezag rekening met de ingevolge de artikelen 4.1, 4.4
en 4.6 van de wet vastgestelde plannen, die betrekking hebben op het
betreffende watersysteem of onderdeel daarvan.
§ 2. Algemene bepalingen over het lozen
Artikel 6.1b
Op de voorbereiding van een vergunning
als bedoeld in artikel 6.2 van de wet zijn de afdelingen 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht en 13.2 van de Wet milieubeheer niet van
toepassing, indien het lozen plaatsvindt:
a. vanuit een inrichting, niet zijnde
een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht;
b. anders dan vanuit een inrichting
in de zin van artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 6.2
Indien internationale verplichtingen dat
noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat:
a. in een vergunning als bedoeld in
artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat zij geldt voor een bij die
vergunning vast te stellen termijn van ten hoogste een bij die
regeling vast te stellen aantal jaren;
b. het bevoegd gezag met een bij die
regeling vast te stellen frequentie beziet of een vergunning als
bedoeld in artikel 6.2 van de wet nog toereikend is, gezien de
ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot
bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot
de kwaliteit van het milieu.
Artikel 6.3
Indien internationale verplichtingen dat
noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling
emissiegrenswaarden worden vastgesteld voor het lozen van stoffen in een
oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk. Bij die
regeling kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van het meten
van die stoffen.
Artikel 6.3a
Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld over het lozen van afvalwater van rookgasreiniging. Deze regels
omvatten mede een instructie aan het bevoegd gezag omtrent de aan een
vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.
§ 3. Het brengen van stedelijk
afvalwater in oppervlaktewaterlichamen
Artikel 6.4
1. Het is verboden vanuit een
zuiveringtechnisch werk stedelijk afvalwater in een
oppervlaktewaterlichaam te brengen, tenzij het werk is berekend op een
in een jaar voorkomende maximale gemiddelde wekelijkse belasting,
ongebruikelijke situaties daarbij buiten beschouwing gelaten, en de
doelmatige werking van het werk wordt gewaarborgd.
2. Het is verboden slib dat geheel of
in hoofdzaak afkomstig is van een zuiveringtechnisch werk in een
oppervlaktewaterlichaam te brengen, met uitzondering van geringe
hoeveelheden slib in het te lozen stedelijk afvalwater, indien de
grenswaarde voor de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen,
genoemd in artikel 6.5, niet wordt overschreden.
Artikel 6.5
1. Het bevoegd gezag verbindt aan een
vergunning als bedoeld artikel 6.2 van de wet, om stedelijk afvalwater
met een vervuilingswaarde van 2.000 inwoner-equivalenten of meer in
een oppervlaktewaterlichaam te brengen, in ieder geval het voorschrift
dat het stedelijk afvalwater een zodanige behandeling ondergaat dat de
waarden van de in de volgende tabel genoemde parameters de daarbij
behorende grenswaarden na behandeling niet overschrijden:
|
Parameters |
Grenswaarde |
|
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV5
bij 20°C) zonder nitrificatie |
20 mg/l O2 |
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) |
125 mg/l O2 |
|
Totale hoeveelheid onopgeloste
bestanddelen |
30 mg/l |
|
Totaal-fosfor (indien meer dan
100.000 i.e.) |
1 mg/l P |
|
Totaal-fosfor (indien 2.000 tot en
met 100.000 i.e.) |
2 mg/l P |
|
Totaal-stikstof (indien 20.000 i.e.
of meer ) |
10 mg/l N |
|
Totaal-stikstof (indien 2.000 tot
20.000 i.e.) |
15 mg/l N |
2. Het bevoegd gezag kan aan de
vergunning, bedoeld in het eerste lid, lagere grenswaarden verbinden
dan de grenswaarden, genoemd in dat lid, indien het belang van de
bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam daartoe
noodzaakt.
Artikel 6.6
In afwijking van artikel 6.5, eerste lid,
kan het bevoegd gezag aan de vergunning voor een zuiveringtechnisch werk
hogere grenswaarden verbinden voor de parameters totaal-fosfor en
totaal-stikstof, indien het zuiveringsrendement ten minste 75 procent
bedraagt en het een zuiveringtechnisch werk betreft:
a. dat vóór 1 januari 1991 in
bedrijf is genomen en waarvan de capaciteit op of na 1 januari 1991
niet of met niet meer dan 25 procent is uitgebreid;
b. dat vóór 1 januari 1991 in
bedrijf is genomen en ten aanzien waarvan ten behoeve van het
uitbreiden van de capaciteit met meer dan 25 procent vóór 1
januari 1991 een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is
aangevraagd;
c. dat vóór 1 september 1992 in
bedrijf is genomen en ten behoeve van het bouwen waarvan vóór 1
januari 1991 een bouwvergunning in de zin van de Woningwet is
aangevraagd; of
d. met een ontwerpcapaciteit van
minder dan 20.000 inwoner-equivalenten.
Artikel 6.7
1. Een overheidslichaam dat de zorg
heeft voor een zuiveringtechnisch werk voor de behandeling van
stedelijk afvalwater met een vervuilingswaarde van 2.000
inwoner-equivalenten of meer, bemonstert zowel het inkomende als het
behandelde stedelijk afvalwater, analyseert het op de parameters
biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste
bestanddelen, totaal-fosfaat en totaal-stikstof en beoordeelt de
resultaten daarvan met inachtneming van bij regeling van Onze Minister
en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer vast te stellen regels.
2. Het in het eerste lid bedoelde
overheidslichaam legt binnen vier maanden na afloop van ieder
kalenderjaar aan Onze Minister een overzicht over van de onder zijn
zorg staande zuiveringtechnische werken en van de resultaten van de
bemonstering, analyse en beoordeling, bedoeld in het eerste lid.
§ 4. Verontreinigende handelingen in het
zeegebied
Artikel 6.8
1. Een vergunning als bedoeld in
artikel 6.3 van de wet kan slechts worden verleend in overeenstemming
met het Protocol en het Verdrag.
2. Van de vergunningplicht, bedoeld in
artikel 6.3 van de wet, zijn de volgende gedragingen vrijgesteld:
a. het plaatsen van vaste
substanties of voorwerpen met een ander oogmerk dan het zich er
enkel van ontdoen;
b. het achterlaten van vaste
substanties of voorwerpen die aanvankelijk in zee zijn geplaatst
met een ander oogmerk dan het zich ervan ontdoen.
3. In de gevallen, waarin door
overmacht het in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a, van de wet
omschreven verbod wordt overtreden, maakt de kapitein van het vaartuig
of de gezagvoerder van het luchtvaartuig van het voorval melding in
het scheepsdagboek of het journaal. Tevens doet hij van dit voorval
onverwijld mededeling aan Onze Minister.
Artikel 6.9
1. Een vergunning als bedoeld in
artikel 6.3 van de wet wordt verleend door Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer.
2. Afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn niet van
toepassing, indien:
a. de aanvraag betrekking heeft op
het in het buitenland aan boord van een Nederlands vaartuig of
luchtvaartuig nemen van afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen, met het oogmerk die stoffen te storten; en
b. de Staat op wiens grondgebied
dat aan boord nemen geschiedt, partij is bij het Protocol of het
Verdrag.
3. Voorts kan Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van
toepassing zijn indien de aanvraag betrekking heeft op stoffen waarvan
door een ongewoon voorval de afvoer op korte termijn nodig is.
Artikel 6.10
1. Degene aan wie gevaarlijke
afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer worden afgegeven met
het oogmerk deze te doen storten is verplicht elke zodanige afgifte te
melden aan de krachtens artikel 10.40 van de Wet milieubeheer
aangewezen instantie. Op de melding zijn de regels die zijn
vastgesteld krachtens artikel 10.41 van de Wet milieubeheer van
overeenkomstige toepassing.
2. Het is een persoon als bedoeld in de
eerste volzin van het eerste lid verboden gevaarlijke afvalstoffen in
ontvangst te nemen zonder dat hem daarbij een omschrijving en een
begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer
worden verstrekt.
§ 5. Melden en meten van onttrekkingen
en infiltraties
Artikel 6.11
1. Degene die grondwater onttrekt of
water infiltreert, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens
artikel 6.4 van de wet of een verordening van het waterschap, meldt
dit bij het bevoegd gezag. Bij ministeriële regeling worden regels
gesteld over de gegevens die bij de melding worden verstrekt.
2. Degene die grondwater onttrekt of
water infiltreert, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid
grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van 5%. Voor
kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het
bevoegd gezag in de voorschriften van de vergunning voor het
onttrekken van grondwater of het infiltreren van water of, indien geen
vergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de
hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
3. Degene die water infiltreert, meet
de kwaliteit van dat water volgens bij ministeriële regeling te
stellen regels.
4. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar
of, indien de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een
maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan het
bevoegd gezag over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten
hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerd water en de
kwaliteit van het geïnfiltreerde water.
5. Bij provinciale verordening, voor
zover het betreft het onttrekken van grondwater of het infiltreren van
water als bedoeld in artikel 6.4 van de wet, dan wel bij verordening
van het waterschap, voor zover het betreft het onttrekken van
grondwater of het infiltreren van water in andere gevallen dan bedoeld
in dat artikel, kunnen gevallen worden aangewezen waarin de
verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, niet
gelden.
§ 6. Gebruik van rijkswaterstaatswerken
Artikel 6.12
1. Het is verboden zonder vergunning
van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te
maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in
beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in
overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of
daaronder:
a. werken te maken of te behouden;
b. vaste substanties of voorwerpen
te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan
of liggen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. het bouwen van bouwwerken als
bedoeld in artikel 2 van bijlage II bij het Besluit
omgevingsrecht, met uitzondering van een bouwwerk als bedoeld in
onderdeel 3 van dat artikel, voor zover de oppervlakte daarvan
meer dan 30 m2 bedraagt, en de bouwwerken, bedoeld in de
onderdelen 13, 18, onder d, en 20, van dat artikel;
b. activiteiten als bedoeld in
artikel 4, onderdelen 1 tot en met 4, 6 en 7, van bijlage II bij
het Besluit omgevingsrecht, met dien verstande dat:
1°. voor zover het betreft een
bijbehorend bouwwerk als bedoeld in onderdeel 1, onder b, bij
een woning, in dat onderdeel, onder 2°, in plaats van 150 m2
wordt gelezen 25 m2;
2°. voor zover het betreft een
bijbehorend bouwwerk als bedoeld in onderdeel 1 bij een ander
gebouw dan een woning, hieronder uitsluitend wordt begrepen
een bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder b van dat onderdeel
bij een gebouw met een agrarische bestemming;
3°. voor zover het betreft een
bouwwerk, geen gebouw zijnde, als bedoeld in onderdeel 3, in
dat onderdeel, onder b, in plaats van 50 m2 wordt gelezen 25
m2;
4°. voor zover het betreft
installaties als bedoeld in de onderdelen 6 en 7, de
oppervlakte daarvan niet meer dan 25 m2 bedraagt;
c. het uitvoeren van onderhoud,
aanleg of wijziging van waterstaatswerken, voor zover deze
activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht;
d. het maken van werken om
oeverafslag tegen te gaan, mits deze niet boven het oeverland
uitsteken, en het ten behoeve van de uitvoering van die werken
storten, plaatsen of neerleggen van vaste substanties of
voorwerpen;
e. het permanent afmeren van
woonschepen of andere drijvende objecten in rijkswateren, met
uitzondering van de rijkswateren of delen van rijkswateren die
zijn aangewezen bij ministeriële regeling; en
f. bij ministeriële regeling aan
te wijzen activiteiten van ondergeschikt belang voor de veilige en
doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of
een bijbehorend kunstwerk.
3. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat voor daarbij aan te wijzen categorieën
oppervlaktewaterlichamen het tweede lid niet van toepassing is op
daarbij aan te wijzen bouwwerken als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, of daarbij aan te wijzen activiteiten als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b.
Artikel 6.13
1. Het is verboden zonder vergunning
van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te
maken van de Noordzee door, anders dan in overeenstemming met de
functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:
a. de bodem op te hogen of te
verharden of land aan te winnen;
b. suppleties of andere handelingen
die een landwaartse verplaatsing van de kustlijn tot gevolg kunnen
hebben uit te voeren, anders dan op grond van artikel 2.7 van de
wet;
c. installaties of kabels en
leidingen te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of
liggen;
d. te bouwen.
2. Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en
onderdelen a, b, c, en f, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.14
1. Het is verboden zonder vergunning
van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te
maken van waterkeringen in beheer bij het Rijk of van een daartoe
behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de
functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te
maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te
storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of
liggen.
2. Artikel 6.12, tweede lid, aanhef en
onderdeel c, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.15
1. Degene die gebruik maakt van een
oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het
Rijk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin,
daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te maken of te
behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te
plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen, waarvoor
geen vergunning krachtens artikel 6.12 of artikel 6.13 vereist is,
draagt zorg voor:
a. een zodanige situering en
uitvoering van de handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden
voor het veilig en doelmatig gebruik van het
oppervlaktewaterlichaam of het bijbehorende kunstwerk
overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische
toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het
kustfundament;
b. het voorkomen van een feitelijke
belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het
oppervlaktewaterlichaam; en
c. een zo gering mogelijke
waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het
oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik, alsmede het
compenseren van resterende onvermijdbare waterstandseffecten.
2. Het gebruik, bedoeld in het eerste
lid, wordt in ieder geval uitgevoerd overeenkomstig bij ministeriële
regeling te stellen regels. Deze regels kunnen mede betrekking hebben
op:
a. het compenseren van
waterstandseffecten of van de afname van het bergend vermogen van
het oppervlaktewaterlichaam, alsmede de financiering en tijdige
realisatie van deze compensatie;
b. het melden en registreren van
gegevens ten aanzien van het gebruik en de opgave daarvan aan Onze
Minister.
3. Bij de in het tweede lid bedoelde
regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te
wijzen aspecten van het gebruik aan de gebruiker voorschriften kan
opleggen ter uitwerking van de in dat lid bedoelde regels. Daarbij kan
worden bepaald dat de voorschriften kunnen afwijken van die regels.
Artikel 6.16
1. Deze paragraaf is niet van
toepassing op de in bijlage IV bij dit besluit aangewezen gebieden
binnen de begrenzing van de rivieren.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voor andere waterstaatswerken dan de rivieren gebieden worden
aangewezen waarop, vanwege het ondergeschikte waterstaatkundige belang
van die gebieden, deze paragraaf niet van toepassing is.
§ 7. Brengen of onttrekken van water
Artikel 6.17
Het is in bij ministeriële regeling te
bepalen gevallen verboden zonder vergunning van Onze Minister als
bedoeld in artikel 6.5 van de wet water te brengen in of te onttrekken
aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk.
Artikel 6.18
1. Degene die water brengt in of
onttrekt aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk,
waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.17 is vereist, draagt
zorg voor een zodanige situering en uitvoering van deze handelingen
dat geen nadelige gevolgen optreden voor de ecologische toestand van
dat oppervlaktewaterlichaam of voor het peilbeheer.
2. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten
aan degene die water brengt in of onttrekt aan een
oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk voorschriften kan
opleggen ter uitwerking van het eerste lid.
3. In geval van een watertekort of
dreigend watertekort kan Onze Minister verbieden water te onttrekken
aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Dit besluit wordt
bekend gemaakt door plaatsing in de Staatscourant. Zodra de situatie
van een watertekort of dreigend watertekort is geëindigd, trekt Onze
Minister het verbod in en maakt dat onverwijld bekend door plaatsing
in de Staatscourant.
Artikel 6.19
Degene die water brengt in of onttrekt
aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen
vergunning is vereist krachtens artikel 6.17, doet daarvan in bij
ministeriële regeling te bepalen gevallen melding aan Onze Minister,
volgens bij die regeling te stellen regels. Bij de regeling kunnen mede
regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren van metingen, het
registreren van gegevens en het doen van opgave daarvan aan Onze
Minister.
§ 8. Nadere bepalingen omtrent de
watervergunning
Artikel 6.20
1. Een aanvraag om een watervergunning
kan langs elektronische weg worden ingediend.
2. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
Artikel 6.21
1. Indien een aanvraag niet langs
elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een bij
ministeriële regeling vastgesteld formulier. Het bevoegd gezag stelt
op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking.
2. Het bevoegd gezag bepaalt het aantal
exemplaren dat van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en
bescheiden wordt ingediend, met een maximum van vier.
Artikel 6.22
1. In afwijking van artikel 2:15,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt het bevoegd gezag
een aanvraag die langs elektronische weg wordt ingediend, in
ontvangst.
2. Indien een aanvraag langs
elektronische weg wordt ingediend, worden de daarbij te verstrekken
gegevens en bescheiden eveneens langs elektronische weg verstrekt. De
aanvrager kan de gegevens en bescheiden op schriftelijke wijze
verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft
gegeven.
3. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag langs
elektronische weg wordt ingediend, alsmede met betrekking tot het
beheer van de in de voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, opgenomen gegevens en bescheiden.
Artikel 6.23
1. Onverminderd artikel 4:2, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht verstrekt de aanvrager bij de
aanvraag de bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en
bescheiden ten aanzien van de betrokken handelingen.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover:
a. de aanvrager die gegevens of
bescheiden reeds aan het bevoegd gezag heeft verstrekt en het
bevoegd gezag over die gegevens of bescheiden beschikt, of
b. het bevoegd gezag heeft beslist
dat verstrekking van die gegevens of bescheiden niet nodig is voor
het nemen van de beslissing op de aanvraag.
3. De gegevens en bescheiden worden
door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag.
Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen
§ 1. Grondwaterheffing
Artikel 7.1
Van grondwaterheffing zijn vrijgesteld
onttrekkingen van grondwater:
a. door of vanwege overheidslichamen
ten behoeve van de vervulling van taken op grond van de wet;
b. ten behoeve van een
bodemenergiesysteem door middel van een inrichting waarbij
grondwater wordt onttrokken en het water vervolgens in een gesloten
systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende
pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de
voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het
onttrekken van grondwater ingevolge de wet is verleend;
c. ten behoeve van een bodem- of
grondwatersaneringsproject;
d. ten behoeve van landijsbanen;
e. ten behoeve van de ontwatering of
afwatering van gronden;
f. door middel van een
oevergrondwaterwinning.
Artikel 7.2
1. De in artikel 7.7, eerste lid,
onderdeel b, van de wet bedoelde onderzoekingen bestaan uit:
a. onderzoekingen betreffende het
grondwaterregime in de provincie, voor zover deze rechtstreeks
noodzakelijk zijn voor de totstandkoming en de uitvoering van het
regionale waterplan in verband met het onttrekken van grondwater
dan wel het infiltreren van water in de bodem;
b. onderzoekingen naar de samenhang
tussen het in onderdeel a bedoelde grondwaterregime en de daarbij
betrokken belangen.
2. De kosten van de in het eerste lid
bedoelde onderzoekingen, welke kunnen worden aangemerkt als de kosten,
bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, onderdeel b, van de wet, zijn de
kosten van:
a. het verkrijgen en bewerken van
gegevens betreffende de geohydrologische gesteldheid van de
provincie;
b. het inventariseren van de bij
het grondwaterregime betrokken belangen;
c. de bijdragen aan
onderzoeksprogramma's direct verband houdende met de
totstandkoming en de uitvoering van de onderzoekingen;
d. het verkrijgen en bewerken van
gegevens betreffende de samenhang tussen het grondwaterregime en
de daarbij betrokken belangen;
e. het personeel voor zover dat de
onderzoekingen en de begeleiding daarvan rechtstreeks uitvoert;
f. de publicatie van de resultaten
van de onderzoekingen.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 8.1
De maatregelen, bedoeld in artikel 11 van
de kaderrichtlijn water, die zijn opgenomen in een plan als bedoeld in
de artikelen 4.1, 4.4 of 4.6 van de wet dat betrekking heeft op de jaren
2010 tot 2015, dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te
zijn.
Artikel 8.1a
1. De initiële beoordeling, bedoeld in
artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, wordt door Onze
Ministers vastgesteld en is uiterlijk op 13 juli 2012 uitgevoerd.
2. De goede milieutoestand, de
milieudoelen en bijbehorende indicatoren, bedoeld in artikel 4.3,
eerste lid, onderdeel c, onder 2° respectievelijk 3°, worden
uiterlijk op 13 juli 2012 door Onze Ministers vastgesteld. De goede
milieutoestand, bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, onderdeel a, wordt
uiterlijk 31 december 2020 bereikt onverminderd de gevallen, bedoeld
in artikel 14, eerste lid, van de kaderrichtlijn mariene strategie.
3. Het monitoringsprogramma, bedoeld in
artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 4°, wordt uiterlijk op 15
juli 2014 door Onze Ministers vastgesteld. Indien internationale
verplichtingen dat noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling
een ander tijdstip van vaststelling worden bepaald.
4. De informatie met betrekking tot
beschermde mariene gebieden, bedoeld in artikel 13, zesde lid, van de
kaderrichtlijn mariene strategie, wordt uiterlijk 31 december 2013
door Onze Ministers ter inzage gelegd.
Artikel 8.2
De eerste
overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede
betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied worden uiterlijk op 22
december 2015 vastgesteld.
Artikel 8.3
1. Een opgave van een inrichting als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de Grondwaterwet,
die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.4
van de wet, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel
6.11, eerste lid.
2. Besluiten als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, of artikel 5, derde lid, in samenhang met artikel 3,
eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12
Grondwaterwet, genomen door gedeputeerde staten voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 6.4 van de wet, worden gelijkgesteld met
maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6.11, tweede lid, genomen
door het bevoegd gezag.
3. Gedeputeerde staten dragen de
archiefbescheiden die betrekking hebben op onttrekkingen en
infiltraties, waarvoor het dagelijks bestuur van het waterschap
ingevolge een verordening als bedoeld in artikel 6.13 van de wet dan
wel een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6.5,
onder b, van de wet bevoegd gezag is geworden, over aan dat dagelijks
bestuur.
4. Het derde lid geldt niet voor
bescheiden die overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht
naar een archiefbewaarplaats.
Artikel 8.4
1. Van een vergunning als bedoeld in
artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor handelingen
als bedoeld in de artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en
6.14, tweede lid, die direct voor het tijdstip van inwerkingtreding
van die artikelen in werking en onherroepelijk is, worden de
voorschriften aangemerkt als voorschriften, gesteld krachtens artikel
6.15, derde lid, mits de voorschriften van die vergunning vallen
binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van
voorschriften krachtens dat artikel.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid,
die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is
verleend en onherroepelijk is geworden.
3. Een vergunning voor de aanleg of
wijziging van waterstaatswerken door of vanwege de beheerder, die
onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6
van hoofdstuk 6 in werking en onherroepelijk is overeenkomstig artikel
2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, wordt, in afwijking van de
artikelen 6.12, tweede lid, 6.13, tweede lid en 6.14, tweede lid,
gelijkgesteld met een vergunning krachtens het eerste lid van die
artikelen. Artikel 5.4 van de wet is niet van toepassing op de aanleg
of wijziging van een waterstaatswerk in overeenstemming met die
vergunning.
4. Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die
overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend
en onherroepelijk is geworden.
5. Het derde en vierde lid zijn niet
van toepassing op de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk
waarop artikel 2.16 of artikel 2.16a van de Invoeringswet Waterwet van
toepassing is.
Artikel 8.5
Tot het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 6.20, tweede lid, wordt in artikel 6.21, tweede lid, in plaats
van «ten hoogste vier» gelezen: ten hoogste acht.
Artikel 8.6
Artikel 2.25, tweede tot en met vierde
lid, van de Invoeringswet Waterwet is van overeenkomstige toepassing op
een vergunning krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, die overeenkomstig het eerste lid
van artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet onherroepelijk is
geworden na het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de
wet.
Artikel 8.7
1. Indien door de inwerkingtreding van
een algemene maatregel van bestuur, een ministeriële regeling, een
provinciale verordening of een verordening van een waterschap de
betrokkenheid van het bestuursorgaan, dat met toepassing van artikel
6.17 van de wet als bevoegd gezag een watervergunning heeft verleend,
bij die watervergunning eindigt, wordt die watervergunning met
betrekking tot de resterende vergunningplichtige handeling of
handelingen gelijkgesteld met een watervergunning, verleend door het
bestuursorgaan dat voor die handeling of handelingen, zo nodig met
overeenkomstige toepassing van artikel 6.17 van de wet, bevoegd gezag
is.
2. Het overeenkomstig het eerste lid
bepaalde bevoegd gezag deelt aan de vergunninghouder mede dat hij
bevoegd gezag is voor de watervergunning.
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 8.8
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 8.9
Dit besluit wordt aangehaald als:
Waterbesluit.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 30 november 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en
Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa
Uitgegeven de achttiende december
2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I. Onderlinge grenzen
stroomgebieddistricten Eems, Rijn, Maas en Schelde (bijlage bij artikel
1.2 van het Waterbesluit)
[Illustraties (kaarten) verwijderd]
Bijlage II. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer (bijlage bij de
artikelen 1.1 en 3.1 van het Waterbesluit)
1. Hoofdwateren
a. de zee, grote estuaria en daarmee verbonden wateren
– de territoriale wateren en de Nederlandse exclusieve economische
zone van de Noordzee;
– Waddenzee;
– Eems, Dollard;
– Westerschelde, Kanaal van Gent naar Terneuzen;
– Oosterschelde, Kanaal door Zuid-Beveland;
– Grevelingenmeer;
– Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal, Schelde-Rijnverbinding;
– Hollandsch Diep, Haringvliet, Wantij, Vlij, Rietbaan, Strooppot;
b. het IJsselmeer en daarmee verbonden wateren
– IJsselmeer (met inbegrip van Ketelmeer en Zwarte Meer), Markermeer
(met inbegrip van Gouwzee en IJmeer), Randmeren (met inbegrip van
Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer,
Drontermeer en Vossemeer);
c. de Rijn en daarmee verbonden wateren
– Pannerdensch Kanaal, Nederrijn, Lek, Nieuwe Maas, Nieuwe Waterweg,
Maasmond, Calandkanaal, Breediep, Hollandsche IJssel van Krimpen aan de
IJssel tot de Waaiersluis bij Gouda;
– Beneden Merwede, Noord, Dordtsche Kil, Oude Maas, Spui;
– Lekkanaal, Amsterdam-Rijnkanaal, Afgesloten IJ, Buiten IJ,
Noordzeekanaal, Buitenhaven van IJmuiden;
– Boven-Rijn, Bijlandsch Kanaal, Waal, Boven Merwede, Nieuwe Merwede;
d. de IJssel en daarmee verbonden wateren
– IJssel;
– Twentekanalen;
– Zwarte Water, Zwolle-IJsselkanaal;
e. de Maas en daarmee verbonden wateren
– Maas, Verbindingskanaal Bossche Veld, Afleidingskanaal Maastricht,
Zuid-Willemsvaart (Limburgse tak), Bergsche Maas, Heusdensch Kanaal,
Afgedamde Maas, Amer, Brabantse, Dordtsche en Sliedrechtse Biesbosch;
– Julianakanaal, Lateraal kanaal, Maas-Waalkanaal, Kanaal van St.
Andries;
– Wilhelminakanaal, met inbegrip van de Amertak, Zuid-Willemsvaart
(Brabantse tak), Kanaal Wessem-Nederweert.
2. Andere wateren dan hoofdwateren
2.1. in de provincie Groningen:
– alle in het Groningse deel van het Lauwersmeergebied gelegen
oppervlaktewaterlichamen;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.2. in de provincie Friesland:
– alle in het Friese deel van het Lauwersmeergebied gelegen
oppervlaktewaterlichamen;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.3. in de provincie Drenthe:
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.4. in de provincie Overijssel:
– het Meppelerdiep;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.5. in de provincie Gelderland:
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.6. in de provincie Utrecht:
– het Merwedekanaal;
– de gekanaliseerde Hollandsche IJssel.
2.7. in de provincie Noord-Holland:
– het Merwedekanaal;
– de Muidertrekvaart vanaf het Amsterdam-Rijnkanaal tot aan de
schotbalkkering;
– de Diemen aan de oostzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal;
– het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven
Diep);
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.8. in de provincie Zuid-Holland:
– het Vuile Gat in het Haringvliet;
– Mallegat Oost, gelegen bij de splitsing Dordtse kil en Oude Maas;
– de zeegeul naar het Haringvliet, genaamd het Slijkgat;
– de Sliksloot;
– het Zuiderdiepje;
– alle inliggende oppervlaktewaterlichamen op Tiengemeten;
– de gekanaliseerde Hollandsche IJssel;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.9. in de provincie Zeeland:
– de oostelijke en westelijke rijkswaterleiding in
Oost-Zeeuws-Vlaanderen;
– het Veerse Meer;
– kanaal Sluis-Brugge;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.10. in de provincie Noord-Brabant:
– Gekanaliseerde Dieze, Kanaal Engelen-Henriéttewaard, Oude Maasje en
Zuiderkanaal, Markkanaal;
– de Bakkerskil;
– de vaargeul naar de sluis in de Rode Vaart (nabij haven Moerdijk);
– de havens, kreken en killen bij Gors d’n Anwas, ter hoogte van
Woudrichem;
– de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen in beheer
bij het Rijk.
2.11. in de provincie Limburg
– de Noordervaart en de Voedingskanalen van de Zuid-Willemsvaart in
Midden-Limburg en Maastricht.
Bijlage III. Waterkeringen in beheer bij het Rijk (bijlage bij artikel
3.2 van het Waterbesluit)
1. Primaire waterkeringen
– duinwaterkeringen (en aansluitingen) op Ameland, Terschelling en
Vlieland;
– de Waddenzeedijken op Vlieland;
– Afsluitdijk;
– Houtribdijk;
– Nijkerkersluis;
– Roggebotsluis;
– Meppelerdiep-keersluis;
– Grote Kolksluis;
– Gemaal Zedemüden;
– Spooldersluis;
– Westelijke kanaaldijk Amsterdam-Rijnkanaal en Lekkanaal tussen
Amsterdam en Nieuwegein, vanaf km 1.000 tot en met km 45.000;
– Prinses Beatrixsluizen (Nieuwegein);
– Koninginnensluizen (Nieuwegein);
– Prinses Irenesluizen (Wijk bij Duurstede);
– Prinses Marijkesluizen (Rijswijk);
– Prins Berhardsluizen (Tiel);
– Waaiersluis (Gouda);
– Noordzeesluizencomplex (IJmuiden);
– sluizencomplex Schellingwoude (Amsterdam);
– Marken;
– Zuider IJdijk;
– stormvloedkering Nieuwe Waterweg en Europoortkering I;
– Europoortkering II en Hartelkering;
– stormvloedkering Hollandsche IJssel;
– Haringvlietkering;
– Hellegatsdam en Volkeraksluizen;
– Biesboschsluis;
– Wilhelminasluis en Afsluitdijk Andel;
– Brouwersdam;
– Oosterscheldekering;
– Veersedam;
– Zandkreekdam;
– Grevelingendam;
– Philipsdam;
– Krabbenkreekdam;
– Oesterdam;
– Sluizen Hansweert;
– waterkering veerhaven Kruiningen;
– Bathse spuisluis;
– Kreekrakpolder;
– waterkering veerhaven Breskens;
– kaden Handelshaven Breskens;
– waterkering sluizen Terneuzen;
– waterkering Scheldeboulevard Terneuzen;
– waterkering voormalige Veerhaven Terneuzen;
– waterkering Veerhaven Perkpolder;
– Marksluis;
– Westelijke kanaaldijk Afwateringskanaal 's-Hertogenbosch Drongelen;
– sluis Engelen;
– sluis St. Andries;
– sluiscomplex Weurt;
– sluiscomplex Heumen;
– sluis Limmel;
– sluis Bosscherveld.
2. Andere dan primaire keringen
– regionale keringen Twentekanalen;
– oostelijke dijk Amsterdam Rijnkanaal en Lekkanaal;
– westelijke dijk Amsterdam Rijnkanaal vanaf splitsing Lekkanaal tot
aan Wijk bij Duurstede;
– de westelijke en oostelijke dijk langs het Amsterdam Rijnkanaal,
gelegen tussen de Lek en de Waal (tussen de Prinses Marijke- en de Prins
Bernardsluizen);
– voorlanddijken Texel: Bolwerk Robbengat, Zanddijk polder
Robbenjager, Dijk Polder ’t Horntje (NH);
– waterkeringen langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen;
– kanaaldijken Zuid-Willemsvaart;
– kanaaldijken Markkanaal;
– kanaaldijken Wilheminakanaal;
– kanaaldijken Wessem – Nederweert;
– dijk langs A2 bij den Bosch;
– kanaaldijken Maas-Waalkanaal (oost en west);
– kanaaldijken Julianakanaal (oost en west).
Bijlage IV. Gebieden waar paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het
Waterbesluit niet van toepassing is (bijlage bij artikel 6.16 van het
Waterbesluit)
[Illustraties (kaarten) verwijderd]
|