|
BESLUIT van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Besluit omgevingsrecht)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 november
2009, nr. BJZ2009046833, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken,
gedaan mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Gelet op de artikelen 1.1, derde lid, 2.1,
eerste lid, onderdeel d, 2.1, derde lid, 2.4, tweede en derde
lid, 2.8, eerste lid, 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2º,
en derde lid, 2.14, tweede en zesde lid, 2.22, derde en zesde lid, 2.23,
tweede lid, 2.24, eerste lid, 2.25, tweede en derde lid, 2.26, derde
lid, 2.27, eerste lid, 2.30, tweede lid, 3.1, vierde lid, 3.9, eerste
lid, onderdeel b, 3.12, tweede lid, onderdeel a en b,
vierde en zesde lid, 3.15, eerste lid, onderdeel b, 5.2, vierde
lid, 5.3, eerste lid, 7.1, 7.6 en 8.2, tweede lid, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht, artikel 1.1, derde lid, van de Wet
milieubeheer, artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet en artikel 41,
derde lid, van de Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (advies van 13
januari 2010, nr. W08.09.0479/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 maart
2010, nr. BJZ2010008970, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1. Definities
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
aanvraag: aanvraag om een
omgevingsvergunning;
adviseur: bij of krachtens artikel
2.26 van de wet aangewezen bestuursorgaan of andere instantie;
bijlage: bij dit besluit
behorendebijlage;
de betrokken wetten: de wet, de in
artikel 5.1 van de wet genoemde wetten voor zover in die wetten de
artikelen 5.3 tot en met 5.9 van de wet van toepassing zijn
verklaard, alsmede de EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen, de EG-verordening registratie, evaluatie en
autorisatie van chemische stoffen en de EG-verordening PRTR;
landelijke voorziening: landelijke
voorziening, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van de wet;
wet: Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
2. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt, behoudens voor zover daarin gesproken
wordt van strafrechtelijke handhaving, onder«handhaving» verstaan
bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de betrokken
wetten bepaalde.
3. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder onderscheidenlijk
afvalstoffen, afvalwater, EG-verordening overbrenging van
afvalstoffen, EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging, EG-verordening registratie, evaluatie
en autorisatie van chemische stoffen, EG-verordening PRTR, doelmatig
beheer van afvalstoffen, emissie, emissiegrenswaarde, inspecteur, de
kaderrichtlijn water, preparaten en stoffen, hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 2. Aanwijzing van categorieën
inrichtingen, vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten en
planologische gebruiksactiviteiten
§ 2.1. Aanwijzing van diverse
categorieën inrichtingen en gevallen waarin een omgevingsvergunning is
vereist
Artikel 2.1. Inrichting
1. Als categorieën inrichtingen als
bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden
aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en
onderdeel C.
2. Als categorieën vergunningplichtige
inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe
een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als
zodanig zijn aangewezen inbijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.
3. Als categorieën inrichtingen als
bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder, die in
belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, worden aangewezen de
categorieën inrichtingen inbijlage I, onderdeel D.
4. In afwijking van het eerste lid
heeft de aanwijzing geen betrekking op inrichtingen voor de
uitoefening van detailhandel, voor zover die aanwijzing uitsluitend
zou gelden omdat in de inrichting stoffen, preparaten of andere
producten worden op- of overgeslagen, die zijn genoemd in bijlage I,
onderdeel C, onder de categorieën 4.1, onder b tot en met f, 6.1,
8.1, 9.1, 11.1, met uitzondering van asbest en asbesthoudende
producten, 12.1, 15 of 16.1.
Artikel 2.2. Brandveilig gebruiken van
een bouwwerk
1. Als categorieën gevallen als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet worden
aangewezen:
a. het in gebruik nemen of
gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader
van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10
personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening,
bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen;
b. het in gebruik nemen of
gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaft
aan:
1°. meer dan 10 personen
jonger dan 12 jaar, of
2°. meer dan 10 lichamelijk of
verstandelijk gehandicapte personen.
2. Bij de toepassing van het eerste lid
wordt onder bouwwerk mede verstaan delen van een bouwwerk die zijn
ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt.
Artikel 2.2a
Als categorieën activiteiten als bedoeld
in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze
plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde
lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een inrichting waarin zich een
gpbv-installatie bevindt, worden aangewezen:
a. de activiteit, bedoeld in
categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit
milieueffectrapportage, met dien verstande dat deze aanwijzing niet
van toepassing is in de gevallen waarin artikel 7.18 van de Wet
milieubeheer van toepassing is;
b. de activiteit, bedoeld in
categorie 18.4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit
milieueffectrapportage, met dien verstande dat deze aanwijzing niet
van toepassing is in de gevallen waarin artikel 7.18 van de Wet
milieubeheer van toepassing is;
c. de activiteit, bedoeld in de
categorieën 18.8, 32.1, 32.2, 32.3 en 32.7 van onderdeel D van de
bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, met dien verstande
dat deze aanwijzing niet van toepassing is in de gevallen waarin
artikel 7.18 van de Wet milieubeheer van toepassing is;
d. het oprichten, het veranderen of
veranderen van de werking of het in werking hebben van inrichtingen
als bedoeld in categorie 27.3 van onderdeel C vanbijlage I;
e. het opslaan, verdichten,
herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover
daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet
milieubeheer en voor zover deze activiteiten zijn gericht op de
verwijdering van afvalstoffen;
f. het opslaan van afvalstoffen van
de gezondheidszorg bij mens en dier en van gebruikte hygiënische
producten, afkomstig van buiten de inrichting;
g. het opslaan van ten hoogste 10.000
ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde banden
van voertuigen;
h. het demonteren van autowrakken als
bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer, anders dan de activiteiten met
autowrakken als bedoeld in artikel 4.84, tweede lid, van dat
besluit;
i. het opslaan van ten hoogste 50.000
ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde metaal,
voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
j. het opslaan van buiten de
inrichting afkomstige afvalstoffen, zijnde metalen met aanhangende
olie of emulsie en het afscheiden van de oliefractie met een
maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor de afgescheiden
oliefractie;
k. het opbulken van grond die
afkomstig is van buiten de inrichting van de klasse wonen en de
klasse industrie, baggerspecie van klasse A of B en grond of
baggerspecie als bedoeld in artikel 39 van het Besluit
bodemkwaliteit, met een capaciteit voor de opslag van grond en
baggerspecie van ten minste 25 kubieke meter en ten hoogste 10.000
kubieke meter;
l. het opslaan en opbulken van ten
hoogste 10.000 ton kunststofafval, ingezameld bij of afgegeven door
een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, voor zover
er geen sprake is van:
a. kunststof dat binnen de
inrichting geschikt wordt gemaakt voor materiaalhergebruik, en
b. activiteiten waarmee
uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer.
§ 2.2. Aanwijzing van categorieën
gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist
Artikel 2.3. Bouwen en planologische
gebruiksactiviteiten
1. In afwijking van artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder a, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist
voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5
van bijlage II.
2. In afwijking van artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder a en c, van de wet is geen omgevingsvergunning
vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met
artikel 5 en artikel 8 vanbijlage II.
Artikel 2.4. Veranderen van een
inrichting
1. In afwijking van artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen
omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de
inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met
de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden
voorschriften.
2. In afwijking van artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen
omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de
inrichting of van de werking daarvan voor zover die geen betrekking
hebben op een gpbv-installatie of voor zover daarop hoofdstuk 3 van
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer of het
Besluit mestbassins milieubeheer van toepassing is.
3. In afwijking van artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen
omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de
inrichting of van de werking daarvan voor zover die activiteiten
betreffen die zijn aangewezen op grond vanartikel 2.2a.
Artikel 2.5. Mijnbouwwerken
In afwijking van artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder e, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist met
betrekking tot mijnbouwwerken die behoren tot een in artikel 4 van het
Besluit algemene regels milieu mijnbouw aangewezen categorie.
Artikel 2.5a. Monumenten
In afwijking van artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder f, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist voor
de categorieën gevallen in artikel 3a van bijlage II.
Artikel 2.6. Slopen
In afwijking van artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder g en h, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist
voor het slopen van:
a. bouwwerken waarvoor ingevolge
artikel 2.3 geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist;
b. seizoensgebonden bouwwerken.
§ 2.3. Aanwijzing van categorieën
planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan
worden verleend als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
2°, van de wet
Artikel 2.7. Planologische
gebruiksactiviteiten
Als categorieën gevallen als bedoeld in
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden
aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.
Hoofdstuk 3. Bevoegd gezag
Artikel 3.1. Ruimtelijke ordening
Gedeputeerde staten van de provincie waar
het project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te
beslissen op een aanvraag indien het project bestaat uit activiteiten
als bedoeld in:
a. artikel 2.1, eerste lid, onder a,
b, c of g, van de wet in gevallen waarin toepassing is gegeven aan
artikel 3.26, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
b. artikel 2.1, eerste lid, onder c,
van de wet en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een
project van provinciaal ruimtelijk belang, met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet, van het
bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.
Artikel 3.2. Ruimtelijke ordening
Onze Minister of Onze Minister wie het
aangaat in overeenstemming met Onze Minister, is bevoegd te beslissen op
een aanvraag indien het project bestaat uit activiteiten als bedoeld in:
a. artikel 2.1, eerste lid, onder a,
b, c of g, van de wet in gevallen waarin toepassing is gegeven aan
artikel 3.28, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;
b. artikel 2.1, eerste lid, onder c,
en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een project van
nationaal ruimtelijk belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste
lid, onder a, onder 3°, van de wet, van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken.
Artikel 3.3. Inrichting en mijnbouwwerk
1. Gedeputeerde staten van de provincie
waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking
heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort
tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C,
is bepaald. De eerste volzin geldt slechts voor activiteiten met
betrekking tot een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort of
waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is.
2. Onze Minister is bevoegd te
beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met
betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29 van bijlage
I, onderdeel C.
3. Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te
beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met
betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie die in
bijlage I, onderdeel C, is aangewezen en die geheel of in hoofdzaak
zal zijn of is gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die
niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie, tenzij het vierde
lid van toepassing is.
4. Onze Minister van Economische Zaken
is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:
a. een inrichting die in hoofdzaak
een mijnbouwwerk is, en
b. mijnbouwwerken, niet zijnde
inrichtingen.
Artikel 3.3a
Gedeputeerde staten van de provincie
waarin het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op activiteiten met betrekking
tot een inrichting type B of C als bedoeld in het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer, voor zover dit een inrichting is
als bedoeld in categorie 28.4 of 28.5 van bijlage 1, onderdeel C, en
voor die activiteiten op grond van artikel 2.2a een omgevingsvergunning
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de wet,
is vereist.
Artikel 3.4. Gesloten stortplaats
Gedeputeerde staten van de provincie waar
het project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te
beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit in, op,
onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer
bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt
uitgevoerd.
Artikel 3.5. Gevallen waarin het bevoegd
gezag wijzigt
Indien de bevoegdheid te beslissen op een
aanvraag overgaat naar een ander bestuursorgaan, zendt het
bestuursorgaan dat het bevoegd gezag wordt, hiervan een kennisgeving aan
de aanvrager of de vergunninghouder.
Hoofdstuk 4. De aanvraag
§ 4.1. Wijze waarop een aanvraag wordt
ingediend
Artikel 4.1. Aanvraag
1. Een aanvraag kan langs elektronische
weg worden ingediend op een bij ministeriële regeling voorgeschreven
wijze.
Artikel 4.2. Schriftelijke aanvraag
1. Indien een aanvraag niet langs
elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een door
Onze Minister vastgesteld formulier. Het bevoegd gezag stelt op
verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking.
2. Het bevoegd gezag bepaalt het aantal
exemplaren dat van de aanvraag en de daarbij te overleggen gegevens en
bescheiden wordt ingediend, met een maximum van vier.
3. In gevallen waarin ingevolge
hoofdstuk 6 meer dan twee adviezen of verklaringen van geen
bedenkingen zijn voorgeschreven, verstrekt de aanvrager op verzoek van
het bevoegd gezag even zoveel extra exemplaren van de aanvraag en de
daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden.
Artikel 4.3. Elektronische aanvraag
1. In afwijking van artikel 2:15,
eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt het
bevoegd gezag een aanvraag die langs elektronische weg wordt
ingediend, in ontvangst.
2. Indien een aanvraag langs
elektronische weg wordt ingediend, worden de daarbij te verstrekken
gegevens en bescheiden eveneens langs elektronische weg verstrekt. De
aanvrager kan de gegevens en bescheiden op schriftelijke wijze
verstrekken, voor zover het bevoegd gezag daarvoor toestemming heeft
gegeven.
3. Bij ministeriële regeling worden
nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag
langs elektronische weg wordt ingediend alsmede met betrekking tot het
beheer van de in de landelijke voorziening opgenomen gegevens en
bescheiden.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de inrichting,
instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening.
§ 4.2. Gegevens en bescheiden
Artikel 4.4. Algemeen
1. Onverminderd artikel 4:2, tweede
lid, van de Algemene wet bestuursrecht en voor zover dat naar het
oordeel van het bevoegd gezag nodig is voor het nemen van de
beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag de
bij ministeriële regeling aangewezen gegevens en bescheiden ten
aanzien van de activiteiten binnen het project waarop de aanvraag
betrekking heeft.
2. De in het eerste lid bedoelde
gegevens en bescheiden behoeven niet te worden verstrekt voor zover
het bevoegd gezag reeds over die gegevens of bescheiden beschikt.
3. De gegevens en bescheiden worden
door de aanvrager gekenmerkt als behorende bij de aanvraag.
Artikel 4.5. Gefaseerde aanvraag
1. Indien de aanvrager het bevoegd
gezag heeft verzocht de omgevingsvergunning in twee fasen te verlenen,
kan hij bij de aanvraag om een beschikking voor de eerste
onderscheidenlijk tweede fase volstaan met het verstrekken van de
gegevens en bescheiden die betrekking hebben op de activiteiten waarop
de betrokken aanvraag ziet.
2. Bij de aanvraag om een beschikking
met betrekking tot de eerste fase vermeldt de aanvrager uit welke
activiteiten het gehele project zal bestaan.
3. Indien ten behoeve van een
omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet worden opgesteld als
bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, wordt dit
milieueffectrapport ingediend bij de aanvraag om een beschikking met
betrekking tot de eerste fase.
Artikel 4.6. Inrichtingen waarop BRZO van
toepassing is
Indien de aanvraag betrekking heeft op
een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het
Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, kan Onze
Minister in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere
regels stellen met betrekking tot de gegevens en bescheiden die bij de
aanvraag worden verstrekt.
Artikel 4.7. Uitgestelde
gegevensverstrekking
1. Aan de omgevingsvergunning voor een
bij ministeriële regeling aangewezen activiteit kunnen, indien
gegevens en bescheiden niet nodig waren met het oog op het nemen van
de beslissing op de aanvraag, voorschriften worden verbonden met
betrekking tot het alsnog verstrekken van die gegevens en bescheiden
binnen een bij die regeling aangegeven termijn.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het
eerste lid.
§ 4.3. Gegevens bij de overgang van een
omgevingsvergunning
Artikel 4.8. Melding
Bij een melding als bedoeld in artikel
2.25, tweede lid, van de wet, vermeldt de aanvrager onderscheidenlijk de
vergunninghouder:
a. zijn naam en adres;
b. de omgevingsvergunning of
omgevingsvergunningen krachtens welke de activiteiten worden
verricht;
c. de naam, het adres en het
telefoonnummer van degene voor wie de omgevingsvergunning zal gaan
gelden;
d. een contactpersoon van degene voor
wie de omgevingsvergunning zal gaan gelden;
e. het beoogde tijdstip dat de
omgevingsvergunning zal gaan gelden voor de onder c bedoelde
persoon.
§ 4.4. Heffen van rechten
Artikel 4.9. Rechten
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld omtrent het heffen van rechten als bedoeld in artikel 2.9
van de wet, in gevallen waarin een Onzer ministers bevoegd gezag is.
Hoofdstuk 5. De inhoud van de
omgevingsvergunning
§ 5.1. Regels met betrekking tot bouwen
en archeologische monumentenzorg
Artikel 5.1. Bouwen
Voor zover de aanvraag betrekking heeft
op het bouwen van een seizoensgebonden bouwwerk, wordt aan de
omgevingsvergunning in ieder geval het voorschrift verbonden, inhoudende
een verplichting het bouwwerk binnen daarbij aan te geven tijdvakken
onderscheidenlijk op te richten, te gebruiken en te slopen.
Artikel 5.2. Archeologische
monumentenzorg
1. Voor zover de aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
a, van de wet, kunnen, indien dit bij het bestemmingsplan is bepaald,
in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval
voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden, inhoudende
een verplichting:
a. tot het treffen van technische
maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden
behouden,
b. tot het doen van opgravingen in
de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988, of
c. de activiteit die tot
bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op
het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan
bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
2. Voor zover de aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
b of c, van de wet, kunnen in het belang van de archeologische
monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning
worden verbonden, inhoudende een verplichting:
a. tot het treffen van technische
maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden
behouden,
b. tot het doen van opgravingen in
de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988, of
c. de activiteit die tot
bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op
het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan
bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
3. Voor zover de aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
h, van de wet, kunnen in het belang van de archeologische
monumentenzorg voorschriften worden verbonden met betrekking tot de
wijze van slopen.
§ 5.2. Regels met betrekking tot
inrichtingen en mijnbouwwerken
§ 5.2.1. Aan een vergunning te verbinden
voorschriften
Artikel 5.3. Beste beschikbare technieken
Voor zover de aanvraag betrekking heeft
op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van
de wet, worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van
bescherming van het milieu aan de vergunning voorschriften verbonden die
nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan
veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel
mogelijk – bij voorkeur aan de bron– te beperken of ongedaan te
maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de
voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken
worden toegepast.
Artikel 5.4. Bepalen van de beste
beschikbare technieken
1. Voor zover de aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de wet, betrekt het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin
een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is aangevraagd,
het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de
bepaling van de voor een inrichting, onderscheidenlijk met betrekking
tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken,
rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van maatregelen,
en met het voorzorg- en het preventiebeginsel:
a. de toepassing van technieken die
weinig afvalstoffen veroorzaken;
b. de toepassing van minder
gevaarlijke stoffen;
c. de ontwikkeling, waar mogelijk,
van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van
de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte
stoffen en van afvalstoffen;
d. vergelijkbare processen,
apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de
praktijk zijn beproefd;
e. de vooruitgang van de techniek
en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
f. de aard, de effecten en de
omvang van de betrokken emissies;
g. de data waarop de installaties
in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;
h. de tijd die nodig is om een
betere techniek toe te gaan passen;
i. het verbruik en de aard van de
grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
j. de noodzaak om het algemene
effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te
voorkomen of tot een minimum te beperken;
k. de noodzaak ongevallen te
voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.
2. Het bevoegd gezag houdt bij de
bepaling van de voor een inrichting of met betrekking tot een lozing
in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met bij
ministeriële regeling aangewezen:
a. documenten waarin door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 17,
tweede lid, van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging bekendgemaakte informatie met
betrekking tot de bepaling van beste beschikbare technieken is
opgenomen;
b. door andere internationale
organisaties bekendgemaakte informatie met betrekking tot de
bepaling van beste beschikbare technieken;
c. andere informatie met betrekking
tot de bepaling van die technieken.
Artikel 5.5. Doelvoorschriften
1. De voorschriften die aan een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder e, van de wet, worden verbonden, geven de doeleinden
aan die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het
milieu dient te verwezenlijken op een door hem te bepalen wijze.
2. Bij de voorschriften worden
emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen
groepen, families of categorieën stoffen– in het bijzonder die,
genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn inzake geïntegreerde
preventie en bestrijding van verontreiniging –, die in aanmerkelijke
hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door
overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen veroorzaken.
3. Bij het vaststellen van de
emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar
zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat
redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden
vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning.
Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt
gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een
zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor
zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te
verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die gelden ter
uitvoering van richtlijn nr. 2006/11/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 februari 2006
betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke
stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd
(PbEU L 64), en de in bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde
richtlijnen.
4. Voor zover aan een
omgevingsvergunning voor een inrichting voorschriften met betrekking
tot een gpbv-installatie worden verbonden als bedoeld in het eerste en
tweede lid, worden daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden,
inhoudende dat:
a. moet worden bepaald of aan de
eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van
bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de
methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de
beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die
tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen
en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de
resultaten van die beoordelingen;
b. de bij die bepaling verkregen
gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage
gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van
het bevoegd gezag.
5. In afwijking van het vierde lid,
onder b, worden geen voorschriften aan de omgevingsvergunning
verbonden met betrekking tot het ter beschikking stellen van gegevens
als bedoeld in dat onderdeel, voor zover die gegevens krachtens titel
12.3 van de Wet milieubeheer moeten worden opgenomen in een
PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan moet worden
opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het gestelde bij
of krachtens die titel.
6. Voor inrichtingen waartoe geen
gpbv-installatie behoort en voor inrichtingen waartoe een
gpbv-installatie behoort voor zover het andere activiteiten dan die
gpbv-installatie betreft, kunnen voorschriften als bedoeld in het
vierde lid, onder a en b, aan een vergunning worden verbonden.
Artikel 5.6. Technische maatregelen
1. Voor zover dit naar het oordeel van
het bevoegd gezag noodzakelijk is, kunnen aan de omgevingsvergunning
voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van
de wet, voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot
het treffen van technische maatregelen. Voor zover die voorschriften
betrekking hebben op een gpbv-installatie, wordt daarbij niet het
gebruik van bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven.
2. Indien voorschriften als bedoeld in
het eerste lid aan de omgevingsvergunning worden verbonden in plaats
van voorschriften als bedoeld in artikel 5.5, eerste en tweede lid,
leiden de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming
van het milieu.
3. Voor zover aan een
omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het
eerste lid, kunnen daaraan in ieder geval ook voorschriften worden
verbonden, inhoudende dat:
a. over de uitvoering van
technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten,
verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag;
b. daarbij aangegeven metingen,
berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van
de mate waarin de inrichting de nadelige gevolgen voor het milieu
veroorzaakt, ter voorkoming of beperking waarvan die voorschriften
zijn bedoeld.
4. Voor zover aan een
omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het
derde lid, is artikel 5.5, vierde lid, aanhef en onder b, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.7. Overige voorschriften
1. Aan de omgevingsvergunning voor
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de
wet worden in ieder geval de voor de betrokken activiteit in
aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:
a. een doelmatig gebruik van
energie en grondstoffen;
b. de bescherming van bodem en
grondwater;
c. het voorkomen van het ontstaan
van afvalstoffen en afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk
is, het doelmatig beheer van afvalstoffen en afvalwater;
d. het beperken van de nadelige
gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen of goederen
van en naar de inrichting;
e. het voorkomen dan wel zo veel
mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte
verontreinigingen over lange afstand of grensoverschrijdende
verontreinigingen;
f. het voorkomen dan wel zo veel
mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die
kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte
stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere
bijzondere bedrijfsomstandigheden;
g. het voorkomen van ongevallen en
het beperken van de gevolgen van ongevallen;
h. het treffen van maatregelen om
bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de
inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was
gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig
is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende
functie.
2. Aan de omgevingsvergunning als
bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang van de bescherming van
het milieu andere voorschriften worden verbonden. Die voorschriften
kunnen in ieder geval inhouden:
a. dat daarbij aangegeven metingen,
berekeningen of tellingen – andere dan bedoeld in de artikelen
5.5 en 5.6 – moeten worden verricht ter bepaling van de mate
waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu
veroorzaakt;
b. dat in een mate als bij het
voorschrift aangegeven, onderzoek moet worden verricht naar
mogelijkheden tot verdergaande bescherming van het milieu dan
waarin de andere aan de omgevingsvergunning verbonden
voorschriften voorzien;
c. dat de uitkomsten van daarbij
aangegeven metingen, berekeningen, tellingen of onderzoeken moeten
worden geregistreerd en bewaard dan wel moeten worden gemeld of
ter beschikking gesteld van bij het voorschrift aangewezen
bestuursorganen;
d. dat moet worden voldaan aan
daarbij aangegeven eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid van in
de inrichting werkzame personen;
e. dat aan de in de inrichting
werkzame personen schriftelijk instructies worden gegeven om
handelen in strijd met de omgevingsvergunning, de daaraan
verbonden voorschriften of bij of krachtens artikel 8.40 van de
Wet milieubeheer gestelde regels tegen te gaan, en dat toezicht
wordt gehouden op het naleven van die instructies;
f. dat met betrekking tot in het
voorschrift geregelde, daarbij aangegeven onderwerpen moet worden
voldaan aan nadere eisen die door een bij het voorschrift
aangewezen bestuursorgaan worden gesteld;
g. dat van daarbij aangegeven
veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan, binnen
een in het voorschrift te bepalen termijn schriftelijk mededeling
wordt gedaan aan het bevoegd gezag of een door hem aangewezen
instantie;
h. dat met het oog op het kunnen
voldoen aan de andere aan de omgevingsvergunning verbonden
voorschriften voor de betrokken activiteiten omtrent de
inrichting, daarbij aangegeven organisatorische en administratieve
maatregelen moeten worden getroffen;
i. dat met betrekking tot een bij
het voorschrift aangegeven onderwerp waarover geen andere
voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, voldoende
zorg in acht moet worden genomen.
3. Indien de omgevingsvergunning
betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder e, waarbij vanuit een inrichting of mijnbouwwerk afvalwater
of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater worden gebracht, kunnen aan de
omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu
voorschriften worden verbonden omtrent:
a. de doelmatige werking van het
zuiveringstechnisch werk, of
b. de krachtens hoofdstuk 5 van de
Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het
oppervlaktewater.
4. In afwijking van het tweede lid,
onder c, worden geen voorschriften aan de omgevingsvergunning
verbonden met betrekking tot het melden of ter beschikking stellen van
uitkomsten als bedoeld in dat onderdeel, indien die uitkomsten als
gegevens krachtens titel 12.3 van de Wet milieubeheer moeten worden
opgenomen in een PRTR-verslag dat ten behoeve van een bestuursorgaan
moet worden opgesteld, of daardoor anderszins strijd ontstaat met het
gestelde bij of krachtens die titel.
5. Bij een voorschrift inzake nadere
eisen als bedoeld in het tweede lid, onder f, kan worden aangegeven
hoe van die eisen door het aangewezen bestuursorgaan openbaar wordt
kennisgegeven.
Artikel 5.8. Nuttige toepassing of
verwijdering van afvalstoffen
1. Indien een omgevingsvergunning als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet betrekking
heeft op een inrichting waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of
worden verwijderd, bevat de omgevingsvergunning ten minste de
verplichtingen:
a. tot het registreren van:
1°. daarbij aangewezen
afvalstoffen die in de inrichting nuttig worden toegepast of
worden verwijderd: naar hoeveelheid, aard en oorsprong;
2°. stoffen die bij de nuttige
toepassing of verwijdering van die afvalstoffen worden
gebruikt of verbruikt: naar aard en hoeveelheid;
3°. stoffen, preparaten en
andere producten, hieronder mede begrepen afvalstoffen, die
bij de nuttige toepassing of verwijdering ontstaan: naar aard
en hoeveelheid;
4°. de wijze waarop de onder
3° bedoelde afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden
verwijderd;
5°. stoffen, preparaten en
andere producten die de inrichting verlaten, voor zover deze
bij de nuttige toepassing of verwijdering zijn ontstaan: naar
aard en hoeveelheid, en
b. tot het bewaren van de
geregistreerde gegevens gedurende ten minste vijf jaren.
2. Onze Minister kan regels stellen
omtrent de wijze waarop de registratie plaatsvindt.
Artikel 5.9. Afwijkende inwerkingtreding
en geldingsduur van de voorschriften
In een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet
kan worden bepaald:
a. dat daarbij aangewezen
voorschriften eerst in werking treden op een daarbij aangegeven
tijdstip, dan wel wanneer een daarbij aangegeven omstandigheid zich
voordoet;
b. dat daarbij aangewezen
voorschriften slechts gelden tot een daarbij aangegeven tijdstip,
dan wel omstandigheid;
c. dat daarbij aangewezen
voorschriften nadat de omgevingsvergunning haar gelding heeft
verloren, gedurende een daarbij aangegeven termijn van kracht
blijven.
Artikel 5.10. Actualisatieplicht
Het bevoegd gezag geeft in ieder geval
toepassing aan het bepaalde in artikel 2.30, eerste lid, van de wet
indien:
a. de door de inrichting of
onderdelen daarvan veroorzaakte verontreiniging van dien aard is dat
de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in de aan de vergunning
verbonden voorschriften, gewijzigd moeten worden of daarin nieuwe
emissiegrenswaarden vastgesteld moeten worden;
b. belangrijke veranderingen in de
beste beschikbare technieken een aanmerkelijke beperking van de
emissies zonder buitensporige kosten mogelijk maken;
c. de noodzaak om ongevallen te
voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken de
toepassing van andere technieken vereist.
Artikel 5.11. Relatie BRZO– bedrijven
– natuurgebieden
Als categorie inrichtingen als bedoeld in
artikel 2.14, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de inrichtingen
waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is.
§ 5.2.2. Verbod om bepaalde
voorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden
Artikel 5.12. Broeikasgasemissies of
energiegebruik
1. Aan een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de
wet, worden, indien het een inrichting betreft waarop tevens de in
artikel 16.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer vervatte verboden
betrekking hebben, geen voorschriften verbonden:
a. inhoudende een
emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen,
tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen
significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving
van de inrichting worden veroorzaakt;
b. ter bevordering van een zuinig
gebruik van energie in de inrichting.
2. Voor zover aan een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld
in het eerste lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld,
vervallen die voorschriften.
Artikel 5.12a. energieverbruik
1. Aan een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de
wet, worden, indien het een inrichting betreft als bedoeld in artikel
15.51 van de Wet milieubeheer, geen voorschriften verbonden:
a. inhoudende een
emissiegrenswaarde voor de directe emissie van CO2, tenzij zulks
noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen
voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting
worden veroorzaakt;
b. ter bevordering van een zuinig
gebruik van energie in de inrichting.
2. Voor zover aan een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld
in het eerste lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld,
vervallen die voorschriften.
Artikel 5.13. Overbrenging van afval naar
of uit de provincie
Aan een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet,
worden geen voorschriften verbonden, die het naar of uit de provincie
brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten.
Artikel 5.13a
Aan een omgevingsvergunning voor een
activiteit die is aangewezen in artikel 2.2a worden geen voorschriften
verbonden.
§ 5.2.2a. Gronden tot verlening of
weigering
Artikel 5.13b
1. Een omgevingsvergunning voor de
categorieën activiteiten, bedoeld inartikel 2.2a, onder a, b, c, h, i
en j wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel
7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, heeft beslist dat bij de
voorbereiding van de omgevingsvergunning een milieueffectrapport moet
worden gemaakt.
2. Een omgevingsvergunning voor de
categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder d, wordt
geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan de grenswaarden voor
geluid, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 2° en
3°, van de wet.
3. Een omgevingsvergunning voor de
categorieën activiteiten, bedoeld inartikel 2.2a, onder e tot en met
h en l, kan worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer
van afvalstoffen.
4. Een omgevingsvergunning voor de
categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, onder g tot en met j
en l, kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden,
bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
door het openbaar bestuur.
5. Het vierde lid is van
overeenkomstige toepassing op de categorie activiteiten, bedoeld in
artikel 2.2a, onder k.
§ 5.2.3. Voorschriften ter uitvoering
van een verdrag
Artikel 5.14
1. Bij ministeriële regeling kunnen
voor daarbij aangewezen categorieën activiteiten of gevallen regels
worden gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan
de omgevingsvergunning voor activiteiten met betrekking tot een
inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de
wet, mits die regels uitsluitend strekken ter uitvoering van een voor
Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit
van een volkenrechtelijke organisatie.
2. Het ontwerp van een ministeriële
regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken
voordat de regeling wordt vastgesteld toegezonden aan de beide kamers
der Staten-Generaal.
§ 5.3. Voorschriften ten aanzien van
activiteiten in provinciale milieuverordeningen
Artikel 5.15
Indien de omgevingsvergunning betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid, van de
Wet milieubeheer, zijn de bepalingen die ten aanzien van het verbinden
van voorschriften aan een ontheffing voor die activiteit zijn opgenomen
in de provinciale milieuverordening, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid,
van die wet, van overeenkomstige toepassing.
§ 5.4. Aanwijzing van categorieën
gevallen waarin een tijdelijke of een persoonsgebonden
omgevingsvergunning wordt verleend
Artikel 5.16. Bouwen
1. In een omgevingsvergunning voor het
bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet:
a. van een bouwwerk, bestemd om in
een tijdelijke behoefte te voorzien;
b. van een bouwwerk dat slechts
toelaatbaar is ingevolge een voorlopige bestemming,
wordt bepaald dat zij slechts geldt
voor een daarin aangegeven termijn.
2. In de categorie gevallen, bedoeld in
het eerste lid, aanhef en onder a, is de termijn ten hoogste vijf
jaar.
3. In de categorie gevallen, bedoeld in
het eerste lid, aanhef en onder b, wordt de termijn bepaald
overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan omtrent de duur van de
bestemming is bepaald.
4. De in de omgevingsvergunning
aangegeven termijn kan worden verlengd, met dien verstande dat:
a. de termijn ten aanzien van een
bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor zover het
betreft een woning, slechts kan worden verlengd, indien een
kortere termijn dan vijf jaar is gesteld, en wel tot ten hoogste
vijf jaar;
b. de termijn ten aanzien van een
bouwwerk als bedoeld in het eerste lid, onder b, slechts kan
worden verlengd, indien de duur van de voorlopige bestemming
inmiddels is verlengd.
5. In de categorieën gevallen, bedoeld
in het eerste lid, is de vergunninghouder na het verstrijken van de in
de omgevingsvergunning aangegeven termijn gehouden het bouwwerk
terstond te zijner keuze hetzij te slopen, hetzij in overeenstemming
te brengen met de van toepassing zijnde voorschriften.
Artikel 5.17. Werken
1. In een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de
wet, wordt, indien het werk of de werkzaamheid slechts toelaatbaar is
ingevolge een voorlopige bestemming of voorlopige gebruiksregel,
bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn. Die
termijn wordt bepaald overeenkomstig hetgeen bij het bestemmingsplan
omtrent de duur van de bestemming is bepaald.
2. Na het verstrijken van de in de
omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, aangegeven termijn is
de vergunninghouder gehouden terstond te zijner keuze hetzij de voor
de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand te
herstellen, hetzij die met de van toepassing zijnde voorschriften van
het bestemmingsplan of de beheersverordening in overeenstemming te
brengen.
Artikel 5.18. Planologische
gebruiksactiviteiten
1. In een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de
wet, die voorziet in een tijdelijke behoefte, wordt bepaald dat zij
slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn van ten hoogste vijf
jaar.
2. Na het verstrijken van de in de
omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, aangegeven termijn is
de vergunninghouder gehouden terstond te zijner keuze hetzij de voor
de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand te
herstellen, hetzij die met de van toepassing zijnde voorschriften van
het bestemmingsplan of de beheersverordening in overeenstemming te
brengen.
3. Voor zover de activiteit waarop de
omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft
tevens een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
a, van de wet, geeft de vergunninghouder uitvoering aan het tweede lid
door het bouwwerk terstond te zijner keuze hetzij te slopen, hetzij in
overeenstemming te brengen met de van toepassing zijnde voorschriften.
4. Als geval als bedoeld in artikel
2.25, derde lid, van de wet waarin de omgevingsvergunning slechts
geldt voor degene aan wie zij is verleend, wordt aangewezen de
omgevingsvergunning voor het bewonen van een recreatiewoning die met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de
wet in samenhang met artikel 4, onderdeel 10, van bijlage II is
verleend. In een omgevingsvergunning als bedoeld in de eerste volzin
wordt bepaald dat zij slechts geldt voor de termijn gedurende welke
degene aan wie de vergunning is verleend de desbetreffende
recreatiewoning onafgebroken bewoont.
Artikel 5.19. Relatie met
Grondwaterrichtlijn
In een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet
voor een inrichting waar activiteiten worden verricht als bedoeld in
artikel 4 of 5 van richtlijn nr. 80/68/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het
grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde
gevaarlijke stoffen (PbEG 1980, L 20) wordt bepaald dat zij geldt voor
een daarin aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.
§ 5.5. Regels met betrekking tot
planologische gebruiksactiviteiten
Artikel 5.20. Inhoud en ruimtelijke
onderbouwing
Voor zover de omgevingsvergunning wordt
verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van
het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Advies, verklaring van geen
bedenkingen en bijzondere bestuurlijke verplichtingen
§ 6.1. Advies over de aanvraag
Artikel 6.1. B&W of GS
1. Met betrekking tot een aanvraag
worden als adviseur aangewezen burgemeester en wethouders van de
gemeente waar het project geheel of gedeeltelijk zal worden of wordt
uitgevoerd.
2. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 1.3a, eerste lid,
van de Wet milieubeheer worden als adviseur aangewezen gedeputeerde
staten van de provincie waar het project geheel of gedeeltelijk zal
worden of wordt uitgevoerd, alsmede de bestuursorganen en instanties
die ingevolge de provinciale milieuverordening zijn aangewezen om
advies uit te brengen omtrent een ontheffing voor die activiteit.
Artikel 6.2. Welstand
1. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
a, van de wet, vragen burgemeester en wethouders advies aan de
welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester, tenzij er voor het
desbetreffende bouwwerk geen redelijke eisen van welstand gelden of
bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op een andere
grond moet worden geweigerd.
2. In gevallen waarin burgemeester en
wethouders niet het bevoegd gezag zijn, betrekken zij het advies van
de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester bij het advies dat
zij ingevolge artikel 2.26, derde of vierde lid, van de wet uitbrengen
aan het bevoegd gezag.
Artikel 6.3. Inrichting of mijnbouwwerk
1. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de wet, in gevallen waarin burgemeester en wethouders het
bevoegd gezag zijn, worden als adviseur aangewezen:
a. het bestuur van de
veiligheidsregio binnen wiens gebied de betrokken inrichting
geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag
betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie
die is genoemd in bijlage I, onderdeel C, onder 3.1 of 17;
b. gedeputeerde staten van de
provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of
is gelegen, indien de inrichting of een onderdeel daarvan is
gelegen in een gebied, waarvoor bij provinciale milieuverordening
regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het
grondwater met het oog op de waterwinning;
c. gedeputeerde staten van de
provincie waarin de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak
zal zijn of is gelegen, indien de inrichting is gelegen op een
industrieterrein waaromheen ingevolge hoofdstuk V van de Wet
geluidhinder een zone is vastgesteld en waarvan is bepaald dat het
van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van
de Wet geluidhinder is,
d. gedeputeerde staten van de
provincie waarin de betrokken inrichting geheel of in hoofdzaak
zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een
inrichting als bedoeld in artikel 6.7 en sprake is van een geval
als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, van de wet.
2. Met betrekking tot het ontwerp van
een beschikking op een aanvraag ten aanzien van activiteiten als
bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet wordt de
inspecteur als adviseur aangewezen, indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting die behoort tot een van de in bijlage III
aangewezen categorieën.
3. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de wet, in gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd
gezag zijn, wordt als adviseur aangewezen het bestuur van de
veiligheidsregio binnen wiens gebied de betrokken inrichting geheel of
in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd
in bijlage I, onderdeel C, onder 3.5.
4. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld inartikel 3.3, vierde lid, wordt
als adviseur aangewezen de inspecteur-generaal der mijnen.
Artikel 6.4. Monumenten
1. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder f, van de wet, worden als adviseurs aangewezen:
a. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, indien de activiteit betrekking heeft op:
1°. het slopen van een
beschermd monument of een deel daarvan voor zover van
ingrijpende aard,
2°. het ingrijpend wijzigen
van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan,
voor zover de gevolgen voor de waarde van het beschermde
monument vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval,
bedoeld onder 1°,
3°. het reconstrueren van een
beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, waarbij de
staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere
staat of een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of
4°. het geven van een nieuwe
bestemming aan een beschermd monument of een belangrijk deel
daarvan;
b. gedeputeerde staten, indien het
beschermde monument buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994
vastgestelde bebouwde kom ligt en het een activiteit betreft als
bedoeld in onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
2. Indien de adviseurs, bedoeld in het
eerste lid, advies uitbrengen, geschiedt dit schriftelijk binnen acht
weken nadat het bevoegd gezag de gegevens, bedoeld in artikel 3:7 van
de Algemene wet bestuursrecht, ter beschikking heeft gesteld.
3. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
onder b, van de wet, worden gedeputeerde staten als adviseur
aangewezen, indien het een monument betreft dat krachtens een
provinciale verordening is aangewezen dan wel een monument waarop,
voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van
overeenkomstige toepassing is.
§ 6.2. Verklaring van geen bedenkingen
Artikel 6.5. Afwijken bestemmingsplan of
beheersverordening
1. Voor zover een aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt
afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet
verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project
geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard
dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef
en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke
ordening van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden
geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën
gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
4. In gevallen waarin artikel 3.1,
aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet
ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in
plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale
staten van de provincie»en wordt in het derde lid in plaats van «De
gemeenteraad kan»gelezen «De provinciale staten kunnen» en in
plaats van«burgemeester en wethouders» gelezen: gedeputeerde staten.
Artikel 6.6. Afwijken van regels gesteld
krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet
ruimtelijke ordening
1. Voor zover een aanvraag betrekking
heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de wet wordt afgeweken van
regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid,
van de Wet ruimtelijke ordening, niet verleend dan nadat gedeputeerde
staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben,
onderscheidenlijk Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat in
overeenstemming met Onze Minister, heeft verklaard dat hij daartegen
geen bedenkingen heeft.
2. De verklaring kan slechts worden
verleend indien de betrokken activiteiten niet in strijd komen met de
regels inzake afwijking die zijn opgenomen in de betrokken provinciale
verordening of algemene maatregel van bestuur.
Artikel 6.7. Voormalige provinciale
inrichtingen
1. Voor zover een aanvraag betrekking
heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting wordt de
omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten van de
provincie waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd, hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen
hebben. De eerste volzin geldt slechts voor activiteiten met
betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie ten
aanzien waarvan in bijlage I, onderdeel C, is bepaald dat gedeputeerde
staten bevoegd zijn omtrent een verklaring van geen bedenkingen te
beslissen. De eerste volzin geldt niet voor activiteiten met
betrekking tot een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort of
waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden
geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.
3. Ten aanzien van inrichtingen als
bedoeld in het eerste lid hebben gedeputeerde staten mede tot taak
zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, bedoeld in
artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de wet.
4. Gedeputeerde staten kunnen
categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
Artikel 6.8. Opslaan afvalstoffen of
gevaarlijke stoffen
1. Voor zover een aanvraag als bedoeld
in artikel 3.3, vierde lid, onder a, waarvoor Onze Minister van
Economische Zaken bevoegd is te beslissen, betrekking heeft op het
ondergronds opslaan van afvalstoffen die van buiten het betrokken
mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke stoffen, wordt de
omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten van de
provincie waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd, hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen
hebben.
2. De verklaring kan slechts worden
geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.
Artikel 6.9. Inrichting tevens
mijnbouwwerk
1. Voor zover een aanvraag betrekking
heeft op een inrichting die tevens een mijnbouwwerk is en waarop
artikel 3.3, vierde lid, onder a, niet van toepassing is, wordt de
omgevingsvergunning niet verleend dan nadat Onze Minister van
Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen, voor zover het de
mijnbouwactiviteiten betreft, geen bedenkingen heeft.
2. De verklaring kan slechts worden
geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu.
3. In gevallen als bedoeld in het
eerste lid heeft Onze Minister van Economische Zaken mede tot taak
zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving, bedoeld in
artikel 5.2, eerste lid, onder a, van de wet.
Artikel 6.10
De artikelen 6.7, eerste, tweede en
vierde lid,6.8 en 6.9 zijn niet van toepassing in gevallen als bedoeld
in 3.10, derde lid, van de wet.
§ 6.3. Bijzondere gevallen van
bestuurlijke verplichtingen
Artikel 6.11. Aanvraag
1. Indien een inrichting belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de
Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van
de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van
een inrichting kan ondervinden, daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd
gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende gegevens
en bescheiden aan die lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in
Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij
behorende gegevens en bescheiden in Nederland ter inzage wordt gelegd.
2. Indien een aanvraag met betrekking
tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c,
van de wet betreft:
a. een antenne-installatie als
bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van bijlage II in een in het
bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen
obstakelbeheergebied rondom een militaire luchthaven, of
b. het gebruiken van gronden of
bouwwerken ten behoeve van evenementen, bedoeld in artikel 4,
onderdeel 8, van bijlage II, in een A- of B-veiligheidszone rondom
een munitieopslag,
verstrekt het bevoegd gezag een
afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en
bescheiden aan Onze Minister van Defensie op het tijdstip waarop
kennis wordt gegeven van de aanvraag dan wel de aanvraag met de
daarbij behorende gegevens en bescheiden ter inzage wordt gelegd.
Artikel 6.12. Toezenden ontwerpbesluit
1. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
c, van de wet, waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 3°, of onder c, van de wet, zendt het
bevoegd gezag het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende
stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het
ontwerp, toe aan gedeputeerde staten en de inspecteur.
2. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de wet, die op het grondgebied van twee of meer provincies
plaatsvinden, in gevallen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag
zijn, zenden zij het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende
stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het
ontwerp, toe aan gedeputeerde staten van de provincies waarin de
betrokken inrichting gedeeltelijk zal zijn of is gelegen.
3. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
e, van de wet, in gevallen waarin Onze Minister van Economische Zaken
het bevoegd gezag is, zendt deze het ontwerpbesluit met de daarop
betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een
beoordeling van het ontwerp, toe aan gedeputeerde staten van de
provincie waarin de betrokken inrichting geheel of gedeeltelijk zal
zijn of is gelegen.
4. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder f, van de wet, zendt het bevoegd gezag het ontwerpbesluit met de
daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
een beoordeling van het ontwerp, toe aan Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
Artikel 6.13. Toezenden afschrift
beschikking
1. Het bevoegd gezag zendt een
afschrift van de beschikking op de aanvraag toe aan de personen of
bestuursorganen, bedoeld in de artikelen 6.1, 6.3,6.4 en 6.12.
2. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder a of b, van de wet, welke betrekking heeft op een beschermd
stads- of dorpsgezicht respectievelijk een archeologisch
attentiegebied als bedoeld in de Monumentenwet 1988, zendt het bevoegd
gezag gelijktijdig met de toezending aan de aanvrager een afschrift
van de beschikking toe aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap respectievelijk aan gedeputeerde staten.
3. Met betrekking tot een aanvraag ten
aanzien van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder f of h, van de wet, zendt het bevoegd gezag gelijktijdig met de
toezending aan de aanvrager een afschrift van de beschikking toe aan
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
4. Het eerste tot en met derde lid is
van overeenkomstige toepassing op ambtshalve gegeven beschikkingen tot
wijziging van een omgevingsvergunning of voorschriften van een
omgevingsvergunning of tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een
omgevingsvergunning, met dien verstande dat in het tweede en derde lid
in plaats van«aanvrager» wordt gelezen «degenen tot wie de
beschikking is gericht».
Artikel 6.14. Publicatie Staatscourant
1. Een kennisgeving als bedoeld in de
artikel 3:12 en een mededeling als bedoeld in artikel 3:44 van de
Algemene wet bestuursrecht worden in de Staatscourant geplaatst, voor
zover het betreft een besluit tot verlening van een
omgevingsvergunning waarbij sprake is van een geval als bedoeld in
artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de wet.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld over de wijze waarop de mededeling, bedoeld in
het eerste lid, elektronisch wordt gedaan of beschikbaar wordt
gesteld.
Artikel 6.15. BRZO-inrichting
1. Voor zover een aanvraag betrekking
heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e,
van de wet, waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware
ongevallen 1999 van toepassing is, zendt het bevoegd gezag uiterlijk
twee weken na ontvangst van de aanvraag, een afschrift daarvan en van
de daarbij behorende gegevens en bescheiden, aan:
a. Onze Minister;
b. de daartoe door Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder,
bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de
Arbeidsomstandighedenwet;
c. de burgemeester van de gemeente
waar de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
d. het bestuur van de
veiligheidsregio binnen wier gebied de inrichting geheel of
gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
e. voor zover de onderdelen van het
veiligheidsrapport betrekking hebben op de risico’s voor een
oppervlaktewaterlichaam: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
verlenen van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet,
behoudens in een geval als bedoeld in artikel 3.16 van de wet.
2. In gevallen als bedoeld in het
eerste lid zendt het bevoegd gezag uiterlijk twee weken na de
bekendmaking van de omgevingsvergunning een afschrift daarvan aan:
a. Onze Minister;
b. de inspecteur;
c. de arbeidsinspectie;
d. het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of
gedeeltelijk is gelegen;
e. het bestuur van de
veiligheidsregio.
3. Het bevoegd gezag zendt, indien
tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het
veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 10 van het Besluit risico's
zware ongevallen 1999, is ontvangen, deze aanvulling uiterlijk twee
weken na ontvangst aan de in het eerste lid genoemde bestuursorganen
en aan de daar bedoelde toezichthouder.
Artikel 6.16. Samenvatting van de
risicoanalyse
Het bevoegd gezag zendt in een geval als
bedoeld in bijlage I, categorie 21, 28.4, onder g, of 29.1, onder k, met
het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware
ongevallen een exemplaar van de schriftelijke samenvatting van de
risicoanalyse aan:
a. de burgemeester van de gemeente
waar de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
b. de commissaris van de Koningin in
de provincie waar een gemeente als bedoeld onder a is gelegen;
c. het bestuur van de
veiligheidsregio waar een gemeente als bedoeld onder a is gelegen.
Artikel 6.17. Veiligheidsrapport
1. Het bevoegd gezag zendt in een geval
als bedoeld in artikel 6.15 met het oog op de voorbereiding van de
bestrijding van rampen en zware ongevallen de daarin bedoelde
onderdelen van het veiligheidsrapport en, indien tijdens de
behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport
is ontvangen, deze aanvulling aan:
a. de burgemeester van de gemeenten
waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8
individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van
het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
b. de commissaris van de Koningin
in de provincie waar een gemeente is gelegen waarin de inrichting
geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
c. de commissaris van de Koningin
in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a is
gelegen;
d. het bestuur van de
veiligheidsregio binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder
a of c is gelegen.
2. Het bevoegd gezag zendt een
exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan Onze
Minister.
3. Onze Minister zendt een exemplaar
van de stukken, bedoeld in het eerste lid, indien de lijn van 10-8
individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het
Besluit risico's zware ongevallen 1999 zich uitstrekt over het
grondgebied van een andere staat, aan die staat. In dat geval zendt
hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. In afwijking van de eerste volzin zendt Onze
Minister, indien krachtens artikel 19.3 van de Wet milieubeheer een
tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de
betrokken staat.
Artikel 6.18. Overlegverplichting
planologische gebruiksactiviteiten
Op de voorbereiding van een
omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet is artikel 3.1.1 van het
Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.
§ 6.4. Bijzondere procedurevoorschriften
Artikel 6.19
Als categorie van gevallen als bedoeld in
artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de wet wordt aangewezen de
beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten
als bedoeld in artikel 2.2a, onder a, b, c, e en f.
Hoofdstuk 7. Handhaving
Artikel 7.1. Definitie bestuursorgaan
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder
bestuursorgaan: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid,
van de wet.
Artikel 7.2. Handhavingsbeleid
1. Het bestuursorgaan stelt het
handhavingsbeleid vast in een of meer documenten waarin gemotiveerd
wordt aangegeven welke doelen het zichzelf stelt bij de handhaving en
welke activiteiten het daartoe zal uitvoeren. Het bestuursorgaan
beziet regelmatig, maar in elk geval naar aanleiding van de evaluatie,
bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, of dit beleid moet worden
aangepast en past het zonodig aan. Het bestuursorgaan draagt er zorg
voor dat dit beleid en het handhavingsbeleid van de andere betrokken
bestuursorganen en de organen die belast zijn met de strafrechtelijke
handhaving onderling worden afgestemd.
2. Het handhavingsbeleid is gebaseerd
op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het
bestuursorgaan kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het
bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de
zorg voor de handhaving daarvan aan hem is opgedragen.
3. Het handhavingsbeleid geeft inzicht
in:
a. de prioriteitenstelling met
betrekking tot de uitvoering van de krachtens het eerste lid
voorgenomen activiteiten;
b. de methodiek die het
bestuursorgaan hanteert om te bepalen of de krachtens het eerste
lid gestelde doelen worden bereikt.
4. Het handhavingsbeleid geeft voorts
inzicht in de strategie die het bestuursorgaan hanteert met betrekking
tot:
a. de wijze waarop het toezicht op
de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde
wordt uitgeoefend om de krachtens het eerste lid gestelde doelen
te bereiken;
b. de rapportage van de bevindingen
van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan
die bevindingen wordt gegeven;
c. de wijze waarop bestuurlijke
sancties alsmede de termijnen die bij het geven en uitvoeren
daarvan worden gehanteerd, en de strafrechtelijke handhaving
onderling worden afgestemd, en waarbij tevens aandacht wordt
besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen;
d. de wijze waarop het
bestuursorgaan omgaat met overtredingen die zijn begaan door of in
naam van dat bestuursorgaan of van andere organen behorende tot de
overheid.
5. Het handhavingsbeleid geeft tevens
inzicht in de afspraken die het bestuursorgaan heeft gemaakt met de
andere betrokken bestuursorganen en de organen die belast zijn met de
strafrechtelijke handhaving, over de samenwerking bij en de afstemming
van de werkzaamheden.
6. Burgemeester en wethouders maken het
handhavingsbeleid bekend aan de gemeenteraad. Gedeputeerde staten
maken het handhavingsbeleid bekend aan provinciale staten.
Artikel 7.3. Uitvoeringsprogramma
1. Het bestuursorgaan werkt het
handhavingsbeleid jaarlijks uit in een uitvoeringsprogramma waarin
wordt aangegeven welke van de voorgenomen activiteiten het
bestuursorgaan het komende jaar uitvoert. Daarbij houdt het
bestuursorgaan rekening met de krachtens artikel 7.2, eerste lid,
gestelde doelen en de krachtens artikel 7.2, derde lid, onder a,
gestelde prioriteiten.
2. Het bestuursorgaan stemt het
uitvoeringsprogramma af met de andere betrokken bestuursorganen en de
organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving.
3. Burgemeester en wethouders maken het
uitvoeringsprogramma bekend aan de gemeenteraad. Gedeputeerde staten
maken het uitvoeringsprogramma bekend aan provinciale staten.
Artikel 7.4. Uitvoeringsorganisatie
1. Het bestuursorgaan richt zijn
organisatie zodanig in dat een adequate en behoorlijke uitvoering van
het handhavingsbeleid, bedoeld in artikel 7.2, en het
uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 7.3, gewaarborgd is. Daartoe
draagt het bestuursorgaan er in ieder geval zorg voor dat:
a. de personeelsformatie ten
behoeve van de handhaving en de bij de onderscheiden functies
behorende taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden
vastgelegd;
b. de personen die zijn belast met
de voorbereiding van besluiten ten aanzien van aanvragen om een
omgevingsvergunning voor zover deze betrekking hebben op
activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet of met de
voorbereiding van beslissingen als bedoeld in artikel 8.40a, derde
lid, van de Wet milieubeheer of het stellen van voorschriften als
bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer niet
worden belast met:
1°. het toezicht op de
naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde
met betrekking tot een inrichting, en
2°. het voorbereiden of
uitvoeren van bestuurlijke sancties met betrekking tot een
inrichting;
c. een krachtens artikel 5.10 van
de wet aangewezen ambtenaar niet voortdurend feitelijk wordt
belast met het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij
of krachtens de betrokken wetten bepaalde met betrekking tot
dezelfde inrichting;
d. de organisatie van het
bestuursorgaan ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar
en beschikbaar is.
2. Het bestuursorgaan draagt er tevens
zorg voor dat:
a. een beschrijving van de
werkprocessen, de procedures en de bijbehorende
informatievoorziening inzake het toezicht op de naleving van het
bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde en het voorbereiden,
geven en uitvoeren van bestuurlijke sancties wordt vastgesteld;
b. de uit te voeren werkzaamheden
plaatsvinden overeenkomstig deze beschrijving.
Artikel 7.5. Borging van de middelen
Het bestuursorgaan draagt er zorg voor
dat:
a. de voor het bereiken van de
krachtens artikel 7.2, eerste lid, gestelde doelen en de voor het
uitvoeren van de in dat artikellid bedoelde activiteiten benodigde
en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk worden
gemaakt en in de begroting worden gewaarborgd;
b. de wijze van berekening van de
benodigde financiële en personele middelen als bedoeld onder a,
inzichtelijk wordt gemaakt;
c. voor de uitvoering van het
uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, voldoende
benodigde financiële en personele middelen beschikbaar zijn en dat
deze middelen zonodig worden aangevuld of het uitvoeringsprogramma
zo nodig wordt aangepast.
Artikel 7.6. Monitoring
1. Het bestuursorgaan bewaakt met
behulp van een geautomatiseerd systeem de resultaten en de voortgang
van:
a. de uitvoering van het
uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 7.3, eerste lid;
b. het bereiken van de krachtens
artikel 7.2, eerste lid, gestelde doelen.
2. In het systeem worden voorts in het
kader van de handhaving verkregen gegevens geregistreerd.
Artikel 7.7. Rapportage
1. Het bestuursorgaan rapporteert
periodiek over:
a. het bereiken van de krachtens
artikel 7.2, eerste lid, gestelde doelen;
b. de uitvoering van de voorgenomen
activiteiten, bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, in verhouding
tot de prioriteitenstelling, bedoeld in artikel 7.2, derde lid,
onder a;
c. de uitvoering van de afspraken,
bedoeld in artikel 7.2, vijfde lid.
2. Het bestuursorgaan evalueert
jaarlijks of de in het uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 7.3,
eerste lid, opgenomen activiteiten zijn uitgevoerd en in hoeverre deze
activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de krachtens
artikel 7.2, eerste lid, gestelde doelen.
3. Burgemeester en wethouders maken de
rapportage, bedoeld in het eerste lid, en het verslag van de
evaluatie, bedoeld in het tweede lid, bekend aan de gemeenteraad.
Gedeputeerde staten maken de rapportage, bedoeld in het eerste lid, en
het verslag van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid, bekend aan
provinciale staten.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8.1. Tijdstip inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de diverse
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2. Op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip dat voor de diverse artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld vervalt:
a. in artikel 2.1, eerste lid,
«onderdeel B, onder 2, en»,
b. artikel 3.3a,
c. artikel 6.3, eerste lid, onder
d,
d. artikel 6.7,
e. in artikel 6.10 «6.7, eerste,
tweede en vierde lid,»,
f. in bijlage I, onderdeel B,
onderdeel 2, en de aanduiding «1.» voor onderdeel 1.
3. Op het moment, bedoeld in het tweede
lid, aanhef en onder b en c wordt in artikel 6.3, eerste lid, onder c,
de komma aan het slot vervangen door een punt.
Artikel 8.2. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
omgevingsrecht.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 maart 2010
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.C. Huizinga-Heringa
De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
Uitgegeven de eerste april 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I, behorende bij de artikelen
2.1, 3.3, 6.3, 6.7 en 6.16
Aanwijzing van categorieën inrichtingen
en van vergunningplichtige inrichtingen, alsmede van gevallen waarin een
ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is
Onderdeel A
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. ADR: op 30 september 1957 te
Genève totstandgekomen Europese overeenkomst betreffende het
internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb.
1959, 71);
b. autowrak: autowrak als bedoeld in
artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer;
c. bunkerstation: bunkerstation als
bedoeld in artikel 1 van het Binnenvaartbesluit;
d. CMR-stof: stof of preparaat die
volgens bijlage I bij richtlijn nr. 67/548/EEGgeclassificeerd is als
Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2
of als «Voor de voortplanting vergiftig» categorie 1 of 2;
e. EG-verordening dierlijke
bijproducten: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 (PbEU
L 300) tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet
voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en
afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr.
1774/2002;
f. genetische modificatie,
micro-organismen, organismen, genetisch gemodificeerde organismen:
hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer;
g. gevaarlijke stoffen: stoffen en
voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of
slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel
stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International
Maritime Dangerous Goods Code;
h. landbouwinrichting: inrichting als
bedoeld in artikel 2 van het Besluit landbouw milieubeheer;
i. meststoffengroep: aanduiding van
de gevaarcategorie van vaste minerale anorganische meststoffen
overeenkomstig de indeling van PGS 7;
j. opslagtank: opslagvoorziening voor
gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening
voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter, uitgezonderd
een intermediate bulk container die voldoet aan hoofdstuk 6.5 van
het ADR;
j. overig voertuigwrak: motorrijtuig
op meer dan twee wielen dat een afvalstof is in de zin van artikel
1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, niet zijnde een autowrak;
k. vervoerseenheid met gevaarlijke
stoffen: voertuig, oplegger of aanhanger met een conform het ADR
voor het vervoer van gevaarlijke stoffen toegelaten tank,
tankcontainer, tankbatterij, laadketel, laadruimte of laadvloer
waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn;
i. vloeibare brandstof: lichte olie,
halfzware olie of gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de
accijns.
Onderdeel B
1. Onverminderd het bepaalde in
onderdeel C van deze bijlage, worden als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, aangewezen:
a. inrichtingen waarop een van de
onderstaande besluiten en regelingen van toepassing is:
– Besluit glastuinbouw voor
zover het een glastuinbouwbedrijf type A betreft;
– Besluit emissie-eisen
titaandioxide-inrichtingen;
– Besluit externe veiligheid
inrichtingen;
– Besluit
hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;
– Besluit informatie inzake
rampen en zware ongevallen;
– Besluit LPG-tankstations
milieubeheer;
– Besluit risico’s zware
ongevallen 1999;
– Besluit verbranden
afvalstoffen;
– Regeling grenswaarde
VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;
– Regeling grenswaarden
luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;
– Regeling stortplaatsen voor
baggerspecie op land;
b. landbouwinrichtingen waarop het
Besluit landbouw milieubeheer op grond van artikel 3 of 4 van dat
besluit niet van toepassing is;
c. inrichtingen voor activiteiten
die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet
milieubeheer voor zover de ter zake van die activiteiten krachtens
het derde en vierde lid, van dat artikel aangewezen categorieën
de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet
bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de
Wet milieubeheer van toepassing zijn, met uitzondering van de
categorieën 18.4, 18.8, 22.2, 32.1, 32.2, 32.3 en 32.7 van
onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage
waarop artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing
is;
d. inrichtingen in, op, onder of
over een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer
bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt
uitgevoerd;
e. inrichtingen als bedoeld in
artikel 3.3, derde en vierde lid, van het besluit.
2. Als categorieën vergunningplichtige
inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit
worden aangewezen:
a. inrichtingen voor de
verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen
met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een
of meer van de volgende activiteiten:
1° biologische behandeling;
2° fysisch-chemische
behandeling;
3° mengen of vermengen
voorafgaand aan een van de van de onder het eerste en tweede
lid vermelde behandelingen;
4° herverpakking voorafgaand
aan een van de van de onder het eerste en tweede lid vermelde
behandelingen;
5° terugwinning/regeneratie
van oplosmiddelen;
6° recycling/terugwinning van
andere anorganische materialen dan metalen of
metaalverbindingen;
7° regeneratie van zuren of
basen;
8° terugwinning van
bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;
9° terugwinning van
bestanddelen uit katalysatoren;
10° herraffinage van
afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit
inzamelen afvalstoffen en ander hergebruik daarvan;
11° opslag in waterbekkens;
b. inrichtingen voor de
verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in
afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
1° afvalstoffen niet zijnde
gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton
per uur;
2° gevaarlijke afvalstoffen
met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag;
c. inrichtingen voor de
verwijdering van afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen
met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een
of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de
activiteiten bedoeld in richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van
21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater:
1° biologische behandeling;
2° fysisch-chemische
behandeling;
3° voorbehandeling van afval
voor verbranding of meeverbranding;
4° behandeling van slakken en
assen;
5° behandeling in shredders
van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen
daarvan;
d. inrichtingen voor de nuttige
toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en
verwijdering, van afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke
afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door
middel van een of meer van de volgende activiteiten, met
uitzondering van activiteiten die onder richtlijn nr. 91/271/EEG
van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk
afvalwater, vallen:
1° biologische behandeling;
2° voorbehandeling van afval
voor verbranding of meeverbranding;
3° behandeling van slakken en
as;
4° behandeling in shredders
van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en
elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen
daarvan;
Indien de behandeling van het afval
beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de maximale
capaciteit voor deze activiteit 100 ton per dag.
e. stortplaatsen, als gedefinieerd
in artikel 2, onder g), van richtlijn nr. 1999/31/EG van de Raad
van 26 april 1999 inzake het storten van afvalstoffen, die meer
dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van
meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen
voor inerte afvalstoffen;
f. inrichtingen voor het tijdelijk
opslaan van niet onder e vallende gevaarlijke afvalstoffen, in
afwachting van een van de onder a en b vermelde behandelingen, met
een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van
tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van
productie;
g. inrichtingen voor het
ondergronds opslaan van gevaarlijke afvalstoffen met een totale
capaciteit van meer dan 50 ton.
Onderdeel C
Categorie 1
1.1. Inrichtingen waar:
a. een of meer elektromotoren
aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter
dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het
gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW
of minder buiten beschouwing blijft;
b. een of meer verbrandingsmotoren
aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter
dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het
gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van
0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;
c. een of meer voorzieningen of
installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met
een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130
kW.
1.2. Voor de toepassing van onderdeel
1.1 blijven buiten beschouwing:
a. elektromotoren,
verbrandingsmotoren en installaties voor het verstoken van
brandstoffen die tijdelijk in een bepaalde omgeving aanwezig zijn;
b. elektromotoren, die in een
gebouw of een gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt
gebruikt of daartoe is bestemd, ten behoeve van dat gebouw worden
aangewend;
c. elektromotoren van bruggen,
viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen
bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare
waterkeringen.
1.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen:
a. waar een of meer elektromotoren
of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd
motorisch vermogen van 15 MW of meer;
b. voor het verstoken van
brandstoffen met een thermisch vermogen van 50 MW of meer;
c. voor het beproeven van:
1°. verbrandingsmotoren
waarbij voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het
afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van 1 MW of
meer;
2°. straalmotoren of -turbines
met een stuwkracht van 9 kN of meer;
3°. straalmotoren of -turbines
met een op as overgebracht vermogen van 250 kW of meer;
d. voor het vervaardigen van
petrochemische producten of chemicaliën met een niet in een
gesloten gebouw geïnstalleerd motorisch vermogen van 1 MW of
meer.
1.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:
a. waar een of meer
stookinstallaties aanwezig zijn waarin andere stoffen dan aardgas,
propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die
voldoet aan NEN-EN 14214 worden verstookt, met nominaal vermogen
van meer dan 20 kW thermisch vermogen;
b. voor het beproeven van
verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of installaties aanwezig
zijn voor het afremmen van een gezamenlijk motorisch vermogen van
1 megawatt of meer;
c. waar een of meer elektromotoren
of verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd
motorisch vermogen van 15 MW of meer met uitzondering van
windturbines;
d. waar een warmtekrachtinstallatie
aanwezig is waarin een andere brandstof dan aardgas, propaangas of
butaangas wordt gebruikt;
e. voor het beproeven van
straalmotoren of-turbines;
f. waar sprake is van een
dierencrematorium.
Categorie 2
2.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of
niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in
vloeistof opgeloste toestand;
b. het regelen of meten van de druk
of stroming van gas of gasstromen.
2.2. Voor de toepassing van onderdeel
2.1 blijven buiten beschouwing:
a. een of meer bovengrondse
drukhouders of insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke
inhoud kleiner dan 0,025 m3 voor het opslaan van licht
ontvlambare, ontvlambare, schadelijke of irriterende gassen of
gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte
of onder druk in vloeistof opgeloste toestand;
b. ten hoogste twee bovengrondse,
niet op een bouwplaats opgestelde drukhouders of insluitsystemen,
elk met een inhoud van 0,15 m3 of minder voor het opslaan van
propaan ten behoeve van ruimteverwarming, warmwatervoorziening,
het bereiden van voedingsmiddelen of huishoudelijk gebruik;
c. een of meer drukhouders of
insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud kleiner
dan 1 m3 voor het opslaan van andere dan de onder a of b genoemde
gassen of gasmengsels of zuurstof, al of niet in samengeperste tot
vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand,
met uitzondering van ontplofbare, zeer licht ontvlambare, zeer
vergiftige, vergiftige, oxyderende, corrosieve, carcinogene,
mutagene of teratogene gassen of gasmengsels.
2.3. Voor de toepassing van onderdeel
2.1, onder b, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een nominale
belasting van 10 Nm3/uur of minder bij een aanvoerdruk van ten hoogste
800 kPa of met een nominale belasting van 500 Nm3/uur of minder bij
een aanvoerdruk van ten hoogste 20 kPa.
2.4. Voor de toepassing van onderdeel
2.2, onder b, wordt onder propaan een product verstaan dat
hoofdzakelijk bestaat uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden
ethaan, butanen en butenen, voor zover de dampspanning bij 70°C ten
hoogste 3100 kPa bedraagt.
2.5. Onderdeel 2.2, onder b, is niet
van toepassing indien de drukhouder of het insluitsysteem
respectievelijk de drukhouders of insluitsystemen zijn opgesteld in
een inrichting waar andere stationaire drukhouders of insluitsystemen
voor de opslag van tot vloeistof verdichte gassen aanwezig zijn.
2.6. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft:
a. inrichtingen voor opslag en
overslag van koolwaterstoffen in gasvormige toestand met een
capaciteit voor de opslag van deze stoffen of producten van
100.000 m3 of meer;
b. aardgasbehandelingsinstallaties
en gasverzamelinrichtingen, met een capaciteit ten aanzien daarvan
van 10.000.000 m3 per dag (bij 1 bar en 273 K) of meer;
c. luchtscheidingsbedrijven, met
een benodigde hoeveelheid lucht ten behoeve van het eindproduct
van 10.000 kg per uur of meer.
2.7. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:
a. voor de opslag van meer dan
1.500 liter ammoniak in gasflessen;
b. voor de opslag van meer dan
1.500 liter ethyleenoxide in gasflessen;
c. voor de opslag van gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere inhoud dan
ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of brandbare
gassen, samengeperste lucht of koelgas;
d. voor de opslag van propaan of
propeen in meer dan twee opslagtanks;
e. voor de opslag van propaan of
propeen in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000
liter;
f. voor de opslag van propaan of
propeen waarbij het gas, behoudens voor het leegmaken voor
verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan
een reservoir wordt onttrokken;
g. voor de opslag van zuurstof in
één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan
100 m3;
h. voor de opslag van andere gassen
dan propaan, propeen, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of
stikstof in één of meer opslagtanks;
i. voor de opslag van andere gassen
dan propaan in ondergrondse opslagtanks;
j. voor de opslag van gassen,
anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of opslagtanks;
k. voor het afleveren van LPG;
l. voor het vullen van gasflessen,
met uitzondering van het vullen van:
1°. gasflessen met propaan of
butaan vanuit een gasfles van maximaal 150 liter van
gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter;
2°. gasflessen met koolzuur of
stikstof;
3°. het vullen van gasflessen
met perslucht;
m. voor het vullen van spuitbussen,
uitgezonderd het niet geautomatiseerd afvullen met stoffen anders
dan drijfgassen;
n. waar warmtepompen,
koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een
inhoud per installatie van meer dan 1.500 liter ammoniak of 100 kg
propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;
o. voor het reduceren van
aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voorzover de
maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 10.000 kPa bedraagt of
een gasexpansieturbine aanwezig is of drukverhogende installaties
aanwezig zijn of de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft
dan 50,8 cm;
p. voor het begassen of ontgassen
van containers.
Categorie 3
3.1. Inrichtingen waar ontplofbare
stoffen, preparaten of producten worden vervaardigd, bewerkt,
verwerkt, verpakt of herverpakt, opgeslagen of overgeslagen, waarbij
onder ontplofbare stoffen worden verstaan de stoffen of preparaten als
bedoeld in artikel 2 van het Besluit verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten, dan wel de stoffen,
preparaten of andere producten, die zijn ingedeeld in de
internationale transportgevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van
het Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), alsmede
nitrocellulose.
3.2. Voor de toepassing van onderdeel
3.1 blijft het opslaan van ten hoogste de volgende hoeveelheden buiten
beschouwing:
a. 10.000 tot gevarengroep 1.4 van
het VLG behorende patronen dan wel onderdelen daarvan voor
vuurwapens met een kaliber van niet meer dan 13,2 mm of voor
schietgereedschap;
b. 1 kg tot gevarengroep 1.1 van
het VLG behorend zwart buskruit;
c. 3 kg tot gevarengroep 1.3 van
het VLG behorend rookzwak buskruit;
d. 10 kg tot gevarengroep 1.4 van
het VLG behorend pyrotechnisch speelgoed;
e. 10 kg tot gevarengroep 1.4 van
het VLG behorend consumentenvuurwerk in de zin van het
Vuurwerkbesluit.
3.3. Voor de toepassing van onderdeel
3.1 blijft buiten beschouwing het herladen als bedoeld in artikel 17
van de Regeling wapens en munitie.
3.4. Indien sprake is van gelijktijdig
opslaan van zwart en rookzwak buskruit, als bedoeld in onderdeel 3.2,
onder b en c, dient voor de berekening van de hoeveelheden die dan ten
hoogste mogen worden opgeslagen de hoeveelheid zwart buskruit,
vermenigvuldigd met twee, te worden opgeteld bij de hoeveelheid
rookzwart buskruit; de zo berekende hoeveelheid mag de hoeveelheid van
3 kg niet te boven gaan, met dien verstande dat de hoeveelheid zwart
buskruit de hoeveelheid van 1 kg niet te boven gaat.
3.5. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen waar:
a. meer dan 10 000 kg
consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt
opgeslagen of consumentenvuurwerk wordt bewerkt in de zin van het
Vuurwerkbesluit;
b. professioneel vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik al dan niet tezamen
met consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit worden
opgeslagen of bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit, tenzij
sprake is van opslag van uitsluitend theatervuurwerk als bedoeld
in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit in een hoeveelheid van
ten hoogste 25 kg;
c. meer dan 25 kg, maar niet meer
dan ten hoogste 50 000 kg in beslag genomen vuurwerk of
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de zin van het
Vuurwerkbesluit worden opgeslagen.
3.6. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag
van ontplofbare stoffen van de klasse 1 van het ADR, indien sprake is
van:
a. meer dan 25 kg theatervuurwerk
als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit, waarbij voor
de bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het
gewicht van het vuurwerk als zijnde onverpakt vuurwerk als bedoeld
in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;
b. meer dan 1000 kg
consumentenvuurwerk, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid
vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk, bedoeld
in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het Vuurwerkbesluit;
c. meer dan 25 kg in beslag genomen
vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen
in een politiebureau;
d. meer dan 1 kg zwart kruit;
e. meer dan 50 kg rookzwak kruit;
f. meer dan 50 kg netto explosieve
massa noodsignaal;
g. meer dan 250.000 munitiepatronen
of hagelpatronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens;
h. meer dan 250.000 patronen ten
behoeve van schiethamers, of
i. andere ontplofbare stoffen dan
de hierboven genoemde stoffen en anders dan pyrotechnisch
speelgoed.
Categorie 4
4.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de
volgende stoffen, preparaten of producten:
a. stoffen en preparaten die zijn
ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als
bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer;
b. producten, waarin stoffen of
preparaten, als bedoeld onder a, zijn verwerkt;
c. cosmetische of farmaceutische
producten;
d. geurstoffen of smaakstoffen;
e. producten op basis van
elastomeren of kunststoffen;
f. andere stoffen, preparaten of
producten, die zijn genoemd in onderdeel 4.3.
4.2. Voor de toepassing van onderdeel
4.1 blijven apotheken en praktijken voor de uitoefening van de
geneeskunst als huisarts en de diergeneeskunst buiten beschouwing.
4.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor het vervaardigen van:
a. een of meer van de volgende
stoffen of producten, met een capaciteit ten aanzien daarvan van
5.000.000 kg per jaar of meer:
1°. ammoniak;
2°. azijnzuur of
azijnzuuranhydride;
3°. benzeen, tolueen, xyleen
of naftaleen;
4°. chloor;
5°. ethanol met een gehalte
van ten minste 94%;
6°. fenol of cresol;
7°. fosfor-of stikstofhoudende
kunstmeststoffen;
8°. fosforzuur;
9°. isocyanaten;
10°. onverzadigde organische
verbindingen met een molecuulmassa van 110 of minder;
11°. rayon of viscose;
12°. salpeterzuur;
13°. synthetische organische
polymeren;
14°. titaandioxide,
vanadiumpentoxide, zinkoxide, molybdeenoxide of loodoxide;
15°. zoutzuur;
16°. zwavel, zwavelzuur,
zwavelig zuur of zwaveldioxide;
b. een of meer van de volgende
stoffen of producten, met een capaciteit ten aanzien daarvan van
10.000 kg per jaar of meer:
1°. aminen;
2°. calciumcarbide (carbid) of
siliciumcarbide (carborundum);
3°. carbonblack;
4°. carbonilchloride (fosgeen);
5°. fosfor;
6°. koolstofdisulfide;
7°. organische sulfiden (thioethers)
of organische disulfiden;
8°. thiolen (mercaptanen);
c. gehalogeneerde organische
verbindingen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000.000
kg per jaar of meer;
d. methanol met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 100.000.000 kg per jaar of meer;
e. alle volgende stoffen of
producten, met een totale capaciteit ten aanzien daarvan van
1.000.000 kg per jaar of meer:
1°. aromatische aldehyden;
2°. esters van alifatische
monocarbonzuren;
3°. eugenolderivaten;
4°. fenolische esters;
5°. ketonen met een
molecuulmassa groter dan 150;
6°. terpentijnoliederivaten.
4.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:
a. voor het vervaardigen, vormgeven
en vulkaniseren van rubber, het blazen, expanderen, gieten,
kalanderen, schuimen, sinteren, spuitgietblazen en thermovormen
van kunststof, en het verwerken van polyesterhars;
b. voor het vervaardigen van
gevaarlijke stoffen of voor het vervaardigen van verf, lak,
drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;
c. voor de opslag van stoffen van
ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder
bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van
meer dan 10 m3;
d. voor de opslag van gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen of
afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen
afvalstoffen in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag
van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van
aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid;
e. voor de opslag van gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen in
opslagtanks op een bunkerstation of in de ladingtanks van een
bunkerstation;
f. voor de opslag van gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie, afgewerkte olie
als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen of
stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en
III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks,
uitgezonderd ten hoogste 15 m3 opslag van PER bij een inrichting
voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 m3 opslag van
tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt
gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5
m3 opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of
glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het
Besluit glastuinbouw;
g. voor de opslag van andere
gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen dan genoemd in categorie 2.7 of
3.6 in verpakking, uitgezonderd:
• stoffen van de klasse 3,
5.1, 7 en 9 van het ADR;
• stoffen van de klasse 4.1,
verpakkingsgroep II en III, en klasse 4.2 en 4.3,
verpakkingsgroep I, II en III, van het ADR;
• stoffen van de klasse 5.2
van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 6.2
van het ADR;
• stoffen van de klasse 6.1
van het ADR, verpakkingsgroep II en III;
• stoffen van de klasse 6.1
van het ADR, verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 8,
verpakkingsgroep I zonder aanvullend etiket nummer 6.1 en
verpakkingsgroep II en III, van het ADR;
• stoffen van de klasse 8,
verpakkingsgroep I met aanvullend etiket nummer 6.1, van het
ADR tot 1.000 kg;
h. voor de opslag van gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen anders dan in verpakking, in opslagtanks
van metaal of kunststof of in de ladingstanks van een
bunkerstation;
i. waar:
1°. een opslagvoorziening voor
verpakte gevaarlijke stoffen, anders dan kunstmeststoffen van
meststoffengroep 1 of 2, of CMR-stoffen met een
opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kg aanwezig is;
2°. op enig moment binnen de
inrichting in totaal meer dan 10.000 kg gevaarlijke stoffen in
verpakking, of CMR-stoffen in verpakking aanwezig is in één
of meerdere laad- en losgedeelten voor de tijdelijke opslag
van deze stoffen die binnen 48 uur de inrichting verlaten en
aan derden zijn geadresseerd, of
3°. op enig moment binnen de
inrichting in totaal meer dan 10.000 kg gevaarlijke stoffen in
verpakking, of CMR-stoffen in verpakking aanwezig is in één
of meerdere opslagvoorzieningen voor de tijdelijke opslag van
deze stoffen die langer dan 48 uur binnen de inrichting
verblijven en aan derden zijn geadresseerd;
j. waar een praktijkruimte of
laboratorium aanwezig is, waar gericht wordt gewerkt met
biologische agentia, uitgezonderd een praktijkruimte of
laboratorium waar gewerkt wordt met biologische agentia die
ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 ingevolge de
indeling van risicogroepen van richtlijn 2000/54/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de
bescherming van de werknemers tegen de risico’s van
blootstelling aan biologische agentia op het werk;
k. voor het afleveren van
waterstof;
l. voor het afleveren van vloeibaar
aardgas;
m. voor het verven van bloemen en
planten.
Categorie 5
5.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht
ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.
5.2. Voor de toepassing van onderdeel
5.1 blijven buiten beschouwing:
a. een of meer houders of
insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud van ten
hoogste 0,02 m3 voor het opslaan van licht ontvlambare
vloeistoffen, waarvan het vlampunt lager is gelegen dan 21°C;
b. een of meer houders of
insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud van ten
hoogste 0,2 m3 voor het opslaan van ontvlambare vloeistoffen,
waarvan het vlampunt gelijk of hoger is gelegen dan 21°C doch
lager dan 55°C;
c. een of meer houders of
insluitsystemen met een inhoud of een gezamenlijke inhoud van ten
hoogste 1 m3 voor het opslaan van brandbare vloeistoffen, waarvan
het vlampunt gelijk of hoger is gelegen dan 55°C.
5.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor:
a. het opslaan of overslaan van
aardolie of koolwaterstoffen in vloeibare toestand met een
capaciteit voor de opslag van deze stoffen of producten van
100.000 m3 of meer;
b. het raffineren, kraken of
vergassen van aardolie of aardoliefracties met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 1.000.000.000 kg per jaar of meer.
5.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het opslaan van vloeibare
brandstoffen of afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het
Besluit inzamelen afvalstoffen in ondergrondse opslagtanks met een
inhoud van meer dan 150 m3,
b. het opslaan van gasolie of
afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen
afvalstoffen in bovengrondse opslagtanks in de buitenlucht met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 150 m3;
c. het opslaan van gasolie of
afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen
afvalstoffen in bovengrondse opslagtanks inpandig met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 15 m3 per opslagruimte;
d. het opslaan van vloeibare
brandstoffen in de ladingtanks van een bunkerstation met een
inhoud van meer dan 25 kubieke meter, indien de inhoud voor een
deel uit lichte olie bestaat;
e. het afleveren van vloeibare
brandstoffen ten behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen
voor het wegverkeer door een afleverzuil waar aflevering zonder
direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter afstand is
tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal, zwembad,
winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw,
speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex,
recreatieterrein, bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis,
sanatorium, zwakzinnigeninrichting, gezinsvervangend tehuis,
school, telefooncentrale, gebouw met vluchtleidingsapparatuur,
elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation van de
hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object met
een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse
opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een
plaats ten behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de
gezamenlijke inhoud meer dan 2.500 liter (waterinhoud) bedraagt
van derden;
f. het aftappen van LPG uit
LPG-tanks.
Categorie 6
6.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen,
dierlijke of plantaardige oliën of vetten.
6.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor het vervaardigen van:
a. oliën en vetten uit dierlijke
of plantaardige grondstoffen met een capaciteit ten aanzien
daarvan 250.000.000 kg per jaar of meer;
b. vetzuren of alkanolen uit
dierlijke of plantaardige oliën of vetten met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 50.000.000 kg per jaar of meer.
6.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen voor het
vervaardigen of bewerken van harsen of dierlijke of plantaardige
oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of dierlijke of
plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke
inhoud groter dan 150 m3.
Categorie 7
7.1. Inrichtingen voor:
a. het bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van dierlijke of overige organische meststoffen;
b. het vervaardigen, bewerken,
opslaan of overslaan van anorganische nitraathoudende meststoffen.
7.2. Voor de toepassing van onderdeel
7.1, onder a, blijft buiten beschouwing het opslaan van 10 m3 of
minder dierlijke of andere organische vaste meststoffen.
7.3. Voor de toepassing van onderdeel
7.1, onder b, blijft buiten beschouwing het opslaan of overslaan van
1.000 kg of minder anorganische nitraathoudende meststoffen die als
gevolg van hun ammoniumnitraatgehalte niet kunnen ontploffen.
7.4. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor het bewerken of verwerken van van buiten de
inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 25.000 m3 per jaar of meer.
7.5. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen of bewerken van
anorganische nitraathoudende kunstmeststoffen;
b. het opslaan van meststoffen
behorende tot meststoffengroep 3 of meststoffengroep 4;
c. het opslaan van meer dan 50.000
kg meststoffen behorende tot meststoffengroep 2;
d. het bewerken of verwerken van
dierlijke of overige organische meststoffen, uitgezonderd mengen
en roeren;
e. het opslaan van meer dan 600 m3
vaste dierlijke mest;
f. het opslaan van dunne mest
waarop het Besluit mestbassins milieubeheer niet van toepassing is
en voorzover het niet gaat om een landbouwinrichting.
Categorie 8
8.1. Inrichtingen voor:
a. het kweken, fokken, mesten,
houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
b. het slachten van dieren;
c. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van huiden, bont, leer of
lederhalffabrikaten;
d. het bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van producten, die bij het slachten van dieren
vrijkomen;
e. het verrichten van activiteiten
als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de EG-verordening
dierlijke bijproducten.
8.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft:
a. inrichtingen voor het
vervaardigen van vet, lijm, as, kool, proteïne of gelatine uit
beenderen of huiden met een capaciteit ten aanzien daarvan van
5.000.000 kg per jaar of meer;
b. inrichtingen als bedoeld in
onderdeel 8.3, onder j en k.
8.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het in de buitenlucht houden van
honden of roofvogels of vogels van de families papegaaien, lori’s,
kaketoes, pelikanen, kraanvogels, pinguïns, parelhoenders,
reigers en roerdompen en het geslacht pauwen;
b. dierentuinen in de zin van
artikel 1, onder a, van het Dierentuinenbesluit;
c. het kweken van consumptievis;
d. het kweken van ongewervelde
dieren;
e. het houden van meer dan 10
schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 voedsters of
10 landbouwhuisdieren, niet zijnde schapen, paarden, geiten,
pluimvee of konijnen, voor zover het niet gaat om een
landbouwinrichting;
f. het tijdelijk huisvesten van
landbouwhuisdieren voor transport of handel anders dan bij een
landbouwinrichting;
g. het slachten van meer dan 10.000
kilogram levend gewicht aan dieren per week;
h. het verwerken van dierlijke
bijproducten tot eiwit, olie, vet, gelatine, collageen,
dicalciumfosfaat, bloedproducten of farmaceutische producten;
i. het vervaardigen of verven van
bont, het ontharen of looien van huiden, of het verven of finishen
van leer met uitzondering van het finishen van leer, samenhangend
met drukprocessen;
j. de verwerking van dierlijke
bijproducten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de
EG-verordening dierlijke bijproducten, voor zover het betreft
categorie 1- en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 8
respectievelijk artikel 9 van die verordening;
k. de verwijdering van dierlijke
bijproducten en afgeleide producten, bedoeld in artikel 24, eerste
lid, onder b en c, van de EG-verordening dierlijke bijproducten.
Categorie 9
9.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van vlees of vleeswaren;
b. het bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van vis, weekdieren, schaaldieren of producten, die
bij de bewerking of verwerking daarvan vrijkomen;
c. het vervaardigen van brood,
banket, chocoladeproducten, beschuit, koek of biscuit;
d. het vervaardigen, bewerken of
verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen
daarvoor;
e. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van voedingsmiddelen voor dieren
of grondstoffen daarvoor;
f. het telen, behandelen,
verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwproducten.
9.2. Voor de toepassing van onderdeel
9.1, onder e en f, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het
opslaan van:
a. tot balen geperst of gebundeld
hooi, stro of vlas met een droge stofgehalte van meer dan 30%,
b. bieten of aardappelen met een
capaciteit ten behoeve daarvan van niet meer dan 750 m3.
9.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor:
a. het vervaardigen van melkpoeder,
weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit
ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer;
b. het vervaardigen van
consumptiemelk, consumptiemelkproducten of geëvaporiseerde melk
of melkproducten met een melkverwerkingscapaciteit ten aanzien
daarvan van 55.000.000 kg per jaar of meer;
c. het concentreren van melk of
melkproducten door middel van indamping met een
waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 20.000 kg per
uur of meer;
d. het vervaardigen van veevoeder
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per uur of
meer;
e. het drogen van groenvoer met een
waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 10.000 kg per
uur of meer;
f. het opslaan of overslaan van
veevoeder met een verwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van
500.000 kg per uur of meer;
g. het vervaardigen van suiker uit
suikerbieten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 2.500.000
kg suikerbieten per dag of meer;
h. het vervaardigen van gist met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 5.000.000 kg per jaar of
meer;
i. het vervaardigen van zetmeel of
zetmeelderivaten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.000
kg per uur of meer;
j. het opslaan of overslaan van
granen, meelsoorten, zaden, gedroogde peulvruchten, maïs, of
derivaten daarvan met een verwerkingscapaciteit ten aanzien
daarvan van 500.000 kg per uur of meer.
9.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen, bewerken of
verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen
daarvoor waarbij:
1°. de gezamenlijke nominale
belasting op bovenwaarde van continu-ovens meer bedraagt dan
200 kW;
2°. voor het vervaardigen,
bewerken of verwerken gebruik wordt gemaakt van een of meer
andere apparaten dan continu-ovens met een individuele
nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kW of een
aansluitwaarde van meer dan 130 kW;
b. het vervaardigen of bewerken van
voedingsmiddelen voor dieren en hondenkluiven;
c. het vervaardigen van meel en
bloem, met uitzondering van wind- en watermolens;
d. het opslaan van ruwe cacao;
e. het onder een permanente opstand
van glas of kunststof telen van gewassen voor zover het niet gaat
om een landbouwinrichting of een glastuinbouwbedrijf zoals bedoeld
in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw;
f. het kweken van algen.
Categorie 10
10.1. Inrichtingen waar
gewasbeschermingsmiddelen of biociden, als bedoeld in artikel 1 van de
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, worden vervaardigd,
bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.
10.2. Voor de toepassing van onderdeel
10.1 blijven buiten beschouwing het opslaan van 10 kg of minder
gewasbeschermingsmiddelen of biociden, tenzij bij het opslaan van de
gewasbeschermingsmiddelen of biociden sprake is of zou zijn van het
aanwezig hebben van een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 8 van
het Besluit risico's zware ongevallen 1999.
Categorie 11
11.1. Inrichtingen voor het winnen,
vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van:
a. keramische producten, bak-,
sier- of bestratingstenen, dakpannen, porselein, aardewerk,
kalkzandsteen, cement, cementmortel, cementwaren of kalk;
b. betonmortel of betonwaren;
c. ertsen, mineralen, derivaten van
ertsen of mineralen, minerale producten of mergel;
d. asbest of asbesthoudende
producten;
e. glas of glazen voorwerpen;
f. asfalt of asfalthoudende
producten;
g. steen, gesteente of stenen
voorwerpen, niet zijnde puin;
h. zand of grind;
i. grond.
11.2. Voor de toepassing van onderdeel
11.1, onder a en e, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een of
meer ovens met een thermisch vermogen of een gezamenlijk thermisch
vermogen van 5 kW of minder, die bestemd zijn voor de vervaardiging of
bewerking van genoemde producten.
11.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor:
a. het opslaan of overslaan van
ertsen, mineralen of derivaten van ertsen of mineralen met een
oppervlakte voor de opslag daarvan van 2000 m2 of meer;
b. het malen, roosten, pelletiseren
of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000.000 kg per jaar of meer;
c. het vervaardigen van:
1°. cement of cementklinker
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kg per
jaar of meer;
2°. cement-of betonmortel met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per uur of
meer;
3°. cement-of betonwaren met
behulp van persen, triltafels of bekistingstrillers met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per dag of meer;
4°. glasvezel, glazuren,
emailles, glaswol of steenwol met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 5.000.000 kg per jaar of meer;
5°. asfalt of asfaltproducten
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per uur
of meer;
6°. cokes uit steenkool met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kg per jaar
of meer;
d. het vergassen van steenkool met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kg per jaar of
meer;
e. het vervaardigen, bewerken of
verwerken van glas of glazen voorwerpen met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 10.000 kg per uur of meer;
f. het bewerken of verwerken van
gesteente, afkomstig uit kolenmijnen, met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 10.000.000 kg per jaar of meer;
g. het winnen van steen, met
uitzondering van grind en mergel, met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.000 kg per uur of meer;
h. het winnen, breken, malen, zeven
of drogen van mergel;
i. het winnen van zand of grind met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000 kg per uur of meer;
j. het breken, malen, zeven of
drogen van zand, grond, grind of steen, met uitzondering van
mergel, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kg
per jaar of meer, indien zodanige inrichting een inrichting is
voor zand- of grindwinning waarvoor op grond van artikel 3 van de
Ontgrondingenwet een vergunning is vereist;
k. het breken, malen, zeven of
drogen van :
1°. zand, grond, grind of
steen, met uitzondering van puin en mergel;
2°. kalkzandsteen, kalk;
3°. steenkolen of andere
mineralen of derivaten daarvan, met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.000.000 kg per jaar of meer, indien zodanige
inrichting niet een inrichting is voor zand- of grindwinning,
waarvoor op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet een
vergunning is vereist.
11.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen of bewerken met
apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde
van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW van
keramische producten, bakstenen, sierstenen of bestratingstenen,
dakpannen, porselein of aardewerk;
b. het opslaan of overslaan van
steenkool en ertsen of derivaten van ertsen;
c. het malen, roosten, pelletiseren
of doen sinteren van ertsen of derivaten daarvan;
d. het vervaardigen van cement of
cementklinker en cementmortel of betonmortel;
e. het vervaardigen van cementwaren
of betonwaren met behulp van persen, triltafels of
bekistingstrillers;
f. het vervaardigen of bewerken met
apparaten met een individuele nominale belasting op bovenwaarde
van meer dan 130 kW of een aansluitwaarde van meer dan 130 kW van
glas of glazen voorwerpen;
g. het vervaardigen van glasvezel,
glazuren, emailles, glaswol of steenwol;
h. het vervaardigen van asfalt of
asfaltproducten;
i. het vervaardigen van cokes uit
steenkool;
j. het vergassen van steenkool;
k. het bewerken of verwerken van
gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;
l. het winnen van steen, met
uitzondering van grind en mergel;
m. het winnen, breken, malen, zeven
of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere
mineralen of derivaten daarvan;
n. het vervaardigen of drogen van
kalkzandsteen en cellenbeton;
o. het vervaardigen van
composietsteen, terrazzo en granito.
Categorie 12
12.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen,
metalen voorwerpen of schroot dan wel behandelen van de oppervlakte
van metalen of metalen voorwerpen.
12.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen:
a. voor het vervaardigen van ruw
ijzer, ruw staal of primaire non-ferrometalen met een capaciteit
ten aanzien daarvan van 1.000.000 kg per jaar of meer;
b. waar een of meer warmband- of
koudwalsen aanwezig zijn voor het tot platen omvormen van metalen
of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, en
waarbij de dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm
en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m2of meer
bedraagt;
c. waar een of meer wals- en
trekinstallaties aanwezig zijn voor het tot profiel-of
stafmateriaal omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het
smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het productieoppervlak ten
aanzien daarvan 2.000 m2 of meer bedraagt;
d. waar een of meer wals-, trek- of
lasinstallaties aanwezig zijn voor het produceren van metalen
buizen en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m2
of meer bedraagt;
e. voor het smeden van ankers of
kettingen en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2000
m2 of meer bedraagt;
f. voor het produceren, renoveren
of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers en
waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m2 of meer
bedraagt;
g. voor het samenvoegen van plaat-,
profiel-, staf- of buismaterialen door middel van smeden, klinken,
lassen of monteren en waar het niet in een gesloten gebouw
ondergebrachte productieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of
meer bedraagt;
h. voor het smelten of gieten van
metalen of hun legeringen met een capaciteit ten aanzien daarvan
van 4.000.000 kg per jaar of meer;
i. voor het smelten van lood met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 2.500.000 kg per jaar of
meer.
12.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen van ruw ijzer,
ruw staal, of primaire non-ferro metalen;
b. het gieten van metalen of hun
legeringen;
c. het harden of gloeien van
metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak,
indien daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen
of koolzuurgas worden toegepast;
d. het behandelen van
metaaloppervlakken door schoonbranden en pyrolyse;
e. het aanbrengen van metaallagen
met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan
100 liter.
12.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden tevens aangewezen de inrichtingen als
bedoeld in onderdeel 12.2, onder b tot en met g.
Categorie 13
13.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, onderhouden,
repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen,
verhandelen, verhuren of proefdraaien van:
1°. vliegtuigen;
2°. trams of onderdelen
daarvan;
3°. motoren, motorvoertuigen
of -vaartuigen;
4°. caravans;
5°. landbouwwerktuigen;
6°. bromfietsen;
b. het parkeren van 3 of meer voor
het vervoer van goederen langs de weg bestemde motorvoertuigen,
gelede motorvoertuigen, aanhangwagens of opleggers, waarvan de
massa van het ledige voertuig, vermeerderd met het laadvermogen,
meer bedraagt dan 3500 kg.
13.2. Voor de toepassing van onderdeel
13.1, onder b, blijven buiten beschouwing parkeerterreinen die deel
uitmaken van openbare wegen of weggedeelten en parkeerterreinen die
voor het openbaar verkeer openstaan.
13.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor:
a. het vervaardigen of assembleren
van automobielen of motoren voor automobielen met een
productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.000 m2 of meer;
b. voor het bouwen, onderhouden,
repareren of het behandelen van de oppervlakte van metalen schepen
met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 m of meer;
c. het reinigen van tankschepen.
13.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen, repareren,
proefdraaien of uitwendig reinigen van vliegtuigen;
b. het bouwen van metalen
pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van
25 meter of meer;
c. het vervaardigen, onderhouden,
repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders
dan pleziervaartuigen;
d. het afmeren van zeegaande
veerboten;
e. het overslaan van schip naar
schip;
f. het reinigen van tankschepen;
g. het voor meer dan 24 uur
parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;
h. het parkeren van meer dan 3
vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.
Categorie 14
14.1. Inrichtingen voor het
onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren,
reinigen, verhandelen, verhuren of proefdraaien van spoorvoertuigen of
onderdelen daarvan, alsmede spoorwegemplacementen.
14.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover de
inrichtingen zijn bestemd voor het samenstellen van treinen of
treindelen door middel van het stoten of heuvelen van spoorvoertuigen,
bestemd voor goederenvervoer.
14.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen, bedoeld in
onderdeel 14.1.
Categorie 15
15.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, opslaan of overslaan
van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.
15.2. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het vervaardigen van producten
van houtmeelvezels, houtwolvezels of houtvezels;
b. het vervaardigen van
triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of spaanplaten;
c. het impregneren van hout door
middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode.
Categorie 16
16.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan, overslaan of reinigen van textiel,
woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten
hiervan;
b. het vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van papierstof, papier of
producten hiervan;
c. toepassen van grafische
technieken.
16.2. Voor de toepassing van onderdeel
16.1 blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het opslaan van
gebundeld vlas met een drogestofgehalte van meer dan 30%.
16.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen:
a. waar 50 of meer mechanisch
aangedreven weefgetouwen aanwezig zijn;
b. voor het vervaardigen van papier
of celstof met een capaciteit ten aanzien daarvan van 3.000 kg per
uur of meer.
16.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. het veredelen van textiel of
producten hiervan;
b. het vervaardigen van textiel of
producten hiervan waar 50 of meer mechanisch aangedreven
weefgetouwen aanwezig zijn;
c. het vervaardigen van tapijt of
linoleum;
d. het vervaardigen van papierstof,
papier of karton, het bleken van papier en het vervaardigen van
producten van karton en hygiënische papierproducten;
e. het zelfklevend maken van
materialen, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en
lamineren samenhangend met drukprocessen;
f. het toepassen van de volgende
drukprocessen:
– illustratiediepdruk;
– rotatieoffset;
– flexodruk en
verpakkingsdiepdruk;
– rotatiezeefdruk;
– zeefdruk met een emissie
groter dan 10.000 kg vluchtige organische stoffen per jaar.
Categorie 17
17.1. Inrichtingen waar met vuurwapens
wordt geschoten of met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt
geworpen.
17.2. Voor de toepassing van onderdeel
17.1 blijven buiten beschouwing inrichtingen waarop door de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht uitsluitend met
niet-scherpe patronen wordt geschoten.
17.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen voor schieten
met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen,
met uitzondering van inrichtingen voor het traditioneel schieten.
Categorie 18
18.1. Hotels, restaurants, pensions,
cafés, cafetaria's, snackbars en discotheken, alsmede aanverwante
inrichtingen waar tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken
worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of
verstrekt.
18.2. Voor de toepassing van onderdeel
18.1 blijven buiten beschouwing inrichtingen waar:
a. voorzieningen aanwezig zijn voor
het gelijktijdig kunnen verstrekken van uitsluitend logies en
ontbijt aan ten hoogste 15 personen, of
b. ten hoogste 15 standplaatsen
voor kampeermiddelen aanwezig zijn.
Categorie 19
19.1. Inrichtingen waar:
a. drie of meer speelautomaten
aanwezig zijn die zijn opgesteld voor gebruik door anderen dan de
eigenaar of de houder;
b. waar een of meer voorzieningen
aanwezig zijn voor het dansen, alsmede dansscholen;
c. waar een of meer voorzieningen
of installaties aanwezig zijn voor het beoefenen van sport,
alsmede sportscholen en sporthallen;
d. waar een of meer voorzieningen
aanwezig zijn voor het beoefenen van muziek, alsmede muziekscholen
en muziekoefenlokalen;
e. waar een of meer voorzieningen
aanwezig zijn voor recreatieve doeleinden en waar een
geluidsinstallatie is opgesteld, alsmede sportterreinen en
openluchttheaters;
f. gelegenheid wordt geboden tot
zwemmen;
g. waar gelegenheid wordt geboden
tot het gebruiken van:
1°. gemotoriseerde
modelvliegtuigen, -vaartuigen of-voertuigen;
2°. bromfietsen,
motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen
in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor
recreatieve doeleinden;
h. tien of meer ligplaatsen voor
pleziervaartuigen aanwezig zijn in een jachthaven als bedoeld in
artikel 1 van het Besluit jachthavens;
i. waar met bogen of boogwapens of
met wapens, werkend met luchtdruk of gasdruk, wordt geschoten.
19.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot categorie 19.1, onder g, 2°,
voor zover het betreft terreinen, geen openbare weg zijnde, die
bestemd of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter
voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden
met gemotoriseerde voertuigen, en die daartoe acht uren per week of
meer opengesteld zijn.
19.3. Voor de toepassing van onderdeel
19.2 blijven buiten beschouwing terreinen die langer zijn opengesteld,
indien dit een gevolg is van ruimere openingstijden gedurende ten
hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, met het oog op het houden
van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige
wedstrijden. Tot het weekeinde worden gerekend: zaterdagen, zondagen
en algemeen erkende feestdagen of daarmee gelijkgestelde dagen als
bedoeld in artikel 3 van de Algemene termijnenwet, die op een vrijdag
of op een maandag vallen.
19.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
a. sport of recreatie die per jaar
500.000 bezoekers of meer trekken;
b. het gebruiken van gemotoriseerde
modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open
lucht;
c. het gebruiken van bromfietsen,
motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen
in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open
lucht;
d. het in de buitenlucht beoefenen
van wedstrijdsport waar permanente voorzieningen zijn voor de
gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000 bezoekers;
e. het geven van muziekuitvoeringen
in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000 bezoekers aanwezig
kunnen zijn;
f. het paintballspel;
g. het schieten in de open lucht
met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk, met uitzondering van
inrichtingen voor het traditioneel schieten.
Categorie 20
20.1. Inrichtingen:
a. voor het omzetten van:
1°. windenergie in
mechanische, elektrische of thermische energie;
2°. hydrostatische energie in
elektrische of thermische energie;
3°. elektrische energie in
stralingsenergie;
4°. thermische energie in
elektrische energie;
b. transformatorstations, met niet
in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren, met een
maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200
MVA of meer..
20.2. Voor de toepassing van onderdeel
20.1, onder a, 1°, blijven buiten beschouwing windmolens of
windturbines met een rotordiameter kleiner dan 2 m.
20.3. Voor de toepassing van onderdeel
20.1, onder a, 3°, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een
elektrisch vermogen of gezamenlijk vermogen voor de omzetting van die
elektrische energie kleiner dan 4 kW.
20.4. Voor de toepassing van onderdeel
20.1, onder a, 4°, blijven buiten beschouwing inrichtingen met een
elektrisch vermogen of gezamenlijk vermogen kleiner dan 1,5 kW.
20.5. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van de inrichtingen als bedoeld in onderdeel 20.1, onder b.
20.6. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van het besluit, worden tevens aangewezen de inrichtingen als
bedoeld in onderdeel 20.1, onder a, 2° en 3°, met inachtneming van
de onderdelen 20.3 en 20.1, onder b.
Categorie 21
21.1. Inrichtingen waarin:
a. laboratoria, dierverblijven,
opslagruimten of kassen aanwezig zijn, die zijn bestemd voor:
1°. de genetische modificatie
van organismen of
2°. het voor onderwijs,
onderzoek, ontwikkeling of niet-industriële doeleinden
vermeerderen, opslaan, toepassen, voorhanden hebben,
vervoeren, zich ontdoen of vernietigen van genetisch
gemodificeerde organismen in hoeveelheden van niet meer dan
tien liter cultuurvloeistof per eenheid of in hoeveelheden die
om andere redenen zijn te beschouwen als kleinschalig;
b. dierverblijven, opslagruimten,
kassen of installaties voor productieprocessen aanwezig zijn, die
zijn bestemd voor het niet-kleinschalig vermeerderen, opslaan,
toepassen, voorhanden hebben, vervoeren, zich ontdoen of
vernietigen van genetisch gemodificeerde organismen.
21.2. Onder de in onderdeel 21.1
bedoelde handelingen worden niet begrepen:
a. handelingen, voor zover daarvoor
een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 23, eerste lid,
van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer;
b. handelingen met genetisch
gemodificeerde organismen ten aanzien waarvan artikel 23, tweede
lid, onderdeel d, van het onder a genoemde besluit toepassing
heeft gevonden, dan wel met genetisch gemodificeerde organismen
die vallen onder artikel 23, tweede lid, onder e, van dat besluit,
en
c. het vervaardigen, vervoeren,
toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking
stellen of zich ontdoen van organismen die zijn vervaardigd door:
1°. celfusie, met inbegrip van
protoplasfusie, van plantencellen van organismen die genetisch
materiaal kunnen uitwisselen met behulp van traditionele
kweekmethoden, of
2°. chemische of fysische
mutagenese,
tenzij bij de vervaardiging daarvan
als recipiënt of ouderorganisme gebruik wordt gemaakt van
genetisch gemodificeerde organismen, die niet zijn verkregen op de
onder 1° of 2° beschreven wijze, en ten aanzien waarvan geen
toepassing heeft plaatsgehad van artikel 23, tweede lid, onder d,
van het onder a genoemde besluit dan wel van genetisch
gemodificeerde organismen die vallen onder artikel 23, tweede lid,
onder e, van dat besluit.
21.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen als bedoeld in
onderdeel 21.1.
Categorie 22
Inrichtingen voor het opslaan of
overslaan van andere stuk- of bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of
producten, die in een andere in deze bijlage opgenomen categorie worden
genoemd, met een oppervlakte voor de opslag daarvan van 2.000 m2 of
meer.
Categorie 23
23.1. Inrichtingen zijnde:
a. algemene, academische of
categoriale ziekenhuizen;
b. inrichtingen voor het bieden van
medische behandeling, verpleging, of huisvesting tezamen met
verzorging.
23.2. Voor de toepassing van onderdeel
23.1 blijven buiten beschouwing praktijken voor de uitoefening van de
geneeskunst als huisarts en van de diergeneeskunst.
23.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden aangewezen:
a. academische ziekenhuizen als
bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het
wetenschappelijk onderzoek;
b. inrichtingen die krachtens de
Wet toelating zorginstellingen zijn aangewezen als instellingen
voor medisch-specialistische zorg.
Categorie 24
24.1. Inrichtingen voor het
vervaardigen van koolelektroden.
24.2. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen met een capaciteit ten aanzien daarvan van
50.000.000 kg per jaar of meer.
24.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen als bedoeld in
onderdeel 24.1.
Categorie 25
25.1. Inrichtingen voor het reinigen
van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks,
tankauto's, tank- of bulkcontainers.
25.2. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor het inwendig
reinigen van:
a. van buiten de inrichting
afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen, ketels of
vaten;
b. mobiele tanks, tankwagens,
tankcontainers of bulkcontainers waarin gevaarlijke stoffen,
preparaten of producten zijn vervoerd;
c. mobiele tanks, tankwagens, tank-
of bulkcontainers die niet in de inrichting zijn geladen of
gelost.
Categorie 26
26.1. Inrichtingen voor het oefenen van
brandbestrijdingstechnieken.
26.2. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden de inrichtingen aangewezen als bedoeld in
onderdeel 26.1.
Categorie 27
27.1. Inrichtingen voor het opslaan,
behandelen of reinigen van afvalwater.
27.2. Voor de toepassing van onderdeel
27.1 blijft buiten beschouwing het opslaan van afvalwater in
septic-tanks.
27.3. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor het reinigen van afvalwater door middel van
waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000
of meer vervuilingseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid,
onderdeel a, van de Waterwet.
27.4. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden aangewezen bedrijfsafvalwaterzuiveringen
die zelfstandig een inrichting vormen.
Categorie 28
28.1. Inrichtingen voor:
a. het opslaan van:
1°. huishoudelijke
afvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben
van 5 m3 of meer;
2°. bedrijfsafvalstoffen, die
ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer;
3°. 5 of meer autowrakken en
overige voertuigwrakken;
4°. gevaarlijke afvalstoffen;
b. het verwerken, vernietigen of
overslaan van afvalstoffen;
c. het storten van afvalstoffen;
d. het anderszins op of in de bodem
brengen van afvalstoffen.
28.2. Voor de toepassing van onderdeel
28.1 worden onder huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen
niet begrepen dierlijke of overige organische meststoffen, niet zijnde
zuiveringsslib, tenzij sprake is van het verbranden of vernietigen van
die meststoffen dan wel het storten van die meststoffen.
28.3. Voor de toepassing van onderdeel
28.1 blijven buiten beschouwing:
a. inrichtingen voor het
uitsluitend opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater;
b. inrichtingen voor zover het
betreft werken waarbij, anders dan voor het opslaan:
1°. minder dan 1 m3
huishoudelijke afvalstoffen op of in de bodem worden gebracht;
2°. minder dan 50 m3
bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem worden gebracht;
c. inrichtingen voor zover het
betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop
het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;
d. inrichtingen voor het opslaan
van autowrakken en overige voertuigwrakken in het kader van
hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen
organisatie of instantie of in het kader van onderzoek door
politie of justitie;
e. inrichtingen voor het boven- of
ondergronds opslaan, al dan niet in combinatie met verdichting,
van huishoudelijke of bedrijfsafvalstoffen in containers met een
capaciteit of gezamenlijke capaciteit van ten hoogste 35 m3;
f. inrichtingen voor het op of in
de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam brengen van
onderhoudsspecie van de klasse 0, 1 of 2, overeenkomstig de
classificatie krachtens het Besluit vrijstellingen stortverbod
buiten inrichtingen, indien deze onderhoudsspecie ten hoogste
dezelfde klasse heeft als de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam waarin de onderhoudsspecie wordt gebracht,
met uitzondering van inrichtingen die niet in open verbinding
staan met een ander oppervlaktewaterlichaam;
g. inrichtingen voor het reinigen
van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele tanks,
tankauto’s of tank- of bulkcontainers.
28.4. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor:
a. het opslaan van de volgende
afvalstoffen:
1°. van buiten de inrichting
afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke
afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3
of meer;
2°. van buiten de inrichting
afkomstige zuiveringsslib, kolenreststoffen of afvalgips met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer;
3°. van buiten de inrichting
afkomstige verontreinigde grond met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 10.000 m3 of meer;
4°. 5 of meer autowrakken en
overige voertuigwrakken;
5°. van buiten de inrichting
afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;
6°. andere dan de onder 1°
tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige
afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000
m3 of meer;
b. het overslaan van van buiten de
inrichting afkomstige:
1°. huishoudelijke
afvalstoffen of van buiten de inrichting afkomstige
bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten aanzien
daarvan van 1.000 m3 of meer;
2°. gevaarlijke afvalstoffen;
c.
1°. het ontwateren,
microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten,
agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch
scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen –
anders dan verbranden – van van buiten de inrichting
afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per
jaar of meer;
2°. hetverwerken of
vernietigen – anders dan verbranden– van van buiten de
inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;
d. het verwerken of vernietigen van
autowrakken en overige voertuigwrakken;
e. het verbranden van:
1°. van buiten de inrichting
afkomstige huishoudelijke afvalstoffen;
2°. van buiten de inrichting
afkomstige bedrijfsafvalstoffen;
3°. van buiten de inrichting
afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;
f. het op of in de bodem brengen
van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen of
gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen daar te laten;
g. het geheel of gedeeltelijk
vernietigen van van buiten de inrichting afkomstige genetisch
gemodificeerde organismen als afvalstoffen of voorkomend in
afvalstoffen.
28.5. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft inrichtingen voor het verdichten, scheuren, knippen of breken
van schroot van ferro– of non-ferrometalen door middel van
mechanische werktuigen met een motorisch vermogen of een gezamenlijk
motorisch vermogen van 25 kW of meer.
28.6. Onverminderd de artikelen 3.3,
eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin, zijn
gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een
omgevingsvergunning of omtrent een verklaring van geen bedenkingen ten
aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het
betreft werken waarbij, anders dan voor het opslaan:
a. 1 m3 of meer huishoudelijke
afvalstoffen op of in de bodem worden gebracht, tenzij het werk
deel uitmaakt van een inrichting en de afvalstoffen uit die
inrichting afkomstig zijn;
b. 50 m3 of meer
bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem worden gebracht, tenzij het
werk deel uitmaakt van een inrichting en de afvalstoffen uit die
inrichting afkomstig zijn;
c. gevaarlijke afvalstoffen op of
in de bodem worden gebracht.
28.7. Voor de toepassing van onderdeel
28.4, onder a, 1°, 2°, 3° en 6°, en onder c, 1°, blijven buiten
beschouwing inrichtingen voor het uitsluitend opslaan, verwerken of
vernietigen – anders dan verbranden van de volgende afvalstoffen:
a. papier;
b. textiel;
c. ferro-of non-ferrometalen;
d. schroot;
e. glas.
28.8. Voor de toepassing van onderdeel
28.4, onder a, 1°, 5° en 6°, blijven buiten beschouwing
inrichtingen voor het opslaan, ter uitvoering van een verplichting tot
inname van afvalstoffen, opgelegd bij een algemene maatregel van
bestuur krachtens artikel 10.17 of artikel 15.32, eerste en tweede
lid, van de Wet milieubeheer, van de betrokken afvalstoffen, voorzover
die afvalstoffen zijn afgegeven door of ingezameld bij particuliere
huishoudens of naar aard en hoeveelheid met die van particuliere
huishoudens vergelijkbaar zijn.
28.9. Voor de toepassing van onderdeel
28.4, onder a, 5°, blijven buiten beschouwing:
a. inrichtingen waar uitsluitend
gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, die zijn afgegeven
door of ingezameld bij particuliere huishoudens, voor zover deze
bestaan uit producten die gelijksoortig zijn aan de producten die
door degene die de inrichting drijft, aan particulieren ter
beschikking worden gesteld;
b. inrichtingen waar uitsluitend
gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, die zijn ontstaan bij
bouw-, onderhouds-, of herstelwerkzaamheden die buiten de
inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft;
c. inrichtingen waar uitsluitend
gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, die zijn afgegeven
door of ingezameld bij particuliere huishoudens, met een
capaciteit ten aanzien daarvan van minder dan 35 m3.
28.10. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige
toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met de volgende
uitzonderingen:
1°. het opslaan van afvalstoffen
voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie;
2°. het opslaan van ten hoogste
10.000 ton hemelwater, grondwater, huishoudelijk afvalwater,
afvalwater dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met
huishoudelijk afvalwater overeen komt en de inhoud van chemische
toiletten, het lozen, en het in werking hebben van voorzieningen
voor het beheer van afvalwater;
3°. het mechanisch ontwateren van
zuiveringsslib, voor zover geen sprake is van gevaarlijke
afvalstoffen;
4°. het opslaan, verdichten,
herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover
daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet
milieubeheer;
5°. het opslaan van afval van
gezondheidszorg bij mens en dier en van gebruikte hygiënische
producten;
6°. het opslaan van ten hoogste
10.000 ton banden van voertuigen;
7°. het opslaan, verdichten en
verkleinen van metaal, voor zover de capaciteit voor het opslaan
niet groter is dan 50.000 ton, de capaciteit voor het shredderen
van metalen niet groter is dan 50 ton per dag en voor zover geen
sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
8°. het, met een maximale
opslagcapaciteit van 50 ton voor vloeibare gevaarlijke
afvalstoffen en 1000 gedemonteerde airbags en gordelspanners,
demonteren van autowrakken als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en
daarbij het:
a. aftappen van vloeistoffen
uit autowrakken;
b. opslaan van autowrakken;
c. opslaan van bij het
demonteren van autowrakken en het aftappen van vloeistoffen
uit autowrakken vrijkomende afvalstoffen;
d. neutraliseren van airbags en
gordelspanners niet zijnde het ontsteken van mechanische
airbags buiten het autowrak;
e. aftanken van bij het
demonteren van autowrakken vrijkomende vloeibare
brandstofresten ten behoeve van eigen gebruik;
9°. het opslaan van ten hoogste
100 kubieke meter afgedankte apparatuur als bedoeld in artikel 1,
onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en elektronische
apparatuur die overeenkomstig artikel 4 van die regeling zijn
ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw product;
10°. het opslaan van ten hoogste 5
kubieke meter batterijen, spaarlampen en gasontladingslampen en
het opslaan en bijvullen van inkt- en tonercassettes;
11°. het bij een inrichting voor
het voor recycling als product geschikt maken opslaan van sier- en
gebruiksvoorwerpen, zijnde gevaarlijke afvalstoffen met een
maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter en het voor
recycling als product geschikt maken hiervan voor zover die
voorwerpen niet worden ontmanteld en de oppervlakte voor reparatie
niet groter is dan 1.000 vierkante meter;
12°. het opslaan van ten hoogste
de volgende hoeveelheid van de daarbij bedoelde afvalstoffen die
zijn ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn
verricht door degene die de inrichting drijft:
a. ten hoogste 50 ton totaal
van de volgende afvalstoffen:
1°. smeervet, afgewerkte olie
en olie- en vethoudend afval van onderhoud aan voorzieningen
en installaties;
2°. teerhoudend of bitumineus
dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval,
dakgrind verkleefd met teer of bitumen;
3°. brandblussers;
4°. organische
niet-halogeenhoudende oplosmiddelen;
5°. lege ongereinigde
verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige
gevaarlijke stoffen;
b. ten hoogste 45 kubieke meter
van de volgende afvalstoffen, voor zover geen sprake is van
gevaarlijke afvalstoffen:
1°. keukenafval en
etensresten;
2°. gemengd bouw- en
sloopafval;
13°. het opslaan van ingenomen
smeervet, afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit
inzamelen afvalstoffen, olie- en vethoudend afval van onderhoud
aan pleziervaartuigen en bilgewater bij een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen
met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton;
14°. het op een bunkerstation voor
de binnenvaart opslaan van afgewerkte olie als bedoeld in artikel
1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen, smeervet, olie- en
vethoudend afval van onderhoud aan vaartuigen en lege ongereinigde
verpakkingen van olie, verf, lijm, kit of hars ingenomen van
personen die brandstof of andere producten bij het bunkerstation
aanschaffen met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton;
15°. het scheiden van de olie- en
waterfractie van ingenomen bilgewater bij een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen
met een slibvangput en olieafscheider met een maximale nominale
grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;
16°. het opslaan en conform
artikel 4.84 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer bewerken van ten hoogste vier autowrakken en overige
voertuigwrakken bij inrichtingen voor onderhoud en reparatie van
motorvoertuigen;
17°. het opslaan van autowrakken
en overige voertuigwrakken in het kader van hulpverlening aan
kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het
kader van onderzoek door politie of justitie;
18°. het opslaan van metalen met
aanhangende olie of emulsie en het afscheiden van de oliefractie
met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor de afgescheiden
oliefractie;
19°. het opslaan van ten hoogste
30 ton loodzuuraccu’s;
20°. het bij een inrichting voor
het sorteren, scheiden en bewerken van metaal-en kunststofafval en
afgedankte producten opslaan van ten hoogste 10 ton:
a°. afgedankte producten voor
zover sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, anders dan
batterijen, spaarlampen en gasontladingslampen en loodzuuraccu’s;
b°. lege, ongereinigde
verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige
gevaarlijke stoffen;
21°. het opslaan van:
1°. ten hoogste 10.000 ton
bouwstoffen in de zin van artikel 1 van het Besluit
bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn;
2°. ten hoogste 10.000 ton
textiel;
3°. ten hoogste 10.000 ton
verpakkingsglas;
4°. ten hoogste 10.000 ton
vlakglas;
5°. ten hoogste 10.000 ton
voedingsmiddelen afkomstig van detail- en groothandel, voor
zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
22°. het opslaan, verdichten en
verkleinen van hout, voor zover geen sprake is van geïmpregneerd
hout of anderszins van gevaarlijke afvalstoffen en met een
maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;
23°. het opslaan, verdichten en
verkleinen van papier en karton, voor zover geen sprake is van
gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van
10.000 ton;
24°. het opslaan, verdichten,
verkleinen, reinigen, extruderen en spuitgieten van kunststof,
voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen en met een
maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;
25°. het opslaan van sier- en
gebruiksvoorwerpen en tweedehands bouwmaterialen niet zijnde
gevaarlijke afvalstoffen met een maximale opslagoppervlakte van
6.000 vierkante meter, het voor recycling als product geschikt
maken hiervan voor zover de oppervlakte voor reparatie niet groter
is dan 1.000 vierkante meter en het ten behoeve van recycling als
materiaal scheiden, strippen en mechanisch verkleinen van ten
hoogste 50 ton per dag sier- en gebruiksvoorwerpen voor zover die
uitsluitend bestaan uit een combinatie van metaal, hout,
kunststof, textiel, papier of karton en die geen elektronica
bevatten;
26°. het toepassen van
bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit
bodemkwaliteit van toepassing is;
27°. het opslaan van ten hoogste
10.000 kubieke meter grond en baggerspecie die voldoet aan de
eisen van de artikelen 39, 59 of 60 van het Besluit
bodemkwaliteit;
28°. het opslaan, versnipperen en
composteren van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval,
afgedragen gewas of bloembollenafval ontstaan bij werkzaamheden
die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de
inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting, voor
zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;
29°. het als grondstof inzetten
van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof,
textiel, steenachtig materiaal of gips voor het vervaardigen,
samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan
bestaande uit metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtig
materiaal of gips met een maximale capaciteit van 10.000 ton per
jaar;
30°. het opslaan van ten hoogste
1.000 kubieke meter en het als diervoeder binnen de inrichting
gebruiken en voor dit gebruik geschikt maken van plantaardige
restproducten uit de land- en tuinbouw en uit de voedselbereiding
en -verwerking uitgezonderd voedselresten afkomstig van
restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met een maximale
opslagcapaciteit van 4.000 ton per jaar;
31°. het overslaan en scheiden en
opbulken van de onder 1 tot en met 30 genoemde categorieën van
afvalstoffen binnen de aangegeven grenzen.
Categorie 29
29.1. Inrichtingen zijnde:
a. vlootbases die in hoofdzaak
worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
zeekrijgsmacht;
b. vliegbases of vliegkampen, die
in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
c. kazernes die in hoofdzaak worden
gebruikt door parate eenheden van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
d. in hoofdzaak bestemd zijn voor
het transporteren of het opslaan van brandstof ten behoeve van de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;
e. in hoofdzaak bestemd zijn voor
het opslaan van munitie ten behoeve van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
f. verbindings-en commandocentra
ten behoeve van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
krijgsmacht;
g. schietkampen, schietranges,
schietgebieden, regionale schietterreinen of rayonschietterreinen,
die in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
h. landelijke brandweer
oefenplaatsen die in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse
of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;
i. spoorwegemplacementen die in
hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
j. bestemd voor het vervaardigen,
onderhouden, repareren of opslaan van materieel of materialen ten
behoeve van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
krijgsmacht, die van essentieel belang zijn voor de logistieke
ondersteuning van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
krijgsmacht;
k. laboratoria, bestemd voor het
ontwikkelen en beproeven van genetisch gemodificeerde organismen,
van welke activiteiten met toepassing van het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer is vastgesteld dat deze
uitsluitend mogen plaatsvinden met toepassing van voorzieningen en
voorschriften, die gelden voor het hoogste krachtens dat besluit
bij ministeriële regeling aangewezen niveau;
l. inrichtingen waar meer dan 50
000 kg in beslag genomen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in de zin van het Vuurwerkbesluit worden
opgeslagen.
29.2. Voor de toepassing van onderdeel
29.1 onder g, blijven buiten beschouwing inrichtingen waarop
uitsluitend met niet-scherpe patronen wordt geschoten.
29.3. Als categorieën
vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld inartikel 2.1, tweede
lid, van dit besluit, worden alle inrichtingen aangewezen als bedoeld
in onderdeel 29.1, uitgezonderd c, f en j.
Onderdeel D
1. Als categorieën inrichtingen als
bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate
geluidhinder kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën
inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel
C, onder:
a. 1.3, onder a, b, voor zover het
thermisch vermogen 75 MW of meer bedraagt, c, onder 1° en 2°, en
d, waarbij voor de toepassing van onderdeel 1.3 veiligheidsfakkels
ten behoeve van de opsporing en winning van aardgas buiten
beschouwing blijven,
b. 2.6, onder b, voor zover het
betreft aardgasbehandelingsinstallaties bij aardgaswinputten en
gasverzamelinrichtingen, en c,
c. 4.3, onder d,
d. 5.3, onder b,
e. 6.2,
f. 9.3,
g. 11.3, onder a tot en met e,
onder g en onder k,
h. 12.2, onder a tot en met g,
i. 12.2, onder h, voor zover het
smeltpunt van de metalen of hun legeringen hoger is dan 800 K,
j. 13.3, onder b,
k. 14.2, voor zover een
rangeerheuvel aanwezig is,
l. 16.3,
m. 19.2,
n. 20.1, onder b,
o. 24.2 en
p. 27.3.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel 1.3, onder b, voor zover het thermisch vermogen 75 MW
of meer bedraagt, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het
verstoken van biomassa waarvan het equivalente geluidsniveau (LAr, LT),
veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige vast opgestelde
toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte
werkzaamheden en activiteiten op de grens van het bedrijventerrein
niet meer bedraagt dan:
a. 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00
uur;
b. 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00
uur;
c. 40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00
uur.
Bijlage II, behorende bij de artikelen
2.3, 2.5a en 2.7
Aanwijzing van categorieën gevallen
waarin:
– voor bouwactiviteiten,
planologische gebruiksactiviteiten en activiteiten met betrekking
tot een beschermd monument geen omgevingsvergunning is vereist,
– voor planologische
gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel
2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze bijlage wordt verstaan
onder:
achtererfgebied: erf aan de
achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde
zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;
antennedrager: antennemast of
andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;
antenne-installatie: installatie
bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de
al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur,
met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding
van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde
perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen
aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
daknok: hoogste punt van een schuin
dak;
dakvoet: laagste punt van een
schuin dak;
erf: al dan niet bebouwd perceel,
of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw
en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het
gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een
beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet
verbieden;
hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte
daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer
gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het
belangrijkst is;
openbaar toegankelijk gebied: weg
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen,
openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen
toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld
voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
voorerfgebied: erf dat geen
onderdeel is van het achtererfgebied;
voorgevelrooilijn:
voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de
beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;
woonwagen: voor bewoning bestemd
gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op
een daartoe bestemd perceel is geplaatst.
2. Tenzij anders bepaald, worden de
waarden die in deze bijlage in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende
wijze gemeten:
a. afstanden loodrecht,
b. hoogten vanaf het aansluitend
afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere
verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan
de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw
daarvan, buiten beschouwing blijven, en
c. maten buitenwerks, waarbij
uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m
buiten beschouwing blijven.
3. Bij de toepassing van het tweede
lid, aanhef en onderdeel b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich
bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het
aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Hoofdstuk II. Categorieën gevallen
waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen
omgevingsvergunning is vereist
Artikel 2
Een omgevingsvergunning voor activiteiten
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet is niet
vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
1. gewoon onderhoud, voor zover
detaillering, profilering en vormgeving niet wijzigen;
2. werkzaamheden ingevolge een
besluit als bedoeld in artikel 13, 13a of 14 van de Woningwet;
3. een op de grond staand bijbehorend
bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende
eisen:
a. voor zover op een afstand van
niet meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet
hoger dan:
1°. 4 m,
2°. 0,3 m boven de bovenkant
van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het
hoofdgebouw, en
3°. het hoofdgebouw,
b. voor zover op een afstand van
meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
1°. niet hoger dan 3 m,
2°. de oppervlakte van
vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand
van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m2,
3°. als gevolg van het
bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van
vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van
meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer
dan 30 m2, en
4°. functioneel
ondergeschikt aan het hoofdgebouw,
c. op een afstand van meer dan 1
m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke
eisen van welstand van toepassing zijn,
d. niet voorzien van een
dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen
buitenruimte,
e. het bij het oorspronkelijk
hoofdgebouw behorende achtererfgebied als gevolg van het
bijbehorende bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd, en
f. niet aan of bij:
1°. een woonwagen,
2°. een hoofdgebouw waarvoor
in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald
dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag
worden gehouden, of
3°. een bouwwerk ten behoeve
van recreatief nachtverblijf door één huishouden;
4. een dakkapel in het achterdakvlak
of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak,
mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. voorzien van een plat dak,
b. gemeten vanaf de voet van de
dakkapel niet hoger dan 1,75 m,
c. onderzijde meer dan 0,5 m en
minder dan 1 m boven de dakvoet,
d. bovenzijde meer dan 0,5 m
onder de daknok,
e. zijkanten meer dan 0,5 m van
de zijkanten van het dakvlak, en
f. niet op:
1°. een woonwagen,
2°. een gebouw waarvoor in
de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald
dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag
worden gehouden, of
3°. een bouwwerk ten behoeve
van recreatief nachtverblijf door één huishouden;
5. een dakraam, daklicht, lichtstraat
of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, mits wordt voldaan
aan de volgende eisen:
a. indien in het achterdakvlak,
een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of
een plat dak, de constructie niet meer dan 0,6 m buiten het
dakvlak respectievelijk het platte dak uitsteekt,
b. indien in een ander dakvlak
dan bedoeld in onderdeel a,
1°. de constructie niet
buiten het dakvlak uitsteekt, of
2°. ingeval geen redelijke
eisen van welstand van toepassing zijn, de constructie niet
meer dan 0,6 m buiten het dakvlak uitsteekt, en
c. zijkanten meer dan 0,5 m van
de randen van het dakvlak of het platte dak;
6. een collector voor warmteopwekking
of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, mits wordt
voldaan aan de volgende eisen:
a. indien op een schuin dak:
1°. binnen het dakvlak,
2°. in of direct op het
dakvlak, en
3°. hellingshoek gelijk aan
hellingshoek dakvlak,
b. indien op een plat dak:
afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan
hoogte collector of paneel, en
c. indien de collector of het
paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het
opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte
elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een
bouwwerk is geplaatst;
7. een kozijn, kozijninvulling of
gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar
toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel
in een gevel van een bijbehorend bouwwerk;
8. een zonwering, rolhek, luik of
rolluik aan of in een gebouw, mits bij een rolhek, luik of rolluik
in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde
zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw,
wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. geplaatst aan de binnenzijde
van de uitwendige scheidingsconstructie, en
b. voor ten minste 75% voorzien
van glasheldere doorkijkopeningen;
9. een afscheiding tussen balkons of
dakterrassen;
10. tuinmeubilair, mits niet hoger
dan 2,5 m;
11. een sport- of speeltoestel voor
uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de volgende
eisen:
a. niet hoger dan 2,5 m, en
b. uitsluitend functionerend met
behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;
12. een erf- of perceelafscheiding,
mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 1 m, of
b. niet hoger dan 2 m, en
1°. op een erf of perceel
waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of
perceelafscheiding in functionele relatie staat,
2°. achter de
voorgevelrooilijn, en
3°. op meer dan 1 m van
openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen
van welstand van toepassing zijn;
13. een constructie voor het
overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die
niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein;
14. een vlaggenmast op een erf, mits
wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 6 m, en
b. maximaal één mast per erf;
15. een antenne-installatie ten
behoeve van mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met
inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een zodanige
antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld in onderdeel
a, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. indien op of aan een
hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast,
windmolen, sirenemast dan wel een niet van een bouwwerk deel
uitmakende schoorsteen, of op een antenne-installatie als
bedoeld in onderdeel 16 dan wel een antenne-installatie voor het
bouwen waarvan een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, onder a, van de wet is vereist:
1°. de antenne, met
antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m, en
2°. de antenne hoger
geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk
aansluitende afgewerkt terrein,
b. indien op of aan een ander
bouwwerk, dan bedoeld in onderdeel a:
1°. de antenne, met
antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m,
of
2°. de antenne, met
antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien bevestigd
aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop
de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet
hoger dan 5 m, en:
a. de antenne, met
antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het
bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein,
b. de bedrading in of direct
langs de antennedrager of inpandig is aangebracht, dan wel
in een kabelgoot, mits deze kabelgoot meer dan 1 m achter de
voorgevel is geplaatst, en
c. de antennedrager bij
plaatsing op het dak van een gebouw:
1°. aan of bij een op het
dak aanwezig object geplaatst,
2°. in het midden van het
dak geplaatst, of
3°. elders op het dak
geplaatst, mits de afstand in m tot de voorgevel van het
bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte
waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten
vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot
aan de voet van de antenne, met antennedrager;
16. een antenne-installatie met
bijbehorend opstelpunt ten behoeve van de C2000-infrastructuur voor
de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten;
17. een andere antenne-installatie
dan bedoeld in de onderdelen 15 en 16, mits wordt voldaan aan de
volgende eisen:
a. de antenne-installatie achter
de voorgevelrooilijn geplaatst,
b. indien het een schotelantenne
betreft:
1°. de doorsnede van de
antenne niet meer dan 2 m, en
2°. de antenne, met
antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m, of
c. indien het een andere antenne
betreft dan bedoeld in onderdeel b: de antenne, met
antennedrager, gemeten vanaf de voet, of indien deze is
bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de
antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5
m;
18. een bouwwerk ten behoeve van een
infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:
a. een bouwwerk ten behoeve van
een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de
luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits
wordt voldaan aan de volgende eisen:
1°. niet hoger dan 3 m, en
2°. de oppervlakte niet meer
dan 15 m2,
b. een bouwwerk, geen gebouw
zijnde, ten behoeve van het weren van voorwerpen die de
veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in
gevaar kunnen brengen, ten behoeve van de beveiliging van een
weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein,
of ten behoeve van verkeersregeling, verkeersgeleiding,
wegaanduiding, het opladen van accu’s van voertuigen met een
elektromotor als hoofdmotor, verlichting of tolheffing,
c. bovenleidingen met de
bijbehorende draagconstructies of seinpalen,
d. ondergrondse buis- en
leidingstelsels, met uitzondering van een buisleiding als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe
veiligheid buisleidingen,
e. een container voor het
inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel
1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, mits wordt voldaan aan
de volgende eisen:
1°. niet hoger dan 2 m, en
2°. indien bovengronds
geplaatst: de oppervlakte niet meer dan 4 m2,
f. een elektronische sirene ten
behoeve van het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of
de dreiging daarvan, alsmede de daarbij behorende
bevestigingsconstructie,
g. straatmeubilair;
19. een magazijnstelling die
uitsluitend steunt op een vloer van het gebouw waarin zij wordt
geplaatst, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet lager dan 3 m en niet
hoger dan 8,5 m, en
b. de magazijnstelling niet is
voorzien van een verdiepingsvloer of loopbrug;
20. een bouwkeet, bouwbord, steiger,
heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die
functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een
tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een
tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels
milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de
onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of
werkzaamheid wordt uitgevoerd;
21. een ander bouwwerk in voor- of
achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 1 m,
b. de oppervlakte niet meer dan 2
m2, en
c. het voor- of achtererfgebied
als gevolg van het bouwwerk voor niet meer dan 50% bebouwd.
Hoofdstuk III. Categorieën gevallen
waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist
Artikel 3
Een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet
is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
1. een op de grond staand bijbehorend
bouwwerk in achtererfgebied, mits niet hoger dan 5 m;
2. een op de grond staand bouwwerk
ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de
volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan
70 m2;
3. een dakkapel in het voordakvlak of
een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt
voldaan aan de volgende eisen:
a. redelijke eisen van welstand
zijn niet van toepassing;
b. voorzien van een plat dak,
c. gemeten vanaf de voet van de
dakkapel niet hoger dan 1,75 m,
d. onderzijde meer dan 0,5 m en
minder dan 1 m boven de dakvoet,
e. bovenzijde meer dan 0,5 m
onder de daknok, en
f. zijkanten meer dan 0,5 m van
de zijkanten van het dakvlak;
4. een sport- of speeltoestel anders
dan voor uitsluitend particulier gebruik, mits wordt voldaan aan de
volgende eisen:
a. niet hoger dan 4 m, en
b. uitsluitend functionerend met
behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;
5. een zwembad, whirlpool, jacuzzi of
vijver op het erf bij een woning of woongebouw, mits deze niet van
een overkapping is voorzien;
6. een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor
zover het betreft:
a. een voeder- of mestsilo, of
b. een ander bouwwerk niet hoger
dan 2 m;
7. een buisleiding als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid
buisleidingen;
8. een verandering van een bouwwerk,
mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. geen verandering van de
draagconstructie,
b. geen verandering van de
brandcompartimentering of subbrandcompartimentering,
c. geen uitbreiding van de
bebouwde oppervlakte, en
d. geen uitbreiding van het
bouwvolume.
Hoofdstuk IIIa. Categorieën gevallen
waarin voor activiteiten met betrekking tot een beschermd monument geen
omgevingsvergunning is vereist
Artikel 3a
Een omgevingsvergunning voor een
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet
is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:
1. gewoon onderhoud als bedoeld in
artikel 2, onderdeel 1, voor zover ook materiaalsoort en kleur niet
wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet
wijzigt, of
2. een activiteit die uitsluitend
leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument
dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
Hoofdstuk IV. Categorieën gevallen
waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning
als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet
kan worden verleend
Artikel 4
Voor verlening van een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid,
onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk:
a. binnen de bebouwde kom,
b. buiten de bebouwde kom, mits
wordt voldaan aan de volgende eisen:
1°. niet hoger dan 5 m,
tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte
constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
2°. de oppervlakte niet meer
dan 150 m2, en
3°. het bouwen niet tot
gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50%
wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van
het bestemmingsplan of de beheersverordening voor bebouwing
in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden;
2. een gebouw ten behoeve van een
infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2,
onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel
genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan
50 m²;
3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 10 m, en
b. de oppervlakte niet meer dan
50 m²;
4. een dakkapel, dakopbouw of
gelijksoortige uitbreiding van een gebouw;
5. een antenne-installatie, mits niet
hoger dan 40 m;
6. een installatie bij een
glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7. een installatie bij een agrarisch
bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het
bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede
lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen
eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven
bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50
gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van
dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8. het gebruiken van gronden of
bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per
jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het
opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement
hieronder begrepen;
9. het gebruiken van bouwwerken, al
dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits wordt
voldaan aan de volgende eisen:
a. binnen de bebouwde kom, en
b. de oppervlakte niet meer dan
1500 m²;
10. het gebruiken van een
recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende
eisen:
a. de recreatiewoning voldoet aan
de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning
gestelde eisen;
b. de bewoning niet in strijd is
met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet
geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet
geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet
concentratiegebieden,
c. de bewoner op 31 oktober 2003
de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien
onafgebroken bewoont, en
d. de bewoner op 31 oktober 2003
meerderjarig was.
Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen
Artikel 4a
1. Onverminderd artikel 5, zijn de
artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die
plaatsvindt in, aan, op of bij een beschermd monument als bedoeld in
artikel 1, onder d, van de Monumentenwet 1988, een monument waarop
artikel 5 van die wet van toepassing is, een krachtens een provinciale
of gemeentelijke verordening aangewezen monument dan wel een monument
waarop, voordat het is aangewezen, een zodanige verordening van
overeenkomstige toepassing is, voor zover het een activiteit betreft
als bedoeld in:
a. artikel 2, onderdelen 1 en 2, of
b. artikel 2, onderdelen 4 tot en
met 21, of artikel 3, onderdelen 4 tot en met 8:
1°. in, aan of op een
onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van
monumentenzorg geen waarde heeft, of
2°. bij een monument.
2. Onverminderd artikel 5, zijn de
artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die
plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor zover het
een activiteit betreft als bedoeld in:
a. artikel 2, onderdelen 1 en 2, of
b. artikel 2, onderdelen 3 tot en
met 21, of artikel 3 voor zover het betreft:
1°. inpandige veranderingen,
2°. een verandering van een
achtergevel of achterdakvlak, mits die gevel of dat dakvlak
niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd,
3°. een bouwwerk op erf aan de
achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel
uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet
naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, of
4°. een bouwwerk op gronden
die onderdeel zijn van openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 5
1. Bij de toepassing van de artikelen
2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk.
2. De artikelen 2 en 3 zijn niet van
toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een
bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt
gebruikt.
3. Artikel 2, onderdeel 3, is evenmin
van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in:
a. een in het bestemmingsplan of de
beheersverordening opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone
of B-zone, rondom een munitieopslag of een inrichting voor
activiteiten met ontplofbare stoffen;
b. een ander gebied waarin die
activiteit op grond van het bestemmingsplan of de
beheersverordening niet is toegestaan vanwege het overschrijden
van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de
aanwezigheid van een inrichting, transportroute of buisleiding dan
wel vanwege de ligging in een belemmeringenstrook ten behoeve van
het onderhoud van een buisleiding.
4. Artikel 3, onderdelen 1 en 2, is
evenmin van toepassing voor zover voor het bouwwerk waarop de
activiteit betrekking heeft krachtens het bestemmingsplan regels
gelden die met toepassing van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 in
het belang van de archeologische monumentenzorg zijn gesteld, tenzij
de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2bedraagt.
5. Artikel 3, onderdeel 8, is evenmin
van toepassing op een activiteit die tevens een activiteit is als
bedoeld in artikel 2 of 3, onderdelen 1 tot en met 7, maar niet
voldoet aan de in die artikelen ten aanzien van die activiteit
gestelde eisen.
Artikel 6
Indien het hoofdgebouw geen woning is,
maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen
aanwezig zijn, wordt:
a. bij de toepassing van artikel 2,
onderdeel 3, en artikel 3, onderdelen 1 en 6, het achtererfgebied
bepaald door het gebouw waarvan de voorkant het dichtst is gelegen
bij openbaar toegankelijk gebied;
b. een op het perceel aanwezige
woning voor de toepassing van artikel 2, onderdeel 3, onder a,
tevens als hoofdgebouw aangemerkt.
Artikel 7
Indien een bijbehorend bouwwerk als
bedoeld in artikel 2, onderdeel 3, bestaat uit een deel dat op meer, en
een deel dat op minder dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is
gelegen en zich geen inwendige scheidingsconstructie bevindt tussen
beide delen, is op het deel dat op minder dan 2,5 m van het
oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 2, onderdeel 3, onder b,
onderdeel 4°, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk VI. Overgangsrecht
Artikel 8
Een omgevingsvergunning voor activiteiten
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet is niet
vereist, indien die activiteiten betrekking hebben op het bouwen van een
bouwwerk dat reeds was aangevangen voor de inwerkingtreding van de wet
en op het tijdstip waarop met dat bouwen is begonnen daarvoor krachtens
de Woningwet geen bouwvergunning was vereist.
Bijlage III. Behorende bij artikel 6.3,
tweede lid
Aanwijzing van categorieën inrichtingen
ten aanzien waarvan de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld advies
uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een
omgevingsvergunning
In deze bijlage wordt verstaan onder:
a. productie-,verwerkings-,
waterverdampings- of smeltcapaciteit:
1°. in de omgevingsvergunning
voor de betrokken inrichting omschreven productie-, verwerkings-,
waterverdampings- of smeltcapaciteit, onderscheidenlijk
2°. indien een
omgevingsvergunning geen omschrijving als bedoeld onder 1°
bevat: maximale productie-, verwerkings-, waterverdampings- of
smeltcapaciteit van de in de betrokken inrichting opgestelde
installaties en voorzieningen;
b. jaarproductie: totaal
gerealiseerde productie over het kalenderjaar, voorafgaand aan het
verslagjaar.
1. Inrichtingen die behoren tot de
categorieën inrichtingen, genoemd in bijlage I onder:
2.6, onder b;
5.3, onder b;
6.2, onder a of b;
7.4;
8.2, onder a of b;
9.3, onder g of h;
11.3, onder c, onder 1°, 4° of 6°,
of onder d;
12.2, onder a;
16.3, onder b;
24.2;
28.4, onder e of f.
2. Pomp- en distributiestations ten
behoeve van aardolie- of aardgaswinning die behoren tot de categorie
inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder a, vanbijlage I.
3. Elektriciteitscentrales voor zover
het betreft inrichtingen waarin brandstoffen worden verstookt in
één of meerdere installaties, met in totaal een thermisch vermogen
van 300 Mw of meer, waarbij onder thermisch vermogen wordt verstaan:
warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstoffen die per
tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie.
4. Luchtvaartterreinen als bedoeld in
artikel 1, onder g, van de Luchtvaartwet, die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder c, van bijlage I .
5. Inrichtingen voor het vervaardigen
van:
a. organische chemicaliën,
b. anorganische chemicaliën, of
c. fosfaat-,stikstof- of
kaliumhoudende meststoffen
met een verwerkings-of
productiecapaciteit van 100.000 ton of meer.
6. Inrichtingen voor het vervaardigen
van:
a. producten voor
gewasbescherming en biociden,
b. farmaceutische producten, die
via een chemisch of biologisch procedé tot stand komen, of
c. explosieven,
met een verwerkings- of
productiecapaciteit van 20.000 ton per jaar of meer.
7. Inrichtingen bestemd voor het
bewerken of verwerken van chemische producten, met inbegrip van
elastomeren, peroxiden, alkenen en stikstofverbindingen, met een
productiecapaciteit van 50.000 ton per jaar of meer.
8. Bierbrouwerijen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 1.3, onder a of b, of onder
27.3, van bijlage I.
9. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 9.3, onder a, van bijlage I
met een waterverdampingscapaciteit van 250.000 ton per jaar of meer.
10. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 9.3, onder i, van bijlage I
met een productiecapaciteit van 25 ton per uur of meer.
11. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 11.3, onder b, van bijlage I
met een capaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.
12. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 11.3, onder e, van bijlage I
met een smeltcapaciteit van 150.000 ton per jaar of meer.
13. Inrichtingen voor de secundaire
vervaardiging van non-ferrometalen of legeringen daarvan met een
productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.
14. Inrichtingen die behoren tot de
categorieën inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder b, c, e, f of
g, van bijlage I met een productieoppervlak van 250.000 m2 of meer.
15. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder d, van bijlage I
met een productieoppervlak van 250.000 m2 of meer.
16. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder h, van bijlage I:
– voor het smelten van
non-ferrometalen of legeringen daarvan met een
productiecapaciteit van 15.000 ton per jaar of meer en een
jaarproductie van 5.000 ton of meer,
– voor het gieten van ijzer met
een jaarproductie van 5.000 ton of meer, of
– voor het gieten van
non-ferrometalen met een jaarproductie van 4.000 ton of meer.
17. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 12.2, onder i, van bijlage I
met een productiecapaciteit van 100.000 ton per jaar of meer.
18. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 13.3, onder a, van bijlage I
met een jaarproductie voor het vervaardigen of assembleren van
10.000 of meer automobielen of motoren voor automobielen.
19. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 13.3, onder b, van bijlage I,
voor zover het betreft scheepswerven met een doklengte van 200 meter
of meer, waar straal- of conserveringswerkzaamheden in de open lucht
plaatsvinden.
20. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 16.1, onder a, van bijlage I
en die tevens behoren tot de categorie inrichtingen, genoemd onder
1.3, onder b, van bijlage I.
21. Inrichtingen die behoren tot de
categorie inrichtingen, genoemd onder 27.3 van bijlage I met een
capaciteit van 250.000 inwonerequivalenten of meer.
22. Inrichtingen waarin zich een
verbrandingsinstallatie bevindt als bedoeld in artikel 12, tweede
lid, eerste volzin, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000
betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332).
23. Inrichtingen als bedoeld in
artikel 4 of aangewezen krachtens artikel 7 van het Besluit risico’s
zware ongevallen 1999.
|