BESLUIT van 5 september 1978, houdende vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 8, vierde
lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk van 16 mei 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en
Vervolgden, nr. 58001 I;
Gelet op artikel 8, vierde lid, van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493);
Gezien de adviezen van de Buitengewone
Pensioenraad en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli
1978, nr. 17);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris voornoemd van 29 augustus 1978, nr. 64542;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. "de Wet": de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb.
1986, 575);
b. "de belanghebbende": de deelnemer aan het verzet in
de zin van artikel 1, eerste lid, der wet, alsmede degene die
behoort tot een der categorieën van personen, bedoeld in artikel 1,
tweede lid, der wet, op wie artikel 8, vierde lid, der wet van
toepassing is;
c. "pensioengrondslag": de pensioengrondslag, bedoeld
in artikel 8, vierde lid, der wet.
Artikel 2
De pensioengrondslag van de belanghebbende, wiens onderwijs is
beperkt gebleven tot basisonderwijs, wordt vastgesteld op € 1225,21,
tenzij de leeftijd van de belanghebbende, zijn verworven bekwaamheid en
persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag, duidelijke redenen
vormen om van dat bedrag af te wijken.
Artikel 3
Bij de vaststelling van de pensioengrondslag wordt, indien sprake is
van lager of middelbaar beroepsonderwijs, dan wel van algemeen
voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, uitgegaan van
het inkomen, dat de belanghebbende bij voltooiing van vorenvermeld
onderwijs in het jaar van indiening van de in artikel 24, eerste lid,
der wet bedoelde aanvraag uit arbeid in een met de opleiding
overeenstemmend beroep en/of functie zou hebben verdiend.
Artikel 4
1. Indien de belanghebbende hoger beroepsonderwijs dan wel
wetenschappelijk onderwijs heeft voltooid, wordt bij de vaststelling
van de pensioengrondslag uitgegaan van het inkomen dat deze, gezien de
aard van het onderwijs en de gekozen studierichting, in het jaar van
indiening van de in artikel 24, eerste lid, der wet bedoelde aanvraag
uit arbeid in beroep en/of functie zou hebben verdiend.
2. Indien de belanghebbende het in het eerste lid bedoelde
onderwijs niet heeft kunnen voltooien, kan de pensioengrondslag, gezien
de aard en de duur van het onderwijs en de gekozen studierichting, en
mede gezien zijn leeftijd, verworven bekwaamheid en persoonlijke
instelling ten tijde van de aanvraag, worden vastgesteld als ware dit
onderwijs voltooid.
Artikel 5
Indien de belanghebbende na beëindiging van het al dan niet
voltooide onderwijs, arbeid heeft aanvaard, welke niet in
overeenstemming is met het niveau van het gevolgde onderwijs en de
belanghebbende uit die arbeid een inkomen geniet of heeft genoten, dat
in het jaar van indiening van de in artikel 24, eerste lid, der wet
bedoelde aanvraag minder bedraagt of zou hebben bedragen dan het inkomen
dat hij op grond van dat onderwijs redelijkerwijs in bedoeld jaar zou
hebben kunnen verdienen, kan de pensioengrondslag worden vastgesteld,
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4.
Artikel 6
De pensioengrondslag, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5, wordt
overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, zevende lid, der wet, afgeleid
van het jaarbedrag, dat wordt verkregen door de inkomsten, die in het
jaar van indiening van de in artikel 24, eerste lid, der wet bedoelde
aanvraag door de belanghebbende zouden zijn genoten uit arbeid in beroep
of bedrijf, kinderbijslag of kindertoeslag daarin niet begrepen, te
herleiden tot een inkomen ten tijde van het in werking treden van de
wet, met toepassing van het percentage, waarmede het peil der
buitengewone pensioenen is aangepast als rekenfactor.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot 1 januari 1978.
Lasten en bevelen, dat dit besluit en de
bijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 5 september 1978
JULIANA
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk,
J.G. Kraaijeveld-Wouters
De Minister van Financiën,
F.H.J.J. Andriessen
De Staatssecretaris van Sociale Zaken,
L. de Graaf
Uitgegeven de negende november 1978
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter