| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen 1940-1945 (WBP)
BESLUIT
EX ARTIKEL 11a WET BUITENGEWOON
PENSIOEN 1940-1945
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 februari 1972 tot uitvoering van
artikel 11a der Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk van 12 januari 1972, Afdeling Buitengewone
Pensioenen en Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (A.O.R.),
nr. U 7310, mede namens Onze Minister van Financiën en de
Staatssecretaris van Sociale Zaken;
Gelet op de artikelen 3, 11a en 46 van
de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313);
Gezien de adviezen van de Buitengewone
Pensioenraad en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 26
januari 1972, nr. 16);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris voornoemd van 18 februari 1972, nr. 7563;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1986, 575);
Onze Minister: Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in
hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
de belanghebbende: de deelnemer aan het verzet in de zin van artikel
1, eerste lid, van de wet, alsmede degene die behoort tot een van de
categorieën van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.
Artikel 2
De behandeling en verpleging als bedoeld in artikel 11a der wet,
omvat naast genees- en heelkundige voorzieningen, voorzieningen van
medisch-sociale aard alsmede al hetgeen geacht kan worden dienstig te
zijn voor het herstel, het behoud of de bevordering van de geschiktheid
tot werken, voor zover die geschiktheid is verminderd ten gevolge van
verwonding, verminking, ziekten of gebreken, welke het recht op
buitengewoon pensioen hebben doen ontstaan.
Artikel 3
1.De kosten van de in artikel 2 bedoelde behandeling en verpleging
worden slechts vergoed, indien en voor zover de belanghebbende niet op
grond van andere voorschriften of krachtens overeenkomst op volledige
of gedeeltelijke vergoeding van die kosten aanspraak kan maken.
Daarbij wordt de in het derde lid bedoelde vaste vergoeding niet in
aanmerking genomen.
2.Behoudens de in het derde lid bedoelde vaste vergoeding wordt de
vergoeding voor behandeling en verpleging verleend volgens door Onze
Minister te stellen regelen.
3.Voor de bestrijding van kosten van voorzieningen van
medisch-sociale aard wordt aan de belanghebbende, die een
vermeerdering, bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet, geniet,
jaarlijks een vaste vergoeding toegekend van € 1361,34. Deze
vergoeding wordt in maandelijkse termijnen van € 113,45 uitbetaald.
Het recht op deze vergoeding gaat in op de eerste dag van de maand
waarin bedoelde vermeerdering wordt toegekend, en eindigt met het
einde van de maand, waarin de belanghebbende is overleden.
Artikel 4 [Vervallen per 01-01-1977]
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2011]
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst,
en werkt terug tot 1 januari 1970.
Onze Minister van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in
het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal
worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 21 februari 1972
JULIANA
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk,
S. van Veenendal-Van Meggelen
Uitgegeven de eenentwintigste maart 1972
De Minister van Justitie,
Van Agt
|
|
|