| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen 1940-1945 (WBP)
BESLUIT
EX ARTIKEL 24 en 46 WET
BUITENGEWOON PENSIOEN 1940-1945
Tekst zoals deze geldt op
11 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 16 maart 1951, houdende vaststelling van
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 24,
eerste lid, en 46 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Binnenlandse Zaken,
van Financiėn en van Sociale Zaken van 18 Januari 1951, afdeling
Maatschappelijke Zorg II, bureau 4, nr. 30162;
Gelet op de artikelen 3 en 46 van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H 313);
Gezien de adviezen van de Buitengewone
Pensioenraad en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 6
Februari 1951, nr. 26);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 14 Maart 1951, afdeling Maatschappelijke Zorg II, bureau
4, nr. 32430;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
de wet: de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1986,
575);
de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, genoemd in artikel 2 van de
Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1990, 324);
pensioen: buitengewoon pensioen te verlenen krachtens de wet;
deelnemer: de deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1,
eerste lid, van de wet, alsmede degene die behoort tot een van de
categorieėn van personen, bedoeld in artikel 1, tweede lid, der wet;
gewezen echtgenote: de vrouw, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van
de wet;
gewezen echtgenoot: de man, bedoeld in artikel 14, vierde lid, eerste
volzin, onder b, van de wet.
Artikel 2
Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen
behoren te worden overgelegd:
1. de gegevens, nodig voor het vaststellen van de
pensioengrondslag van de deelnemer. Deze gegevens, waarvan de
juistheid met bewijsstukken gestaafd dan wel op andere wijze
aangetoond dient te worden, worden verstrekt op een daartoe door de
Raad vastgesteld formulier;
2. een extract uit het geboortenregister betreffende de
deelnemer.
Artikel 3
Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen als
bedoeld in artikel 4 der wet (deelnemer) worden bovendien overgelegd:
1. een verklaring van de deelnemer, houdende mededelingen omtrent
het ontstaan dan wel de verergering van de verwonding, verminking,
ziekten of gebreken, op grond waarvan hij aan de wet recht op
pensioen meent te kunnen ontlenen;
2. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit
vermogen van hem, die aanspraak op toekenning van pensioen meent te
kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het
tijdstip van indiening van de aanvrage.
Artikel 4
Bij een aanvrage om in het genot te worden gesteld van pensioen als
bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, der wet (de weduwe
onderscheidenlijk de gewezen echtgenote van een deelnemer) dan wel
artikel 14, vierde lid, der wet (de weduwnaar of de gewezen echtgenoot
van de vrouwelijke deelnemer) worden bovendien overgelegd:
1. een extract uit het register van huwelijken en echtscheidingen
afgegeven ną het overlijden van de deelnemer, door de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente, waar het huwelijk voltrokken
is of is ingeschreven;
2. een extract uit het overlijdensregister betreffende de
deelnemer;
3. een extract uit het geboortenregister betreffende degene die
aanspraak maakt op pensioen;
4. een opgave van de inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of uit
vermogen van degene, die aanspraak op toekenning van pensioen meent
te kunnen doen gelden, geschat per jaar naar de toestand op het
tijdstip van indiening van de aanvrage.
Artikel 5 [Vervallen per 24-06-1994]
Artikel 6
Bij een aanvrage om pensioen ten behoeve van de wettige kinderen,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, en tweede lid, der
wet worden bovendien overgelegd:
1. de in artikel 4, onder 1 en 2, vermelde stukken, voorzover die
niet reeds zijn overgelegd ingevolge het bepaalde in dat artikel;
2. extracten uit het geboortenregister betreffende die kinderen;
3. zo mogelijk een gewaarmerkt afschrift van de akte van
benoeming tot en beėdiging als voogd(es) over die kinderen.
Artikel 7
Bij een aanvrage om toekenning van pensioen aan natuurlijke kinderen
als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b en c der
wet en aan de met wettige kinderen gelijkgestelde kinderen als bedoeld
in artikel 15, vierde lid, der wet, worden bovendien overgelegd:
1. extracten uit het register van huwelijken en echtscheidingen,
afgegeven ną het overlijden door de ambtenaar van de burgerlijke
stand van de gemeente waar het huwelijk is voltrokken of is
ingeschreven, alsmede extracten uit het overlijdensregister, een en
ander betreffende de deelnemer op wiens overlijden de aanspraak op
pensioen wordt gegrond;
2. extracten uit het geboortenregister van elk der kinderen;
3. een gewaarmerkt afschrift van de akte van benoeming tot en
beėdiging als voogd(es) over de hierbedoelde kinderen;
4. met betrekking tot de met wettige kinderen gelijkgestelde
kinderen als bedoeld in artikel 15, vierde lid, der wet, een
verklaring van de burgemeester, dat bedoelde kinderen op het
tijdstip van overlijden van de deelnemer op diens kosten werden
opgevoed en na diens overlijden geen kostwinner hadden.
Artikel 8
Bij een aanvrage om pensioen ten behoeve van een ouderloos kleinkind
als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder e, der wet worden
bovendien overgelegd:
1. de in artikel 7, onder 1, 2 en 3, vermelde stukken;
2. een extract uit het geboortenregister betreffende de vader of
de moeder die afstamt van de deelnemer;
3. een verklaring van de Burgemeester dat de overleden deelnemer
kostwinner was van het hierbedoeld ouderloos kleinkind.
Artikel 9
Bij een aanvrage om pensioen van ouders, grootouders of schoonouders
als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d en f, der
wet worden bovendien overgelegd:
1. de in artikel 7, onder 1, vermelde stukken;
2. extracten uit het geboortenregister betreffende elk der
ouders, grootouders of schoonouders;
3. een extract uit het register van huwelijken en echtscheidingen
van de ouders, grootouders of schoonouders, afgegeven ną het
overlijden van de deelnemer op wiens overlijden de aanspraak op
pensioen wordt gegrond, door de ambtenaar van de burgerlijke stand
der gemeente, waar het huwelijk is voltrokken of is ingeschreven;
4. gegevens, waaruit blijkt, dat de overleden deelnemer hun
kostwinner was;
5. een opgave van de inkomsten van de ouders, grootouders of
schoonouders geschat per jaar, naar de toestand op het tijdstip van
indiening van de aanvrage;
6. met betrekking tot de grootouders, als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, onder d, der wet, een extract uit het
geboortenregister van de van hem afstammende zoon of dochter die de
vader of moeder is van de deelnemer.
Artikel 10
De vergoedingen aan personen, die voor de Raad, op diens uitnodiging,
zijn verschenen voor het geven van inlichtingen komen ten laste van het
Rijk; zij wordt gedeclareerd bij de Raad.
Artikel 10a
1. In de verklaring van de Stichting 1940-1945, bedoeld in
artikel 24, tweede lid, tweede volzin, van de wet, wordt tot
uitdrukking gebracht het aandeel van de deelnemer in het binnenlands
verzet en zo mogelijk de reden, de toedracht en de datum van
arrestatie.
2. De verklaring bevat ten minste gegevens, welke de Stichting
1940-1945 bekend zijn omtrent bijzondere omstandigheden, welke zich in
verband met en als gevolg van het verzet hebben voorgedaan, zomede met
betrekking tot de vraag, of de deelnemer tijdens de bezetting of in
aansluiting daarop in verband met het verzet drie maanden of langer in
gevangenschap heeft doorgebracht dan wel in verband met de aard van zijn
verzetsactiviteiten aan buitengewoon zware en langdurige spanningen
heeft blootgestaan.
Artikel 11
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die der
dagtekening van het Staatsblad waarin het geplaatst is.
Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van
Financiėn en van Sociale Zaken zijn, ieder voorzoveel hem aangaat,
belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden toegezonden aan de
Raad van State, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Buitengewone
Pensioenraad.
Soestdijk, 16 Maart 1951
JULIANA
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J.H. van Maarseveen
De Minister van Financiėn,
P. Lieftinck
De Minister van Sociale Zaken,
A.M. Joekes
Uitgegeven de tiende April 1951
De Minister van Justitie,
H. Mulderije
|
|
|