BESLUIT van 16 juni 2004, houdende regeling
betreffende het vervallen van de causaliteitseis voor de toekenning van
een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen en
het voortzetten van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten
van voorzieningen na het overlijden van de gerechtigde in de wetten voor
oorlogsgetroffenen (Besluit vervallen causaliteit en voortzetting
voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 3 mei 2004, kenmerk OHW-U-2475721;
Gelet op artikel 11a, tweede en derde
lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 3, zevende en
achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 15, tweede en derde lid, van de
Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel 21a, tweede en
derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en
artikel 33a, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 25 mei
2004, nr. W13.04.0169/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2004,
kenmerk OHW-U-2486973;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Het vervallen van de causaliteitseis, bedoeld in artikel
11a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, artikel
3, zevende lid, van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers en artikel 15, tweede lid, van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet, heeft betrekking op:
a. de vergoeding van de kosten van maximaal 4 uur huishoudelijke
hulp per week;
b. de vergoeding van de kosten van het vervoer voor het onderhouden
van sociale contacten.
2. De vergoeding, genoemd in het eerste lid, wordt alleen
toegekend indien hiertoe een medische noodzaak bestaat en de gerechtigde
de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
Artikel 2
1. Het vervallen van de causaliteitseis, bedoeld in artikel
21a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945
en artikel 33a, eerste lid, van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, heeft betrekking op:
a. de vergoeding van of de tegemoetkoming in de kosten van maximaal
4 uur huishoudelijke hulp per week;
b. de vergoeding van de kosten van het vervoer voor het onderhouden
van sociale contacten;
c. de vergoeding van de kosten van extra vakantie;
d. de tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het
maatschappelijk verkeer.
2. De vergoeding of de tegemoetkoming, genoemd in het eerste lid,
wordt alleen toegekend indien hiertoe een medische noodzaak of
medisch-sociale wenselijkheid bestaat en de gerechtigde de leeftijd van
70 jaar heeft bereikt.
Artikel 3
1. De voortzetting, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de
Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, artikel 3, achtste lid, van de
Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 15,
derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel
21a, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945
en artikel 33a, tweede lid, van de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, heeft betrekking op de door de
overleden partner gedurende een jaar voor het overlijden ontvangen:
a. vergoeding van of tegemoetkoming in de autokosten;
b. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor
het onderhouden van sociale contacten;
c. vergoeding van of tegemoetkoming in de telefoonkosten;
d. tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk
verkeer;
e. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten voor
huishoudelijke hulp;
f. vergoeding van of tegemoetkoming in de huurkosten;
g. vergoeding als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en artikel 32, vierde
lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
2. De in het eerste lid, onder a tot en met g, genoemde
vergoeding of tegemoetkoming wordt ook voortgezet indien de toekenning
daarvan met terugwerkende kracht over het jaar voorafgaand aan het
overlijden van de partner heeft plaatsgevonden en er gedurende dat jaar
ter zake daadwerkelijk kosten zijn gemaakt.
Artikel 4
1. De in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met d, genoemde
vergoeding of tegemoetkoming wordt gedurende 3 maanden voortgezet.
2. De in artikel 3, eerste lid, onder e, genoemde vergoeding of
tegemoetkoming wordt gedurende 1 jaar voortgezet.
3. De in artikel 3, eerste lid, onder f, genoemde vergoeding of
tegemoetkoming wordt gedurende 5 jaar voortgezet.
4. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding
wordt gedurende 5 jaar voortgezet.
5. De in artikel 3, eerste lid, onder e en f, genoemde vergoeding
of tegemoetkoming wordt, in afwijking van de termijn genoemd in
respectievelijk het tweede en derde lid, beëindigd wanneer de weduwe of
weduwnaar in het huwelijk treedt.
6. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding
wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het vierde lid, beëindigd
wanneer de weduwe of weduwnaar in het huwelijk treedt.
7. De in artikel 3, eerste lid, onder f, genoemde vergoeding of
tegemoetkoming wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het derde
lid, beëindigd wanneer de weduwe of weduwnaar vrijwillig verhuist.
8. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding
wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het vierde lid, beëindigd
wanneer de weduwe of weduwnaar verhuist naar zelfstandige huisvesting,
dan wel naar een inrichting voor verpleging of verzorging die met
toepassing van één der sociale verzekeringswetten wordt betaald.
9. Wanneer zich een omstandigheid als bedoeld in het vijfde,
zesde, zevende of achtste lid voordoet, wordt de vergoeding of de
tegemoetkoming beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op de maand waarin zich deze omstandigheid voordoet.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 2001.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vervallen causaliteit en
voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 juni 2004
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp
Uitgegeven de negenentwintigste juni 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner