St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (WBP)

 

BESLUIT  VERVALLEN  CAUSALITEIT  EN  VOORTZETTING  VOORZIENINGEN  WETTEN  VOOR  OORLOGSGETROFFENEN

Tekst zoals deze geldt op 24 januari 2012

 

  
 

 

 
BESLUIT van 16 juni 2004, houdende regeling betreffende het vervallen van de causaliteitseis voor de toekenning van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen en het voortzetten van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van voorzieningen na het overlijden van de gerechtigde in de wetten voor oorlogsgetroffenen (Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 mei 2004, kenmerk OHW-U-2475721;
     Gelet op artikel 11a, tweede en derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, artikel 3, zevende en achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 15, tweede en derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel 21a, tweede en derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en artikel 33a, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945;
     De Raad van State gehoord (advies van 25 mei 2004, nr. W13.04.0169/III);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 9 juni 2004, kenmerk OHW-U-2486973;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

1. Het vervallen van de causaliteitseis, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, artikel 3, zevende lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers en artikel 15, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, heeft betrekking op:

a. de vergoeding van de kosten van maximaal 4 uur huishoudelijke hulp per week;

b. de vergoeding van de kosten van het vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.

2. De vergoeding, genoemd in het eerste lid, wordt alleen toegekend indien hiertoe een medische noodzaak bestaat en de gerechtigde de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.

Artikel 2

1. Het vervallen van de causaliteitseis, bedoeld in artikel 21a, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en artikel 33a, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, heeft betrekking op:

a. de vergoeding van of de tegemoetkoming in de kosten van maximaal 4 uur huishoudelijke hulp per week;

b. de vergoeding van de kosten van het vervoer voor het onderhouden van sociale contacten;

c. de vergoeding van de kosten van extra vakantie;

d. de tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

2. De vergoeding of de tegemoetkoming, genoemd in het eerste lid, wordt alleen toegekend indien hiertoe een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid bestaat en de gerechtigde de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.

Artikel 3

1. De voortzetting, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, artikel 3, achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 15, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel 21a, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en artikel 33a, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, heeft betrekking op de door de overleden partner gedurende een jaar voor het overlijden ontvangen:

a. vergoeding van of tegemoetkoming in de autokosten;

b. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten;

c. vergoeding van of tegemoetkoming in de telefoonkosten;

d. tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer;

e. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten voor huishoudelijke hulp;

f. vergoeding van of tegemoetkoming in de huurkosten;

g. vergoeding als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en artikel 32, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

2. De in het eerste lid, onder a tot en met g, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt ook voortgezet indien de toekenning daarvan met terugwerkende kracht over het jaar voorafgaand aan het overlijden van de partner heeft plaatsgevonden en er gedurende dat jaar ter zake daadwerkelijk kosten zijn gemaakt.

Artikel 4

1. De in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met d, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt gedurende 3 maanden voortgezet.

2. De in artikel 3, eerste lid, onder e, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt gedurende 1 jaar voortgezet.

3. De in artikel 3, eerste lid, onder f, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt gedurende 5 jaar voortgezet.

4. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding wordt gedurende 5 jaar voortgezet.

5. De in artikel 3, eerste lid, onder e en f, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt, in afwijking van de termijn genoemd in respectievelijk het tweede en derde lid, beëindigd wanneer de weduwe of weduwnaar in het huwelijk treedt.

6. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het vierde lid, beëindigd wanneer de weduwe of weduwnaar in het huwelijk treedt.

7. De in artikel 3, eerste lid, onder f, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het derde lid, beëindigd wanneer de weduwe of weduwnaar vrijwillig verhuist.

8. De in artikel 3, eerste lid, onder g, genoemde vergoeding wordt, in afwijking van de termijn genoemd in het vierde lid, beëindigd wanneer de weduwe of weduwnaar verhuist naar zelfstandige huisvesting, dan wel naar een inrichting voor verpleging of verzorging die met toepassing van één der sociale verzekeringswetten wordt betaald.

9. Wanneer zich een omstandigheid als bedoeld in het vijfde, zesde, zevende of achtste lid voordoet, wordt de vergoeding of de tegemoetkoming beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin zich deze omstandigheid voordoet.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 16 juni 2004

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
C.I.J.M. Ross-van Dorp

 

Uitgegeven de negenentwintigste juni 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WBP | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x