| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen 1940-1945 (WBP)
UITVOERINGSBESLUIT
ARTIKEL 1, TWEEDE LID, WET BUITENGEWOON
PENSIOEN 1940-1945
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 8 juli 1978 ter uitvoering van het
bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945, houdende de omschrijving van de categorieën van personen op
wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk van 15 juni 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers
en Vervolgden, nr. 62243, mede namens Onze Minister van Financiën;
Gelet op artikel 1, tweede lid, van de Wet
buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493);
Gezien de adviezen van de Buitengewone
Pensioenraad en de Stichting 1940-1945;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni
1978, nr. 14);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van 6
juli 1978, Hoofdafdeling Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 63969;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"vrijheidsberoving": opsluiting door de vijand in
concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen met
permanente bewaking;
"anti-nationaal-socialistische activiteiten": activiteiten,
waaraan een het nationaal-socialisme afwijzende gezindheid ten grondslag
lag en welke hebben bestaan uit spionage of contra-spionage, sabotage,
medewerken aan het ongeoorloofd verlaten van het toenmalige Duitse
grondgebied door tegenstanders van het nationaal-socialisme dan wel het
schrijven, drukken of verspreiden van tegen het nationaal-socialisme
gerichte geschriften.
Artikel 2
Tot de in artikel 1, tweede lid, van de Wet buitengewoon pensioen
1940-1945 (Stb. 1985, 575), bedoelde categorieën van personen behoren
zij, gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde:
1. die in de gebieden binnen Europa, met uitzondering van
Nederland, welke waren bezet door of onder controle stonden van de
vijand, handelingen hebben verricht, welke waren zij binnen
Nederland verricht, zouden worden aangemerkt als deelneming aan het
binnenlands verzet;
2. die binnen Europa, in verband met het verzet van derden,
vrijheidsberoving hebben ondergaan dan wel door de vijand zijn
mishandeld of ter dood zijn gebracht;
3. die binnen Europa, in verband met het verzet van derden,
lichamelijk letsel hebben bekomen dan wel het leven hebben verloren;
4. die binnen Europa als gijzelaars vrijheidsberoving hebben
ondergaan;
5. die vóór de vijandelijke bezetting van Nederland, aldaar of
van daar uit anti-nationaal-socialistische activiteiten hebben
verricht en in verband daarmede vrijheidsberoving hebben ondergaan
dan wel door de vijand zijn mishandeld of ter dood gebracht;
6. die ná 15 mei 1940, met de bedoeling om een persoonlijke
bijdrage te leveren aan de oorlogvoering:
a. vanuit bezet gebied in Europa naar Engeland zijn
uitgeweken en daarna een persoonlijke bijdrage aan de
oorlogvoering hebben geleverd;
b. vanuit bezet gebied in Europa naar Engeland zijn
uitgeweken maar wegens ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan
of verergerd door of in verband met het uitwijken, geen
persoonlijke bijdrage hebben kunnen leveren aan de
oorlogvoering;
c. vanuit bezet gebied in Europa naar Engeland hebben
getracht uit te wijken en die in verband met deze poging om uit
te wijken het leven hebben verloren, vrijheidsberoving hebben
ondergaan, door de vijand zijn mishandeld of ter dood gebracht
dan wel wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met
het uitwijken zijn ontstaan of verergerd, Engeland niet hebben
kunnen bereiken.
Artikel 3
De Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet
uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen kan met
personen, die behoren tot de in artikel 2 omschreven categorieën,
gelijkstellen degenen, wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren
1940-1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen
behorende tot eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing
verklaren van dit besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst
en werkt terug tot 1 januari 1978.
Lasten en bevelen, dat dit besluit en de
bijbehorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden
geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van
State en de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 8 juli 1978
JULIANA
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk Werk,
J.G. Kraaijeveld-Wouters
De Minister van Financiën,
F.H.J.J. Andriessen
Uitgegeven de tiende augustus 1978
De Minister van Justitie a.i.,
D.S. Tuijnman
|
|
|