| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen Indisch verzet (WIV)
BESLUIT
EX ARTIKEL 18 WET BUITENGEWOON
PENSIOEN INDISCH VERZET
Tekst zoals deze geldt op
11 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 23 oktober 1986, houdende regels
betreffende het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 18 van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van
17 juli 1986, Directie Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. U 8604 I;
Gelet op artikel 18 van de Wet buitengewoon
pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360);
Gehoord de Buitengewone Pensioenraad en de
Stichting Pelita;
De Raad van State gehoord (advies van 21
augustus 1986, nr. W13.86.0397);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 oktober 1986, Directie
Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. 8870;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb.
1986, 360);
b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, genoemd in artikel 2
van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1990,
324);
c. de belanghebbende: de deelnemer aan het verzet in de zin van
de wet.
Artikel 2
1. Het geneeskundig onderzoek bedoeld in artikel 18 van de wet,
geschiedt door een geneeskundig adviseur, door de Raad aan te wijzen,
of diens plaatsvervanger. Indien de Raad zulks nodig oordeelt of de
belanghebbende daartoe het verzoek doet, geschiedt het geneeskundig
onderzoek door één of twee artsen, voorkomende op een door de Raad,
in overleg met de Stichting Pelita, samengestelde lijst van artsen.
Indien de verblijfplaats van de te onderzoeken persoon buiten
Nederland is gelegen, kan de Raad artsen aanwijzen, die niet voorkomen
op genoemde lijst.
2. Op verzoek van de belanghebbende wijst de Raad bovendien een
andere, door de belanghebbende gekozen, arts aan, die het onderzoek
bijwoont of de in het vorige lid bedoelde arts schriftelijk van advies
dient.
3. Bij de aanvrage om pensioen voegt de belanghebbende een
omschrijving van de omstandigheden waaronder de verwonding of
verminking, of de ziekten of gebreken, naar zijn mening zijn ontstaan,
alsmede van de nadelige gevolgen welke hij daarvan ondervindt, zo
mogelijk gestaafd door bewijsstukken.
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 4
1. De artsen brengen zo spoedig mogelijk
een met redenen omkleed rapport uit aan de Raad, ten minste houdende:
a. een nauwkeurige omschrijving van de bij de onderzochte
waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken, alsmede van
de daardoor veroorzaakte stoornissen en bezwaren;
b. omstandige mededelingen omtrent het ontstaan van de verwonding,
verminking, ziekten of gebreken, zowel wat door of vanwege de
Commissie Indisch Verzet, bedoeld in artikel 25 van de wet,
dienaangaande wordt verklaard, als wat de belanghebbende zelf meent te
kunnen aanvoeren;
c. beschouwingen omtrent het verband dat op medische gronden al dan
niet geacht kan worden te bestaan tussen de aangegeven oorzaken en de
waargenomen verwonding, verminking, ziekten of gebreken;
d. de mate van invaliditeit, uitgedrukt in percentages van tien of,
naar boven afgerond, van veelvouden van tien;
e. een oordeel over de vraag of verandering van het
invaliditeitspercentage voor de toekomst al dan niet aannemelijk
geacht wordt.
2. Bij hun rapport leggen de artsen, desgewenst in gewaarmerkt
afschrift, de stukken over waarvan voor het opmaken van het rapport is
gebruik gemaakt.
Artikel 5
1. Het invaliditeitspercentage bedoeld in artikel 4, eerste
lid, onder d, wordt bepaald in verband met het beroep dat
belanghebbende vóór het intreden van zijn invaliditeit laatstelijk
heeft vervuld (beroepsinvaliditeit) en met de algemene invaliditeit,
met dien verstande, dat bij verschil het hoogste percentage wordt
aangehouden.
2. Na omscholing tot een nieuw beroep, wordt, indien dit voor
belanghebbende voordeliger is, de invaliditeit bepaald naar het nieuwe
beroep.
Artikel 6
1. De Raad is bevoegd over het rapport van de artsen een
rapport van één of meer andere deskundigen te vragen. Wijkt het
gevoelen van deze deskundigen af van dat van de artsen, over wier
rapport zij werden gehoord, dan wordt van het gevoelen van de
deskundigen geen gebruik gemaakt dan nadat de artsen tegenover de Raad
hun gevoelen nader schriftelijk hebben kunnen verdedigen.
2. De Raad is mede bevoegd de belanghebbende nogmaals
geneeskundig te doen onderzoeken of hem voor de tijd van ten hoogste
drie maanden in een inrichting ter observatie te doen opnemen.
Artikel 7
1. De vergoeding voor de in artikel 2, tweede lid, bedoelde
arts wordt door de Raad vastgesteld.
2. Alle kosten van geneeskundige onderzoekingen, inbegrepen de
kosten van de door de belanghebbende gekozen arts, en van rapporten,
evenals die verbonden aan een observatie, alsmede de, naar het oordeel
van de Raad, noodzakelijke reiskosten van de belanghebbende en die van
de voor zijn reis benodigde begeleiding naar en van de plaats, waar het
geneeskundig onderzoek plaats vindt, komen ten laste van het Rijk; zij
worden gedeclareerd bij de Raad.
3. Indien de belanghebbende tengevolge van een geneeskundig
onderzoek of van een observatie inkomsten derft, wordt hem een
vergoeding gegeven. Deze vergoeding wordt, gehoord de belanghebbende,
door de Raad ten laste van het Rijk vastgesteld.
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst
en werkt terug tot en met 1 januari 1983.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
’s-Gravenhage, 23 oktober 1986
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
Uitgegeven de drieëntwintigste december 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|