| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen Indisch verzet (WIV)
KORTINGSBESLUIT
WIV
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 januari 1989, houdende regels
betreffende de met het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten,
bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen
Indisch verzet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van
12 juli 1988, DVV/WJZ/U-11958;
Gelet op artikel 16, eerste lid, van de Wet
buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360);
Gehoord de Buitengewone Pensioenraad, de
Commissie Indisch Verzet en de Stichting Pelita;
De Raad van State gehoord (advies van 17
november 1988, nr. W13.88.0387);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 6 januari 1989, Directie
Verzetsdeelnemers en Vervolgden, nr. DVV/WJZ/U-12868 I;
Hebben goedgevonden
en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb.
1986, 360);
b. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank,
genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
c. de gepensioneerde: degene, aan wie krachtens de wet een
buitengewoon pensioen is toegekend.
2. Voor de toepassing van dit besluit worden mede als gehuwd of als
echtgenoot aangemerkt degenen die als zodanig worden aangemerkt
ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 1, derde tot en met
vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1990, 129).
Artikel 2
1. Als het bedrag van de te verrekenen inkomsten, bedoeld in de
artikelen 16 en 23 van de wet, wordt, behoudens het bepaalde in of
krachtens artikel 16, tweede lid, onder b, derde en vierde lid, van de
wet en in de volgende artikelen van dit besluit, aangemerkt het totaal
van de door de gepensioneerde verworven inkomensbestanddelen,
verminderd met het buitengewoon pensioen ingevolge de wet.
2. Indien inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf wordt genoten,
wordt voor de verrekening van dat inkomensbestanddeel met het
buitengewoon pensioen in aanmerking genomen:
a. het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering
sociale verzekeringen, alsmede
b. de belastbare winst uit onderneming in de zin van de Wet IB
2001.
3. Indien inkomen wordt verkregen uit hoofde van de sociale
zekerheidswetgeving, kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (Stb. 1990, 128) daaronder niet begrepen, wordt voor
de verrekening van dat inkomensbestanddeel met het buitengewoon
pensioen in aanmerking genomen de uitkering met inbegrip van de
daarover door de gepensioneerde verschuldigde premies, welke uit
hoofde van de sociale zekerheidswetgeving worden geheven, dan wel de
daarmede overeenkomende bijdrage, als bedoeld in artikel 11, eerste
lid, onder f, ten tweede, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Stb.
1990, 104).
4. Indien inkomen in verband met arbeid in beroep of bedrijf wordt
genoten, wordt voor de verrekening van dat inkomensbestanddeel met het
buitengewoon pensioen het totale bedrag in aanmerking genomen of, voor
zover het pensioenen of wachtgelden betreft, welke krachtens een van
overheidswege vastgesteld voorschrift in verband met het genot van
inkomsten aan vermindering onderworpen zijn, het uit dien hoofde
verminderde bedrag.
Artikel 3
1. Inkomsten uit vermogen, daaronder mede begrepen de belastbare
inkomsten uit eigen woning in de zin van de Wet IB 2001, worden met
het buitengewoon pensioen verrekend.
2. Indien de gepensioneerde gehuwd is en niet duurzaam gescheiden
van zijn echtgenoot leeft, worden inkomsten uit vermogen gesteld op
50% van de door beide echtgenoten genoten inkomsten uit vermogen.
3. Indien het bedrag van de inkomsten uit vermogen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, negatief is, wordt daarmede geen rekening
gehouden.
Artikel 4
Indien een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet wordt
genoten, wordt voor de verrekening van dat inkomensbestanddeel met het
buitengewoon pensioen in aanmerking genomen:
a. indien de gepensioneerde gehuwd is en de echtgenoot eveneens
recht heeft op een ouderdomspensioen krachtens de Algemene
Ouderdomswet, het bruto-ouderdomspensioen krachtens die wet, van de
gepensioneerde en zijn echtgenoot;
b. indien de gepensioneerde gehuwd is en niet behoort tot de
categorie, bedoeld onder a, het bruto-ouderdomspensioen krachtens de
Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de toeslag, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van die wet;
c. indien de gepensioneerde gehuwd is en de echtgenoot eveneens
een gepensioneerde is, in afwijking van het onder a en b bepaalde,
het bruto-ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet, voor
zover dat niet meer bedraagt dan tweemaal het bedrag van het
bruto-ouderdomspensioen van de pensioengerechtigde, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, onder b, van die wet;
d. indien de gepensioneerde ongehuwd is en een kind heeft, jonger
dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind
tot het huishouden van een ander behoort en voor wie hij op grond
van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt of zou
ontvangen, het bruto-ouderdomspensioen krachtens de Algemene
Ouderdomswet;
e. indien de gepensioneerde ongehuwd is en niet behoort tot de
categorie, bedoeld onder d, het bruto-ouderdomspensioen krachtens de
Algemene Ouderdomswet.
Artikel 5
Voor de verrekening met het buitengewoon pensioen worden niet in
aanmerking genomen:
a. van overheidswege verstrekte subsidies en tegemoetkomingen,
alsmede afkoopsommen en overlijdensuitkeringen;
b. de op grond van de Wet Rietkerk-uitkering (Stb. 1988, 226)
verstrekte uitkering;
c. de inkomsten van minderjarige kinderen;
d. een uitkering ineens, bedoeld in artikel 42 van het
pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;
e. inkomsten welke onverplicht door derden worden verschaft;
f. inkomsten, verbonden aan de toekenning van een koninklijke
onderscheiding;
g. de van de Sociale verzekeringsbank krachtens artikel 4:98 van
de Algemene wet bestuursrecht ontvangen wettelijke rente;
h. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 29a van de Algemene
nabestaandenwet en artikel 33b van de Algemene Ouderdomswet.
Artikel 6
Ten aanzien van in het buitenland verworven inkomensbestanddelen
vergelijkbaar met de in dit besluit genoemde inkomensbestanddelen vindt
dit besluit overeenkomstige toepassing.
Artikel 7 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 8
Indien een gepensioneerde inkomsten geniet of gaat genieten, die
ingevolge dit besluit voor verrekening met het buitengewoon pensioen in
aanmerking komen, doet hij terstond mededeling aan de Sociale
verzekeringsbank van de aard van die inkomsten en het daarmede gemoeide
bedrag.
Artikel 9
Met de controle op de in de artikelen 16 en 23 van de wet bedoelde
inkomsten zijn in het bijzonder belast de inspecteurs der belastingen.
Zij ontvangen van de Sociale verzekeringsbank opgave van de
gepensioneerden die in hun ambtsgebied woonachtig zijn en handelen
overigens naar de door Onze Minister van Financiën te geven
aanwijzingen.
Artikel 10 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 11 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 12 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 13
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en
werkt met uitzondering van de artikelen 1, tweede lid, en 4 terug tot
en met 1 januari 1983.
2. Artikel 1, tweede lid, werkt terug tot en met 1 januari 1987.
3. Artikel 4 werkt terug tot en met 1 april 1988.
Artikel 14
Dit besluit kan worden aangehaald als Kortingsbesluit WIV.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 23 januari 1989
BEATRIX
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
L.C. Brinkman
Uitgegeven de drieëntwintigste maart 1989
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|