a. De kosten van behandeling door een huisarts, tandarts of
een specialist worden vergoed tot ten hoogste het werkelijke
bedrag van die kosten.
b. Als specialist wordt aangemerkt een arts, voorkomende in
het offici๋le register van erkende specialisten, zoals het door
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der
Geneeskunst is vastgesteld. Mondartsen worden niet als
specialisten beschouwd.
c. Voor behandeling door specialisten die zonder voorkennis
van de huisarts zijn geconsulteerd, bestaat generlei aanspraak
op vergoeding, tenzijn de belanghebbende voor die behandeling
machtiging heeft verkregen van de Sociale verzekeringsbank.
Indien de omstandigheden zulks naar het oordeel van de Sociale
verzekeringsbank wettigen, kan de vergoeding, in afwijking van
het bepaalde in de eerste volzin, worden verleend zonder dat de
belanghebbende voor het ondergaan van de specialistische
behandeling vooraf de machtiging van de Sociale verzekeringsbank
heeft verkregen.
d. De kosten van genees- en verbandmiddelen worden vergoed
tot het werkelijke bedrag van die kosten, indien die middelen op
voorschrift van de huisarts of een specialist door een apotheker
of een apotheekhoudende arts zijn geleverd.
e. De kosten van het aanschaffen van hulpmiddelen worden
vergoed tot het werkelijke bedrag van die kosten, indien aan de
belanghebbende voor de aanschaffing van die hulpmiddelen vooral
machtiging is verleend door de Sociale verzekeringsbank. Indien
de omstandigheden zulks staar het oordeel van de Sociale
verzekeringsbank wettigen, kan de vergoeding, in afwijking van
het bepaalde in de eerste volzin, worden verleend zonder dat de
belanghebbende voor de aanschaf van de hulpmiddelen vooraf
machtiging van de Sociale verzekeringsbank heeft verkregen.
f. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, eerste
lid, van het koninklijk besluit van 23 oktober 1986 (Stb. 595)
worden de kosten van verpleging vergoed tot het werkelijke
bedrag van die kosten, zulks behoudens het hierna bepaalde.
g. Vergoeding van de kosten wegens verpleging wordt alleen
verleend, indien de belanghebbende met toestemming van de
Sociale verzekeringsbank ter verpleging is opgenomen in een voor
dat doel bestemde inrichting. Indien de omstandigheden zulks
naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank wettigen, kan
de vergoeding, in afwijking van het bepaalde in de eerste
volzin, worden verleend zonder dat de belanghebbende voor zijn
opname in de verpleeginrichting vooraf de toestemming van de
Sociale verzekeringsbank heeft verkregen.
h. Aan een belanghebbende die ongehuwd is, worden de kosten
van verpleging slechts vergoed tot het bedrag, waarmede die
kosten vijftig procent van het buitengewoon pensioen van die
belanghebbende overschrijden, vermeerderd met het bedrag dat die
belanghebbende bijdraagt ter voorziening in het noodzakelijk
levensonderhoud van zijn gewezen echtgenoot, van eigen en
aangehuwde kinderen en pleegkinderen en van andere bloed- en
aanverwanten in de rechte linie en in de tweede graad van de
zijlinie. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige
volzin wordt onder buitengewoon pensioen verstaan het
buitengewoon pensioen, berekend overeenkomstig artikel 11,
eerste lid, van de wet, vermeerderd met de toeslagen en
verhogingen, uitgezonderd de vermeerdering, bedoeld in de
artikelen 12, 13 en 14 van de wet.
i. Aan een belanghebbende die ongehuwd is en die langer dan
vijf jaren, uitsluitend wegens geestesziekte, in voor de
verpleging van geesteszieken bestemde inrichtingen of woningen
verpleegd is geweest of te werk gesteld is geweest in
werkinrichtingen voor geestelijk invaliden, worden de kosten
zijner verpleging en tewerkstelling, voor zover die langer duren
dan vijf jaren, slechts vergoed tot het bedrag, waarmede die
kosten het buitengewoon pensioen van die belanghebbende
overschrijden, vermeerderd met het bedrag dat die belanghebbende
bijdraagt ter voorziening in het noodzakelijk levensonderhoud
van zijn gewezen echtgenoot, van eigen en aangehuwde kinderen en
pleegkinderen en van andere bloed- en aanverwanten in de rechte
linie en in de tweede graad van de zijlinie. Voor de toepassing
van het bepaalde in de vorige volzin wordt onder buitengewoon
pensioen verstaan het buitengewoon pensioen, berekend
overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de
wet, vermeerderd met de toeslagen en verhogingen, uitgezonderd
de vermeerdering, bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14 van de
wet.
j. De kosten van vervoer welke verband houden met de
geneeskundige behandeling en verpleging, als in de voorgaande
regelingen bedoeld, worden vergoed overeenkomstig het bepaalde
in artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 23
oktober 1986 (Stb. 596). Indien voor dit vervoer van een ander
dan een openbaar vervoermiddel wordt gebruik gemaakt, waardoor
het vervoer hogere kosten medebrengt, wordt de vergoeding
verleend alsof van een openbaar vervoermiddel ware gebruik
gemaakt, tenzij het gebruik van het andere vervoermiddel
ingevolge medisch voorschrift noodzakelijk was.
k. De belanghebbende die zich niet gedraagt naar de regelen
van de verpleeginrichting waarin hij is opgenomen, of die zich
aan wangedrag schuldig maakt of op eigen verantwoording, tegen
het advies van de behandelende arts, de verpleeginrichting
verlaat dan wel de hem gegeven geneeskundige voorschriften niet
of niet meer opvolgt, kan hierna geen aanspraak meer maken op
vergoeding van de kosten van geneeskundige behandeling en
verpleging.