| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet buitengewoon
pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers
BESLUIT
EX ARTIKEL 11 WET BUITENGEWOON
PENSIOEN ZEELIEDEN-OORLOGSSLACHTOFFERS
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 6 september 1949 tot uitvoering van
artikel 11 der Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb.
1947, H 420)
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat en van Sociale Zaken van 11 Juli 1949, nr. 195194 Z.,
Directoraat-Generaal van Scheepvaart;
Gelet op de artikelen 11, eerste lid, en 20,
eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers (Staatsblad 1947, H 420);
De Raad van State gehoord (advies van 2
Augustus 1949, nr. 19);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 18 Augustus 1949, nr. 201868 Z., Directoraat-Generaal van
Scheepvaart;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
"de wet": de Wet buitengewoon pensioen
zeelieden-oorlogsslachtoffers;
«de Sociale verzekeringsbank»: de Sociale verzekeringsbank, genoemd
in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
"gepensioneerde": degene, aan wie een buitengewoon pensioen
is toegekend;
«kortingsinkomen»: het totaal van het inkomen uit werk en woning,
bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van de
Wet IB 2001, en de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen,
verminderd met:
a. indien loon wordt genoten het hoogste van de uit de toepassing
van de volgende onderdelen voortvloeiende bedragen:
1°. bij loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: 12% van dat
loon, maar niet minder dan € 119 per jaar en niet meer dan €
1605 per jaar;
2°. bij loon uit vroegere dienstbetrekking: € 487 per
jaar, en
b. het bedrag van het over het jaar 2000 toegepaste
reiskostenforfait tot een maximum van € 939 per jaar,
met dien verstande evenwel, dat, in afwijking van artikel 2.17 van de
Wet IB 2001,
alle bestanddelen van het inkomen van een gehuwde, niet duurzaam
gescheiden van haar man levende vrouw worden aangemerkt als bestanddelen
van het inkomen van haar man;
"kinderbijslag": kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet of enige andere daarmede gelijk te stellen wettelijke
regeling buiten het Rijk in Europa.
Artikel 2
1. Als het bedrag van de verrekenbare inkomsten, bedoeld in de
artikelen 11, eerste en tweede lid, en 20 der wet, wordt, behoudens
het bepaalde in of krachtens de tweede, derde en vierde volzin van
artikel 11, tweede lid, der wet en in de volgende artikelen van dit
besluit, aangemerkt het kortingsinkomen vermeerderd met het bedrag van
de niet daarin begrepen, door de gepensioneerde of diens niet duurzaam
gescheiden van hem levende echtgenoot genoten kinderbijslag, en
verminderd met het buitengewoon pensioen en met de in artikel 11,
derde lid, der wet bedoelde uitkeringen, pensioenen en andere
inkomsten.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid worden
mede op het kortingsinkomen in mindering gebracht, indien en voor
zover daarin begrepen:
a. inkomsten van kinderen die de leeftijd van eenentwintig
jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd
geweest zijn, welke niet in de pensioengrondslag zijn opgenomen;
b. een krachtens de Wet bevordering eigenwoningbezit verleende
eigenwoningbijdrage;
c. een krachtens enige van overheidswege getroffen maatregel
inzake huurtoeslag verleende bijdrage;
d. een uitkering ineens, bedoeld in artikel 42 van het
pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de
Koopvaardij;
e. een krachtens de artikelen 7 tot en met 19 van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 verleende uitkering,
zomede een toeslag krachtens artikel 21b van evengenoemde wet;
f. een krachtens de artikelen 7 tot en met 24 van de Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 verleende
uitkering of toeslag;
g. een door een gemeente verstrekte bijdrage in de kosten ter
verbetering van de woning;
h. de van de Sociale verzekeringsbank krachtens artikel 4:98
van de Algemene wet bestuursrecht ontvangen wettelijke rente;
i. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 29a van de Algemene
nabestaandenwet en artikel 33b van de Algemene Ouderdomswet.
Artikel 3
Het bedrag van de verrekenbare inkomsten, bedoeld in artikel 2, wordt
verminderd met:
a. het door de Sociale verzekeringsbank vast te stellen
kapitaalsinteringsbestanddeel van periodieke uitkeringen, welke aan
de gepensioneerde opkomen ingevolge een uit zijn vermogen afkomstige
prestatie.
b. de inkomsten, welke onverplicht door derden aan de
gepensioneerde worden verschaft;
c. de, tengevolge van inkomstenstijging uit onderneming of arbeid
gederfde baten, welke voortvloeien uit de onder b bedoelde
onverplichte bijdragen van derden, indien en voorzover de
omstandigheden naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank
daartoe aanleiding geven.
Artikel 4
1.Indien verrekenbare inkomsten, bedoeld in artikel 2, worden
genoten krachtens erfrecht, dan wel uit door erfrecht verworven bezit,
voorzover deze eerst na het tijdstip, hetwelk gediend heeft voor de
vaststelling van de pensioensgrondslag, van bloed- en aanverwanten in
de rechte lijn en in de tweede graad der zijdlinie zijn verworven,
wordt wegens deze inkomsten van het buitengewoon pensioen niet meer in
mindering gebracht dan zou zijn geschied, indien dit pensioen was
berekend naar een grondslag, waarin deze inkomsten zijn begrepen.
2.Het in artikel 7, derde lid, der wet vastgestelde maximum geldt
mede voor de pensioensgrondslag, bedoeld in het slot van het
voorgaande lid.
3.De inkomsten, welke volgens het eerste lid in de
pensioensgrondslag zijn begrepen, worden geacht vier procent te
bedragen van de waarde, die het in dat lid bedoelde bezit ten tijde
van het verwerven had.
Artikel 5
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1, 2, 3 en 4 worden op de
in artikel 2 bedoelde verrekenbare inkomsten in mindering gebracht de
kosten, die naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank
noodzakelijk zijn om uit eigen onderneming of arbeid inkomsten te
verwerven, tenzij deze kosten reeds bij het bepalen van het
kortingsinkomen in aanmerking zijn genomen.
Artikel 6
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 wordt op de
in artikel 2 bedoelde verrekenbare inkomsten in mindering gebracht de
daarin begrepen kinderbijslag voor zover deze te boven gaat de
kinderbijslag voor een gelijk aantal kinderen als waarvoor, bij de
vaststelling van de pensioengrondslag met kinderbijslag is rekening
gehouden.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1965]
Artikel 8
Zolang het bedrag der verrekenbare inkomsten, bedoeld in artikel 2,
niet bekend is, wordt dit bedrag door de Sociale verzekeringsbank, met
inachtneming voor zoveel mogelijk van bovenstaande bepalingen, voorlopig
geschat.
Artikel 9
Voor de toepassing van dit besluit worden pensioenen en wachtgelden,
welke krachtens een van Overheidswege vastgesteld voorschrift in verband
met het genot van inkomsten aan vermindering onderworpen zijn, geacht te
zijn genoten tot het uit dien hoofde verminderd bedrag.
Artikel 10 [Vervallen per 23-12-2009]
Artikel 11
Met de contrôle op de in de artikelen 11 en 20 der wet bedoelde
inkomsten zijn in het bijzonder belast de inspecteurs der belastingen.
Zij ontvangen daartoe van de Sociale verzekeringsbank opgave van de
gepensioneerden, die in hun inspectie wonen en handelen overigens naar
de door Onze Minister van Financiën te geven aanwijzingen.
Artikel 12 [Vervallen per 23-12-2009]
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is
belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 6 September 1949
JULIANA
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
D.G.W. Spitzen
De Minister van Sociale Zaken,
A.M. Joekes
Uitgegeven de zevende October 1949
De Minister van Justitie,
Wijers
|
|
|