De
Staatssecretaris van Justitie;
Gelet op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers (Stb. 1994, 422);
Overwegende dat er mede in verband met de
mogelijkheid dat ten behoeve van een bepaalde categorie vreemdelingen
aan wie met toepassing van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en
andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) opvang wordt geboden
een tewerkstellingsvergunning wordt verleend, behoefte bestaat aan
eenduidige regels voor de berekening van de eigen bijdrage in de kosten
van de opvang;
Besluit:
Afdeling I. De verstrekkingen
Artikel 1
Tot de aan de alleenstaande of het gezin feitelijk geboden
verstrekkingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997,
worden gerekend:
a. de aan of ten behoeve van de alleenstaande of het gezin
verstrekte financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en
andere persoonlijke uitgaven en de in natura verstrekte maaltijden;
b. het onderdak in een opvangcentrum of de financiële toelage
ten behoeve van de huisvesting buiten een opvangcentrum.
Artikel 2
De economische waarde per maand, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
van de Rva 1997, bedraagt:
a. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, onder a: de
toelage bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Rva 1997, die aan
of ten behoeve van de alleenstaande of het gezin wordt of zou worden
verstrekt voor het volledig zelf verzorgen van maaltijden,
vermenigvuldigd met de factor 4,33;
b. van de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, onder b: f 100,-
voor een alleenstaande of eerste gezinslid, f 50,-, voor het tweede
gezinslid en f 25,- per volgend gezinslid, vermenigvuldigd met de
factor 4,33, tot een maximum van € 393,43.
Afdeling II. De tegemoetkoming
Artikel 3
De tegemoetkoming bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997,
is per maand gelijk aan de in aanmerking te nemen middelen van de
alleenstaande of het gezin tot een maximum van de economische waarde van
de verstrekkingen bedoeld in artikel 2.
Afdeling III. De middelen
1. Algemeen
Artikel 4
1. Tot de middelen bedoeld in artikel 3 worden gerekend alle
vermogens- en inkomensbestandsdelen waarover de alleenstaande of het
gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. kinderbijslag;
b. vergoedingen en tegemoetkomingen voor verwervingskosten, alsmede
de vermindering of teruggave van loonbelasting of inkomstenbelasting
en van premies volksverzekeringen voor verwervingskosten die de in
artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting genoemde bedragen te
boven gaan;
c. rente ontvangen over op grond van artikel 9, onder b, c, en d,
niet in aanmerking genomen vermogen;
d. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor
zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, uit een
oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in artikel 5
van de Rva 1997, verantwoord is;
e. inkomsten uit of in verband met arbeid tot € 71,70 per maand,
alsmede de helft van het meerdere tot een maximum van in totaal €
131,60 per maand.
Artikel 5
Bij de vaststelling van de middelen worden giften van instellingen en
personen niet in aanmerking genomen voor zover dit, gezien de bestemming
en de hoogte van de giften, uit een oogpunt van het verlenen van
verstrekkingen als bedoeld in artikel 5 van de Rva 1997, verantwoord is.
Artikel 6
De middelen worden in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert
na aftrek van:
a. de daarover door de belanghebbende verschuldigde loonbelasting
of inkomstenbelasting;
b. de daarover door de belanghebbende verschuldigde premies
volksverzekeringen en ziekenfondspremie dan wel een inhouding die
met een of meer van deze premies overeenkomt;
c. ten laste van de belanghebbende komende verplichte bijdragen
ingevolge een pensioenregeling en daarmee vergelijkbare regelingen;
en
d. andere ten laste van de belanghebbende komende verplichtingen.
2. Het inkomen
Artikel 7
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in
aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit
vermogen, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot
levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
teruggave van loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan wel
naar hun aard met deze inkomsten of uitkeringen overeenkomen;
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op opvang wordt
gedaan.
2. Middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen worden
in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven.
Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een
periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te
gelde kunnen worden gemaakt.
3. Het vermogen
Artikel 8
Onder het vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het
gezin bij de aanvang van de opvang beschikt of redelijkerwijs kan
beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van de in paragraaf 1 in aanmerking genomen
middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op
opvang wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld
in artikel 7.
Artikel 9
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen
gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en
gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de opvang aanwezige vermogen voor zover
dit minder bedraagt dan de vermogensgrens als genoemd in artikel 17,
tweede lid, van de Rva 1997;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op
opvang wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de
opvang aanwezige vermogen minder bedroeg dan de vermogensgrens,
genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Rva 1997;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin opvang wordt
geboden;
e. een uitkering in verband met geleden immateriële schade voor
zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit
een oogpunt van het verlenen van verstrekkingen als bedoeld in
artikel 5 van de Rva 1997, verantwoord is.
Afdeling IV. Slotbepalingen
Artikel 10
Artikel 1, eerste lid, onderdeel c en d, van de Rva 1997 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling eigen bijdrage
asielzoekers met inkomen en vermogen, afgekort als Reba.
De Staatssecretaris van Justitie,
M.J. Cohen.