| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet inburgering (Wi)
REGELING
INBURGERING
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
REGELING van de Minister voor Vreemdelingenzaken en
Integratie van 6 december 2006, nr. 5456790/06, tot uitvoering van
de Wet inburgering, het Besluit inburgering en tot wijziging van de
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën
vreemdelingen 2005 (Regeling inburgering)
De Minister
voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 14, derde
lid, 50, tweede lid, van de Wet inburgering de artikelen 2.1, vierde
lid, 2.3, eerste lid, onderdeel f, 2.7, zevende lid, 2.8, vijfde lid,
2.10, eerste en tweede lid, 3.3, tweede lid, 3.5, vierde lid, 3.7, zesde
lid, 3.8, vijfde lid, 3.9, vierde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, elfde
lid, 3.13, 3.14, vijfde lid, 3.15 eerste, vierde en vijfde lid, 3.17,
eerste lid, 3.19, derde lid, 3.21, derde lid, 3.23, tweede lid, 4.2,
derde lid, 4.5, eerste, derde en vierde lid, 4.7, eerste en derde lid,
4.10, derde lid, 4.12, 4.13, eerste lid, 4.17, eerste lid, tweede, derde
en vierde lid, 4.20, derde lid, 4.22, tweede lid, 4.24, tweede lid, 5.2,
en 7.7, tweede lid, van het Besluit inburgering en artikel 12 van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: het Besluit inburgering;
b. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964;
d. toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8
van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
e. staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen
Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
f. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden
cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en
schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de
Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het
inburgeringsexamen te behalen.
Artikel 1.2
Het keurmerk, bedoeld in artikel 4.1a, vijfde lid, van het besluit is
het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door de
Stichting Blik op Werk.
Artikel 1.3
1. Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de
vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is
verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van
arbeid als geestelijke voorganger of godsdienstleraar.
2. Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of
levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of
een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen
samenwerken.
3. Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of
levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van de wet is in ieder geval sprake in geval van
werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar
levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker
binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel
op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde
geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.
4. Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op
louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid,
verricht.
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
§ 1. Tijdelijke verblijfsdoelen
Artikel 2.1
De beperkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het besluit,
zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
§ 2. Vrijstellingen
Artikel 2.2
De diploma’s, certificaten en andere documenten, behaald in het
Nederlandstalig onderwijs in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius of Saba, of in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, bedoeld in
artikel 2.3, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, zijn opgenomen in
bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel 2.2a
1. Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden
in de Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het
inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdelen a
tot en met d, van het besluit te behalen, is vrijgesteld de
inburgeringsplichtige die beschikt over een originele verklaring van
het regionaal opleidingencentrum die is afgegeven op basis van de
resultaten van een voor 1 januari 2007 afgelegde toets ter afronding
van een NT2-taaltraject, indien uit de verklaring blijkt dat voor het
onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus
van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal, dan wel
Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, zijn behaald:
niveau 2, respectievelijk niveau A2, voor de onderdelen
Luisteren en Spreken, en niveau 2, respectievelijk niveau A2 voor
de onderdelen Lezen en Schrijven.
2. Om tot vrijstelling te kunnen leiden, dient de verklaring de
volgende gegevens te bevatten:
a. de naam van het document;
b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het
regionaal opleidingencentrum;
c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum;
d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het
NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum
zoals vermeld op zijn identiteitsdocument;
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier
taalvaardigheden Lezen, Schrijven, Luisteren en Spreken;
f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.
Artikel 2.2b
Van de verplichting om mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal
te verwerven en het betreffende onderdeel van het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel d, van het besluit te
behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die voor het onderdeel
spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel
3.98a, derde lid, onderdeel c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 ten
minste 37 punten heeft behaald.
Artikel 2.2c
Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
Nederlandse taal te verwerven en de onderdelen van het
inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdelen a tot
en met d, van het besluit te behalen, is vrijgesteld de
inburgeringsplichtige die beschikt over de volgende certificaten van het
Certificaat Nederlands als Vreemde Taal:
a. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid
(ERK-niveau A2);
b. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau
A2);
c. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau
B1);
d. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau
B2);
e. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau
B2);
f. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau
C1).
Artikel 2.2d
Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
Nederlandse taal te verwerven en het betreffende onderdeel van het
inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, b,
c of d, te behalen is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt
over een certificaat dat is afgegeven ter afronding van het
examenonderdeel lezen, schrijven, luisteren respectievelijk spreken van
het staatsexamen Nederlands als tweede taal.
Artikel 2.3 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 3. Ontheffing wegens medische belemmering
Artikel 2.4
1. Het advies, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
bevat in ieder geval een oordeel met betrekking tot het verlenen dan
wel het weigeren van de ontheffing van de inburgeringsplicht en,
indien van toepassing, noodzakelijke bijzondere examenomstandigheden
als bedoeld in artikel 3.2.
2. De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
adviseert tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien de
inburgeringsplichtige:
a. niet in staat is zich met lichte aanpassingen binnen vijf
jaar voor te bereiden op het inburgeringsexamen, of
b. bijzondere examenomstandigheden nodig heeft om het
inburgeringsexamen te kunnen behalen en de bijzondere
examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.2, hiertoe niet
toereikend zijn.
3. De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
stelt het advies op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 4
bij deze regeling.
§ 4. Niveau van kennis en vaardigheden
Artikel 2.5
De eindtermen van het onderdeel van het inburgeringsexamen kennis van
de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 2.10 van het besluit,
zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
Hoofdstuk 3. Inburgeringsexamen
§ 1. Algemeen
Artikel 3.1
Het examengeld, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit,
bedraagt:
a. € 50,– voor elk van de onderdelen van het
inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdelen a
tot en met c, van het besluit;
b. € 60’ voor het onderdeel van het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel d, van het besluit;
c. € 40’ voor het onderdeel van het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel e, van het besluit.
Artikel 3.2
De bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.5, eerste
lid, van het besluit, betreffen:
a. examen in aangepaste locatie;
b. verlenging examentijd;
c. onderbroken examenafname;
d. aangepaste inroostering;
e. examenhulp;
f. grootbeeld;
g. grootschrift;
h. loepfunctie;
i. typen in plaats van schrijven;
ii. voorleesfunctie.
Artikel 3.3
Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen in bijlage 6 bij
deze regeling.
§ 2. Inhoud van het examen
Artikel 3.4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.5 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.6 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.7 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 3. Training voor examinatoren
Artikel 3.8
1. De deskundigheid van de examinatoren, bedoeld in artikel 3.13,
onderdeel c, van het besluit blijkt uit een afgeronde door de minister
vast te stellen Examentraining schrijfvaardigheid.
2. De examinator kan deelnemen aan de training indien hij:
a. over het certificaat bekwaam docent Nederlands als tweede
taal beschikt;
b. een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of het
wetenschappelijk onderwijs heeft afgerond en gedurende de twee
jaar voorafgaand aan de inschrijving voor de training gemiddeld
twee dagdelen per week leservaring heeft opgedaan, of als docent
Nederlands als tweede taal, of
c. een van de volgende opleidingen heeft afgerond:
1°. urgentieopleiding basiseducatie;
2°. post-hoger beroepsonderwijs basiseducatie;
3°. post-hoger beroepsonderwijs Nederlands als tweede
taal;
4°. toegepaste taalwetenschap met specialisatie Nederlands
als tweede taal;
5°. algemene taalwetenschap met specialisatie Nederlands
als tweede taal;
6°. opleiding Nederlands als tweede taal – expert, of
7°. duale masteropleiding Nederlands als tweede taal
, en gedurende het jaar voorafgaand aan de inschrijving voor de
training gemiddeld twee dagdelen per week leservaring als docent
Nederlands als tweede taal heeft opgedaan.
3. De training wordt tot 1 januari 2015 gegeven door CINOP.
4. CINOP reikt op aanvraag een certificaat uit, waaruit blijkt dat
de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het
aansluitende examen heeft behaald.
5. Het model van het certificaat, bedoeld in het vierde lid, is
opgenomen inbijlage 17 bij deze regeling.
Artikel 3.9 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
Artikel 3.10
1. De minister stelt een examenreglement vast.
2. Een ieder die zich overeenkomstig de daartoe gestelde regels
heeft aangemeld, het verschuldigde examengeld heeft voldaan en zich
overeenkomstig artikel 3.4 van het besluit heeft geïdentificeerd,
wordt toegelaten tot de tot het inburgeringsexamen behorende
onderdelen.
3. De kwaliteit van de examinering wordt gewaarborgd door:
a. transparantie van de taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden bij de examinering;
b. het treffen van passende technische en organisatorische
maatregelen om de examen- en persoonsgegevens te beveiligen tegen
verlies of onrechtmatige verwerking;
c. het beschrijven van de procedure van verwerking van
examenresultaten en de gegevensverstrekking ten behoeve van
opneming in het Informatiesysteem Inburgering;
d. de naleving van het examenreglement, bedoeld in het eerste
lid;
e. het treffen van passende technische en organisatorische
maatregelen om de kwaliteit van de processen rondom de afname en
de beoordeling van examens te waarborgen.
§ 5. Aanwijzing exameninstellingen
Artikel 3.11 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.12 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.13
1. In het examenreglement, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid,
wordt in ieder geval vermeld:
a. de procedure van aanmelding en identificatie van de
inburgeringsplichtige;
b. de wijze waarop het examengeld wordt geïnd;
c. de wijze van bekendmaking van de uitslagen van de onderdelen
van het inburgeringsexamen;
d. de procedure en sancties bij fraude, en
e. de procedure voor de afhandeling van klachten.
Artikel 3.14 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 6 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.15 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.15a [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.15b [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.16 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.17 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.18 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 3.19 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 4. Faciliteiten
§ 1. Lening
Artikel 4.1
1. Van het bedrag van de lening, bedoeld in artikel 4.1a, eerste
lid, van het besluit wordt twee maal de vastgestelde draagkracht, als
vastgesteld op grond van artikel 4.9, tweede tot en met vijfde lid,
afgetrokken.
2. Indien het bedrag van de lening minder dan €180’ bedraagt,
wordt dit op nul gesteld.
Artikel 4.2
1. Ten behoeve van de betaling van de lening verstrekt de
inburgeringsplichtige originele facturen aan de minister van:
a. de door hem te volgen of gevolgde inburgeringscursus en het
door hem af te leggen of afgelegde onderdelen van het
inburgeringsexamen;
b. de door hem te volgen of gevolgde cursus die opleidt tot het
staatsexamen Nederlands als tweede taal en het door hem af te
leggen of afgelegde examen, of
c. de door hem te volgen of gevolgde alfabetiseringscursus,
indien hij op grond van artikel 4.1a, derde lid, onderdeel a of b,
van het besluit in aanmerking komt voor een lening ten behoeve van
het volgen van een alfabetiseringscursus.
2. De factuur vermeldt in ieder geval:
a. het burgerservicenummer van de kandidaat;
b. de naam- en adresgegevens van de kandidaat;
c. de naam- en adresgegevens van de instelling;
d. de handtekening van de kandidaat;
e. de datum, en
f. de specificatie van het factuurbedrag.
3. De betaling van de factuur, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
binnen vier weken na ontvangst door de minister van die factuur.
4. De eerste betaling vindt plaats binnen een jaar na de
beschikking, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het besluit,
waarbij het recht op de lening is vastgesteld. Indien binnen deze
periode geen betaling heeft plaatsgevonden, vervalt de beschikking.
§ 2. Terugbetaling
Artikel 4.3
Het rentepercentage, genoemd in artikel 4.5, eerste lid, van het
besluit, bedraagt voor het jaar 2013: 0,60 procent.
Artikel 4.4
1.De rente over de door de inburgeringsplichtige opgenomen lening
wordt maandelijks berekend op basis van samengestelde interest.
2.Voor de berekening van de rente op de voet van het eerste lid
wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
Artikel 4.5
1. Gedurende de aanloopfase, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van
de wet, en de eerste vijf jaren van de de terugbetalingsperiode,
bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het besluit, wordt hetzelfde
rentepercentage gehanteerd, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.5,
eerste lid, van het besluit. Het bij aanvang van de aanloopfase
geldende rentepercentage wordt gehanteerd.
1. Voor de resterende terugbetalingsperiode na het verstrijken van
de in het eerste lid genoemde termijn wordt het rentepercentage
opnieuw vastgesteld overeenkomstig artikel 4.5, eerste lid, van het
besluit.
Artikel 4.6
1. De hoogte van de maandelijkse termijn wordt berekend op basis
van het bedrag aan opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat
bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 4.4 en
gedeeld door het aantal te betalen termijnen.
2. De hoogte van de maandelijkse termijn bedraagt ten minste €
15. Indien de draagkracht overeenkomstig artikel 4.9 is vastgesteld op
minder dan € 180’ per jaar, wordt het maandelijkse termijnbedrag
op nul gesteld.
Artikel 4.7
1. In afwijking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit
vervallen de rente en aflossing van de lening van een debiteur, die
niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001, gedurende de aflosfase in jaarlijkse
termijnen. Artikel 4.4 is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon
in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn
behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is.
Op aanvraag van de in de eerste volzin bedoelde debiteur kan de
minister besluiten dat de rente en aflossing van de lening niet
vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de jaarlijkse dan wel de maandelijkse termijn,
bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, wordt berekend
overeenkomstig artikel 4.6, tenzij de debiteur, bedoeld in het eerste
lid, bij de minister een aanvraag indient tot vaststelling van zijn
draagkracht voor de resterende aflosfase. In dat geval levert hij aan
de minister de door de minister gevraagde gegevens.
3. De betaling van de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste
lid, laatste volzin, geschiedt door middel van:
a. een daartoe door de debiteur verleende doorlopende
machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen
afschrijven van een door de debiteur aangewezen bank- of
girorekening in Nederland of
b. een door de minister aan de debiteur gezonden
acceptgirokaart.
Artikel 4.7a
De inburgeringsplichtige kan in afwijking van artikel 4.7, eerste
lid, van het besluit de lening in een keer terugbetalen. De
terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met
de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel
4.4.
Artikel 4.8 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.9
1. De draagkracht die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel,
gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
aanvraag, bedoeld in artikel 4.9 van het besluit, is ingediend.
2. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht de debiteur is
het totaal van het toetsingsinkomen van de debiteur en zijn partner in
het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het
draagkrachtinkomen.
3. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de
draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met
partner, of
b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie
de alleenstaande ouderkorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of
c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren
zonder partner.
4. De draagkracht de debiteur is 12% van het inkomen boven de
draagkrachtvrije voet.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het
toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld,
nog niet bekend is, door de minister daarvoor in de plaats gesteld een
bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon
benadert.
Artikel 4.10
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel
4.9 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over
het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld, indien sprake is van terugval in inkomen:
a. over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van
het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, of
b. over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in
welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval
in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de
debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld,
met dien verstande dat de vermindering niet kan worden gerekend tot
inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht
bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het
belastbaar inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan
het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend
is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van
de minister het uiteindelijke belastbaar loon benadert.
Artikel 4.11
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een
beschikking tot terugbetaling als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid,
van het besluit heeft ontvangen, wordt:
a. artikel 4.9, tweede en vierde lid, slechts eenmaal toegepast
op het totaal van het toetsingsinkomen, en
b. bij toepassing van artikel 4.10 van het besluit de te betalen
maandelijkse termijn per debiteur vastgesteld op basis van de
verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide
debiteuren afzonderlijk.
Artikel 4.12
De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum
van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is
ontvangen.
Artikel 4.13 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.14 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.15 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.16
Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld in artikel 17, tweede
lid, van de wet kunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen
aan een gerechtsdeurwaarder mits:
a. het achterstallige deel minimaal € 180 bedraagt, of
b. het deel dat zes maanden of langer achterstallig is, minimaal
€ 15 bedraagt.
Artikel 4.17
1. De minister kan de achterstallige termijnen alsmede het
resterende verschuldigde bedrag van de debiteur die direct
voorafgaande aan de beëindiging van de inburgeringsplicht houder is
geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, op verzoek geheel
kwijtschelden, indien:
a. uit de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens blijkt dat de debiteur geen verblijfsrecht meer
heeft, en
b. de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan bevestigen dat de
debiteur niet langer inburgeringsplichtig is omdat de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29 van de Vreemdelingenwet
2000, is ingetrokken aangezien de grond voor verlening daarvan is
komen te vervallen.
2. Als tijdstip van indiening van het verzoek wordt aangemerkt het
moment dat de minister op grond van de gegevens in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens heeft geconstateerd dat er geen
sprake meer is van een verblijfsrecht.
§ 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.18 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.19 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.20 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.21 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.22 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.23 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.24 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 4 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4.25 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 5 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 5.1 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 6. Informatiebepalingen
Artikel 6.1
De bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 50, eerste lid,
van de wet zijn gegevens waaruit blijkt dat een inburgeringsplichtige:
a. een geestelijke bedienaar is;
b. is ontheven van de inburgeringsplicht op grond van artikel 6,
eerste lid, onderdeel a of b, van de wet;
c. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 31 of 33 van de
wet is opgelegd;
d. het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan
afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
Artikel 6.2
1. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel a, is in ieder geval noodzakelijk voor de
beoordeling van de inburgeringsplicht van een geestelijke bedienaar
overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel b, is in ieder geval noodzakelijk voor de
beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig artikel 3 van de
wet.
3. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel c, is in ieder geval noodzakelijk voor de
beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met
de artikelen 7 of 32 van de wet.
4. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel d, is in ieder geval noodzakelijk om de
kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een
verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen
het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een
wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
5. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in het
eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem
Inburgering.
Artikel 6.3
1. Voorzover de bijzondere persoonsgegevens zijn opgeslagen in het
Informatiesysteem Inburgering, wordt dit bestand beveiligd tegen
ongeautoriseerd gebruik door:
a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die
voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen
informatie moeten hebben;
b. het bewaren van een reservebestand op een voor
niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.
2. De minister, stelt richtlijnen op voor het verwerken van
bijzondere persoonsgegevens in het Informatiesysteem Inburgering.
Artikel 6.4
De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de
minister wordt op de volgende wijze tegengegaan:
a. de toegang tot de gegevens in het Informatiesysteem
Inburgering is voorbehouden aan die personen, die voor het
uitoefenen van hun taak, bedoeld in artikel 6.2, toegang tot de
informatie moeten hebben;
b. de minister, stelt een functionaris voor de
gegevensbescherming aan, die toeziet op de naleving van de Wet
bescherming persoonsgegevens;
c. de minister, verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten
aanzien van de verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert
deze aan de functionaris voor de gegevensbescherming.
Artikel 6.5 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.1 [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 8. Wijziging Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005
Artikel 8.1
[Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 9.1 [Vervallen per 01-04-2011]
Artikel 9.2
In afwijking van artikel 5.1, wordt een in dat artikel genoemde
vaststelling gedaan voor 26 februari 2007.
Artikel 9.3 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 9.4
Het aanbieden van inburgeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 65
van de wet, geschiedt overeenkomstig de Regeling inburgering oudkomers
G25 2006, de Regeling inburgering oudkomers G30 2006 en de Regeling
inburgering oudkomers niet-G56 2006.
Artikel 9.5
[Wijzigt deze regeling]
Artikel 9.6
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
2. Artikel 9.4 werkt terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 9.7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering.
Deze regeling zal in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage
worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Justitie en zijn
te raadplegen via het internet http://www.inburgering.net
en http://www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.
De
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|