| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet inburgering (Wi)
REGELING
INBURGERING
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister voor Vreemdelingenzaken en
Integratie van 6 december 2006, nr. 5456790/06, tot uitvoering van
de Wet inburgering, het Besluit inburgering en tot wijziging van de
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën
vreemdelingen 2005 (Regeling inburgering)
De Minister
voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 14, derde
lid, 50, tweede lid, van de Wet inburgering de artikelen 2.1, vierde
lid, 2.3, eerste lid, onderdeel f, 2.7, zevende lid, 2.8, vijfde lid,
2.10, eerste en tweede lid, 3.3, tweede lid, 3.5, vierde lid, 3.7, zesde
lid, 3.8, vijfde lid, 3.9, vierde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, elfde
lid, 3.13, 3.14, vijfde lid, 3.15 eerste, vierde en vijfde lid, 3.17,
eerste lid, 3.19, derde lid, 3.21, derde lid, 3.23, tweede lid, 4.2,
derde lid, 4.5, eerste, derde en vierde lid, 4.7, eerste en derde lid,
4.10, derde lid, 4.12, 4.13, eerste lid, 4.17, eerste lid, tweede, derde
en vierde lid, 4.20, derde lid, 4.22, tweede lid, 4.24, tweede lid, 5.2,
en 7.7, tweede lid, van het Besluit inburgering en artikel 12 van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: het Besluit inburgering;
b. de minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
c. belastbaar loon: het belastbaar loon, bedoeld in artikel 9 van
de Wet op de loonbelasting 1964;
d. toetsingsinkomen: het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8
van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
e. staatsexamen Nederlands als tweede taal: staatsexamen
Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 2.3,
eerste lid, onderdeel c, van het besluit;
f. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden
cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en
schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de
Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het
inburgeringsexamen te behalen.
Artikel 1.2
Het keurmerk, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de
wet is het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door de
Stichting Blik op Werk.
Artikel 1.3
1.Als geestelijke bedienaar wordt in ieder geval aangemerkt de
vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, die is
verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van
arbeid als geestelijke bedienaar.
2.Onder kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of
levensbeschouwelijke grondslag als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel g, van de wet wordt tevens verstaan een onderdeel daarvan of
een rechtspersoon waarin twee of meer van deze genootschappen
samenwerken.
3.Van werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of
levensbeschouwelijke aard als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel g, van de wet is in ieder geval sprake in geval van
werkzaamheden als voorganger, godsdienstleraar, zendeling, leraar
levensbeschouwelijk onderwijs, vertrouwenspersoon of pastoraal werker
binnen een godsdienstige of levensbeschouwelijke gemeenschap, dan wel
op het terrein van het uitdragen en verklaren van een bepaalde
geloofsleer of levensbeschouwelijke opvattingen.
4.Als geestelijke bedienaar wordt niet aangemerkt degene die op
louter incidentele basis werkzaamheden als bedoeld in het derde lid,
verricht.
Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht
§ 1. Tijdelijke verblijfsdoelen
Artikel 2.1
De beperkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het besluit,
zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
§ 2. Vrijstellingen
Artikel 2.2
De diploma’s, certificaten en andere documenten, behaald in het
Nederlandstalig onderwijs in de Nederlandse Antillen of Aruba, bedoeld
in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, zijn opgenomen
in bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel 2.2a
1.Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden
in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het
inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige
die beschikt over een originele verklaring van het regionaal
opleidingencentrum die is afgegeven op basis van de resultaten van een
voor 1 januari 2007 afgelegde toets ter afronding van een
NT2-taaltraject, indien uit de verklaring blijkt dat voor het
onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste de volgende niveaus
van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal, dan wel
Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, zijn behaald:
a. niveau 2, respectievelijk niveau A2, voor de onderdelen
Luisteren en Spreken, en niveau 2, respectievelijk niveau A2 voor
de onderdelen Lezen en Schrijven indien de inburgeringsplichtige
geen oudkomer is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel c,
van de wet;
b. niveau 2, respectievelijk niveau A2, voor de onderdelen
Luisteren en Spreken, en niveau 1, respectievelijk niveau A1, voor
de onderdelen Lezen en Schrijven indien de inburgeringsplichtige
oudkomer is in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van
de wet.
2.Om tot vrijstelling te kunnen leiden, dient de verklaring de
volgende gegevens te bevatten:
a. de naam van het document;
b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het
regionaal opleidingencentrum;
c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum;
d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het
NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum
zoals vermeld op zijn identiteitsdocument;
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier
taalvaardigheden Lezen, Schrijven, Luisteren en Spreken;
f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.
Artikel 2.2b
Van de verplichting om mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal
te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te
behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over de
beschikking van het basisexamen inburgering in het buitenland, indien
uit die beschikking blijkt dat voor het onderdeel luister- en
spreekvaardigheid ten minste 37 punten is behaald.
Artikel 2.2c
Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het
inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige
die beschikt over de volgende certificaten van het Certificaat
Nederlands als Vreemde Taal:
a. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid
(ERK-niveau A2);
b. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau
A2);
c. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau
B1);
d. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau
B2);
e. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau
B2);
f. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau
C1).
Artikel 2.3
1.De kosten voor de deelname aan de toets, bedoeld in artikel 2.7,
vijfde lid, van het besluit, bedragen € 81.
2.Het model van het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid,
van het besluit, is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
§ 3. Ontheffing wegens medische belemmering
Artikel 2.4
1.Het advies, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
bevat in ieder geval een oordeel met betrekking tot het verlenen dan
wel het weigeren van de ontheffing van de inburgeringsplicht en,
indien van toepassing, noodzakelijke bijzondere examenomstandigheden
als bedoeld in artikel 3.2.
2.De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
adviseert tot ontheffing van de inburgeringsplicht, indien de
inburgeringsplichtige:
a. aanpassingen in het voorbereidingstraject op het
inburgeringsexamen nodig heeft en daarbij niet kan worden volstaan
met lichte aanpassingen, of
b. bijzondere examenomstandigheden nodig heeft om het
inburgeringsexamen te kunnen behalen en de bijzondere
examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.2, hiertoe niet
toereikend zijn.
3.De arts, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het besluit,
stelt het advies op conform het protocol dat is opgenomen in bijlage 4
bij deze regeling.
§ 4. Niveau van kennis en vaardigheden
Artikel 2.5
De eindtermen van het examen in de kennis van de Nederlandse
samenleving, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het besluit, zijn
opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
Hoofdstuk 3. Inburgeringsexamen
§ 1. Algemeen
Artikel 3.1
Het examengeld, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit,
bedraagt:
a. € 104 voor het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste
lid, van het besluit;
b. € 37 voor het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in
artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
c. € 52 voor de toets gesproken Nederlands, bedoeld in artikel
3.9, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, en
d. € 37 voor het examen in de kennis van de Nederlandse
samenleving, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel c, van
het besluit.
Artikel 3.2
De bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.5, eerste
lid, van het besluit, betreffen:
a. examen in aangepaste locatie;
b. verlenging examentijd;
c. onderbroken examenafname;
d. aangepaste inroostering;
e. examenhulp;
f. grootbeeld;
g. grootschrift, en
h. loepfunctie.
Artikel 3.3
Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen in bijlage 6 bij
deze regeling.
§ 2. Inhoud van het examen
Artikel 3.4
De eindtermen van het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste
lid, van het besluit, en van het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in
artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, zijn opgenomen in
bijlage 7 bij deze regeling.
Artikel 3.5
1.Het portfolio, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, van het
besluit, wordt samengesteld overeenkomstig de modellen, die zijn
opgenomen in bijlage 8 bij deze regeling en goedgekeurd overeenkomstig
de handleiding die is opgenomen in bijlage 11 bij deze regeling.
2.Het assessment, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, van het
besluit, wordt afgenomen overeenkomstig de handleiding, die is
opgenomen in bijlage 9 bij deze regeling.
Artikel 3.6
1. De kandidaat heeft het praktijkdeel van het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 3.7 van het besluit, behaald, indien hij:
a. 20 portfolio-opdrachten,
b. 4 assessmentopdrachten, of
c. een combinatie van 10 portfolio-opdrachten en 2
assessmentopdrachten met goed gevolg heeft afgelegd.
2. De oudkomer die het inburgeringsexamen heeft behaald op de
niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9, tweede lid, en 2.10 van het
besluit, heeft het inburgeringsexamen op het niveau, bedoeld in
artikel 2.9, eerste lid, van het besluit, behaald indien hij:
a. 10 portfolio-opdrachten of 2 assessmentopdrachten, en
b. het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9,
eerste lid, onderdeel a, van het besluit met goed gevolg heeft
afgelegd.
3. De portfolio-opdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
en het tweede lid, onderdeel a, worden beoordeeld in een panelgesprek,
gehouden door twee examinatoren.
4. De assessmentopdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
en het tweede lid, onderdeel a, en de combinatie van
assessmentopdrachten en portfolio-opdrachten, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, worden afgenomen met een assessment.
5. Het panelgesprek, bedoeld in het derde lid, wordt gevoerd
overeenkomstig de handleiding die is opgenomen in bijlage 12 bij deze
regeling.
Artikel 3.7
1. De kandidaat die geestelijke bedienaar is, heeft het aanvullend
praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van het besluit,
behaald, indien hij 6 portfolio-opdrachten met goed gevolg heeft
afgelegd.
2. Indien de kandidaat geestelijke bedienaar is, bestaat het
bijzonder praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van het
besluit uit 20 portfolio-opdrachten en 2 assessmentopdrachten.
3. Voor kandidaten die geestelijke bedienaar zijn, gelden
eindtermen van het aanvullend en bijzonder praktijkexamen als bedoeld
in artikel 3.8, eerste en tweede lid, van het besluit, zoals opgenomen
in bijlage 10 bij deze regeling.
4. Het aanvullend praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid,
van het besluit, wordt:
a. samengesteld overeenkomstig het model dat is opgenomen in
bijlage 13 bij deze regeling, en
b. afgenomen overeenkomstig de handleiding die is opgenomen in
bijlage 14 bij deze regeling.
5. Het bijzonder praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid,
van het besluit, wordt samengesteld overeenkomstig het model dat is
opgenomen in bijlage 15 bij deze regeling.
6. De assessmentopdrachten, bedoeld in het tweede lid, worden
afgenomen overeenkomstig de handleiding die is opgenomen in bijlage 16
bij deze regeling.
§ 3. Training voor examinatoren en commissies van beroep
Artikel 3.8
1. De training, bedoeld in artikel 3.11, vierde lid, van het
besluit, is de Examentraining voor examinatoren inburgering.
2. De examinator kan deelnemen aan de training indien hij:
a. over het certificaat bekwaam docent Nederlands als tweede
taal beschikt;
b. een opleiding van het hoger beroepsonderwijs of het
wetenschappelijk onderwijs heeft afgerond en gedurende de twee
jaar voorafgaand aan de inschrijving voor de training gemiddeld
twee dagdelen per week leservaring heeft opgedaan, of als docent
Nederlands als tweede taal, of
c. een van de volgende opleidingen heeft afgerond:
1°. urgentieopleiding basiseducatie;
2°. post-hoger beroepsonderwijs basiseducatie;
3°. post-hoger beroepsonderwijs Nederlands als tweede
taal;
4°. toegepaste taalwetenschap met specialisatie Nederlands
als tweede taal;
5°. algemene taalwetenschap met specialisatie Nederlands
als tweede taal;
6°. opleiding Nederlands als tweede taal – expert, of
7°. duale masteropleiding Nederlands als tweede taal
, en gedurende het jaar voorafgaand aan de inschrijving voor de
training gemiddeld twee dagdelen per week leservaring als docent
Nederlands als tweede taal heeft opgedaan.
3. De training wordt tot 1 januari 2013 gegeven door CINOP.
4. CINOP reikt op aanvraag een certificaat uit, waaruit blijkt dat
de deelnemer de training met goed gevolg heeft afgelegd en het
aansluitende examen heeft behaald.
5. Het model van het certificaat, bedoeld in het tweede lid, is
opgenomen inbijlage 17 bij deze regeling.
Artikel 3.9
1.De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden
en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep, bedoeld in
artikel 3.12, derde lid, van het besluit, worden door het bevoegd
gezag benoemd voor een termijn van ten minste drie en ten hoogste vijf
jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar.
2.Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden
van de commissie van beroep voor de examens ontslag verleend door het
bevoegd gezag. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar
wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij
worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken niet in
staat zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij
onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn
veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin
bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot
ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter
zake te doen horen.
§ 4. Kwaliteit van het inburgeringsexamen
Artikel 3.10
1. Bij de afname en de beoordeling van de tot het praktijkdeel van
het inburgeringsexamen behorende examens en het vaststellen van de
uitslag, handelen de exameninstellingen overeenkomstig de portfolio’s,
bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, en de handleiding assessments,
bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
2. De exameninstellingen laten een ieder die zich daarvoor
overeenkomstig de daartoe gestelde regels heeft aangemeld, het
verschuldigde examengeld heeft voldaan en zich overeenkomstig artikel
3.4 van het besluit, heeft geïdentificeerd, toe tot de tot het
inburgeringsexamen behorende examens.
3. De exameninstellingen waarborgen de kwaliteit van de examinering
door:
a. transparantie van de organisatiestructuur van de instelling
en van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij de
examinering;
b. het treffen van passende technische en organisatorische
maatregelen om de examen- en persoonsgegevens te beveiligen tegen
verlies of onrechtmatige verwerking;
c. het beschrijven van de procedure van verwerking van
examenresultaten en de gegevensverstrekking ten behoeve van
opneming in het Informatiesysteem Inburgering;
d. de naleving van het examenreglement, bedoeld in artikel
3.14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit;
e. het treffen van passende technische en organisatorische
maatregelen om de kwaliteit van de processen rondom de afname en
de beoordeling van examens te waarborgen.
§ 5. Aanwijzing exameninstellingen
Artikel 3.11
1.De minister wijst de exameninstellingen aan en kan deze
aanwijzing schorsen of intrekken.
2.Een afschrift van de beschikking op de aanvraag tot aanwijzing
als exameninstelling wordt gezonden aan het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering.
Artikel 3.12
1.Bij het verzoek om een onderzoek als bedoeld in artikel 3.17,
tweede lid, onderdeel a, van het besluit legt de instelling over:
a. een bewijs van inschrijving in het handelsregister, dat niet
ouder is dan zes maanden;
b. een vastgesteld examenreglement als bedoeld in artikel 3.14,
eerste lid, onderdeel c, van het besluit;
c. bewijs dat ten minste twee aan de instelling verbonden
examinatoren met goed gevolg de Examentraining voor examinatoren
inburgering als bedoeld in artikel 3.8 hebben afgerond;
d. gegevens en bescheiden waaruit blijkt dat de instelling
voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 3.10, derde lid.
2.Het rapport, bedoeld in artikel 3.15, derde lid, van het besluit,
van het Kwaliteitscentrum examinering inburgering, bevat een positief
advies, indien de instelling voldoet aan de bij en krachtens de wet
gestelde eisen. In de overige gevallen bevat het een negatief advies.
3.Het rapport wordt aan de instelling toegezonden. Indien het
rapport een negatief advies bevat, kan de instelling een zienswijze
bij het rapport voegen.
Artikel 3.13
1.In het examenreglement, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid,
onderdeel c, van het besluit, wordt in ieder geval vermeld:
a. de procedure van aanmelding en identificatie van de
inburgeringsplichtige;
b. de financiële aspecten van het praktijkdeel van het
inburgeringsexamen;
c. de wijze van bekendmaking van de uitslagen van het
praktijkdeel van het inburgeringsexamen;
d. dat de instelling beschikt over een examencommissie, bedoeld
in artikel 3.11 van het besluit;
e. dat de instelling beschikt over een commissie van beroep,
bedoeld in artikel 3.12 van het besluit;
f. de procedure en sancties bij fraude, en
g. de procedure voor de afhandeling van klachten.
2.In het examenreglement verklaart de exameninstelling dat de tot
het praktijkdeel van het inburgeringsexamen behorende examens en de
beoordeling van examens worden afgenomen overeenkomstig de portfolio’s,
bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, en de handleiding assessments,
bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 3.14
Ter zake van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid,
onderdeel a, van het besluit, is de instelling € 210 verschuldigd.
§ 6. Kwaliteitscentrum examinering inburgering
Artikel 3.15
Als Kwaliteitscentrum examinering inburgering wordt aangewezen het
KwaliteitsCentrum Examinering te Amersfoort.
Artikel 3.15a
1.In aanvulling op artikel 3.18, tweede lid, van het besluit
beschrijft het jaarverslag ten minste:
a. de wijze waarop de beoordeling van de kwaliteit van de
taakuitoefening, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van het
besluit heeft plaatsgevonden, alsmede de bevindingen welke
voortvloeien uit die beoordeling;
b. de wijze waarop de exameninstellingen zijn betrokken bij de
vaststelling van de wijze van uitvoering van het op hen uit te
oefenen toezicht;
c. de wijze waarop de deskundigheid van de personen die zijn
belast met het uitoefenen van taken voor het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering is geborgd, en;
d. de aantallen op basis van de klachtenregeling, bedoeld in
artikel 3.24 van het besluit, ingediende klachten, alsmede de aard
van die klachten.
2.In aanvulling op artikel 3.18, tweede lid, van het besluit bevat
het jaarverslag ten minste een opsomming van:
a. het aantal onderzochte exameninstellingen, alsmede het
aantal bestede uren per exameninstelling;
b. per exameninstelling, het aantal onderzochte examenlocaties,
alsmede het aantal bestede uren per examenlocatie, en;
c. per toezichtsproces, het gemiddeld aantal bestede uren.
Artikel 3.15b
1.De jaarrekening, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het
besluit bevat ten minste een verantwoording van de geïnde
vergoedingen, bedoeld in artikel 3.21, derde lid, van het besluit.
2.De aandachtspunten voor de accountantscontrole, bedoeld in
artikel 3.19, derde lid, van het besluit betreffen ten minste:
a. het aantal bestede uren per exameninstelling en per
examenlocatie, en;
b. het aantal bestede uren per toezichtsproces.
Artikel 3.16
1. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering wordt jaarlijks
subsidie verleend voor de taken, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid,
van het besluit.
2. De subsidie wordt verleend onder de volgende voorwaarden:
a. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering legt in
februari en juni van elk jaar een voortgangsrapportage over, die
in ieder geval gegevens bevat over het aantal uitgevoerde
onderzoeken als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a,
van het besluit en de tijdsbesteding door het Kwaliteitscentrum
examinering inburgering per onderzoek;
b. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering brengt een
deugdelijke scheiding aan in zijn administratie en zijn
financiële beheer voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.17,
tweede lid, onderdeel a, van het besluit, artikel 3.17, tweede
lid, onderdeel b, van het besluit, en de overige activiteiten van
het Kwaliteitscentrum examinering inburgering;
c. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering voert op
regelmatige basis overleg met de minister;
d. De minister heeft recht op het gebruik van de door het
Kwaliteitscentrum examinering inburgering ontwikkelde instrumenten
en producten.
3. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dient een aanvraag
om verlening van de subsidie in tezamen met de begroting, bedoeld in
artikel 3.19, eerste lid, van het besluit.
4. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering dient een aanvraag
tot vaststelling van de subsidie in tezamen met de jaarrekening,
bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het besluit.
5. De subsidie wordt verleend per kalenderjaar. Afdeling 4.2.8 van
de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
6. Het Kwaliteitscentrum examinering inburgering vormt een
egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 van de Algemene wet
bestuursrecht.
§ 7. De uitvoering van het toezicht op exameninstellingen
Artikel 3.17
Ter zake van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid,
onderdeel b, van het besluit is de exameninstelling voor de jaren 2010
tot en met 2012 € 500 per genoemd jaar per examenlocatie van de
instelling verschuldigd.
Artikel 3.18
Het tarief, bedoeld in artikel 3.23. tweede lid, van het besluit,
voor een afschrift van een verklaring als bedoeld in artikel 3.22,
vijfde lid, van het besluit bedraagt € 3,50.
Artikel 3.19
1.Het verslag, bedoeld in artikel 3.26 van het besluit, bevat ten
minste gegevens ten aanzien van:
a. het aantal deelnemers in totaal;
b. het aantal deelnemers per assessment, portfolio dan wel een
combinatie daarvan als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, van het
besluit;
c. het aantal deelnemers, per assessment, portfolio dan wel een
combinatie daarvan, als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, van
het besluit, dat is gezakt dan wel is geslaagd;
d. het aantal afgedane en in behandeling zijnde beroepen,
bedoeld in artikel 3.12 van het besluit;
e. het aantal afgedane en in behandeling zijnde klachten,
bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, onderdeel g, en;
f. het aantal en de aard van geconstateerde onregelmatigheden
terzake van de identificatie, bedoeld in artikel 3.4 van het
besluit.
2.Het verslag wordt op aanvraag aan eenieder ter beschikking
gesteld.
Hoofdstuk 4. Faciliteiten
§ 1. Lening
Artikel 4.1
Het bedrag van de lening bedraagt ten hoogste € 5000.
Artikel 4.2
1. Ten behoeve van de betaling van de lening verstrekt de
inburgeringsplichtige originele facturen aan de minister van:
a. de door hem te volgen of gevolgde inburgeringscursus en het
door hem af te leggen of afgelegde inburgeringsexamen;
b. de door hem te volgen of gevolgde cursus die opleidt tot het
staatsexamen Nederlands als tweede taal, of
c. de door een inburgeringsplichtige oudkomer te volgen of
gevolgde cursus die opleidt tot, alsmede het afleggen van het
inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in de artikelen 2.9,
eerste lid, en 2.10 van het besluit.
2. De factuur vermeldt in ieder geval:
a. het burgerservicenummer van de kandidaat;
b. de naam- en adresgegevens van de kandidaat;
c. de naam- en adresgegevens van de instelling;
d. de code WI-CU als het een inburgeringscursus betreft, de
code NT2-CU als het een cursus betreft die opleidt tot het
staatsexamen Nederlands als tweede taal dan wel de code WI-EX als
het het inburgeringsexamen betreft;
e. de code WI-OA indien de aanmelding van de kandidaat voor het
inburgeringsexamen via het Online Aanmeldsysteem Examens is
verlopen;
f. de handtekening van de kandidaat;
g. de datum, en
h. de specificatie van het factuurbedrag.
3. De betaling van de factuur, bedoeld in het eerste lid, geschiedt
binnen vier weken na ontvangst door de minister van die factuur.
4. De eerste betaling vindt plaats binnen een jaar na de
beschikking, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van het besluit,
waarbij het recht op de lening is vastgesteld. Indien binnen deze
periode geen betaling heeft plaatsgevonden, vervalt de beschikking.
§ 2. Terugbetaling
Artikel 4.3
Het rentepercentage, genoemd in artikel 4.5, eerste lid, van het
besluit, bedraagt voor het jaar 2012: 2,46 procent.
Artikel 4.4
1.De rente over de door de inburgeringsplichtige opgenomen lening
wordt maandelijks berekend op basis van samengestelde interest.
2.Voor de berekening van de rente op de voet van het eerste lid
wordt een maand gesteld op 30 dagen en een jaar gesteld op 360 dagen.
Artikel 4.5
Gedurende de aanloopfase, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
wet, en de terugbetalingsperiode, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid,
van het besluit, wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd, vastgesteld
overeenkomstig artikel 4.5, eerste lid, van het besluit. Het bij aanvang
van de aanloopfase geldende rentepercentage wordt gehanteerd.
Artikel 4.6
1.De hoogte van de maandelijkse termijn wordt berekend op basis van
het bedrag aan opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag
verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 4.4 en gedeeld
door het aantal te betalen termijnen.
2.De hoogte van de maandelijkse termijn bedraagt ten minste € 15.
Artikel 4.7
1. In afwijking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit
vervallen de rente en aflossing van de lening van een debiteur, die
niet binnenlands belastingplichtig is in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001, gedurende de aflosfase in jaarlijkse
termijnen. Artikel 4.4 is in dat geval van overeenkomstige toepassing.
Indien de debiteur zich voor het einde van een jaartermijn metterwoon
in Nederland vestigt, wordt hij tot het einde van die jaartermijn
behandeld als een debiteur die niet binnenlands belastingplichtig is.
Op aanvraag van de in de eerste volzin bedoelde debiteur kan de
minister besluiten dat de rente en aflossing van de lening niet
vervallen in jaarlijkse termijnen maar in maandelijkse termijnen.
2. De hoogte van de jaarlijkse dan wel de maandelijkse termijn,
bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, wordt berekend
overeenkomstig artikel 4.6, tenzij de debiteur, bedoeld in het eerste
lid, bij de minister een aanvraag indient tot vaststelling van zijn
draagkracht voor de resterende aflosfase. In dat geval levert hij aan
de minister de door de minister gevraagde gegevens.
3. De betaling van de maandelijkse termijn, bedoeld in het eerste
lid, laatste volzin, geschiedt door middel van:
a. een daartoe door de debiteur verleende doorlopende
machtiging om het verschuldigde bedrag maandelijks te doen
afschrijven van een door de debiteur aangewezen bank- of
girorekening in Nederland of
b. een door de minister aan de debiteur gezonden
acceptgirokaart.
Artikel 4.7a
De inburgeringsplichtige kan in afwijking van artikel 4.7, eerste
lid, van het besluit de lening in een keer terugbetalen. De
terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met
de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel
4.4.
Artikel 4.8
1. De terugbetalingsperiode van de debiteur die algemene bijstand
ontvangt en een aanvraag indient om zijn draagkracht vast te stellen,
beslaat ten hoogste drie jaren vanaf de maand volgend op de maand
waarin hij de minister kenbaar heeft gemaakt dat hij algemene bijstand
ontvangt. De volledige terugbetalingsperiode beslaat ten hoogste 7
jaren.
2. De maandelijkse termijn van de debiteur die algemene bijstand
ontvangt en een draagkrachtmeting aanvraagt, wordt berekend
overeenkomstig artikel 4.6. De artikelen 4.9 tot en met 4.11 van het
besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De duur van de terugbetalingsperiode, bedoeld in het eerste lid,
en de hoogte van de maandelijkse termijn, bedoeld in het tweede lid,
worden niet gewijzigd ingeval de algemene bijstand wordt beëindigd.
Artikel 4.9
1. De draagkracht die wordt vastgesteld overeenkomstig dit artikel,
gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
aanvraag, bedoeld in artikel 4.9 van het besluit, is ingediend.
2. Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur
uit inkomen is het totaal van het toetsingsinkomen van de debiteur en
zijn partner in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld. Het aldus bepaalde inkomen is het
draagkrachtinkomen.
3. Op het draagkrachtinkomen wordt in mindering gebracht de
draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan:
a. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur met
partner, of
b. 120% van het belastbaar minimumloon voor een debiteur op wie
de alleenstaande ouderkorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, van toepassing is, of
c. 84% van het belastbaar minimumloon voor overige debiteuren
zonder partner.
4. De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 8% van het inkomen
boven de draagkrachtvrije voet.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het
toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld,
nog niet bekend is, door de minister daarvoor in de plaats gesteld een
bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon
benadert.
Artikel 4.10
1. Op aanvraag van de debiteur wordt bij de toepassing van artikel
4.9 uitgegaan van het inkomen van een ander jaar dan het inkomen over
het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld, indien sprake is van terugval in inkomen:
a. over het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
draagkracht wordt vastgesteld, in welk geval wordt uitgegaan van
het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt
vastgesteld, of
b. over het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, in
welk geval wordt uitgegaan van het jaar waarvoor de draagkracht
wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval
in inkomen verstaan een vermindering van het toetsingsinkomen van de
debiteur van ten minste 15% ten opzichte van het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld,
met dien verstande dat de vermindering niet kan worden gerekend tot
inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht
bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.
3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt zolang het
belastbaar inkomen over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, het jaar voorafgaande aan
het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, of het jaar
waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld nog niet definitief bekend
is, daarvoor in de plaats gesteld het bedrag dat naar het oordeel van
de minister het uiteindelijke belastbaar loon benadert.
Artikel 4.11
Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een
beschikking tot terugbetaling als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid,
van het besluit heeft ontvangen, wordt:
a. artikel 4.9, tweede en vierde lid, slechts eenmaal toegepast
op het totaal van het toetsingsinkomen, en
b. bij toepassing van artikel 4.10 van het besluit de te betalen
maandelijkse termijn per debiteur vastgesteld op basis van de
verhouding tussen de hoogte van het toetsingsinkomen van beide
debiteuren afzonderlijk.
Artikel 4.12
De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum
van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is
ontvangen.
Artikel 4.13 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.14 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.15 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.16
Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld in artikel 17, tweede
lid, van de wet kunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen
aan een gerechtsdeurwaarder mits:
a. het achterstallige deel minimaal € 180 bedraagt, of
b. het deel dat zes maanden of langer achterstallig is, minimaal
€ 15 bedraagt.
Artikel 4.17
1. De minister kan de achterstallige termijnen alsmede het
resterende verschuldigde bedrag van de debiteur die direct
voorafgaande aan de beëindiging van de inburgeringsplicht houder is
geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, op verzoek geheel
kwijtschelden, indien:
a. uit de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens blijkt dat de debiteur geen verblijfsrecht meer
heeft, en
b. de Immigratie- en Naturalisatiedienst kan bevestigen dat de
debiteur niet langer inburgeringsplichtig is omdat de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 29 van de Vreemdelingenwet
2000, is ingetrokken aangezien de grond voor verlening daarvan is
komen te vervallen.
2. Als tijdstip van indiening van het verzoek wordt aangemerkt het
moment dat de minister op grond van de gegevens in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens heeft geconstateerd dat er geen
sprake meer is van een verblijfsrecht.
§ 3. Vergoeding
Artikel 4.18
De vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel a, en
tweede lid, onderdeel a, van het besluit, bedraagt € 650.
Artikel 4.19
De vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, derde lid, van het besluit,
bedraagt € 270.
Artikel 4.20
1.De vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b, van het besluit, bedraagt 70% van de
kosten die door de gewezen inburgeringsplichtige zijn gemaakt ten
behoeve van het volgen van een inburgeringscursus en het afleggen van
het inburgeringsexamen of het volgen van een cursus ten behoeve van
het behalen van het staatsexamen Nederlands als tweede taal.
2.De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste
€ 3000.
Artikel 4.21
1. De aanvraag van de vergoeding dan wel van het resterende deel
van de vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, onderdeel b,
en tweede lid, onderdeel b, van het besluit, wordt ingediend binnen
zes maanden nadat:
a. de gewezen inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen of
het staatsexamen Nederlands als tweede taal, heeft behaald, of
b. indien de gewezen inburgeringsplichtige een oudkomer was,
het inburgeringsexamen op de niveaus, bedoeld in artikelen 2.9,
eerste lid, en 2.10 van het besluit, heeft behaald.
2. De gewezen inburgeringsplichtige overlegt ten behoeve van de
aanvraag de volgende gegevens:
a. de originele facturen die zijn voldaan ten behoeve van de
door hem gevolgde inburgeringscursus en het door hem afgelegde
inburgeringsexamen of ten behoeve van de door hem gevolgde cursus
die opleidt tot het staatsexamen Nederlands als tweede taal,
tenzij de minister de originele facturen reeds in bezit heeft ten
behoeve van de lening;
b. het originele bewijs van betaling van de facturen, bedoeld
in het onderdeel a, tenzij de facturen reeds door de minister zijn
betaald overeenkomstig artikel 4.2, en
c. zijn burgerservicenummer.
3. De facturen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vermelden
in ieder geval:
a. het burgerservicenummer van de kandidaat;
b. de naam- en adresgegevens van de kandidaat;
c. de naam- en adresgegevens van de instelling;
d. de code WI-CU als het een inburgeringscursus betreft, de
code NT2-CU als het een cursus betreft die opleidt tot het
staatsexamen Nederlands als tweede taal, dan wel de code WI-EX als
het het inburgeringsexamen betreft;
e. de code WI-OA indien de aanmelding van de kandidaat voor het
inburgeringsexamen via het Online Aanmeldsysteem Examens is
verlopen;
f. de handtekening van de kandidaat;
g. de datum, en
h. de specificatie van het factuurbedrag.
Artikel 4.22 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.23 [Vervallen per 04-07-2009]
Artikel 4.24
1. De minister neemt binnen acht weken nadat de
inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen heeft behaald, dan wel
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel
4.21, eerste lid, een beschikking, waarbij de omvang van het bedrag
van de verrekening, bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, van het
besluit, wordt vastgesteld.
2. Indien de vergoeding hoger is dan het bedrag dat de gewezen
inburgeringsplichtige moet terugbetalen, wordt het resterende bedrag
uitbetaald aan de gewezen inburgeringsplichtige.
§ 4. Gemeentelijk aanbod aan geestelijke bedienaren
Artikel 4.25
1. De cursus, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, van het besluit,
bestaat uit de volgende drie fasen:
a. fase 1: een intensieve taalcursus;
b. fase 2: praktijkopdrachten in de eigen regio, en
c. fase 3: centrale, thematische bijeenkomsten gericht op het
verwerven van algemene en specifieke kennis van de Nederlandse
samenleving.
2. De cursus, bedoeld in het eerste lid, wordt gegeven door CINOP.
Hoofdstuk 5. Handhaving
Artikel 5.1
De minister stelt het aantal oudkomers aan wie het college in een
door de minister vast te stellen tijdvak een handhavingsbeschikking
bekendmaakt drie maanden voor aanvang van dat tijdvak vast.
Hoofdstuk 6. Informatiebepalingen
Artikel 6.1
1. De bijzondere persoonsgegevens, bedoeld in artikel 50, eerste
lid, van de wet zijn gegevens waaruit blijkt dat een
inburgeringsplichtige:
a. een geestelijke bedienaar is;
b. is ontheven van de inburgeringsplicht op grond van artikel 6
van de wet;
c. een bestuurlijke boete als bedoeld in de artikelen 29, 30,
31, of 33 van de wet is opgelegd;
d. het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan slechts kan
afleggen op een wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
2. Het eerste lid, aanhef, onderdelen a en d, zijn van
overeenkomstige toepassing op een vrijwillige inburgeraar.
Artikel 6.2
1.De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel a, is in ieder geval noodzakelijk:
a. voor de beoordeling van de inburgeringsplicht van een
geestelijke bedienaar overeenkomstig artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, van de wet;
b. voor de toepassing van artikel 52 van de wet.
2.De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel b, is in ieder geval noodzakelijk voor de
beoordeling van de inburgeringsplicht overeenkomstig artikel 3 van de
wet.
3.De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel c, is in ieder geval noodzakelijk voor de
beoordeling of een inburgeringsplichtige gehandeld heeft in strijd met
de artikelen 7, eerste lid, 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, 23,
eerste lid, 23, derde lid, 25, vierde lid, of 32 van de wet.
4.De verwerking van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1, onderdeel d, is in ieder geval noodzakelijk om de
kandidaat met een psychische of lichamelijk belemmering, dan wel een
verstandelijke handicap, op diens verzoek in de gelegenheid te stellen
het inburgeringsexamen dan wel een deel daarvan af te leggen op een
wijze die is aangepast aan zijn mogelijkheden.
5.De documenten waaruit bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in
artikel 6.1 blijken, worden neergelegd in een persoonsgebonden
dossier. De bijzondere persoonsgegevens worden ten behoeve van de in
het eerste lid bedoelde doeleinden verstrekt aan het Informatiesysteem
Inburgering.
Artikel 6.3
1.Voorzover de bijzondere persoonsgegevens zijn opgeslagen in het
Informatiesysteem Inburgering, wordt dit bestand beveiligd tegen
ongeautoriseerd gebruik door:
a. het toekennen van autorisaties aan alleen die personen, die
voor het uitoefenen van hun taak toegang tot de opgeslagen
informatie moeten hebben;
b. het bewaren van een reservebestand op een voor
niet-geautoriseerde personen ontoegankelijke plaats.
2.De verantwoordelijke, bedoeld in artikel 6.8 van het besluit,
stelt richtlijnen op voor het verwerken van bijzondere
persoonsgegevens in het Informatiesysteem Inburgering.
Artikel 6.4
De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de
minister wordt op de volgende wijze tegengegaan:
a. de toegang tot de gegevens in het persoonsgebonden dossier en
het Informatiesysteem Inburgering is voorbehouden aan die personen,
die voor het uitoefenen van hun taak, bedoeld in artikel 6.2,
toegang tot de informatie moeten hebben;
b. de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 6.8 van het besluit,
stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan, die toeziet
op de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens;
c. de verantwoordelijke, bedoeld in artikel 6.8 van het besluit,
verricht integriteits- en kwaliteitsaudits ten aanzien van de
verwerking van de persoonsgegevens en rapporteert deze aan de
functionaris voor de gegevensbescherming.
Artikel 6.5
Voor zover de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de
Immigratie- en Naturalisatiedienst, het college, de cursusinstellingen
en de exameninstellingen niet geregeld is in een andere regeling, zijn
de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de
verwerking van bijzondere persoonsgegevens door deze instanties.
Hoofdstuk 7 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 7.1 [Vervallen per 01-01-2009]
Hoofdstuk 8. Wijziging Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005
Artikel 8.1
[Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen 2005]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 9.1 [Vervallen per 01-04-2011]
Artikel 9.2
In afwijking van artikel 5.1, wordt een in dat artikel genoemde
vaststelling gedaan voor 26 februari 2007.
Artikel 9.3 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 9.4
Het aanbieden van inburgeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 65
van de wet, geschiedt overeenkomstig de Regeling inburgering oudkomers
G25 2006, de Regeling inburgering oudkomers G30 2006 en de Regeling
inburgering oudkomers niet-G56 2006.
Artikel 9.5
[Wijzigt deze regeling]
Artikel 9.6
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
2. Artikel 9.4 werkt terug tot en met 1 januari 2006.
Artikel 9.7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering.
Deze regeling zal in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage
worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Justitie en zijn
te raadplegen via het internet http://www.inburgering.net
en http://www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.
De
Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|