| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers
REGELING
VERSTREKKINGEN ASIELZOEKERS EN ANDERE
CATEGORIEËN VREEMDELINGEN 2005 (Rva 2005)
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
Zie ook normbedragen Rva 2005
|
|
|
De Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie;
Gelet op artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Justitie;
b. het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
c. asielaanvraag: een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van
de Vreemdelingenwet 2000;
d. asielzoeker: een vreemdeling wiens vrijheid niet rechtens is
ontnomen, door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is
ingediend;
e. alleenstaande minderjarige vreemdeling: een asielzoeker die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder
begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland
verblijft;
f. gezin:
1°. de gehuwden of partners tezamen;
2°. de gehuwden of partners met het tot hun last komende
kind of stiefkind jonger dan 18 jaar;
3°. de alleenstaande ouder met het tot zijn last komende
kind of stiefkind jonger dan 18 jaar;
g. alleenstaande ouder: de alleenstaande die de volledige zorg
heeft voor een of meer tot zijn last komende (stief)kinderen en geen
gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede
graad;
h. opvangvoorziening: een accommodatie waarin door of onder
verantwoordelijkheid van het COA opvang wordt geboden aan
asielzoekers;
i. uitgenodigde vluchtelingen: vreemdelingen die, na een verzoek
daartoe van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor
vluchtelingen (UNHCR) op uitnodiging van de Nederlandse regering in
Nederland verblijven;
j. 14-1 brief: een uiterlijk op 17 maart 2005 door of namens een
vreemdeling verzonden brief met een verzoek om een
verblijfsvergunning naar aanleiding van de uitnodiging daartoe van
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 14 januari
2003;
k. rust- en voorbereidingstermijn: de termijn van tenminste zes
dagen waarin de vreemdeling in afwachting is van het indienen van
een asielaanvraag en rechtmatig verblijf heeft.
Hoofdstuk II. Toelating tot de opvang
Artikel 2
1. Deze regeling heeft uitsluitend betrekking op een asielzoeker en
de daarmee gelijkgestelde categorieën, als bedoeld in artikel 3 derde
en vierde lid van deze regeling, die niet beschikt over voldoende
middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,
als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand.
2. Het COA kan deze regeling tevens van toepassing verklaren op een
asielzoeker die beschikt over voldoende middelen om in de
noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, indien dringende
redenen daartoe noodzaken.
3. Het COA verstrekt aan de asielzoeker, als bedoeld in artikel 3
van deze regeling, binnen een termijn van ten hoogste 10 dagen na
plaatsing in een opvangvoorziening:
a. informatie met betrekking tot de voor de asielzoeker aan de
opvang van het COA verbonden rechten en plichten;
b. informatie met betrekking tot rechtsbijstand en met
betrekking tot zijn opvangvoorzieningen.
4. Het COA zorgt ervoor dat de in het vorige lid bedoelde
informatie schriftelijk in een voor de asielzoeker begrijpelijke taal
wordt verstrekt.
5. Er ontstaat geen recht op opvang indien een asielzoeker niet
binnen 24 uur na doorverwijzing door het COA naar de opvang in een
opvangvoorziening arriveert.
6. Er ontstaat geen recht op opvang indien de asielaanvraag is
ingediend door middel van een 14-1 brief en een aanvraag ingediend
door middel van een 14-1 brief, waarop nog niet beslist is, staat niet
in de weg aan de beëindiging van de voorzieningen.
Artikel 3
1. Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van asielzoekers
door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een
opvangvoorziening.
2. Tot de in het eerste lid bedoelde categorieën asielzoekers aan
wie opvang wordt geboden behoren:
a. de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
en onder d van deze regeling;
b. de asielzoeker als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
en onder e van deze regeling.
3. Met de in het vorige lid bedoelde categorieën asielzoekers
worden gelijkgesteld:
a. de vreemdeling wiens asielaanvraag binnen de procedure op
het Aanmeldcentrum is afgewezen en ten aanzien van wie een daartoe
strekkend en tijdig ingediend verzoek tot het treffen van een
voorlopige voorziening om de behandeling van het beroeps- en hoger
beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, is toegewezen;
b. een alleenstaande minderjarige vreemdeling wiens
asielaanvraag binnen de procedure op het AC is afgewezen;
c. de vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, als bedoeld
in artikel 14 of 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend en
die, met inachtneming van artikel 12 van deze regeling, reeds in
de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van
woonruimte in een gemeente;
d. de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de
Vreemdelingenwet 2000 heeft ingediend onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie met
toepassing van deze regeling opvang wordt geboden;
e. de vreemdeling die niet in een opvangvoorziening verblijft
als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h van deze regeling en
die in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel
bepaalde tijd, dan wel in het bezit wordt gesteld van een
asielgerelateerde verblijfsvergunning, vanaf het moment van
vergunningverlening tot het moment waarop passende huisvesting
buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd, tenzij de
vreemdeling reeds van overheidswege in een opvangvoorziening is
gehuisvest;
f. de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 van
de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft;
g. de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijft, als
bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h van de
Vreemdelingenwet 2000, en zich, naar het oordeel van Onze
Minister, feitelijk in dezelfde situatie bevindt als bedoeld in
artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
h. de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45,
vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;
i. de vreemdeling op wie een besluit als bedoeld in artikel 45,
zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is;
j. de vreemdeling aan wie binnen de AC-procedure een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de
Vreemdelingenwet 2000 wordt verstrekt;
k. de uitgenodigde vluchteling, ook en indien reeds binnen de
AC-procedure een verblijfsvergunning is verleend;
l. de vreemdeling wiens asielaanvraag is afgewezen en die
rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h, van
de Vreemdelingenwet 2000 op grond van een door de president van
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige
maatregel (‘interim measure’) waarin is bepaald dat de
vreemdeling vooralsnog niet mag worden uitgezet;
m. de uitgeprocedeerde asielzoeker aan wie een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de
Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking ‘verblijf voor het
ondergaan van medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege
medische noodsituatie’ is verleend op basis van voorafgaand aan
de aanvraag overgelegde complete en actuele medische gegevens;
n. de uitgeprocedeerde asielzoeker met rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet
2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische
gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft
overgelegd;
o. de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van
artikel 8, onder m, van de Vreemdelingenwet 2000.
4. Het COA draagt zorg voor de centrale opvang van andere
categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3, tweede, lid, van
de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, na een verzoek hiertoe van
Onze Minister.
Artikel 4
1. Onze Minister is bevoegd om, indien het COA aangeeft dat er
sprake is van een capacitaire noodsituatie of enige andere bijzondere
omstandigheid, het COA de bevoegdheid toe te kennen bepaalde
categorieën asielzoekers uit te sluiten van opvang.
2. Er bestaat geen recht op opvang indien de asielzoeker tot
ongewenst vreemdeling is verklaard, als bedoeld in artikel 67 van de
Vreemdelingenwet 2000.
3. Het enkele beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000
danwel het beroep op de daarmee gelijk te stellen feitelijke situatie,
als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder g van deze
regeling, genereert geen recht op opvang.
Hoofdstuk III. Het eindigen van de opvang
Artikel 5
1. Het recht op opvang van een asielzoeker wiens asielaanvraag die
recht op opvang heeft gegeven is afgewezen, eindigt indien de
vertrektermijn als bedoeld in artikel 62 Vw 2000 is verstreken,
tenzij:
a. de uitzetting van betrokkene ingevolge de Vreemdelingenwet
2000 of een rechterlijke uitspraak achterwege dient te blijven, of
b. betrokkene in afwachting is van een rechterlijke uitspraak
op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek tot het treffen
van een voorlopige voorziening om de behandeling van het hoger
beroepsschrift in Nederland te mogen afwachten, voor zover
uitzetting gedurende de behandeling van dit verzoek achterwege
blijft.
2. In het geval, bedoeld onder b, eindigt het recht op opvangvier
weken na de dag waarop op het verzoek om voorlopige voorzieningen
afwijzend is beslist.
Artikel 6
Het recht op opvang van een alleenstaande minderjarige vreemdeling
eindigt:
a. indien de asielaanvraag die recht heeft gegeven op opvang is
afgewezen en de uitzetting kan worden geëffectueerd, op de dag
waarop de uitzetting wordt geëffectueerd;
b. indien vervolgopvang kan worden geboden door of in opdracht
van de rechtspersoon, als bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, van
het Burgerlijk Wetboek, op de dag waarop vervolgopvang kan worden
geboden;
c. op de dag na de dag waarop de 18-jarige leeftijd is bereikt,
dan wel indien in de vreemdelingrechtelijke procedure onaantastbaar
is vastgesteld dat de vreemdeling meerderjarig is, en de vreemdeling
ook op grond van zijn asielaanvraag geen recht op opvang heeft.
Artikel 7
1. Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:
a. indien het een asielzoeker betreft aan wie een
verblijfsvergunning is verleend: op de dag waarop naar het oordeel
van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan
worden gerealiseerd;
b. indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig
verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag
die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de
vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;
c. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing
van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d van deze regeling
opvang is geboden: op de dag waarop voor de asielzoeker met wie
gezinshereniging wordt beoogd naar het oordeel van het COA
passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden
gerealiseerd;
d. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing
van artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van deze regeling
opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf, als
bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet
2000 is geëindigd;
e. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing
van artikel 3, derde lid, aanhef en onder g van deze regeling
opvang is geboden: op de dag na de dag waarop naar het oordeel van
Onze Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde
situatie, als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000;
f. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing
van artikel 3, derde lid, aanhef en onder h van deze regeling
opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als
bedoeld in artikel 45 vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000, is
ingetrokken;
g. indien het een asielzoeker betreft aan wie met toepassing
van artikel 3, derde lid, aanhef en onder i van deze regeling
opvang is geboden: vier weken na de dag waarop het besluit, als
bedoeld in artikel 45, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 is
ingetrokken;
h. indien een asielzoeker tot ongewenst vreemdeling is
verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000,
ook indien de asielzoeker nog niet rechtmatig verwijderbaar is
geraakt op zijn asielaanvraag;
i. indien het een asielzoeker betreft die niet binnen 48 uur na
overplaatsing in een opvangvoorziening arriveert: op het moment
waarop deze termijn verstrijkt;
j. indien het een asielzoeker betreft die twee opeenvolgende
malen niet heeft voldaan aan de meldplicht bij de
Vreemdelingenpolitie: twee weken nadat hij voor de eerste maal
heeft verzuimd zich bij de Vreemdelingenpolitie te melden;
k. indien een asielzoeker onjuiste gegevens heeft verstrekt
danwel gegevens heeft achtergehouden, met het oogmerk om aldus
voor zichzelf of voor degenen voor wie hij zorgt, ten onrechte een
aanspraak te doen ontstaan op de verstrekkingen bedoeld in artikel
9 van deze regeling, danwel ten onrechte de hoogte van de
verstrekkingen te doen stijgen;
l. indien een asielzoeker niet de instemming heeft verkregen
als bedoeld in artikel 12 van deze regeling;
m. indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft aan wie
met toepassing vanartikel 3, derde lid, aanhef en onder n, van
deze regeling opvang is geboden: vier weken nadat het rechtmatig
verblijf, bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h,van de
Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
2. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als
bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet van invloed
op het moment van het eindigen van het recht op opvang.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder e, eindigt het
recht op opvang indien het een uitgeprocedeerde asielzoeker betreft,
die voorafgaand aan de aanvraag op medische gronden zijn complete en
actuele medische gegevens heeft overgelegd, aan wie met toepassing
vanartikel 3, derde lid, aanhef en onder g, van deze regeling opvang
is geboden: vier weken nadat het rechtmatig verblijf als bedoeld in
artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 is
geëindigd.
Artikel 8 [Vervallen per 13-09-2006]
Hoofdstuk IV. De verstrekkingen gedurende de opvang
Artikel 9
1. Behoudens de uitzondering genoemd in lid 9, omvat de opvang in
een opvangvoorziening in elk geval de volgende verstrekkingen:
a. onderdak;
b. een wekelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel,
kleding en andere persoonlijke uitgaven;
c. openbaar vervoerskaarten voor reizen van en naar de
rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure;
d. recreatieve en educatieve activiteiten;
e. de dekking van de kosten van medische verstrekkingen
overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling;
f. een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke
aansprakelijkheid;
g. betaling van buitengewone kosten.
2. Zo spoedig mogelijk nadat een asielzoeker voor de eerste keer in
een opvangvoorziening is opgevangen, vindt een eerste onderzoek naar
zijn gezondheidstoestand plaats.
3. Tijdens het verblijf in de opvangvoorziening wordt de
asielzoeker een programma voor educatie en ontwikkeling geboden.
4. Voor bijzonder kwetsbare personen omvat de opvang naast de in
het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens specifieke begeleiding.
5. Het aanbieden van recreatieve en educatieve activiteiten en het
in bruikleen geven van gebruiksvoorwerpen kan afhankelijk gesteld
worden van de betaling door de asielzoeker van een waarborgsom.
6. Tijdens het verblijf in de opvangvoorziening bestaat voor de
asielzoeker de mogelijkheid om te communiceren met familieleden,
raadslieden en vertegenwoordigers van de Hoge Commissaris van de
Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) en door Onze Minister
erkende niet-gouvernementele organisaties (NGO’s).
7. Juridisch adviseurs of raadslieden van asielzoekers en
vertegenwoordigers van de UNHCR of van de door het Bureau van de Hoge
Commissaris gemachtigde en door Onze Minister erkende NGO’s hebben
toegang tot de opvangvoorziening, zodat zij de asielzoekers kunnen
bijstaan.
8. De in het vorige lid bedoelde toegang kan worden beperkt om
redenen die verband houden met de veiligheid van de opvangvoorziening
of de veiligheid van de asielzoeker.
9. Het eerste lid, onderdeel b en d, en het derde lid zijn niet van
toepassing op de asielzoeker wiens asielaanvraag in het Aanmeldcentrum
wordt behandeld dan wel de vreemdeling die op grond van artikel 3,
derde lid, onder o, voor verstrekkingen in aanmerking komt, tenzij het
een alleenstaande minderjarige vreemdeling betreft.
Artikel 9a
1.Aan de vreemdeling, bedoeld in artikel 3, derde lid, de
onderdelen c, e, j en k, die inburgeringsplichtig is op grond van de
Wet inburgering, kan tijdens diens verblijf in de opvangvoorziening
een voorziening worden aangeboden op grond waarvan een aanvang kan
worden gemaakt met de voorbereiding van het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van die wet.
2.Deze voorziening wordt slechts aangeboden aan de vreemdeling,
bedoeld in het eerste lid, die een verklaring heeft ondertekend,
waarin hij verklaart de voorziening te accepteren en aan de
voorziening deel te nemen.
3.De voorziening bevat in ieder geval de onderdelen op grond
waarvan vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de
Nederlandse samenleving worden verworven.
4.De deelname aan de voorziening vindt plaats op vrijwillige basis
en is kosteloos.
5.Het COA draagt er zorg voor dat de deelname aan de voorziening
bij overplaatsing van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, naar
een andere opvangvoorziening als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
kan worden gecontinueerd.
6.Deelname aan de voorziening mag de uitplaatsing naar een gemeente
in geen geval vertragen. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10
De in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen kunnen geheel of
gedeeltelijk aan een asielzoeker worden onthouden indien de asielzoeker:
a. niet desgevraagd mededeling doet van op hem betrekking
hebbende gegevens die nodig zijn voor het realiseren van de opvang,
waaronder in elk geval zijn naam, geboortedatum, nationaliteit, land
van herkomst, gezinssamenstelling, vermogenspositie en de datum
waarop door of ten behoeve van hem een asielaanvraag is ingediend;
b. een hem overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 tweede lid
van deze regeling in rekening gebrachte tegemoetkoming in de kosten
van opvang niet betaalt;
c. het bepaalde in artikel 19 van deze regeling niet naleeft;
d. overlast bezorgt aan asielzoekers die in een opvangvoorziening
verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan
anderen, of;
e. weigert deel te nemen aan programma’s gericht op het
voorlichten, stimuleren en bewustmaken van terugkeer.
Artikel 11
1. Het COA bepaalt in welke opvangvoorziening een asielzoeker wordt
geplaatst en is bevoegd een asielzoeker naar een andere voorziening
over te plaatsen.
2. Na overplaatsing van een asielzoeker naar een andere
opvangvoorziening worden de in artikel 9 eerste lid van deze regeling
bedoelde verstrekkingen in deze andere voorziening aangeboden.
3. Bij haar bevoegdheid op grond van het eerste lid van dit artikel
handhaaft het COA, voor zover mogelijk en met instemming van de
asielzoeker, de eenheid van het gezin en neemt zij de bescherming van
het gezinsleven tot uitgangspunt.
4. Bij haar bevoegdheid op grond van het eerste lid van dit artikel
ziet het COA, op voorwaarde dat dit in het belang van het kind is,
erop toe dat het minderjarig kind van een asielzoeker, danwel de
minderjarigevreemdeling wordt gehuisvest bij zijn ouder, dan wel een
volwassen familielid.
5. Het COA zal, voor zover mogelijk, minderjarige broers en zussen
gezamenlijk huisvesten.
Artikel 12
1. De asielzoeker aan wie een verblijfsvergunning is verleend en
die in afwachting is van het betrekken van woonruimte in een gemeente
krijgt de verstrekkingen, bedoeld in artikel 9 eerste lid van deze
regeling, aangeboden indien het COA hiermee heeft ingestemd.
2. De asielzoeker, bedoeld in het eerste lid, zal zich iedere twee
weken bij het COA moeten melden en de instemming bedoeld in het eerste
lid moeten hebben verkregen.
Artikel 13
1. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b
tot en met g van deze regeling, vinden niet plaats indien de bewoner
van de opvangvoorziening geen gebruik maakt van het in de
desbetreffende voorziening geboden onderdak.
2. Het COA kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepaling in
het eerste lid.
3. Het bepaalde in artikel 19, aanhef en onder e van deze regeling
is op dit artikel van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
1. De door de asielzoeker te ontvangen wekelijkse financiële
toelage, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van deze
regeling, bestaat uit een bedrag ten behoeve van voedsel en een bedrag
ten behoeve van kleding en andere persoonlijke uitgaven.
2. De hoogte van het bedrag ten behoeve van voedsel, bedoeld in het
eerste lid, in de opvangvoorziening waarin de bewoners volledig zelf
het eigen eten verzorgen, wordt berekend aan de hand van de volgende
bedragen per persoon, per week:
a. bij een één- of tweepersoonshuishouden: volwassene en
alleenstaande minderjarige vreemdeling:€ 43,68, kind tot 18
jaar:€ 33,39;
b. bij een driepersoonshuishouden: volwassene: € 34,86, kind
tot 18 jaar: € 26,67;
c. bij een huishouden van vier of meer personen: volwassene:
€ 31,08, kind tot 18 jaar:€ 23,80.
3. De hoogte van het bedrag ten behoeve van voedsel, bedoeld in het
eerste lid, in de opvangvoorziening waarin de bewoners het ontbijt en
een tweede maaltijd zelf verzorgen en niet de hoofdmaaltijd, wordt
berekend aan de hand van het volgende bedrag per persoon, per week:
a. bij een één- of tweepersoonshuishouden: volwassene en
alleenstaande minderjarige vreemdeling:€ 20,30, kind tot 18
jaar:€ 9,24;
b. bij een driepersoonshuishouden: volwassene: € 16,17, kind
tot 18 jaar: € 7,35;
c. bij een huishouden van vier of meer personen: volwassene:
€ 14,42, kind tot 18 jaar:€ 6,58.
4. De hoogte van het bedrag voor kleding en andere persoonlijke
uitgaven, bedoeld in het eerste lid, is: € 12,95 per persoon, per
week.
5. De financiële toelage wordt iedere week bij vooruitbetaling op
een door het COA vastgestelde tijd (en plaats) aan de asielzoeker
beschikbaar gesteld.
6. Geen financiële toelage wordt verstrekt aan een kind drie
maanden nadat het recht op een uitkering op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet is ontstaan. De alleenstaande ouder maakt wel
aanspraak op de alleenstaande oudertoeslag.
7. De financiële toelage voor een asielzoeker jonger dan 18 jaar,
die een kind is van, of verzorgd wordt door een of meer in de
desbetreffende opvangvoorziening verblijvende asielzoekers wordt
uitbetaald aan één van die asielzoekers.
8. Het COA draagt zorg voor de maaltijden in centra waarin de
bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.
9. In afwijking van het eerste lid wordt geen financiële toelage
verstrekt aan de asielzoeker wiens asielaanvraag in het Aanmeldcentrum
wordt behandeld dan wel aan de vreemdeling die op grond van artikel 3,
derde lid, onder o, voor verstrekkingen in aanmerking komt.
Artikel 15 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 16
1.Het treffen van een ziektekostenregeling bedoeld in artikel 9
eerste lid, onderdeel e van deze regeling, houdt in het afsluiten van
een ziektekostencontract ter dekking van de kosten van het door Onze
Minister vastgestelde pakket medische verstrekkingen.
2.Het verzekeren tegen de financiële gevolgen van wettelijke
aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel f van
deze regeling, houdt in het ten behoeve van de asielzoeker afsluiten
van een verzekering voor de wettelijke aansprakelijkheid van de
asielzoeker jegens een derde voor een som van maximaal € 453.780 per
gebeurtenis per jaar, alsmede het betalen van de daarvoor
verschuldigde premie.
Artikel 17
1. Een asielzoeker kan een vergoeding ontvangen voor buitengewone
kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van deze
regeling, die hij heeft gemaakt.
2. Buitengewone kosten zijn noodzakelijke kosten die vanwege hun
aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de
asielzoeker zelf te worden betaald.
3. Buitengewone kosten worden slechts betaald voorzover vooraf door
het COA aan de asielzoeker toestemming is verleend voor het maken van
deze kosten, met uitzondering van kosten die voortvloeien uit
noodsituaties waarin geen mogelijkheid bestond tot het verzoeken om
toestemming.
4. De toestemming, bedoeld in het derde lid, wordt uitsluitend
verleend indien en voor zover de kosten noodzakelijk zijn en niet op
andere wijze in de betaling kan worden voorzien.
5. Kosten die samenhangen met een door de asielzoeker ingediende
aanvraag als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet 2000, dan wel met een door de asielzoeker gepleegde
onrechtmatige daad, gepleegd misdrijf of begane overtreding zijn in
ieder geval geen buitengewone kosten, als bedoeld in het eerste lid.
6. Het COA kan op een daartoe strekkend verzoek van een vreemdeling
afwijken van het bepaalde in het vijfde lid, uitsluitend voor zover
het betreft:
a. de leges voor de verlenging van de verblijfsvergunning
bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling’, mits betrokkene op het moment van de
aanvraag nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
b. de leges voor de omzetting van de verblijfsvergunning
bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling’ in een verblijfsvergunning bepaalde
tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, mits betrokkene
voor het bereiken van de leeftijd van 15 jaar in het bezit is
gesteld van een verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de
beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’
en nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
c. de leges voor de verlening van een verblijfsvergunning
bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij ouders’, in de
gevallen waarin de statushouder op het moment van aanvraag niet
minimaal evenveel verdient als de normbedragen uit de Wet werk en
bijstand;
d. de leges ter zake van de afdoening van de aanvraag om een
verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijfsdoel
‘verblijf bij ouders’ ingediend door een in Nederland geboren
kind dat op grond van artikel 3, derde lid, onder d opvang wordt
geboden.
7. Onder buitengewone kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid
onder g, wordt niet verstaan de kosten voor een contra-expertise
indien het een asielzoeker betreft wiens asielaanvraag in het
Aanmeldcentrum wordt behandeld of is afgewezen dan wel indien het een
vreemdeling betreft die op grond van artikel 3, derde lid, onder o,
voor verstrekkingen in aanmerking komt.
Artikel 18
1. Een asielzoeker kan door het COA nader aan te wijzen
werkzaamheden verrichten in en rondom de opvangvoorziening, voor de
uitvoering waarvan een vergoeding kan worden gegeven.
2. Het COA zorgt voor een evenredige verdeling van het aanbod van
werkzaamheden bedoeld in het eerste lid over de in de
opvangvoorziening verblijvende asielzoekers die daarvoor in aanmerking
wensen te komen.
3. De vergoeding die een asielzoeker ontvangt voor het verrichten
van werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in totaal
niet meer dan € 13,80 per week.
Hoofdstuk V. Verplichtingen gedurende de opvang
Artikel 19
1. Behoudens de uitzondering genoemd in lid 2 is de asielzoeker die
onderdak heeft in een opvangvoorziening verplicht:
a. de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het
reglement van de desbetreffende opvangvoorziening;
b. gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van de
desbetreffende opvangvoorziening;
c. schoonmaakwerkzaamheden te verrichten in en rond de
woonruimte;
d. toegang te verlenen aan het personeel van de
opvangvoorziening tot zijn woonruimte indien er een redelijk
vermoeden bestaat dat de asielzoeker de huisregels overtreedt of
indien dit voor het beheer van de opvangvoorziening redelijkerwijs
noodzakelijk is;
e. zich wekelijks te melden bij het COA teneinde te kunnen
vaststellen of hij nog in de opvangvoorzieningen verblijft en
aanspraak maakt op opvangvoorzieningen.
2. Het eerste lid, onder e, is niet van toepassing op de
asielzoeker wiens asielaanvraag in het Aanmeldcentrum wordt behandeld
dan wel de vreemdeling die op grond van artikel 3, derde lid, onder o,
voor verstrekkingen in aanmerking komt.
Artikel 20
1. De asielzoeker is verplicht onverwijld uit eigen beweging, of op
verzoek van het COA, mededeling te doen van alle feiten of
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed kunnen zijn op het recht op verstrekkingen, het geldend
maken van het recht op verstrekkingen, de duur van verstrekkingen of
de hoogte van de toelagen die aan hem worden betaald. Indien deze
feiten of omstandigheden betrekking hebben op een kind dan wordt de
mededeling gedaan door de asielzoeker te wiens laste het kind komt en
in het geval dit meer dan één asielzoeker betreft, door één van
die asielzoekers.
2. Indien een asielzoeker die verblijft in een opvangvoorziening
beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens ex artikel 34
van de Wet Werk en Bijstand of inkomsten heeft, anders dan een
uitkering op grond van de Kinderbijslagwet of op basis van deze
regeling, is die asielzoeker aan het COA een vergoeding verschuldigd
in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn
gezinsleden. De tegemoetkoming bedraagt per maand ten hoogste de
economische waarde van de aan een asielzoeker feitelijk geboden
verstrekkingen, vermeerderd met de economische waarde van de aan ieder
gezinslid feitelijk geboden verstrekkingen, met dien verstande dat de
vergoeding niet meer bedraagt dan het bedrag van het in de eerste
volzin bedoelde vermogen of de in de eerste volzin bedoelde inkomsten.
3. Indien na zijn verblijf in een opvangvoorziening blijkt dat een
vreemdeling tijdens dit verblijf beschikte over een vermogen of
inkomsten, bedoeld in het tweede lid, kan het COA de kosten van de
opvang van deze vreemdeling alsmede de kosten van opvang van zijn
gezinsleden van hem terugvorderen. De terug te vorderen kosten per
maand zijn niet hoger dan de economische waarde van de aan de
vreemdeling feitelijk geboden verstrekkingen, vermeerderd met de
economische waarde van de aan ieder gezinslid feitelijk geboden
verstrekkingen, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag
niet meer bedraagt dan het bedrag van het in het tweede lid bedoelde
vermogen of de in het tweede lid bedoelde inkomsten.
Artikel 21
Indien blijkt dat een asielzoeker in strijd met de waarheid gegevens
heeft verstrekt of verzwegen, waardoor hij of zijn gezinsleden ten
onrechte, of tot een te hoog bedrag, de verstrekkingen, bedoeld in
artikel 9, eerste lid van deze regeling, hebben verkregen, dan wel dit
op andere wijze heeft bewerkstelligd, is het COA bevoegd de waarde van
de ten onrechte toegekende verstrekkingen terug te vorderen.
Artikel 22
Voor de verstrekkingen op basis van deze regeling geldt een
beslagvrije voet ten aanzien van alle verstrekkingen die in natura
geschieden en viervijfde deel van de verstrekkingen op grond van artikel
9, eerste lid, onderdeel b van deze regeling.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 23
Indien er ten aanzien van een asielzoeker
a. voor 1 januari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg in
negatieve zin is beslist;
b. een last tot uitzetting is gegeven; en
c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn
woon- of verblijfsplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet
verlaten,
eindigen de verstrekkingen, in afwijking van artikel 7, eerste lid,
aanhef en onder b van deze regeling, op de dag waarop de asielzoeker
Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.
Artikel 24
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van deze regeling is, in
afwijking van artikel 23 van deze regeling, eveneens van toepassing op
de vreemdeling ten aanzien van wie:
a. op of na 1 januari 2000 een niet inwilligende beslissing op de
asielaanvraag is genomen, of;
b. op of na 29 december 2000 een negatieve beslissing op het
ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beslissing op de
asielaanvraag is genomen, of;
c. op of na 1 januari 2000 de vergunning tot verblijf, daaronder
begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken
of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken.
Artikel 25
De Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën
vreemdelingen 1997 wordt ingetrokken.
Artikel 26
Deze regeling treedt in werking de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant
waarin zij wordt geplaatst
Artikel 27
Deze regeling kan wordt aangehaald als de Regeling verstrekkingen
asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk.
|
|
|