| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet Centraal Orgaan
opvang asielzoekers
REGELING
VERSTREKKINGEN BEPAALDE CATEGORIEËN
VREEMDELINGEN (Rvb)
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
Zie ook normbedragen Rvb
|
|
|
De
Staatssecretaris van Justitie;
Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Wet
Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
Overwegende dat
er ingevolge de inwerkingtreding van de Koppelingswet een noodzaak is
ontstaan te voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor een
drietal categorieën vreemdelingen;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de Wet: de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
b. de Koppelingswet: de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van
de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van
vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen,
voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen
aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland.
c. het COA: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
d. de Minister: de Minister van Justitie;
e. kind: ten laste komend kind als bedoeld in de Wet werk en
bijstand;
f. echtgenoot: echtgenoot als bedoeld in de Wet werk en bijstand;
g. minderjarige vreemdeling: een persoon die de leeftijd van 18
jaar nog niet heeft bereikt, die niet over de Nederlandse
nationaliteit beschikt en niet op grond van enig wettelijk
voorschrift als Nederlander moet worden behandeld;
h. verzorger: een persoon, niet zijnde de ouder, die de
minderjarige verzorgt en opvoedt als behoort deze tot het gezin;
i. wettelijke vertegenwoordiger: de persoon die het gezag over de
minderjarige heeft;
j. instelling voor vrouwenopvang: instelling voor het tijdelijk
bieden van onderdak en begeleiding aan personen die, al dan niet
gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen
van relationele aard of geweld, gefinancierd door één van de 35
centrumgemeenten voor de vrouwenopvang.
Artikel 2
1. Het COA is belast met het voorzien in de noodzakelijke
bestaansvoorwaarden voor de volgende categorieën vreemdelingen
gedurende de daarbij aangegeven termijn:
a. een slachtoffer van mensenhandel dat rechtmatig verblijf
heeft als bedoeld in artikel 8, onder f of h, van de
Vreemdelingenwet 2000 in verband met het verlenen van medewerking
aan opsporing en vervolging terzake van overtreding van artikel
273f van het Wetboek van strafrecht danwel op grond van artikel 8,
onder k, van die wet en ten aanzien van wie door respectievelijk
de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de korpschef aan het COA
een schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is
afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de verklaring is afgegeven
tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op grond van artikel
8, onder f, h of k, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd;
b. een hier te lande verblijvende getuige van mensenhandel die
in verband met de aangifte van overtreding van artikel 273f van
het Wetboek van Strafrecht rechtmatig verblijf heeft op grond van
artikel 8, onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000 en ten
aanzien van wie door de korpschef of de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als
bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop
de verklaring tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op
grond van artikel 8, onder f of h van de Vreemdelingenwet 2000 is
geëindigd.
c. een hier te lande verblijvende vreemdeling, anders dan de
vreemdeling die op grond van de Regeling verstrekkingen
asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 of de
Regeling opvang asielzoekers voor opvang in aanmerking komt, die
in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming een aanvraag
heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet
2000 en ten aanzien van wie door de korpschef of de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan het COA een schriftelijke verklaring als
bedoeld in het tweede lid is afgegeven, vanaf het tijdstip waarop
de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, blijkens
de verklaring is ingediend, tot het moment waarop het rechtmatig
verblijf op grond van artikel 8, onder f of h van de
Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
d. een hier te lande verblijvende vreemdeling, niet zijnde een
vreemdeling als bedoeld in onderdeel c:
1º die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met e, van de Vreemdelingenwet 2000;
2º die voor 1 juli 1998 een aanvraag heeft ingediend voor
een vergunning tot verblijf op grond van artikel 9 van de
Vreemdelingenwet;
3º die voorafgaand aan de onder 2° van dit onderdeel
bedoelde aanvraag een aanvraag om toelating als vluchteling en
een aanvraag voor een vergunning tot verblijf als bedoeld in
artikel 15a, eerste lid respectievelijk artikel 9 van de
Vreemdelingenwet heeft ingediend;
4º aan wie niet met toepassing van de Regeling opvang
asielzoekers of de Regeling verstrekkingen asielzoekers en
andere categorieën vreemdelingen 2005, opvang wordt geboden,
en wiens recht op bijstand op grond van de Wet werk en
bijstand als gevolg van de Koppelingswet is beëindigd, vanaf
het moment waarop het recht op bijstand op grond van de Wet
werk en bijstand als gevolg van de Koppelingswet is
beëindigd, gedurende de termijn waarin blijkens de
schriftelijke verklaring van de korpschef of de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan het COA, niet onherroepelijk op de
onder 2° van dit onderdeel bedoelde aanvraag is beslist.
e. een samen met tenminste één ouder of verzorger hier te
lande verblijvende minderjarige vreemdeling, niet zijnde een
vreemdeling als bedoeld in onderdeel c, die geen aanspraak heeft
op verstrekkingen op grond van enig ander wettelijk voorschrift en
die blijkens een schriftelijke verklaring van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst aan het COA rechtmatig verblijf heeft als
bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet
2000, vanaf het moment dat het rechtmatig verblijf, bedoeld in
artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000, is
verkregen tot het moment waarop dit rechtmatig verblijf is
geëindigd;
f. een hier te lande in een instelling voor vrouwenopvang
verblijvende vreemdeling die in verband met de aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning op grond van eergerelateerd
geweld, huiselijk geweld of in verband met het zijn van
slachtoffer van mensenhandel, niet zijnde de vreemdeling bedoeld
in onderdeel a, rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8,
onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000 en ten aanzien van
wie door de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het COA een
schriftelijke verklaring als bedoeld in het tweede lid is
afgegeven, vanaf het tijdstip waarop de schriftelijke verklaring
is afgegeven tot het moment waarop het rechtmatig verblijf op
grond van artikel 8, onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000
is geëindigd;
g. een in verband met mensenhandel, eergerelateerd geweld of
huiselijk geweld in een instelling voor vrouwenopvang verblijvende
vreemdeling die hier te lande verblijf houdt op grond van een
bijzondere geprivilegieerde status danwel die als
gemeenschapsonderdaan heeft gedurende de periode van drie maanden
na inreis rechtmatig verblijf op grond van artikel 6, eerste lid,
van de Richtlijn 2004/38/EG en artikel 8, onder e, van de
Vreemdelingenwet 2000.
2. De schriftelijke verklaring, bedoeld in het eerste lid, houdt in
dat de vreemdeling behoort tot één van de in het eerste lid bedoelde
categorieën vreemdelingen.
Artikel 2a
De regeling is uitsluitend van toepassing op de in artikel 2, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde vreemdeling:
a. die voldoet aan de vereisten voor het bezit van een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf en
b. die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor verblijf bij een persoon die voldoet aan de
bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing zijnde
eisen betreffende het beschikken over voldoende middelen van
bestaan.
Artikel 3
1. Het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor
vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot
en met d en f tot en met g, houdt in het voorzien in de volgende
verstrekkingen:
a. een financiële toelage;
b. de dekking van de kosten van medische verstrekkingen
overeenkomstig een daartoe door het COA te treffen
ziektekostenregeling.
2. Het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor
vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, houdt in
het verstrekken van een financiële toelage.
3. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde categorieën vreemdelingen
wordt geen onderdak in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet, geboden.
Artikel 4
In het kader van deze regeling worden de volgende categorieën
vreemdelingen onderscheiden:
a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a,
b, d, f of g;
b. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend met het oog op gezinshereniging of -vorming met een in
Nederland verblijvende echtgenoot tot wiens huishouden geen kinderen
behoren;
c. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft
ingediend met het oog op gezinshereniging of -vorming met een in
Nederland verblijvende echtgenoot tot wiens huishouden reeds één
of meer kinderen behoren;
d. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
die voor zichzelf en één of meer kinderen een aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op
gezinshereniging of -vorming met een in Nederland verblijvende
echtgenoot tot wiens huishouden geen kinderen behoren;
e. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
die voor zichzelf en één of meer kinderen een aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op
gezinshereniging of -vorming met een in Nederland verblijvende
echtgenoot tot wiens huishouden reeds één of meer kinderen
behoren;
f. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
jonger dan 18 jaar, die een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op gezinshereniging
met een in Nederland verblijvende ouder of bloedverwant tot wiens
huishouden geen kinderen behoren;
g. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
jonger dan 18 jaar, die een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op gezinshereniging
met een in Nederland verblijvende ouder of bloedverwant tot wiens
huishouden reeds één of meer kinderen behoren;
h. de vreemdelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
c, in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar, die een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog
op gezinshereniging met een bloedverwant in de eerste graad;
i. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
in de leeftijd van 21 of 22 jaar, die een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op
gezinshereniging met een bloedverwant in de eerste graad;
j. de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
in de leeftijd van 23 jaar of ouder die aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning heeft ingediend met het oog op
gezinshereniging met een bloedverwant in de eerste graad.
Artikel 5
Geen recht op de financiële toelage bestaat indien:
a. er een in aanmerking te nemen vermogen is, of;
b. de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Artikel 6
1.De berekeningsbasis is het bedrag, bedoeld in artikel 21, onder
c, van de Wet werk en bijstand.
2.De financiële toelage bedraagt:
a. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4, onder a of j: 70
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen;
b. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4 onder b: 100
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen;
c. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4 onder c of e: 100
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen, met een maximum van 10 procent van de
berekeningsbasis;
d. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4 onder d: 100
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen, met een maximum van 30 procent van de
berekeningsbasis;
e. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4 onder f: 90
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen, met een maximum van 20 procent van de
berekeningsbasis;
f. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4 onder g: 0 procent
van de berekeningsbasis.
g. voor de vreemdeling bedoeld in artikel 4, onder h: 17,5
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen;
h. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 4, onder i: 50
procent van de berekeningsbasis, verminderd met het in aanmerking
te nemen inkomen;
i. voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder
e: het bedrag, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, van de
Wet werk en bijstand, verminderd met het in aanmerking te nemen
inkomen.
Artikel 7
1.Het treffen van een ziektekostenregeling als bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel b, houdt in het afsluiten van een
ziektekostencontract ter dekking van de kosten van het door de
Minister vastgestelde pakket medische verstrekkingen.
2.In de verstrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel b, wordt ten behoeve van de vreemdeling uitsluitend voorzien
indien een toelage als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a
wordt toegekend.
Artikel 8
1.Op het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen zijn de
artikelen 3 en 4, in verbinding met de artikelen 31 tot en met 34 van
de Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
2.Tot het in aanmerking te nemen inkomen wordt tevens gerekend het
recht op algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
3.Niet tot het in aanmerking te nemen inkomen wordt gerekend de
bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
Artikel 9
1. De toelage wordt binnen twee weken nadat aanspraak van de
vreemdeling op de toelage is ontstaan, door de vreemdeling, diens
wettelijke vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of tweede
graad, dan wel door de persoon die door één van hen daartoe is
gemachtigd, aangevraagd.
2. Het COA kan in bijzondere gevallen afwijken van het eerste lid.
3. De vreemdeling, diens wettelijke vertegenwoordiger of
bloedverwant in de eerste of tweede graad, doet aan het COA op verzoek
of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
van invloed kunnen zijn op het recht op de toelage, het geldend maken
van het recht op de toelage, de hoogte of de duur van de toelage, of
op het bedrag dat aan hem wordt uitbetaald.
4. Voor de aanvraag van de toelage en de verstrekking van gegevens
wordt gebruik gemaakt van een door het COA verstrekt formulier.
5. De vreemdeling, diens wettelijke vertegenwoordiger of
bloedverwant in de eerste of tweede graad, is verplicht aan het COA
desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
voor de uitvoering van deze regeling.
6. Het COA bepaalt welke gegevens ten behoeve van de verlening van
de toelage, dan wel de voortzetting daarvan, door de vreemdeling,
diens wettelijke vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of
tweede graad, in ieder geval dienen te worden verstrekt, welke
bewijsstukken dienen te worden overlegd en de wijze en het tijdstip
waarop de verstrekking van de gegevens dient plaats te vinden.
7. De toelage wordt maandelijks vastgesteld over dat deel van de
kalendermaand waarover recht op de toelage bestaat.
8. De financiële toelage, bedoeld in artikel 3, tweede lid, wordt
niet toegekend over de periode voorafgaand aan 1 januari 2007.
Artikel 10
1. De toelage wordt uitbetaald aan de vreemdeling, diens wettelijk
vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of tweede graad, of aan
een door één van hen, blijkens een schriftelijke verklaring,
aangewezen persoon of instantie.
2. Het COA betaalt de toelage maandelijks achteraf.
3. Het COA is bevoegd de toelage over een kortere of langere
periode te betalen, indien dit gelet op de omstandigheden van de
vreemdeling wenselijk is.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de
Koppelingswet in werking treedt.
Artikel 12
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling verstrekkingen bepaalde
categorieën vreemdelingen, afgekort als Rvb.
De Staatssecretaris van Justitie,
E.M.A. Schmitz.
|
|
|