BESLUIT van 27 juli 2005, houdende nieuwe regels met
betrekking tot het verstrekken van een subsidie ten behoeve van
uitvoering van de wettelijke taak door het Centraal Orgaan opvang
asielzoekers (Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers
2005)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van
30 mei 2005, Directie Wetgeving, nr. 5354121/05/6;
Gelet op artikel 17a van de Wet Centraal
Orgaan opvang asielzoekers;
De Raad van State gehoord (advies van
23 juni 2005, nr. W03.05.0208/l);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 juli 2005, Directie
Wetgeving, nr. 5361651/05/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;
b. opvangvermogen: het geheel van bij het orgaan beschikbare
voorzieningen geschikt voor de opvang van asielzoekers en andere
categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
de wet;
c. product: door het orgaan leverbare, aan de opvang van
asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de wet gerelateerde en in overeenstemming
met Onze Minister gedefinieerde, voorziening;
d. project: eenmalig of tijdelijk door het orgaan te leveren
voorziening of geheel van voorzieningen;
e. subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de
wet.
2. Het in dit besluit bepaalde is van overeenkomstige toepassing
op door Onze Minister op grond van artikel 3, tweede lid, van de wet aan
het orgaan opgedragen taken met betrekking tot andere categorieën
vreemdelingen.
Hoofdstuk II. Raming
Artikel 2
1. Onze Minister doet vóór 1 juni van het jaar
voorafgaand aan het kalenderjaar aan het orgaan een raming voor het
desbetreffende kalenderjaar toekomen van de bezetting en behoefte aan
producten en projecten. Indien deze raming bijstelling behoeft meldt
Onze Minister dit schriftelijk aan het orgaan.
2. De raming, bedoeld in het eerste lid, wordt door het orgaan
als uitgangspunt gehanteerd bij de opstelling van het activiteitenplan.
De aanvraag van de subsidie wordt, vergezeld van het activiteitenplan,
vóór 1 augustus voorafgaand aan het kalenderjaar door het orgaan
ingediend.
Hoofdstuk III. Subsidieverlening
Artikel 3
1. Onze Minister beslist vóór 1 oktober voorafgaand aan
het kalenderjaar omtrent de aanvraag van de subsidie en doet het
orgaan een beschikking tot subsidieverlening toekomen.
2. In de beschikking tot subsidieverlening wordt in ieder geval
opgenomen het aantal af te nemen eenheden per product, de hoogte van het
voorschot en de wijze waarop zal worden bevoorschot.
Artikel 4
De aan het orgaan toe te kennen subsidie bestaat uit een bedrag voor
de door het orgaan in het betreffende boekjaar te leveren producten.
Artikel 5
1. De subsidie voor de producten wordt bepaald op basis van het
bedrag dat ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal af te nemen
producten met de voor het desbetreffende product vastgestelde
kostprijs.
2. De prijs van een product wordt vastgesteld aan de hand van de
door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde
kostprijssystematiek.
Artikel 6
Onze Minister kan, naast de subsidie bedoeld in artikel 4, het orgaan
een subsidie verstrekken en kan, in aanvulling op de verplichtingen
genoemd in hoofdstuk VI, in verband daarmee verplichtingen opleggen:
a. voor de uitvoering van projecten;
b. ter vergoeding van de door het orgaan te maken kosten als
gevolg van toename of afname van de behoefte aan opvangvermogen
overeenkomstig de door Onze Minister na overleg met het orgaan
vastgestelde groei- en krimpsystematiek;
c. ter vergoeding van de door het orgaan ingevolge artikel 3,
eerste lid, onder c, van de wet aan gemeenten betaalde bijdragen en
ingevolge artikel 4 van de wet bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur aan gemeenten verstrekte uitkeringen;
d. ter vergoeding van de door het orgaan verstrekte uitkeringen
aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in
artikel 3, tweede lid, van de wet;
e. voor de aanvulling van de egalisatiereserve overeenkomstig de
door Onze Minister na overleg met het orgaan vastgestelde
vermogenssystematiek;
f. voor overige uitgaven.
Hoofdstuk IV. Tussentijdse subsidieverlening
Artikel 7
1. Indien de beschikking, bedoeld in artikel 3, eerste en
tweede lid, bijstelling behoeft meldt Onze Minister dit schriftelijk
aan het orgaan.
2. Het orgaan reageert door middel van een aanvullende aanvraag
tot subsidie uiterlijk 8 weken na ontvangst van de in het eerste lid
bedoelde mededeling van Onze Minister.
3. Beslissing door Onze Minister op de in het tweede lid bedoelde
aanvullende aanvraag geschiedt uiterlijk 8 weken na ontvangst.
4. De wijziging wordt vastgesteld aan de hand van de door Onze
Minister na overleg met het orgaan vastgestelde wijzigingssystematiek.
Hoofdstuk V. Subsidievaststelling
Artikel 8
1. Onze Minister beslist binnen dertien weken na ontvangst van
de bescheiden, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, en 18, eerste
en derde lid, van de wet op de aanvraag tot subsidievaststelling.
2. Te veel ontvangen voorschotten worden verrekend met
voorschotten in volgende jaren, tenzij Onze Minister besluit tot
verrekening op andere wijze.
Artikel 9
De vaststelling van de subsidie geschiedt overeenkomstig de door Onze
Minister na overleg met het orgaan vastgestelde afrekensystematiek.
Artikel 10
Eenmaal in de drie jaar worden de in de artikelen 5, tweede lid, 6,
onderdelen b en e, 7, vierde lid, en 9 genoemde systematieken
geëvalueerd door Onze Minister in overleg met het orgaan.
Hoofdstuk VI. Aan de subsidie verbonden verplichtingen
Artikel 11
Het vermogen, met inbegrip van de inkomsten daaruit, wordt slechts
aangewend voor de taken die het orgaan ingevolge artikel 3 van de wet
zijn opgedragen.
Artikel 12
1. Het orgaan doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling
aan Onze Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor
een beslissing tot wijziging, intrekken of vaststelling van de
subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.
2. Op door Onze Minister te bepalen tijdstippen verstrekt het
orgaan aan Onze Minister een exploitatieoverzicht.
Artikel 13
1. Voor de in artikel 4:71, eerste lid, onder a en f, van de
Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen, is toestemming van Onze
Minister vereist.
2. Het orgaan kan uitsluitend lenen bij Onze Minister van
Financiën.
Artikel 14
Het orgaan vormt een egalisatiereserve. De minimale en maximale
omvang van de egalisatiereserve wordt voorafgaand aan het boekjaar door
Onze Minister vastgesteld door toepassing van de door Onze Minister na
overleg met het orgaan overeengekomen vermogenssystematiek.
Artikel 15
1. Indien de inkomsten hoger zijn dan geraamd, wordt zonodig de
egalisatiereserve aangevuld tot het niveau van de ingevolge artikel 14
vastgestelde minimale omvang.
2. Indien na aanvulling van de egalisatiereserve, bedoeld in het
eerste lid, een overschot resteert, kan het orgaan een op grond van de
vermogenssystematiek vastgesteld percentage daarvan voor vooraf door
Onze Minister goed te keuren aanvragen aanwenden. Deze aanvragen houden
verband met de taken die het orgaan ingevolge artikel 3 van de wet zijn
opgedragen.
3. Met het na aftrek van het in het tweede lid bedoelde
percentage resterende overschot, wordt zonodig de egalisatiereserve
aangevuld tot het niveau van de ingevolge artikel 14 vastgestelde
maximale omvang.
Hoofdstuk VII. Algemene-, overgangs- en slotbepalingen
Artikel 16
Het orgaan werkt mee aan door of namens Onze Minister ingestelde
onderzoeken die erop zijn gericht Onze Minister inlichtingen te
verschaffen ten behoeve van zijn beleid.
Artikel 17
Onze Minister kan op verzoek van het orgaan bepalingen van dit
besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover strikte
toepassing leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 18
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na
plaatsing in het Staatsblad en werkt terug tot en met
1 mei 2004.
2. Op de subsidieverstrekking aan het orgaan in het jaar 2004
blijft het Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers van
toepassing.
Artikel 19
Het Subsidiebesluit Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt
ingetrokken.
Artikel 20
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidiebesluit Centraal Orgaan
opvang asielzoekers 2005.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 juli 2005
BEATRIX
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
Uitgegeven de vierde augustus 2005
De Minister voor Justitie a.i.,
M.C.F. Verdonk