Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)

 

BESLUIT  BEKWAAMHEIDSEISEN  ONDERWIJSPERSONEEL

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 23 augustus 2005, houdende vaststelling van bekwaamheidseisen voor leraren in het basisonderwijs, het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en voor docenten educatie en beroepsonderwijs, alsmede houdende aanwijzing van vakken voor bekwaamheid als vakleerkracht in het primair onderwijs (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 februari 2005, nr. WJZ/2005/2292 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
     Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1º, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 35a en 36, eerste, vierde en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
     De Raad van State gehoord (advies van 4 april 2005, nr. W05.05.0034/III);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 18 augustus 2005, nr. WJZ/2005/36434 (3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. school: school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs;

b. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder b van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 1.2. Reikwijdte

Dit besluit heeft geen betrekking op leraren of docenten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

Hoofdstuk 2. Bekwaamheidseisen leraren en docenten

Titel 1. Zeven competenties

Artikel 2.1. Zeven competenties

De bekwaamheid tot het geven van onderwijs omvat de volgende competenties:

a. interpersoonlijke competentie;

b. pedagogische competentie;

c. vakinhoudelijke en didactische competentie;

d. organisatorische competentie;

e. competentie in het samenwerken met collega’s;

f. competentie in het samenwerken met de omgeving;

g. competentie in reflectie en ontwikkeling.

Titel 2. Bekwaamheidseisen primair onderwijs

Artikel 2.2. Reikwijdte titel 2

1.Deze titel heeft, onverminderd het tweede lid, betrekking op:

a. het basisonderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, en

b. het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in de Wet op de expertisecentra.

2.Deze titel omvat zintuiglijke en lichamelijke oefening in het primair onderwijs uitsluitend:

a. voor het onderwijs in de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs, en

b. voor het speciaal onderwijs in de groepen van leerlingen tot 7 jaren.

Artikel 2.3. Begripsbepaling titel 2

In deze titel wordt verstaan onder:

a. leraar: leraar als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra;

b. primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra.

Artikel 2.4. Interpersoonlijke competentie leraar PO

1.De leraar onderschrijft zijn interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en gedrag en van de invloed daarvan op de kinderen. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking met en van de kinderen tot stand te brengen.

2.Om te voldoen aan het eerste lid:

a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:

1°. hij maakt contact met de kinderen en zorgt ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,

2°. hij geeft de kinderen leiding maar laat hun ook verantwoordelijkheid en geeft hun een eigen inbreng, en

3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de kinderen en tussen de kinderen onderling;

b. beschikt de leraar over de volgende kennis:

1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen in de leefwereld van de kinderen, en

2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele communicatie en kent in het bijzonder de implicaties daarvan voor zijn eigen doen en laten.

Artikel 2.5. Pedagogische competentie leraar PO

1.De leraar onderschrijft zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor het individuele kind en de klas of groep een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon.

2.Om te voldoen aan het eerste lid:

a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:

1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een groep, van het individuele welbevinden van de kinderen en van de vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,

2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een benadering om de kinderen te begeleiden naar een veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen,

3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,

4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele kinderen, en

5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van kinderen en stelt, eventueel samen met collega’s, een passend plan van aanpak of benadering op;

b. beschikt de leraar over de volgende kennis:

1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van basisschoolkinderen, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,

2°. hij is bekend met het globale verloop van de sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van basisschoolkinderen, met de problemen die zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij daarmee om kan gaan,

3°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën van het jonge en oudere kind, is vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van die theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar, en

4°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming, zingeving en waardenontwikkeling bij het jonge en oudere kind én van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.

Artikel 2.6. Vakinhoudelijke en didactische competentie leraar PO

1. De leraar onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van de onderwijsinhouden en de didactiek om op eigentijdse, professionele en planmatige wijze een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin de kinderen zich de culturele bagage eigen kunnen maken die de maatschappij vereist.

2. Om te voldoen aan het eerste lid:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WEB | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x