BESLUIT van 23 augustus 2005, houdende vaststelling
van bekwaamheidseisen voor leraren in het basisonderwijs, het speciaal
en voortgezet speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en voor
docenten educatie en beroepsonderwijs, alsmede houdende aanwijzing van
vakken voor bekwaamheid als vakleerkracht in het primair onderwijs (Besluit
bekwaamheidseisen onderwijspersoneel)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede
namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van
10 februari 2005, nr. WJZ/2005/2292 (3753), directie Wetgeving en
Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b,
onder 1º, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de
Wet op het primair onderwijs, de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b,
onder 1º, 32, zesde lid, en 32a, eerste en vierde lid, van de
Wet op de expertisecentra, de artikelen 35a en 36, eerste, vierde
en vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 4.2.3,
eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van
4 april 2005, nr. W05.05.0034/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 18 augustus 2005, nr. WJZ/2005/36434
(3753), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. school: school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs;
b. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 onder b
van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 1.2. Reikwijdte
Dit besluit heeft geen betrekking op leraren of docenten
godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.
Hoofdstuk 2. Bekwaamheidseisen leraren en docenten
Titel 1. Zeven competenties
Artikel 2.1. Zeven competenties
De bekwaamheid tot het geven van onderwijs omvat de volgende
competenties:
a. interpersoonlijke competentie;
b. pedagogische competentie;
c. vakinhoudelijke en didactische competentie;
d. organisatorische competentie;
e. competentie in het samenwerken met collega’s;
f. competentie in het samenwerken met de omgeving;
g. competentie in reflectie en ontwikkeling.
Titel 2. Bekwaamheidseisen primair onderwijs
Artikel 2.2. Reikwijdte titel 2
1. Deze titel heeft, onverminderd het tweede lid, betrekking
op:
a. het basisonderwijs, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs,
en
b. het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs,
bedoeld in de Wet op de expertisecentra.
2. Deze titel omvat zintuiglijke en lichamelijke oefening in het
primair onderwijs uitsluitend:
a. voor het onderwijs in de groepen 1 en 2 van het basisonderwijs,
en
b. voor het speciaal onderwijs in de groepen van leerlingen tot 7
jaren.
Artikel 2.3. Begripsbepaling titel 2
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar: leraar als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs
of de Wet op de expertisecentra;
b. primair onderwijs: onderwijs als bedoeld in de Wet op het
primair onderwijs of de Wet op de expertisecentra.
Artikel 2.4. Interpersoonlijke competentie leraar PO
1. De leraar onderschrijft zijn interpersoonlijke
verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en
gedrag en van de invloed daarvan op de kinderen. Hij heeft voldoende
kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en
communicatie om een goede samenwerking met en van de kinderen tot
stand te brengen.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij maakt contact met de kinderen en zorgt ervoor dat zij
contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,
2°. hij geeft de kinderen leiding maar laat hun ook
verantwoordelijkheid en geeft hun een eigen inbreng, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de
kinderen en tussen de kinderen onderling;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen
in de leefwereld van de kinderen, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van
communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele
communicatie en kent in het bijzonder de implicaties daarvan voor
zijn eigen doen en laten.
Artikel 2.5. Pedagogische competentie leraar PO
1. De leraar onderschrijft zijn pedagogische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en
vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor het
individuele kind en de klas of groep een veilige leeromgeving tot
stand te brengen waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen tot een
zelfstandig en verantwoordelijk persoon.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een
groep, van het individuele welbevinden van de kinderen en van de
vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en
verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een
benadering om de kinderen te begeleiden naar een veilig en
harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en
morele ontwikkeling te bevorderen,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt
het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele
kinderen, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de
sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van kinderen en stelt,
eventueel samen met collega’s, een passend plan van aanpak of
benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van basisschoolkinderen,
hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid
daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met het globale verloop van de
sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van basisschoolkinderen,
met de problemen die zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij
daarmee om kan gaan,
3°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën van
het jonge en oudere kind, is vertrouwd met verschillende
opvoedingspraktijken en met de culturele bepaaldheid daarvan en is
zich bewust van de consequenties van die theorieën en praktijken
voor het onderwijs en voor zijn doen en laten als leraar, en
4°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij het jonge en oudere kind én
van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke consequenties hij
hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.6. Vakinhoudelijke en didactische competentie leraar PO
1. De leraar onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid op het
gebied van de onderwijsinhouden en de didactiek om op eigentijdse,
professionele en planmatige wijze een krachtige leeromgeving tot stand
te brengen waarin de kinderen zich de culturele bagage eigen kunnen
maken die de maatschappij vereist.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de kinderen
de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun werk
aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan leeractiviteiten of speel- en
leeractiviteiten die voor de kinderen uitvoerbaar zijn en die hen
aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die activiteiten samen met de kinderen uit,
4°. hij evalueert die activiteiten en de effecten ervan en stelt
ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele
kinderen, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt, zo
nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of
benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij beheerst de leerinhouden van de vak- en
vormingsgebieden, zoals beschreven in de kerndoelen voor het primair
onderwijs,
2°. hij kent het belang van die leerinhouden voor het dagelijks
leven van basisschoolkinderen en weet hoe zij die leerinhouden
gebruiken,
3°. hij is vertrouwd met de opbouw van de leerinhouden in
leerlijnen en met de samenhang daartussen,
4°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen
van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder
informatie- en communicatietechnologie,
5°. hij is bekend met verschillende leer- en onderwijstheorieën
en onderwijsarrangementen voor het jonge en oudere kind en weet hoe
hij die in praktijk kan brengen,
6°. hij is vertrouwd met de wijze waarop kinderen leren, wat hun
leerbehoeften zijn, hoe hun ontwikkeling verloopt en welke problemen
zich daarbij kunnen voordoen en hij weet hoe hij daar mee om kan
gaan,
7°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en
taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk
rekening mee moet houden,
8°. hij heeft een praktische kennis van veel voorkomende
leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen, en
9°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij het jonge en oudere kind, en
van de culturele bepaaldheid daarvan en hij weet welke consequenties
hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.7. Organisatorische competentie leraar PO
1. De leraar onderschrijft zijn organisatorische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en
vaardigheid om in zijn klas en zijn lessen op professionele en
planmatige wijze een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen
dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in alle opzichten
helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het bijzonder de kinderen.
2. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele
en door de kinderen gedragen procedures en afspraken,
2°. hij gebruikt organisatievormen, leermiddelen en
leermaterialen die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen, en
3°. hij houdt een planning aan die bij de kinderen bekend is en
gaat adequaat om met tijd;
b. is hij bekend met die aspecten van klassenmanagement die voor
zijn onderwijs relevant zijn.
Artikel 2.8. Competentie leraar PO in het samenwerken met collega’s
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het
samenwerken met collega’s. Hij heeft voldoende kennis en
vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed
pedagogisch en didactisch klimaat op zijn school, aan goede
werkverhoudingen en een goede schoolorganisatie.
2. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. beschikt de leraar over de volgende vaardigheden:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van
belang is, met collega’s en maakt gebruik van de informatie die
hij van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende
vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie,
en
4°. hij levert een bijdrage aan de ontwikkeling en verbetering
van zijn school;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor
samenwerking en intervisie,
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van
leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te
administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen
voor scholen in het primair onderwijs, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en
methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
Artikel 2.9. Competentie leraar PO in het samenwerken met de omgeving
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het
samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis
en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en instellingen die
betrokken zijn bij de zorg voor de kinderen en bij zijn school.
2. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier aan ouders en andere
belanghebbenden informatie over de kinderen en gebruikt de
informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende
vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
3°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze
met betrekking tot een kind aan ouders en andere belanghebbenden en
past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met dat kind aan;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en
met de culturele achtergronden van de kinderen en weet hoe hij daar
rekening mee moet houden in zijn doen en laten als leraar, en
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar
zijn school onderdeel van is.
Artikel 2.10. Competentie leraar PO in reflectie en ontwikkeling
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn
eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en
ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid
als leraar.
2. Om te voldoen aan deze bekwaamheidseis:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn
bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het
beleid van de school, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van
kinderen en collega’s en ook van collegiale hulp in de vorm van
bijvoorbeeld intervisie en supervisie;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn
eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere
scholen voor primair onderwijs en vervolgscholen en ook van actuele
ontwikkelingen op het gebied van pedagogiek, didactiek, inhouden,
werkwijzen en organisatievormen in het primair onderwijs, en
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied
van pedagogiek en didactiek die relevant zijn voor zijn onderwijs.
Titel 3. Bekwaamheidseisen vmbo, onderbouw havo en vwo,
praktijkonderwijs, en bve
Artikel 2.11. Reikwijdte titel 3
Deze titel heeft betrekking op:
a. het voorbereidend beroepsonderwijs, het middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs, de eerste drie leerjaren van het hoger
algemeen voortgezet onderwijs en van het voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs, en het praktijkonderwijs, bedoeld in de
Wet op het voortgezet onderwijs;
b. de educatie en het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2.12. Begripsbepaling titel 3
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar vo: leraar als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs;
b. bve: beroepsonderwijs en educatie als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
c. docent bve: docent als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs;
d. leerling: leerling als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs;
e. deelnemer: deelnemer als bedoeld in de Wet educatie en
beroepsonderwijs.
Artikel 2.13. Interpersoonlijke competentie leraar VO en docent BVE
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
interpersoonlijke verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn
eigen houding en gedrag en van de invloed daarvan op de leerlingen of
deelnemers. Hij heeft ook voldoende kennis en vaardigheid op het
gebied van groepsprocessen en communicatie om een goede samenwerking
met en van de leerlingen of deelnemers tot stand te brengen.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij maakt contact met de leerlingen of deelnemers en zorgt
ervoor dat zij contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak
voelen,
2°. hij biedt een kader waarbinnen de leerlingen of deelnemers
hun eigen leerproces kunnen vormgeven en helpt de leerlingen of
deelnemers daarbij, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de
leerlingen of deelnemers en tussen de leerlingen of deelnemers
onderling;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen
in de leefwereld van zijn leerlingen of deelnemers en in de praktijk
of beroepspraktijk waar zij zich op voorbereiden, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van
communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele
communicatie en kent in het bijzonder de implicaties daarvan voor
zijn eigen doen en laten.
Artikel 2.14. Pedagogische competentie leraar VO en docent BVE
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
pedagogische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische
kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige wijze voor
individuele leerlingen of deelnemers en voor de groepen waarmee hij
werkt, een veilige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerling
of deelnemers zich kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig en
verantwoordelijk persoon.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een
groep, van het individuele welbevinden van de leerlingen of
deelnemers en van de vorderingen die zij maken op het gebied van
zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een
benadering om de leerlingen of deelnemers te begeleiden naar een
veilig en harmonisch leef- en werkklimaat en om hun
sociaal-emotionele en morele ontwikkeling te bevorderen in de
richting van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt
het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele
leerlingen of deelnemers, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de
sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van leerlingen of
deelnemers en stelt, zo nodig samen met collega’s, een passend
plan van aanpak of benadering op;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van zijn leerlingen of
deelnemers, hun basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele
bepaaldheid daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met bedrijfsculturen waar de leerlingen of
deelnemers in of na hun opleiding mee te maken krijgen,
3°. hij is bekend met de sociaal-emotionele en morele
ontwikkeling van tieners, jongvolwassenen en volwassenen, met de
problemen en belemmeringen die zich daarbij kunnen voordoen en weet
hoe hij die problemen in de praktijk kan signaleren en hoe hij
daarmee om kan gaan,
4°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën, is
vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele
bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van die
theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en
laten als leraar vo of als docent bve, en
5°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en
volwassenen én van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke
consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.15. Vakinhoudelijke en didactische competentie leraar VO en
docent BVE
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
vakinhoudelijke en didactische verantwoordelijkheid. Hij heeft
voldoende inhoudelijke en didactische kennis en vaardigheid om op
professionele en planmatige wijze voor de individuele leerlingen of
deelnemers en voor de groepen waarmee hij werkt, een krachtige
leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen of deelnemers zich
op een goede manier de leerinhouden van een bepaald vak op beroep
eigen kunnen maken.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de
leerlingen of deelnemers de leerinhoud beheersen en van de manier
waarop ze hun werk aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan gevarieerde leeractiviteiten
die voor de leerlingen of deelnemers uitvoerbaar zijn, waaruit zij
eventueel kunnen kiezen en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die leeractiviteiten samen met zijn leerlingen of
deelnemers uit,
4°. hij evalueert die leeractiviteiten en de effecten ervan en
stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele
leerlingen of deelnemers, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt, zo
nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of
benadering op;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij heeft zelf een grondige kennis en beheersing van de
leerinhouden waarvoor hij verantwoordelijk is en is op grond van
eigen studie en eventueel werkervaring vertrouwd met de theoretische
en praktische of beroepspraktische achtergronden daarvan,
2°. hij kent het belang van die leerinhoud voor het toekomstige
beroep en het dagelijks leven van de leerlingen of deelnemers,
3°. hij kent op hoofdlijnen de leerinhoud van andere vakken of
beroepen waarmee hij binnen zijn school of opleiding samenwerkt,
4°. hij weet op hoofdlijnen wat en hoe zijn leerlingen of
deelnemers geleerd hebben in het voorgaande onderwijs en hoe hij
daarop kan aansluiten,
5°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen
van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder
informatie- en communicatietechnologie,
6°. hij is bekend met verschillende onderwijs- en
leertheorieën, met verschillende onderwijsarrangementen voor het
voortgezet onderwijs en bve, waaronder actuele vormen van
beroepsgerichte didactiek, en weet hoe hij die in praktijk kan
brengen;
7°. hij is vertrouwd met de wijze waarop leerlingen of
deelnemers leren, wat hun leerbehoeften zijn, hoe zij zich
ontwikkelen, welke problemen zich daarbij kunnen voordoen en weet
hoe hij daarmee om kan gaan,
8°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en
taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk
rekening mee moet houden,
9°. hij heeft praktische kennis van veel voorkomende
leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen en weet hoe hij daar mee
om kan gaan, en
10°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en
volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke
consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.16. Organisatorische competentie leraar VO en docent BVE
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
organisatorische verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende
organisatorische kennis en vaardigheid om in zijn groepen en zijn
andere contacten met leerlingen of deelnemers op professionele en
planmatige wijze een goed leef- en werkklimaat tot stand te brengen
dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in alle opzichten
helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het bijzonder de
leerlingen of deelnemers
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele
en door de leerlingen of deelnemers gedragen procedures en
afspraken,
2°. hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen
aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen, en
3°. hij houdt voor zijn onderwijs een planning aan die bij de
leerlingen of deelnemers bekend is en waar zij hun eigen planning op
kunnen afstemmen, en hij gaat adequaat om met tijd;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is bekend met die aspecten van groeps- of
klassenmanagement die voor zijn vorm van onderwijs relevant zijn, en
2°. hij is bekend met de organisatorische aspecten van
verschillende soorten leeromgevingen in de school en in het
leerbedrijf, zoals open leercentrum, werkplekkenstructuur,
beroepspraktijkvorming en praktijklessen.
Artikel 2.17. Competentie leraar VO en docent BVE in het samenwerken
met collega’s
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
verantwoordelijkheid in het samenwerken met collega’s. Hij heeft
voldoende kennis en vaardigheden om een professionele bijdrage te
leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat van zijn
school, aan goede werkverhoudingen en aan een goede schoolorganisatie.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van
belang is met collega’s en maakt gebruik van de informatie die hij
van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende
vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie,
4°. hij werkt met collega’s, al dan niet onderzoeksmatig,
samen aan de ontwikkeling en verbetering van zijn school;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor
samenwerking en intervisie,
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van
leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te
administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen
voor scholen in het voortgezet onderwijs en bve, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en
methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
Artikel 2.18. Competentie leraar VO en docent BVE in het samenwerken
met de omgeving
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
verantwoordelijkheid in het samenwerken met de omgeving van de school.
Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met
bedrijven of instellingen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid
vorm te geven in het opleiden van de leerling of deelnemer. Hij heeft
voldoende kennis en vaardigheid om goed samen te werken met mensen en
instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor de leerlingen of
deelnemers en bij zijn school.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier informatie over de
leerlingen of deelnemers aan ouders en andere belanghebbenden en
maakt gebruik van de informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij zorgt in overleg met de leerling en andere betrokkenen
voor afstemming tussen het leren in en buiten de school en voor
duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid en bijdrage hierin,
3°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende
vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
4°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze
met betrekking tot een leerling aan ouders en andere belanghebbenden
en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met die leerling of
deelnemer aan;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en
met de culturele achtergronden van de leerlingen of deelnemers en
weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als
leraar vo of als docent bve,
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar
zijn school onderdeel van is,
3°. hij is bekend met de cultuur en de actuele gang van zaken in
het bedrijfsleven waarin zijn leerlingen of deelnemers participeren
en weet hoe hij daar als leraar vo of als docent bve mee om kan
gaan,
4°. hij is bekend met de regelgeving en samenwerkingsprocedures
tussen zijn school en bedrijven en instellingen waarmee wordt
samengewerkt, en
5°. hij weet hoe hij ervoor kan zorgen dat het binnen- en
buitenschoolse leren en de interne en externe begeleiding van zijn
leerlingen of deelnemers goed op elkaar zijn afgestemd.
Artikel 2.19. Competentie leraar VO en docent BVE in reflectie en
ontwikkeling
1. De leraar vo evenals de docent bve onderschrijft zijn
verantwoordelijkheid voor zijn eigen professionele ontwikkeling. Hij
onderzoekt, expliciteert en ontwikkelt zijn opvattingen over het
leraarschap en zijn bekwaamheid als leraar vo of als docent bve.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar vo evenals de docent bve de volgende handelingen
verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn
bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het
beleid van de school en de ontwikkeling en afspraken binnen het
team, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van
leerlingen of deelnemers en collega’s, in school en bedrijf, en
ook van collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en
supervisie;
b. beschikt de leraar vo evenals de docent bve over de volgende
kennis:
1°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het
bedrijfsleven en de maatschappij die relevant zijn voor zijn
onderwijs,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere
scholen voor voortgezet onderwijs en bve en van actuele
ontwikkelingen op het gebied van inhouden, werkwijzen en
organisatievormen in het voortgezet onderwijs en bve,
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied
van de pedagogiek en de didactiek die relevant zijn voor zijn
onderwijs, en
4°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn
eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren.
Titel 4. Bekwaamheidseisen bovenbouw havo en vwo (voorbereidend hoger
onderwijs)
Artikel 2.20. Reikwijdte titel 4
Deze titel heeft betrekking op het voorbereidend hoger onderwijs,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs.
Artikel 2.21. Begripsbepaling titel 4
In deze titel wordt verstaan onder:
a. leraar: leraar als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs;
b. leerling: leerling als bedoeld in de Wet op het voortgezet
onderwijs.
Artikel 2.22. Interpersoonlijke competentie leraar VHO
1. De leraar onderschrijft zijn interpersoonlijke
verantwoordelijkheid. Hij is zich bewust van zijn eigen houding en
gedrag en van de invloed daarvan op de leerlingen. Hij heeft ook
voldoende kennis en vaardigheid op het gebied van groepsprocessen en
communicatie om een goede samenwerking met en van de leerlingen tot
stand te brengen.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij maakt contact met de leerlingen en zorgt ervoor dat zij
contact kunnen maken met hem en zich op hun gemak voelen,
2°. hij biedt een kader waarbinnen de leerlingen hun eigen
leerproces kunnen vormgeven en helpt de leerlingen daarbij, en
3°. hij schept een goed klimaat voor samenwerking met de
leerlingen en tussen de leerlingen onderling;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is goed op de hoogte van communicatie- en omgangsvormen
in de leefwereld van zijn leerlingen, en
2°. hij is op een praktisch niveau op de hoogte van
communicatietheorieën, groepsdynamica en interculturele
communicatie en kent vooral ook de implicaties daarvan voor zijn
eigen doen en laten.
Artikel 2.23. Pedagogische competentie leraar VHO
1. De leraar onderschrijft zijn pedagogische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende pedagogische kennis en
vaardigheid om op professionele en planmatige voor de individuele
leerling en voor de groepen waarmee hij werkt, een veilige
leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen zich kunnen
ontwikkelen tot een zelfstandig en verantwoordelijk persoon.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van het sociale klimaat in een
groep, van het individuele welbevinden van de leerlingen en van de
vorderingen die zij maken op het gebied van zelfstandigheid en
verantwoordelijkheid,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan een plan van aanpak of een
benadering om de leerlingen te begeleiden naar een veilig en
harmonisch leef- en werkklimaat en om hun sociaal-emotionele en
morele ontwikkeling te bevorderen in de richting van zelfstandigheid
en verantwoordelijkheid,
3°. hij voert dat plan van aanpak of die benadering uit,
4°. hij evalueert dat plan van aanpak of die benadering en stelt
het zonodig bij, voor de hele groep en ook voor individuele
leerlingen, en
5°. hij signaleert problemen en belemmeringen in de
sociaal-emotionele en morele ontwikkeling van leerlingen en stelt,
zo nodig samen met collega’s, een passend plan van aanpak of
benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is vertrouwd met de leefwereld van zijn leerlingen, hun
basisbehoeften, hun verwachtingen, met de culturele bepaaldheid
daarvan, en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
2°. hij is bekend met de sociaal-emotionele en morele
ontwikkeling van tieners, jongvolwassenen en volwassenen, met de
problemen en belemmeringen die zich daarbij kunnen voordoen en weet
hoe hij die problemen in de praktijk kan signaleren en hoe hij
daarmee om kan gaan,
3°. hij is bekend met ontwikkelings- en opvoedingstheorieën, is
vertrouwd met verschillende opvoedingspraktijken en met de culturele
bepaaldheid daarvan en is zich bewust van de consequenties van deze
theorieën en praktijken voor het onderwijs en voor zijn doen en
laten als leraar, en
4°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en
volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke
consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.24. Vakinhoudelijke en didactische competentie leraar VHO
1. De leraar onderschrijft zijn vakinhoudelijke en didactische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende vakinhoudelijke en
didactische kennis en vaardigheid om op professionele en planmatige
wijze voor individuele leerlingen en voor de groepen waarmee hij werkt
een krachtige leeromgeving tot stand te brengen waarin leerlingen zich
op een goede manier de leerinhouden van een bepaald vak of vakgebied
eigen kunnen maken.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij vormt zich een goed beeld van de mate waarin de
leerlingen de leerinhoud beheersen en van de manier waarop ze hun
werk aanpakken,
2°. hij ontwerpt op basis daarvan gevarieerde leeractiviteiten
die voor de leerlingen uitvoerbaar zijn, waaruit zij eventueel
kunnen kiezen en die hen aanzetten tot zelfwerkzaamheid,
3°. hij voert die leeractiviteiten samen met zijn leerlingen
uit,
4°. hij evalueert die leeractiviteiten en de effecten ervan en
stelt ze zonodig bij, voor de hele groep maar ook voor individuele
leerlingen, en
5°. hij signaleert leerproblemen en -belemmeringen en stelt,
eventueel samen met collega’s, een passend plan van aanpak of
benadering op;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij heeft zelf een grondige praktische en theoretische
kennis en beheersing van de leerinhouden van zijn vak of vakgebied,
2°. hij kent het belang van die leerinhoud voor het toekomstige
beroep of studie en het dagelijks leven van de leerlingen,
3°. hij heeft een grondige kennis van de wetenschappelijke
achtergronden van de leerinhoud van zijn schoolvak, is vertrouwd met
de betreffende wetenschappelijke disciplines en de methoden van
kennisontwikkeling en kennistoepassing daarbinnen,
4°. hij heeft kennis van, al dan niet onderzoeksmatig, ontwerpen
van onderwijs, didactieken en didactische leermiddelen, waaronder
informatie- en communicatietechnologie,
5°. hij is bekend met verschillende onderwijs- en leertheorieën
en met verschillende onderwijsarrangementen voor het voorbereidend
hoger onderwijs en weet hoe hij die in praktijk kan brengen,
6°. hij is bekend met onderwijsarrangementen voor zelfstandig
leren, teamleren en onderzoeken in de tweede fase van het voortgezet
onderwijs,
7°. hij is vertrouwd met de wijze waarop leerlingen leren, wat
hun leerbehoeften zijn, hoe zij zich ontwikkelen, welke problemen
zich daarbij kunnen voordoen en weet hoe hij daarmee om kan gaan,
8°. hij heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en
taalverwerving op het leren en weet hoe hij daar in zijn praktijk
rekening mee moet houden,
9°. hij heeft een praktische kennis van veel voorkomende
leerstoornissen en onderwijsbelemmeringen en weet hoe hij daar mee
om kan gaan, en
10°. hij heeft kennis van processen van identiteitsvorming,
zingeving en waardenontwikkeling bij tieners, adolescenten en
volwassenen, en van de culturele bepaaldheid daarvan en weet welke
consequenties hij hieraan moet verbinden voor zijn handelen.
Artikel 2.25. Organisatorische competentie leraar VHO
1. De leraar onderschrijft zijn organisatorische
verantwoordelijkheid. Hij heeft voldoende organisatorische kennis en
vaardigheid om op professionele en planmatige wijze in zijn groepen en
zijn andere contacten met leerlingen een goed leef- en werkklimaat tot
stand te brengen dat overzichtelijk, ordelijk en taakgericht is en in
alle opzichten helder voor hemzelf, zijn collega’s en in het
bijzonder de leerlingen.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij hanteert op een consequente manier concrete, functionele
en door de leerlingen gedragen procedures en afspraken,
2°. hij biedt organisatievormen, leermiddelen en leermaterialen
aan die leerdoelen en leeractiviteiten ondersteunen,
3°. hij houdt voor zijn onderwijs een planning aan die bij de
leerlingen bekend is en waar zij hun eigen planning op kunnen
afstemmen, en hij gaat adequaat om met tijd;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met die aspecten van groeps- of
klassenmanagement die voor zijn vorm van onderwijs relevant zijn, en
2°. hij is bekend met de organisatorische aspecten van
verschillende soorten leeromgevingen in de school.
Artikel 2.26. Competentie leraar VHO in het samenwerken met collega’s
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het
samenwerken met collega’s. Hij heeft voldoende kennis en
vaardigheden om een professionele bijdrage te leveren aan een goed
pedagogisch en didactisch klimaat van zijn school, aan goede
werkverhoudingen en een goede schoolorganisatie.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij deelt informatie die voor de voortgang van het werk van
belang is met collega’s en maakt gebruik van de informatie die hij
van collega’s krijgt,
2°. hij levert een constructieve bijdrage aan verschillende
vormen van overleg en samenwerken op school,
3°. hij geeft en ontvangt collegiale consultatie en intervisie,
en
4°. hij werkt met collega’s samen aan de ontwikkeling en
verbetering van zijn school;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op praktisch niveau bekend met methodieken voor
samenwerking en intervisie,
2°. hij is op praktisch niveau op de hoogte van
leerlingvolgsystemen en manieren om zijn eigen werk toegankelijk te
administreren,
3°. hij heeft enige kennis van organisatie- en bestuursvormen
voor scholen in het voorbereidend hoger onderwijs, en
4°. hij is op de hoogte van modellen voor kwaliteitszorg en
methodieken voor onderwijsverbetering en schoolontwikkeling.
Artikel 2.27. Competentie leraar VHO in het samenwerken met de
omgeving
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid in het
samenwerken met de omgeving van de school. Hij heeft voldoende kennis
en vaardigheid om goed samen te werken met bedrijven of instellingen
om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm te geven in het opleiden
van de leerling. Hij heeft voldoende kennis en vaardigheid om goed
samen te werken met mensen en instellingen die betrokken zijn bij de
zorg voor de leerlingen en bij zijn school.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij geeft op professionele manier informatie over de
leerlingen aan ouders en andere belanghebbenden en maakt gebruik van
de informatie die hij van hen krijgt,
2°. hij zorgt in overleg met de leerling en andere betrokkenen
voor afstemming tussen het leren in en buiten de school en voor
duidelijkheid over ieders verantwoordelijkheid en bijdrage hierin,
3°. hij neemt op een constructieve manier deel aan verschillende
vormen van overleg met mensen en instellingen buiten de school, en
4°. hij verantwoordt zijn professionele opvattingen en werkwijze
met betrekking tot een leerling aan ouders en andere belanghebbenden
en past in gezamenlijk overleg zonodig zijn werk met die leerling
aan;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is bekend met de leefwereld van ouders of verzorgers en
weet hoe hij daar rekening mee moet houden in zijn doen en laten als
leraar,
2°. hij is op de hoogte van de professionele infrastructuur waar
zijn school onderdeel van is,
3°. hij is bekend met de cultuur en de actuele gang van zaken in
het bedrijfsleven waarin zijn leerlingen participeren en weet hoe
hij daar als leraar mee om kan gaan,
4°. hij is bekend met de regelgeving en samenwerkingsprocedures
tussen zijn school en bedrijven en instellingen waarmee wordt
samengewerkt, en
5°. hij weet hoe hij ervoor kan zorgen dat het binnen- en
buitenschoolse leren en de interne en externe begeleiding van zijn
leerlingen goed op elkaar zijn afgestemd.
Artikel 2.28. Competentie leraar VHO in reflectie en ontwikkeling
1. De leraar onderschrijft zijn verantwoordelijkheid voor zijn
eigen professionele ontwikkeling. Hij onderzoekt, expliciteert en
ontwikkelt zijn opvattingen over het leraarschap en zijn bekwaamheid
als leraar.
2. Om te voldoen aan het eerste lid:
a. kan de leraar de volgende handelingen verrichten:
1°. hij werkt planmatig aan de ontwikkeling van zijn
bekwaamheid, op basis van een goede analyse van zijn competenties,
2°. hij stemt de ontwikkeling van zijn bekwaamheid af op het
beleid van de school en de ontwikkeling en afspraken binnen het
team, en
3°. hij maakt bij die ontwikkeling gebruik van informatie van
leerlingen en collega’s, in school en bedrijf, en ook van
collegiale hulp in de vorm van bijvoorbeeld intervisie en
supervisie;
b. beschikt de leraar over de volgende kennis:
1°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen in het
bedrijfsleven en de maatschappij die relevant zijn voor zijn
onderwijs,
2°. hij is op de hoogte van de onderwijspraktijk in andere
scholen voor voorbereidend hoger onderwijs en van actuele
ontwikkelingen op het gebied van inhouden, werkwijzen en
organisatievormen in het voorbereidend hoger onderwijs,
3°. hij is op de hoogte van actuele ontwikkelingen op het gebied
van de pedagogiek en de didactiek die relevant zijn voor zijn
onderwijs, en
4°. hij heeft voldoende gedragspsychologische kennis om zijn
eigen gedrag en dat van anderen te begrijpen en te analyseren.
Hoofdstuk 3. Tijdelijke afwijking bekwaamheidseisen voortgezet
onderwijs
Artikel 3.1. Tijdelijke afwijking bekwaamheidseisen voortgezet
onderwijs
1. Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs
kan toestaan dat de leraar die ten aanzien van een vak of combinatie
van vakken in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of het
hoger algemeen voortgezet onderwijs wel voor de eerste drie leerjaren
maar niet voor het voorbereidend hoger onderwijs voldoet aan de
bekwaamheidseisen van artikel 36, eerste en vierde lid, van de Wet op
het voortgezet onderwijs, dat onderwijs gedurende ten hoogste één
schooljaar ook geeft in die hogere leerjaren.
2. Voorwaarde voor toepassing van het eerste lid is dat:
a. de werkzaamheden waarmee de leraar is belast binnen zijn
betrekkingsomvang voor het grootste gedeelte zijn gelegen buiten het
voorbereidend hoger onderwijs, en
b. aan een school het totale aantal lessen waarvoor toestemming
wordt gegeven op grond van het eerste lid, in het betrokken schooljaar
niet groter is dan 5% van het totale aantal lessen dat wordt gegeven
in die hogere leerjaren.
Hoofdstuk 4. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten primair
onderwijs
Artikel 4.1. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten
basisonderwijs
De op grond van artikel 3, eerste lid onder b.1°, van de Wet op het
primair onderwijs aan te wijzen onderwijsactiviteiten, bedoeld in
artikel 9 van die wet, zijn:
a. tekenen;
b. muziek;
c. handvaardigheid;
d. spel en beweging;
e. bevordering van het taalgebruik;
f. Engelse taal;
g. Friese taal;
h. zintuiglijke en lichamelijke oefening;
i. Duitse taal;
j. Franse taal.
Artikel 4.2. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten
speciaal onderwijs
De op grond van artikel 3, eerste lid onder b.1°, van de Wet op de
expertisecentra aan te wijzen onderdelen en vakken als bedoeld in
artikel 13, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, van die wet, zijn:
a. tekenen;
b. muziek;
c. handvaardigheid;
d. spel en beweging;
e. bevordering van het taalgebruik;
f. Engelse taal;
g. Friese taal;
h. zintuiglijke oefening;
i. lichamelijke oefening;
j. huishoudelijke activiteiten.
Artikel 4.3. Aanwijzing onderwijsactiviteiten vakleerkrachten
voortgezet speciaal onderwijs
De op grond van artikel 3, eerste lid onder b.1°, van de Wet op de
expertisecentra aan te wijzen onderdelen en vakken, genoemd en bedoeld
in artikel 14, eerste tot en met derde en vijfde lid, van die wet, zijn
alle in die leden genoemde en bedoelde onderdelen en vakken.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Artikel 5.1. Verklaring omtrent het gedrag WPO en WEC
De verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in artikel 32, negende lid,
van de Wet op het primair onderwijs en artikel 32, negende lid, van de
Wet op de expertisecentra, is bij overlegging aan het bevoegd gezag niet
ouder dan zes maanden.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1. Inwerkingtreding, citeertitel
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekwaamheidseisen
onderwijspersoneel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 augustus 2005
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M.J.A. van der Hoeven
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman
Uitgegeven de zevenentwintigste september 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner