| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet educatie en
beroepsonderwijs (WEB)
BESLUIT
BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSREGELING VOOR
ONDERWIJSPERSONEEL PRIMAIR ONDERWIJS (Bbwo)
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 20 januari 2001, houdende vaststelling van
het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en
beroepsonderwijs (Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor
onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en
beroepsonderwijs)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van
14 november 2000, nr. AB/PSW/2000/44665, directie Arbeidsvoorwaarden en
Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 33, tweede lid, van de Wet op
het primair onderwijs, artikel 33, tweede lid, van de Wet op de
expertisecentra, de artikelen 38a en 153, tweede lid, van de Wet
op het voortgezet onderwijs en de artikelen 4.1.2, tweede lid, en 4.3.2,
tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 14
december 2000, nr. W05.00.0567/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 16 januari 2001, nr. AB/PSW/2001/1036;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied
van landbouw en natuurlijke omgeving: Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij;
b. betrokkene: degene die in dienstbetrekking staat of heeft
gestaan als:
1. personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 68 van de
Wet op het primair onderwijs;
2. personeelslid als bedoeld in de artikelen 34 en 69 van de
Wet op de expertisecentra;
3. [vervallen;]
4. personeelslid van een school waarvoor ingevolge artikel 4,
eerste lid, van de Experimentenwet onderwijs de formatie wordt
vastgesteld;
5. [vervallen;]
6. [vervallen;]
7. lid van het college van bestuur of van de centrale
directie van een hogeschool;
8. benoemd lid van het algemeen bestuur van de organisatie
genoemd in de Wet op de Nederlandse organisatie voor
wetenschappelijk onderzoek;
9. personeelslid van een lichaam, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdelen f en g, dan wel derde lid, onderdeel b,
van de Wet privatisering ABP, indien dat lichaam geheel of
gedeeltelijk wordt gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII
van de Rijksbegroting en waarop deze wet door Onze Minister van
toepassing is verklaard;
10. [vervallen;]
11. personeelslid in de zin van de Wet op de
onderwijsverzorging zoals deze wet luidde op 31 december 1996,
dan wel een personeelslid werkzaam bij een instelling als
bedoeld in de Wet subsidiëring landelijke
onderwijsondersteunende activiteiten voorzover hij voor of
uiterlijk op 31 december 1998 werkloos is geworden;
c. het BWOO: het Besluit werkloosheid onderwijs- en
onderzoekpersoneel;
d. de WW: de Werkloosheidswet;
e. de ZW: de Ziektewet;
f. de WIA: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
g. de WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
h. de WAZO: de Wet arbeid en zorg;
i. diensttijd: de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking als
bedoeld onder b of de tijd doorgebracht in een dienstbetrekking bij
een universiteit, een hogeschool of een onderzoeksinstelling zoals
bedoeld in artikel 1 van het Besluit decentralisatie
arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en
onderzoekinstellingen, een instelling of kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 5a.1 van het
Uitvoeringsbesluit WEB of bij een school voor voortgezet onderwijs
in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs, waaronder begrepen
een dienstbetrekking als overheidswerknemer als bedoeld in de Wet
privatisering ABP bij een rechtsvoorganger van een werkgever als
bedoeld onder b, met uitzondering van de tijd voorafgaand aan een
aaneengesloten periode van meer dan 14 maanden waarin de betrokkene
niet een zodanige dienstbetrekking had. Voor de periode van 14
maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de
betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had
op een uitkering op grond van de ZW, de WIA, de WAO of de WAZO, of
een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten
beschouwing;
j. ongemaximeerde berekeningsgrondslag: het dagloon dat geldt
voor de WW, waarbij echter:
1. de maximumdagloongrens, bedoeld in artikel 45, eerste lid,
WW, buiten beschouwing wordt gelaten;
2. een loonsuppletie, verstrekt op grond van artikel 15 of
artikel 38 BWOO, tot het loon wordt gerekend;
k. gemaximeerde berekeningsgrondslag: de berekeningsgrondslag
bedoeld onder j, maar ten hoogste € 205,57;
l. aanvulling op de WW-uitkering: de aanvulling op de
WW-uitkering, bedoeld in artikel 5;
m. aanvulling op de ZW-uitkering: de aanvulling op de
ZW-uitkering, bedoeld in artikel 6;
n. aanvulling op de WAZO-uitkering: de aanvulling op de
WAZO-uitkering, bedoeld in artikel 6;
o. aansluitende uitkering: de aansluitende uitkering, bedoeld in
artikel 8;
p. bovenwettelijke uitkering: de aanvulling op de WW-uitkering,
de aanvulling op de ZW-uitkering, de aanvulling op de WAZO-uitkering
en de aansluitende uitkering;
q. dienstbetrekking: een dienstbetrekking als bedoeld in de WW;
r. eerste werkloosheidsdag: de eerste werkloosheidsdag, bedoeld
in artikel 16a WW;
s. suppletie: een suppletie op grond van hoofdstuk 3 Besluit
ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en
voortgezet onderwijs;
t. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 14, tweede
lid, WW.
Artikel 2. Beperking aanspraken op grond van dit besluit
Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald, geeft dit besluit
geen aanspraken voorzover de betrokkene arbeidsuren heeft verloren uit
een dienstbetrekking op grond waarvan hij geen betrokkene is.
Artikel 3. Indexering
1.De ongemaximeerde en de gemaximeerde berekeningsgrondslag,
alsmede het bedrag genoemd in artikel 1, onderdeel k, worden periodiek
herzien. Op deze herziening is artikel 46 WW van overeenkomstige
toepassing.
2.Onze Minister kan bepalen dat in plaats van de indexering,
bedoeld in het eerste lid, een andere indexering wordt toegepast.
3.Onze Minister maakt in «Uitleg OC&W-regelingen» bekend met
ingang van welke dag en met welk percentage een herziening als bedoeld
in het eerste of tweede lid plaatsvindt.
Hoofdstuk 2. Bovenwettelijke uitkering
Artikel 4 [Vervallen per 21-03-2007]
Artikel 5. Aanvulling op de WW-uitkering
1.De betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de
WW, met uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk IV van
de WW, heeft recht op een aanvulling op de WW-uitkering.
2.Met betrekking tot de aanvulling, bedoeld in het eerste lid, zijn
de artikelen 16, 16a, 19, 20 en 21 WW en hoofdstuk VI van de WW van
overeenkomstige toepassing.
3.De duur van de aanvulling is gelijk aan de duur van de
WW-uitkering.
4.Met betrekking tot de duur van de aanvulling is artikel 43 WW van
overeenkomstige toepassing.
5.De WW-uitkering wordt gedurende de eerste 12 maanden per dag
aangevuld tot 78% en vervolgens tot 70% van de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag. Voor de bepaling van de duur van de periode van
12 maanden, bedoeld in de vorige volzin, wordt artikel 43 WW
overeenkomstig toegepast, en worden perioden van aanvulling op de
ZW-uitkering en op de WAZO-uitkering mede in aanmerking genomen.
6.Met betrekking tot de hoogte van de aanvulling, bedoeld in dit
artikel, is artikel 47, tweede en derde lid, WW van overeenkomstige
toepassing.
7.Voor de berekening van de hoogte van de aanvulling, bedoeld in
dit artikel, wordt de uitkering op grond van de WW geacht onverminderd
te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling
geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is
betaald.
Artikel 6. Aanvulling op de ZW-uitkering en de WAZO-uitkering
1.De betrokkene die recht heeft op uitkering op grond van de ZW
a. en die recht op aanvulling op de WW-uitkering of op
aansluitende uitkering zou hebben gehad als hij niet ziek was
geweest, of
b. onder toepassing van artikel 46 ZW, terwijl hij laatstelijk
voor de ZW verzekerd was op grond van een WW-uitkering waaraan een
recht op bovenwettelijke uitkering was verbonden, heeft recht op
aanvulling op de ZW-uitkering.
2.De vrouwelijke betrokkene die recht op uitkering heeft op grond
van artikel 3:8 WAZO
a. en die recht op aanvulling op de WW-uitkering of op
aansluitende uitkering zou hebben gehad als zij geen recht op
uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO zou hebben gehad, of
b. onder toepassing van artikel 3:10 WAZO, terwijl zij
laatstelijk voor de ZW verzekerd was op grond van een WW-uitkering
waaraan een recht op bovenwettelijke uitkering was verbonden,
heeft recht op aanvulling op de WAZO-uitkering.
3.In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de betrokkene
geen recht op aanvulling op de ZW- of WAZO-uitkering over tijdvakken
waarin hij recht heeft op uitkering of bezoldiging op grond van het
Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel
primair en voortgezet onderwijs.
4.De duur van de aanvulling op de ZW-uitkering is gelijk aan de
duur van de ZW-uitkering. De duur van de aanvulling op de
WAZO-uitkering is gelijk aan de duur van de WAZO-uitkering.
5.De ZW- of WAZO-uitkering van de betrokkene die bij aanvang van
die uitkering recht zou hebben gehad op een aansluitende uitkering,
wordt aangevuld tot de hoogte die de aansluitende uitkering zou hebben
gehad. In de overige gevallen wordt de hoogte van de aanvulling op de
ZW- of WAZO-uitkering vastgesteld onder overeenkomstige toepassing van
artikel 5, vijfde en zesde lid.
6.Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de
aanvullingen, bedoeld in dit artikel.
Artikel 7 [Vervallen per 21-03-2007]
Artikel 7a [Vervallen per 21-03-2007]
Artikel 7b [Vervallen per 21-03-2007]
Artikel 8. Het recht op aansluitende uitkering
1.De betrokkene die op de eerste werkloosheidsdag voldoet aan de
voorwaarde van artikel 42, tweede lid, WW, heeft zodra het einde van
de duur van zijn WW-uitkering is bereikt recht op een aansluitende
uitkering indien hij op de eerste werkloosheidsdag de leeftijd van 40
jaar heeft bereikt en een diensttijd heeft van tenminste 5 jaar.
Indien het recht op WW-uitkering van de betrokkene na afloop van een
periode van ZW-uitkering niet meer herleeft omdat er voor de
WW-uitkering geen duur meer resteert, gaat in afwijking van de eerste
volzin de aansluitende uitkering in op de dag per welke het recht op
ZW-uitkering eindigt.
2.Op de aansluitende uitkering zijn de artikelen 16, 19, 20, 21 en
hoofdstuk VI WW van overeenkomstige toepassing.
3.In afwijking van het tweede lid eindigt het recht op aansluitende
uitkering niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte,
arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling niet beschikbaar is
om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering
op grond van de ZW, de WAZO, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de
betreffende wet is geëindigd.
Artikel 9. Duur en hoogte van de aansluitende uitkering
1.De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die
op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 5
jaar en
a. 40 jaar oud is: 1 jaar
b. 41 jaar oud is: 1,5 jaar
c. 42 jaar oud is: 2 jaar
d. 43 jaar oud is: 2,5 jaar
e. 44 jaar of ouder is: 3 jaar
2.De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die
op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 7
jaar en
a. 45 jaar oud is: 3,5 jaar
b. 46 jaar oud is: 4 jaar
c. 47 jaar oud is: 4,5 jaar
d. 48 jaar oud is: 5 jaar
e. 49 jaar of ouder is: 5,5 jaar
3.De duur van de aansluitende uitkering is voor de betrokkene die
op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd heeft van ten minste 12
jaar en
a. 53 jaar of ouder is: tot de eerste dag van de maand waarin
hij 65 jaar wordt;
b. 52 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64
jaar wordt;
c. 51 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 64
jaar wordt;
d. 50 jaar is: tot de eerste dag van de maand waarin hij 63
jaar wordt.
4.Op de duur van de aansluitende uitkering is artikel 43 WW van
overeenkomstige toepassing. Indien de aansluitende uitkering ingaat op
de dag per welke een recht op ZW-uitkering eindigt, worden de eerste
drie maanden van de ZW-uitkering, bedoeld in artikel 43, tweede en
derde lid, WW in mindering gebracht op de duur van de aansluitende
uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid, voorzover zij niet
reeds in mindering zijn gebracht op de duur van de loongerelateerde
uitkering.
5.Indien de duur van de aanvulling op de loongerelateerde uitkering
onder overeenkomstige toepassing van artikel 76 WW is verlengd, wordt
de duur van deze verlenging in mindering gebracht op de duur van de
aansluitende uitkering, bedoeld in het eerste en tweede lid.
6.Indien de betrokkene bij het einde van zijn dienstbetrekking
recht heeft op:
a. een uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die
daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg
van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op
minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht
op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze
aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het
eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen
het einde van zijn dienstbetrekking en de eerste werkloosheidsdag;
b. een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende uitkering, onmiddellijk gevolgd door een
uitkering op grond van de WIA of op een uitkering die daarmee naar
aard en strekking overeenkomt, en nadien als gevolg van een
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan
80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een recht op
aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van deze
aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond van het
eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de periode tussen
het einde van zijn ZW- of daarmee overeenkomende uitkering en de
eerste werkloosheidsdag;
c. een uitkering op grond van artikel 3:8 WAZO, onmiddellijk
gevolgd door een uitkering op grond van de ZW of een daarmee naar
aard en strekking overeenkomende uitkering, die weer onmiddellijk
is gevolgd door een uitkering op grond van de WIA of een uitkering
die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, en nadien als
gevolg van een vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
op minder dan 80% recht krijgt op een WW-uitkering waaraan een
recht op aansluitende uitkering is verbonden, wordt de duur van
deze aansluitende uitkering, indien die is vastgesteld op grond
van het eerste of tweede lid, verminderd met de duur van de
periode tussen het einde van zijn ZWuitkering of daarmee
overeenkomende uitkering en de eerste werkloosheidsdag.
7.De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van de
gemaximeerde berekeningsgrondslag. Zolang en voorzover de betrokkene
tegelijk recht heeft op een aansluitende uitkering op grond van dit
artikel en een WW-uitkering of een bovenwettelijke uitkering, heeft de
aansluitende uitkering op grond van dit artikel het karakter van een
aanvulling tot 70% van de gemaximeerde berekeningsgrondslag. Artikel
5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
8.Op de hoogte van de aansluitende uitkering is artikel 47, tweede
en derde lid, WW van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10. Het geldend maken van het recht op bovenwettelijke
uitkering
1.Onze Minister stelt op aanvraag vast of recht op bovenwettelijke
uitkering bestaat. Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald,
zijn de artikelen 22 tot en met 27 en 28 WW van overeenkomstige
toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de aansluitende
uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt de aanvraag om
aanvulling op de WW-uitkering en om aansluitende uitkering geacht te
zijn gedaan op dezelfde dag als de aanvraag om WW-uitkering, tenzij de
aanvraag om aanvulling op de WW-uitkering en aansluitende uitkering
meer dan drie maanden nadat de WW-uitkering is toegekend, is
ingediend.
3.De artikelen 28, 30, 30a, 31, eerste lid, 37, 38a, eerste en
vierde lid, 44, 45, 49 en 54 ZW zijn van overeenkomstige toepassing op
de aanvulling op de ZW-uitkering en op de aansluitende uitkering in de
situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid.
4.Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 25 WW,
artikel 31, eerste lid, ZW of artikel 49 ZW niet of niet behoorlijk is
nagekomen, kan Onze Minister de bovenwettelijke uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk, weigeren.
5.Op de aanvulling van de uitkering op grond van de WAZO is het
derde lid en zijn de artikelen 3:12 en 3:16, eerste lid, onderdelen b,
d, f en g, WAZO, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1.De aanvulling op de WW-uitkering, de aanvulling op de
ZW-uitkering en de aanvulling op de WAZO-uitkering worden eenmaal per
drie maanden achteraf betaald.
2.Voorzover in dit besluit niet anders is bepaald:
a. zijn de artikelen 30 tot en met 41 WW van overeenkomstige
toepassing op de aanvulling op de WW-uitkering en op de
aansluitende uitkering, behalve in de situatie, bedoeld in artikel
8, derde lid. Artikel 41 WW wordt op de bovenwettelijke uitkering
uitsluitend toegepast indien het uit te betalen bedrag van de
WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering samen een hoogte
heeft als bedoeld in artikel 41 WW;
b. zijn de artikelen 31, tweede tot en met vijfde lid, 32 tot
en met 33b, 40 tot en met 42, 47 tot en met 48, 50 en 85 ZW van
overeenkomstige toepassing op de aanvulling op de ZW-uitkering en
op de aansluitende uitkering, bedoeld in artikel 8, derde lid;
c. zijn de artikelen 3:14 en 3:16, tweede lid, onderdelen a en
b, WAZO van toepassing op de aanvulling op de WAZO-uitkering.
Artikel 11a. Uitkering indien geen recht op WW-uitkering bestaat
1.Onze Minister kan regels stellen waarbij een recht op uitkering
wordt toegekend aan categorieën van betrokkenen die op grond van de
overige artikelen van dit besluit geen recht hebben op bovenwettelijke
uitkering omdat zij geen recht hebben op WW-uitkering.
2.Een recht op uitkering, toegekend op grond van het eerste lid:
a. wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met
een recht op bovenwettelijke uitkering; en
b. eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
ziekte, arbeidsongeschiktheid of verlof op grond van de WAZO niet
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht
heeft op een uitkering op grond van de ZW, de WIA, de WAO of de
WAZO vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de
daar genoemde wetten is geëindigd; en
c. is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op
WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op
WW-uitkering.
Onderdeel b van de vorige volzin is niet van toepassing in de
situatie, bedoeld in artikel 6, derde lid.
3.Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
uitkering, toegekend op grond van het eerste lid, en een WW-uitkering,
een ZW-uitkering, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die
daar naar aard en strekking mee overeenkomt, heeft de uitkering op
grond van het eerste lid het karakter van een aanvulling tot de hoogte
die de uitkering op grond van het eerste lid zonder de samenloop zou
hebben. Artikel 5, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3 [Vervallen per 11-10-2002]
Artikel 12 [Vervallen per 11-10-2002]
Hoofdstuk 4. De overlijdensuitkering
Artikel 13
1.Indien de betrokkene die recht heeft op bovenwettelijke uitkering
of op loonsuppletie op grond van artikel 15, overlijdt:
a. wordt de overlijdensuitkering, bedoeld in de artikelen 35 en
36 ZW en artikel 23 Toeslagenwet, aangevuld tot het dagbedrag van
de WW-uitkering, de ZW-uitkering, de toeslag op grond van de
Toeslagenwet en de bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene
op de dag van zijn overlijden recht had, vermenigvuldigd met
65,25;
b. wordt, indien er geen recht bestaat op een
overlijdensuitkering op grond van de ZW uitsluitend omdat de
betrokkene niet meer verzekerd is op grond van de ZW, een
overlijdensuitkering toegekend onder overeenkomstige toepassing
van artikel 35 en artikel 36, eerste lid, ZW. Deze uitkering wordt
aangevuld overeenkomstig het bepaalde onder a;
c. wordt, al dan niet naast een overlijdensuitkering als
bedoeld onder a of b, aan de nabestaanden, bedoeld in artikel 35
ZW, van een betrokkene die recht had op loonsuppletie, een
overlijdensuitkering toegekend ter hoogte van drie maal het bedrag
aan loonsuppletie waarop de betrokkene recht had over de maand
voorafgaand aan die waarin hij is overleden.
2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt een gezamenlijke
huishouding slechts aanwezig geacht indien uit een ter zake verleden
notariële akte alsmede uit een uittreksel van de gemeentelijke
basisadministratie blijkt dat twee ongehuwde en niet als partner
geregistreerde personen, tussen wie geen bloedverwantschap in de
eerste of tweede graad bestaat, een gezamenlijk woonadres hebben en
beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding, dan wel
op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
3.De overlijdensuitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt zo
spoedig mogelijk betaald, maar in elk geval binnen één maand na de
vaststelling van het recht op de overlijdensuitkering.
4.Andere bedragen waarop de nabestaanden ter zake van het
overlijden recht hebben uit of in verband met dienstbetrekkingen van
de betrokkene, worden op de overlijdensuitkering in mindering gebracht
voorzover de inkomsten uit of in verband met die dienstbetrekkingen in
mindering werden gebracht op de WW-uitkering, de ZW-uitkering of de
bovenwettelijke uitkering van de betrokkene.
De vorige volzin wordt niet toegepast voorzover met die
dienstbetrekkingen, of met de inkomsten uit of in verband daarmee, al
rekening is gehouden bij de toepassing van het eerste lid.
5.Vorderingen op de betrokkene ter zake van onverschuldigd betaalde
uitkering op grond van dit besluit kunnen met de overlijdensuitkering
worden verrekend.
6.De artikelen 33 tot en met 33b ZW zijn van overeenkomstige
toepassing op de overlijdensuitkering voorzover deze onverschuldigd is
betaald.
Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen in geval van arbeidsongeschiktheid
Artikel 14. Samenloop met suppletie
1.Zolang een betrokkene uit hoofde van een ontslag recht heeft op
suppletie, heeft hij uit hoofde van dat ontslag geen recht op
bovenwettelijke uitkering.
2.Indien de voor de betrokkene geldende duur van de bovenwettelijke
uitkering, zoals vastgesteld per de ingangsdatum van het ontslag,
langer zou zijn dan de duur van de suppletie, heeft de betrokkene
recht op bovenwettelijke uitkering met ingang van de dag per welke het
recht op suppletie door het verstrijken van de duur eindigt. Duur en
hoogte van de bovenwettelijke uitkering worden in dat geval
vastgesteld alsof er op de ingangsdatum van het ontslag een recht op
aanvulling op de WW-uitkering, eventueel gevolgd door een recht op
aansluitende uitkering, zou zijn ontstaan en tot het verstrijken van
de duur van de suppletie ononderbroken zou zijn doorgelopen.
3.Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel en een
WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke uitkering
of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt,
heeft de bovenwettelijke uitkering op grond van dit artikel het
karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in artikel 5,
vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de betrokkene geldt op
grond van het tweede lid. Artikel 5, zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4.Indien op de suppletie onder overeenkomstige toepassing van
artikel 27 WW een maatregel is toegepast die bij het verstrijken van
de duur van de suppletie nog niet geheel is uitgevoerd, wordt deze
maatregel voortgezet tijdens de bovenwettelijke uitkering. Indien de
suppletie blijvend geheel geweigerd is, wordt ook de bovenwettelijke
uitkering blijvend geheel geweigerd.
Hoofdstuk 6. Reïntegratiebevorderende regelingen
Artikel 15. Loonsuppletie
1.De betrokkene, wiens recht op bovenwettelijke uitkering binnen de
duur, bedoeld in het zevende lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd
wegens de aanvang van een nieuwe dienstbetrekking, heeft recht op
loonsuppletie indien het onverminderde loon in zijn nieuwe
dienstbetrekking minder bedraagt dan de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag, dan wel, als het negende lid, onderdeel b, of
het tiende lid van toepassing is, minder bedraagt dan het daar
bedoelde deel van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.
2.Het eerste lid is mede van toepassing op de betrokkene die geen
recht op bovenwettelijke uitkering heeft, maar dit recht wel zou
hebben gehad als hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard. Voor
de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van deze betrokkene
gehandeld alsof hij aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben
verkregen.
3.Voor de toepassing van het eerste lid:
a. wordt onder nieuwe dienstbetrekking niet verstaan: een
arbeidsverhouding die op grond van artikel 4 of 5 WW als
dienstbetrekking wordt beschouwd;
b. wordt mede als nieuwe dienstbetrekking aangemerkt: een
arbeidsverhouding waarop buitenlands recht van toepassing is en
die naar aard en strekking overeenkomt met een dienstbetrekking,
anders dan bedoeld onder a.
4.In afwijking van het eerste en tweede lid heeft de betrokkene
geen recht op loonsuppletie indien zijn bovenwettelijke uitkering
blijvend geheel is, respectievelijk zou zijn, geweigerd.
5.Het recht op loonsuppletie eindigt:
a. voorzover de betrokkene arbeidsuren, alsmede het recht op
onverminderde loonbetaling over die arbeidsuren, uit zijn nieuwe
dienstbetrekking verliest;
b. zodra de betrokkene het recht op loonbetaling uit zijn
nieuwe dienstbetrekking verliest terwijl die dienstbetrekking
blijft bestaan;
c. met ingang van een berekeningsperiode als bedoeld in het
achtste lid, indien over die berekeningsperiode het loon in de
nieuwe dienstbetrekking niet meer lager is dan de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag of het deel daarvan, bedoeld in het eerste
lid;
d. zodra de omstandigheid, bedoeld in het vierde lid, zich
voordoet;
e. zodra de duur van de loonsuppletie is verstreken.
6.Indien het recht op loonsuppletie is geëindigd op grond van het
vijfde lid, onderdeel a, b of c, heeft de betrokkene opnieuw recht op
loonsuppletie indien de omstandigheid die het recht heeft doen
eindigen heeft opgehouden te bestaan en de betrokkene binnen de duur,
bedoeld in het zevende lid, opnieuw voldoet aan de voorwaarden,
gesteld in het eerste of tweede lid, zonder dat de omstandigheid,
bedoeld in het vierde lid, zich voordoet. Voorzover de betrokkene
tegelijk recht op loonsuppletie heeft op grond van meer dan één
recht op bovenwettelijke uitkering, wordt alleen het hoogste recht op
loonsuppletie uitbetaald.
7.De loonsuppletie duurt uiterlijk tot het einde van de duur van de
bovenwettelijke uitkering, zoals die is vastgesteld per de eerste
werkloosheidsdag.
8.De berekeningsperiode van de loonsuppletie is het deel van een
kalendermaand waarover de betrokkene recht heeft op loon uit zijn
nieuwe dienstbetrekking en waarin de duur, bedoeld in het zevende lid,
nog niet is verstreken. Zo nodig in afwijking van de vorige volzin
begint een nieuwe berekeningsperiode zodra het negende lid, onderdeel
b, van toepassing wordt.
9.De loonsuppletie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het
onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds:
a. in de eerste helft van de duur van de bovenwettelijke
uitkering, bedoeld in het zevende lid: de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag,
b. in de tweede helft van de duur van de bovenwettelijke
uitkering, bedoeld in het zevende lid: 90% van de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat geldt over de
berekeningsperiode.
10.In afwijking van het negende lid wordt, indien de nieuwe
dienstbetrekking een kleinere urenomvang per week heeft dan de
bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht had of zou hebben
gehad, voor de berekening bedoeld in het negende lid de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met de urenomvang per week van de
nieuwe dienstbetrekking, gedeeld door de urenomvang per week van de
bovenwettelijke uitkering waarop de betrokkene recht had of zou hebben
gehad. Indien de nieuwe dienstbetrekking geen vaste urenomvang of
vaste gemiddelde urenomvang per week heeft, wordt bij deze berekening
de gemiddelde urenomvang per week in de berekeningsperiode, bedoeld in
het achtste lid, in aanmerking genomen. Dit lid wordt niet toegepast
als zowel de nieuwe dienstbetrekking als het recht op bovenwettelijke
uitkering een urenomvang per week heeft, gelijk aan die van een
volledige dienstbetrekking.
11.De loonsuppletie wordt toegekend op aanvraag van de betrokkene.
De betrokkene die voor loonsuppletie in aanmerking wil komen is
verplicht:
a. binnen drie maanden na het ontstaan van het recht op
loonsuppletie een aanvraag om loonsuppletie in te dienen, en
b. de door Onze Minister te stellen controlevoorschriften
loonsuppletie na te leven, en
c. passende arbeid tegen een hoger loon te aanvaarden indien
deze hem wordt aangeboden.
Indien de betrokkene deze verplichtingen niet nakomt, zijn de
artikelen 22 tot en met 24, 26 en 27 WW van overeenkomstige
toepassing. Onze Minister kan nadere regels stellen aangaande
onderdeel c.
12.Artikel 25 WW is van overeenkomstige toepassing op de
loonsuppletie. Indien de betrokkene de hieruit voortvloeiende
verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen, kan Onze Minister
de loonsuppletie tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk,
weigeren.
13.De loonsuppletie wordt per maand achteraf betaald. Op de
betaling van de loonsuppletie zijn de artikelen 30 en 36 tot en met 40
WW, met inbegrip van de bepalingen waarnaar deze verwijzen, van
overeenkomstige toepassing.
14.Voor de toepassing van dit artikel:
a. wordt een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee
naar aard en strekking overeenkomende uitkering, waarop de
betrokkene recht heeft, geacht deel uit te maken van het loon in
de nieuwe dienstbetrekking;
b. wordt, tenzij de nieuwe dienstbetrekking op grond van de WW
voor de betrokkene passende arbeid is, het loon in de nieuwe
dienstbetrekking geacht niet lager te zijn dan 70% van het dagloon
waarop de WW-uitkering van de betrokkene was of zou zijn
gebaseerd. Het tiende lid is van overeenkomstige toepassing;
c. wordt het loon in de nieuwe dienstbetrekking overigens op
dezelfde wijze vastgesteld als de ongemaximeerde
berekeningsgrondslag.
Artikel 15a. Aanvullende bepalingen loonsuppletie OALT-leraren
1.Op de betrokkene die als gevolg van de beëindiging van de
bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen per 1
augustus 2004, dan wel op de betrokkene is aangesteld of benoemd voor
het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen en die als
gevolg van de aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld
worden aan leraren die taalondersteuning geven, werkloos dreigt te
worden en die, om te voorkomen dat hij werkloos wordt, een betrekking
aanvaardt met een lager maximum salaris dan waarop hij in zijn oude
dienstbetrekking recht had, zijn de bepalingen in artikel 15 van
overeenkomstige toepassing, tenzij in dit artikel anders is bepaald.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
betrokkene, die als gevolg van ofwel de aanpassing per 1 augustus 2002
van de eisen die gesteld worden aan leraren die taalondersteuning
geven, dan wel de beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in
allochtone levende talen per 1 augustus 2004, werkloos is geworden.
3.Indien aan de nieuwe dienstbetrekking geen maximum salaris is
verbonden, wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid
uitgegaan van het onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking.
4.In afwijking van het zevende en negende lid van artikel 15, is de
loonsuppletie voor de betrokkene bedoeld in het eerste en het tweede
lid, voor zover het betreft de betrokkene die als gevolg van de
aanpassing per 1 augustus 2002 van de eisen die gesteld worden aan
leraren die taalondersteuning geven werkloos dreigt te worden dan wel
werkloos is geworden, gelijk aan het verschil tussen enerzijds het
onverminderde loon in de nieuwe dienstbetrekking en anderzijds:
a. in de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een nieuwe
dienstbetrekking: de ongemaximeerde berekeningsgrondslag;
b. na die eerste vijf jaar en doorlopend tot de eerste dag van
de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt: 90% van de
ongemaximeerde berekeningsgrondslag, herleid tot het bedrag dat
geldt over de berekeningsperiode.
5.Het vierde lid vindt geen toepassing indien het negende lid van
artikel 15 tot een voor de betrokkene gunstiger uitkomst leidt.
6.Op de betrokkene, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover
het betreft de betrokkene die als gevolg van de beëindiging van de
bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen per 1
augustus 2004 werkloos dreigt te worden dan wel werkloos is geworden,
is het negende lid van artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat in onderdeel b van dat artikellid voor «90%»
wordt gelezen: 95%.
7.In afwijking van het bepaalde in het veertiende lid onder b van
artikel 15 wordt er van uitgegaan dat het loon voor de betrokkene
bedoeld in het eerste en het tweede lid in een nieuwe dienstbetrekking
niet lager is dan het maximum van schaal 4 van het Kaderbesluit
rechtspositie PO.
8.In afwijking van het zesde lid wordt indien sprake is van
passende arbeid op grond van de WW uitgegaan van het loon in de nieuwe
dienstbetrekking.
Artikel 16. Rechten bij werkloosheid uit een nieuwe dienstbetrekking
met nieuw bovenwettelijk uitkeringsrecht
1.Een betrokkene die recht heeft op een bovenwettelijke uitkering
waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, heeft zodra
het einde van de duur van zijn recht op aansluitende uitkering op
grond van artikel 9 is bereikt, recht op een verlenging van zijn
aansluitende uitkering indien:
a. hij eerder een recht op bovenwettelijke uitkering heeft
gehad waaraan een recht op aansluitende uitkering is verbonden, en
b. de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering
langer is dan de duur van zijn nieuwe recht op bovenwettelijke
uitkering, en
c. het einde van de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke
uitkering niet is bereikt vóór de ingangsdatum van de
verlenging.
2.De duur van de verlenging, bedoeld in het eerste lid, is gelijk
aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering die nog
niet is verstreken op het moment dat de verlenging ingaat, maar ten
hoogste aan het verschil in duur tussen het oude en het nieuwe recht
op bovenwettelijke uitkering.
3.De betrokkene die recht heeft op een bovenwettelijke uitkering
waaraan op grond van artikel 8 geen recht op aansluitende uitkering op
grond van artikel 8 is verbonden, heeft zodra het einde van de duur
van zijn bovenwettelijke uitkering is bereikt, in afwijking van
artikel 8, alsnog recht op een aansluitende uitkering indien:
a. hij eerder een recht op bovenwettelijke uitkering heeft
gehad waaraan een recht op aansluitende uitkering was verbonden,
en
b. de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering bij
het einde van de duur van zijn nieuwe recht op bovenwettelijke
uitkering nog niet is verstreken, en
c. de duur van zijn oude recht op bovenwettelijke uitkering
langer is dan de duur van zijn nieuwe recht op bovenwettelijke
uitkering.
4.De duur van de aansluitende uitkering, bedoeld in het derde lid,
is gelijk aan de duur van het oude recht op bovenwettelijke uitkering
die nog niet is verstreken bij het einde van de duur van het nieuwe
recht op bovenwettelijke uitkering, maar ten hoogste aan het verschil
in duur tussen het oude en het nieuwe recht op bovenwettelijke
uitkering.
5.Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet
toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij
voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het
eerste. Onze Minister kan nadere regels stellen inzake de vorige
volzin.
Artikel 17. Herleving bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid uit
een nieuwe dienstbetrekking zonder nieuw bovenwettelijk uitkeringsrecht
1.Voorzover de betrokkene die een recht op bovenwettelijke
uitkering heeft gehad dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd, na
aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking opnieuw werkloos is en een
nieuw recht op WW-uitkering heeft, waaraan geen nieuw recht op
bovenwettelijke uitkering is verbonden, herleeft zijn recht op
bovenwettelijke uitkering per de ingangsdatum van het nieuwe recht op
WW-uitkering.
2.Het recht op bovenwettelijke uitkering herleeft in afwijking van
het eerste lid niet:
a. indien er ten aanzien van dit recht een herlevingstermijn
als bedoeld in artikel 21, eerste, derde en vierde lid, WW is
overschreden, anders dan wegens verblijf buiten Nederland om daar
werkzaamheden, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of de
zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, of
b. indien de duur van dit recht op het moment waarop het op
grond van het eerste lid zou herleven, reeds is verstreken.
3.Het eerste en tweede lid zijn mede van toepassing op de
betrokkene die ter zake van zijn arbeidsurenverlies als betrokkene
geen recht op bovenwettelijke uitkering heeft, maar dat recht wel zou
hebben gehad als hij geen nieuwe dienstbetrekking of werkzaamheden als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, had aanvaard. Ten aanzien van
deze betrokkene wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid
gehandeld alsof hij aansluitend op zijn arbeidsurenverlies als
betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou hebben
verkregen, dat tegelijk weer zou zijn geëindigd.
4.De bovenwettelijke uitkering van de betrokkene, bedoeld in het
derde lid, wordt blijvend geheel geweigerd indien deze blijvend geheel
zou zijn geweigerd als er ten gevolge van het arbeidsurenverlies als
betrokkene een recht op bovenwettelijke uitkering zou zijn ontstaan.
5.Het recht op uitkering op grond van dit artikel wordt niet
toegekend indien de betrokkene onvoldoende aannemelijk maakt dat hij
voldoet aan de voorwaarden die in zijn geval voortvloeien uit het
eerste tot en met vierde lid. Onze Minister kan nadere regels stellen
inzake de vorige volzin.
6.Het eerste tot en met vijfde lid zijn mede van toepassing op de
betrokkene die recht heeft op ZW-uitkering of op uitkering op grond
van artikel 3:8 WAZO en die, als hij geen recht op die uitkering zou
hebben gehad, een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben gehad,
behalve in de situaties, bedoeld in artikel 6, derde lid.
7.Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
bovenwettelijke uitkering die op grond van dit artikel is herleefd en
een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een andere bovenwettelijke
uitkering of een uitkering die naar aard en strekking met een van deze
uitkeringen overeenkomt, heeft de op grond van dit artikel herleefde
uitkering het karakter van een aanvulling tot de hoogte, bedoeld in
artikel 5, vijfde lid, of artikel 9, zevende lid, die voor de
betrokkene geldt op grond van het recht op bovenwettelijke uitkering
dat op grond van dit artikel is herleefd. Artikel 5, zevende lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18. Afkoop
1.Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op bovenwettelijke
uitkering worden afgekocht in door Onze Minister te bepalen gevallen.
2.Onze Minister kan nadere regels stellen aangaande het eerste lid.
3.Indien het recht op bovenwettelijke uitkering vanaf een bepaald
tijdstip is afgekocht:
a. heeft de betrokkene geen enkele aanspraak op grond van deze
regeling over de periode vanaf dat tijdstip, met uitzondering van
aanspraken uit hoofde van een recht op bovenwettelijke uitkering
dat na dat tijdstip is ontstaan;
b. blijft bij de vaststelling van rechten op bovenwettelijke
uitkering die na dat tijdstip ontstaan de diensttijd, voorafgaand
aan het afgekochte recht op bovenwettelijke uitkering, buiten
beschouwing.
Artikel 19. Vergoeding van verhuiskosten
1.De betrokkene die recht heeft op een bovenwettelijke uitkering en
elders arbeid gaat verrichten of een onderneming start, heeft op de
voet van de bepalingen ter zake van de verplaatsingskosten die voor
hem golden in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden,
recht op een tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
verhuizing.
2.Indien de betrokkene in verband met zijn nieuwe werkzaamheden uit
anderen hoofde recht heeft op een vergoeding van verhuiskosten, wordt
die vergoeding in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond
van het eerste lid recht heeft.
3.Een vordering op de betrokkene ter zake van onverschuldigd
betaalde uitkering op grond van dit besluit kan met de tegemoetkoming
in de verhuiskosten in één keer worden verrekend.
4.De artikelen 36 tot en met 36b WW zijn van overeenkomstige
toepassing op de tegemoetkoming in de verhuiskosten, voorzover deze
onverschuldigd is betaald.
Artikel 20. Overige reïntegratiebevorderende regelingen
Bij ministeriële regeling kunnen voor alle betrokkenen, dan wel
bepaalde categorieën van betrokkenen, reïntegratiebevorderende
regelingen worden gesteld.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 21. Aanpassing van dit besluit in geval van neerwaartse
wijzigingen in de WW
Indien het niveau van de uitkering op grond van de WW een algemeen
geldende neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
wijziging, behoudens indien in de Sectorcommissie Onderwijspersoneel als
bedoeld in artikel 2 van het Overlegbesluit onderwijspersoneel binnen
zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel is
gepubliceerd overeenstemming wordt bereikt en een voordracht wordt
gedaan voor een algemene maatregel van bestuur die als strekking heeft
dat deze neerwaartse wijziging wordt bijgesteld, op overeenkomstige
wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en
bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in het Staatsblad
vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.
Artikel 22. Overgangsbepalingen
1.Voorzover de WW en de ZW nog niet op hem van toepassing zijn
geworden, kan een betrokkene geen aanspraken ontlenen aan dit besluit.
Voorzover de WW en de ZW op hem van toepassing zijn geworden, kan een
betrokkene geen aanspraken meer ontlenen aan het BWOO.
2.Zonodig in afwijking van het eerste lid:
a. kan een recht op uitkering herleven op grond van artikel 7,
vijfde lid, BWOO, en
b. kan een recht op loonsuppletie op grond van artikel 38,
zesde lid, BWOO herleven. Voorzover de betrokkene tegelijk recht
heeft op loonsuppletie op grond van artikel 38 BWOO en op grond
van artikel 15, wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
3.Voor de toepassing van artikel 16 wordt een recht op aanvullende
uitkering op grond van hoofdstuk II, paragraaf 1 BWOO aangemerkt als
een recht op bovenwettelijke uitkering waaraan een recht op
aansluitende uitkering is verbonden, indien de betrokkene op de
ingangsdatum van het recht op loongerelateerde uitkering op grond van
het BWOO waarop dit recht op aanvullende uitkering is gevolgd, ten
minste 40 jaar oud was. Als duur van het oude recht op bovenwettelijke
uitkering als bedoeld in artikel 16, wordt in aanmerking genomen de
som van de duur van de loongerelateerde uitkering op grond van het
BWOO waarop de aanvullende uitkering is gevolgd, en de duur van de
aanvullende uitkering.
Artikel 23. Overgangsgarantie en hardheidsclausule
Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een
onbillijkheid van overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben
voorgedaan als dit besluit niet in werking zou zijn getreden, kan Onze
Minister besluiten het door deze onbillijkheid voor de betrokkene
ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.
Artikel 23a [Vervallen per 08-09-2004]
Artikel 24 [Vervallen per 14-05-2003]
Artikel 25. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bovenwettelijke
werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 januari 2001
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L.J. Brinkhorst
Uitgegeven de achtste februari 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|