|
BESLUIT van 28 juli 2000, houdende vaststelling van
het Besluit staatsexamens vwo-havo-mavo 2000 en wijziging van onder meer
het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o. in hoofdzaak
wegens invoering van profielen voor het vwo en havo (tweede
profielenbesluit)
1. Redactie:
ingevolge artikel II, onderdeel Q, van het Besluit van 17 mei 2011, Stb.
2011, 277, is het Besluit staatsexamens VWO-HAVO-MAVO 2000 met ingang
van 1 augustus 2011 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende:
Staatsexamenbesluit VO.
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K.Y.I.J. Adelmund, van 14 maart 2000, nr. WJZ/2000/7644 (3714), directie
Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 29, 30 en 60 van de Wet
op het voortgezet onderwijs en artikel 7.4.11, derde en vijfde lid,
tweede volzin, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Gezien het advies van de Onderwijsraad van 14
december 1999, kenmerk 990679/486;
De Raad van State gehoord (advies van 4 mei
2000, nr. W05.00.0109/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, mede namens de Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, K.Y.I.J.Adelmund, van 20 juli 2000,
nr. WJZ/2000/19926(3714), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
centraal examen: het centraal examen, bedoeld in artikel 4, derde
lid;
college-examen: het college-examen, bedoeld in artikel 4, tweede
lid;
College voor examens: College voor examens, genoemd in artikel 2,
eerste lid, van de Wet College voor examens;
deeleindexamen: het deeleindexamen, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, van het Eindexamenbesluit VO;
deelstaatsexamen: het examen in één of meer van de voor het
staatsexamen voorgeschreven vakken;
havo: hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel
8 van de wet;
inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
onderwijstoezicht;
instelling voor educatie en beroepsonderwijs: een instelling als
bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs, voor zover het betreft door die instelling
verzorgde opleidingen vavo;
kandidaat: degene die zich op grond van artikel 3 heeft aangemeld
voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen of
deelstaatsexamen;
maatschappelijke stage: maatschappelijke stage als bedoeld in
artikel 6f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
mavo: middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, als bedoeld in
artikel 9 van de wet;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap;
opleiding vavo: een opleiding voortgezet algemeen
volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover
leidend tot het diploma vwo, het diploma havo of het diploma
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs theoretische leerweg,
genoemd in artikel 10 van de wet;
profiel: een in artikel 12 van de wet genoemd profiel;
profielwerkstuk: het in artikel 4, derde lid, van het
Eindexamenbesluit VO bedoelde profielwerkstuk;
school: een school voor vwo, een school voor havo of een school
voor mavo, tenzij anders blijkt;
sector: een sector als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de
wet;
sectorwerkstuk: het sectorwerkstuk, bedoeld in artikel 4, vijfde
lid, van het Eindexamenbesluit VO;
staatsexamen: het staatsexamen ter verkrijging van het diploma
vwo, het diploma havo of het diploma voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs theoretische leerweg, genoemd in artikel 10 van de
wet;
toets: een toets met schriftelijke of mondelinge vragen en
opdrachten, of een praktische opdracht;
vbo: voorbereidend beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 10a
van de wet;
vmbo: vbo in een leerweg als bedoeld in de artikelen 10, 10b en
10d van de wet;
vwo: voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in
artikel 7 van de wet;
wet: Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 2. Voorwaarden toelating tot afleggen (deel)staatsexamen
1. Voor toelating tot het afleggen van het staatsexamen is een
bedrag van € 567 verschuldigd.
2. Voor toelating tot het afleggen van deelstaatsexamens is € 56
verschuldigd voor een vak ten aanzien waarvan alleen het centraal
examen of alleen het college-examen wordt afgelegd, en € 113 voor
een vak ten aanzien waarvan zowel het college-examen als het centraal
examen wordt afgelegd, met dien verstande dat per kalenderjaar in
totaal niet meer is verschuldigd dan € 567.
3. Het verschuldigde bedrag wordt voldaan op de wijze en voor de
datum, bepaald door het College voor examens.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op kandidaten
die afkomstig zijn van een school voor speciaal voortgezet onderwijs.
5. Zij die aan een staatsexamen of deelstaatsexamen deelnemen, zijn
verplicht zich te legitimeren op verzoek van hen die deze examens
afnemen of daarop toezicht houden.
6. De in dit artikel bedoelde bedragen kunnen bij regeling van Onze
Minister worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe
aanleiding geeft.
Artikel 3. Aanmelding voor toelating tot (deel)staatsexamen
1. Het College voor examens stelt de aanmeldingsprocedure vast.
Onze Minister maakt de aanmeldingsprocedure tijdig bekend, voert die
uit en bevestigt schriftelijk de aanmelding aan de kandidaat. Indien
de kandidaat minderjarig is, wordt de aanmelding medeondertekend door
diens wettelijke vertegenwoordigers.
2. De aanmelding kan strekken tot:
a. het verkrijgen van toelating tot het afleggen van het examen
ten overstaan van het College voor examens, of
b. het overleggen aan het College voor examens van de in
artikel 25, derde lid, bedoelde bewijsstukken ter verkrijging van
het staatsexamendiploma, al dan niet in combinatie met het
afleggen van het examen in een of meer vakken ten overstaan van
het College voor examens.
3. Uit de aanmelding voor het staatsexamen blijkt tevens of sprake
is van een of meer vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in de
artikelen 10 en 11.
Artikel 4
1. Het staatsexamen en het deelstaatsexamen kan voor ieder vak
bestaan uit een college-examen, uit een centraal examen of uit beide.
2. Het college-examen vwo en havo omvat mede een profielwerkstuk.
3. Het profielwerkstuk heeft betrekking op één of meer vakken van
het staatsexamen. Ten minste één van deze vakken heeft een omvang
van 400 uur of meer voor vwo en 320 uur voor havo.
4. Het college-examen vmbo voor zover het betreft de theoretisch
leerweg en de gemengde leerweg omvat mede een sectorwerkstuk.
5. Het centraal examen kent in elk kalenderjaar een eerste, tweede
en derde tijdvak of een nader, door het College voor examens, te
bepalen tijdstip.
6. Voor de aanvang van het derde tijdvak zendt Onze Minister aan de
inspectie een opgave met de kandidaten, de in het eerste of tweede
tijdvak door die kandidaten behaalde cijfers, voor zover van
toepassing de alsnog behaalde cijfers voor het college-examen, en een
overzicht van het vak of de vakken waarin elke kandidaat zal worden
geëxamineerd.
Artikel 5 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 6. Onregelmatigheden
1. Indien een kandidaat zich ten aanzien van enig onderdeel van het
staatsexamen of deelstaatsexamen dan wel ten aanzien van een aanspraak
op ontheffing aan enige onregelmatigheid schuldig maakt of heeft
gemaakt, kan het College voor examens maatregelen nemen.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, die afhankelijk van
de aard van de onregelmatigheid ook in combinatie met elkaar genomen
kunnen worden, zijn:
a. het toekennen van het cijfer 1 voor een toets van het
college-examen of het centraal examen;
b. het ontzeggen van de deelname of de verdere deelname aan een
of meer toetsen van het college-examen of het centraal examen van
het desbetreffende vak;
c. het ongeldig verklaren van een of meer toetsen van het reeds
afgelegde deel van het college-examen of het centraal examen;
d. minder vergaande maatregelen dan die, bedoeld onder a tot en
met c.
3. Indien de ontzegging, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
betrekking heeft op een kandidaat die in meer dan één vak examen
aflegt, kan de ontzegging betrekking hebben op alle toetsen.
4. Indien de onregelmatigheid pas wordt ontdekt na afloop van het
examen, kan het College voor examens de kandidaat het diploma, bedoeld
in artikel 30, derde lid, of het certificaat, bedoeld in artikel 31,
en de cijferlijst onthouden, of kan deze bepalen dat aan de betrokken
kandidaat dat diploma of certificaat, en die cijferlijst, slechts
kunnen worden uitgereikt na een hernieuwd examen in de door het
College voor examens aan te wijzen onderdelen en op de door deze te
bepalen wijze.
5. Het besluit waarbij een in het eerste lid bedoelde maatregel
wordt genomen, wordt tegelijkertijd in afschrift toegezonden aan de
inspectie en, indien de kandidaat minderjarig is, aan de wettelijke
vertegenwoordigers van de kandidaat.
6. De kandidaat kan tegen een besluit waarbij een in het eerste lid
bedoelde maatregel wordt genomen bezwaar maken bij het College voor
examens. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt
vijf dagen nadat het besluit aan de kandidaat is bekendgemaakt op de
voorgeschreven wijze. Het College voor examens beslist binnen twee
weken na ontvangst van het bezwaarschrift, tenzij het college deze
termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken. Het College voor
examens stelt bij zijn beslissing zo nodig vast op welke wijze de
kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen
geheel of gedeeltelijk af te leggen of opnieuw af te leggen. Het
College voor examens deelt zijn beslissing op het bezwaar mee aan de
wettelijke vertegenwoordigers van de kandidaat die minderjarig is en
aan de inspectie.
7. De kandidaat die onaangekondigd afwezig is bij het centraal
examen in een vak, dan wel met aankondiging maar zonder een door het
College voor examens aanvaarde reden, afwezig is bij enig onderdeel
van het staatsexamen of deelstaatsexamen, is uitgesloten van verdere
deelname aan het centraal examen in dat vak alsmede van deelname aan
het college-examen in het desbetreffende vak.
Hoofdstuk II. Inhoud van het staatsexamen
Artikel 7. Examenprogramma
1. Het staatsexamen wordt afgenomen overeenkomstig het
desbetreffende examenprogramma, vastgesteld op grond van artikel 7 van
het Eindexamenbesluit VO.
2. Ten aanzien van het college-examen geldt dat:
a. keuzen die ingevolge het in het eerste lid bedoelde
examenprogramma moeten of kunnen worden gemaakt door de school,
worden gemaakt door het College voor examens, en
b. het College voor examens kan afwijken van voorschriften met
betrekking tot het schoolexamen die om praktische redenen in het
college-examen niet uitvoerbaar zijn, met dien verstande dat het
college-examen zoveel mogelijk gelijkwaardig blijft aan het
schoolexamen.
Artikel 8. Vakken staatsexamens
1. De artikelen 11, 12, 13 en 22 van het Eindexamenbesluit VO voor
zover zij betrekking hebben op het eindexamen vwo van opleidingen vavo,
het eindexamen havo van opleidingen vavo en het eindexamen
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs theoretische leerweg van
opleidingen vavo, zijn van overeenkomstige toepassing op
respectievelijk het staatsexamen vwo, het staatsexamen havo en het
staatsexamen voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs van de
theoretische leerweg.
2. In afwijking van het eerste lid kan het College voor examens, al
dan niet voor een bepaalde groep van kandidaten, besluiten dat geen
gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van examen in een vak dat
uitsluitend behoort tot het vrije deel van de profielen of tot het
vrije deel van de theoretische leerweg. De eerste volzin is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakken kunst (drama) en
kunst (dans).
Artikel 9. Keuze van staatsexamenvakken
De kandidaat kiest, met inachtneming van dit hoofdstuk, in welke
vakken hij het staatsexamen of deelstaatsexamen aflegt.
Artikel 10. Vrijstellingen van rechtswege
1. Onverminderd vrijstellingen en ontheffingen op grond van de
artikelen 11, 12, 13 en 22 van het Eindexamenbesluit VO en met
inachtneming van de beperking in artikel 25, derde lid, aanhef en
onderdeel d, dat van een school voor voortgezet onderwijs slechts
één cijferlijst in beschouwing kan worden genomen, is de kandidaat
die staatsexamen aflegt,
a. vrijgesteld van het examen in een vak in het vwo op grond
van een examen vwo, indien voor het overeenkomstige vak een
eindcijfer 6 of hoger is behaald;
b. vrijgesteld van het examen in een vak in het havo op grond
van een examen vwo of havo, indien voor het overeenkomstige vak
een eindcijfer 6 of hoger is behaald, en vrijgesteld van het
examen in een vak in het mavo op grond van een examen vwo, havo of
mavo, indien voor het overeenkomstige vak een eindcijfer 6 of
hoger is behaald;
c. vrijgesteld van het examen in een vak van het vwo, havo of
mavo op grond van het overeenkomstige examen, afgelegd in de
Nederlandse Antillen of in Aruba, indien voor het overeenkomstige
vak een eindcijfer 6 of hoger is behaald;
d. vrijgesteld van het profielwerkstuk, indien reeds eerder een
profielwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een of meer
vakken van dezelfde schoolsoort, behorende tot het profiel van de
kandidaat en waarvoor een eindcijfer 6 of hoger is behaald;
e. vrijgesteld van het sectorwerkstuk, indien reeds eerder een
sectorwerkstuk is gemaakt dat betrekking heeft op een thema uit
die sector, en dat is beoordeeld als «voldoende« of «goed».
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar
waarin het eindcijfer of de beoordeling is vastgesteld, nog geen 10
jaren zijn verstreken.
3. In aanvulling op het eerste lid, onder a en b, is de kandidaat
vrijgesteld van het onderdeel literatuur van elke moderne taal, indien
de kandidaat bij het eerder afgelegde examen, voor literatuur een
cijfer 6 of hoger heeft behaald.
4. In aanvulling op het eerste lid, onder a tot en met d, en derde
lid, is de daar bedoelde kandidaat eveneens vrijgesteld indien het
eindcijfer 5 of 4 is behaald, mits de kandidaat voldoet aan de
voorwaarden van artikel 26 om te slagen voor het staatsexamen.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven
voor de toepassing van het eerste lid.
6. Artikel 52, achtste lid van het Eindexamenbesluit VO is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11. Ontheffingen op verzoek
1. Onverminderd artikel 10 kan het College voor examens op verzoek
van de kandidaat die een diploma wil verwerven, ontheffing verlenen
voor een examenvak, indien de kandidaat op grond van eerder gevolgd
onderwijs aantoonbaar in het bezit is van voldoende kennis en
vaardigheden ter zake van het desbetreffende vak. De ontheffing kan
slechts worden verleend op basis van een diploma, getuigschrift,
certificaat of ander bewijsstuk, al of niet behaald in Nederland, dat
door het College voor examens wordt aanvaard als bewijs van voldoende
kennis en vaardigheden. Indien het College voor examens dit nodig
oordeelt, onderzoekt het college of de kandidaat in het bezit is van
voldoende kennis en vaardigheden.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing indien na het jaar
waarin het in dat lid bedoelde diploma, getuigschrift, certificaat of
ander bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
3. Tot de in het eerste lid bedoelde diploma's, getuigschriften,
certificaten en andere bewijsstukken behoren in elk geval die
betreffende het Internationaal Baccalaureaat, het Europees
Baccalaureaat en die betreffende het overeenkomstige onderwijs in een
lidstaat van de Europese Unie.
4. Indien het College voor examens de gevraagde ontheffing
verleent, verstrekt Onze Minister op verzoek van het college de
verzoeker een bewijs van ontheffing, en zendt het college aan de
inspectie een afschrift daarvan.
5. Het bewijs van ontheffing vermeldt de gronden van de ontheffing
alsmede het tijdstip van het verrichten van de onderwijs- of
examenprestatie waarop de ontheffing berust, en gaat in voorkomend
geval vergezeld van een verklaring betreffende het in het eerste lid
bedoelde onderzoek naar de kennis en vaardigheden van de
examenkandidaat, of naar de in het eerste lid bedoelde bewijsstukken.
6. Onze Minister stelt het model van het bewijs van ontheffing
vast.
Artikel 12. Ontheffingsprocedure
Een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 11 wordt
schriftelijk ingediend bij het College voor examens, onder overlegging
van een uittreksel uit het geboorte- of persoonsregister en een
gewaarmerkte fotokopie van het diploma, getuigschrift, certificaat of
ander bewijsstuk waarop het verzoek om ontheffing berust.
Hoofdstuk III. Regeling van het staatsexamen
Afdeling 1. Examenreglement en programma van toetsing en afsluiting
Artikel 13. Examenreglement en programma van toetsing en afsluiting
1. Het examenreglement bevat in elk geval informatie over de
maatregelen, bedoeld in artikel 6, en de toepassing daarvan, regels
met betrekking tot de organisatie van het staatsexamen en
deelstaatsexamen en de gang van zaken tijdens het staatsexamen en
deelstaatsexamen, de herkansingsmogelijkheden van het centraal examen
en het college-examen.
2. Het College voor examens stelt jaarlijks voor 1 oktober een
programma van toetsing en afsluiting vast ten behoeve van het
daaropvolgende kalenderjaar. Het programma vermeldt per vak in elk
geval:
a. welke onderdelen van het examenprogramma worden getoetst,
b. de inhoud van de verschillende onderdelen,
c. de wijze en de tijdstippen waarop het centraal examen en de
toetsen van het college-examen aanvangen, alsmede de duur van de
toetsen,
d. regels omtrent verhindering voor het college-examen, alsmede
e. de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het
college-examen voor een kandidaat tot stand komt.
3. Het College voor examens zendt het examenreglement en het
programma van toetsing en afsluiting voor 1 januari aan de inspectie.
Deze documenten worden tegelijk met de bevestiging van de aanmelding,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de bevestigende instantie aan
de kandidaten ter beschikking gesteld.
Afdeling 2. College-examen
Artikel 14. Examendossier
Het college-examen bestaat uit een examendossier. Het examendossier
is het geheel van de onderdelen van het college-examen zoals
gedocumenteerd in een door het College voor examens gekozen vorm.
Artikel 15. Beoordeling college-examen
1. Het college-examen wordt beoordeeld met een cijfer uit de reeks
van 1 tot en met 10.
2. Indien in een vak tevens centraal examen wordt afgelegd, worden
de in het eerste lid genoemde cijfers gebruikt met de
daartussenliggende cijfers met 1 decimaal.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het sectorwerkstuk
beoordeeld met«voldoende» of«goed».
Artikel 16. Twijfel omtrent juistheid beoordeling college-examen
Indien bij het College voor examens, al dan niet naar aanleiding van
mededelingen van de kandidaat, twijfel is gerezen over de juistheid van
de beoordeling van het college-examen in enig vak of onderdeel van een
vak, kan het College voor examens die beoordeling ongeldig verklaren en
een nieuw examen in dat vak of onderdeel opleggen.
Afdeling 3. Centraal examen
Artikel 17 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 18. Regels omtrent het centraal examen
1. Onze Minister zorgt voor het tijdig beschikbaar stellen van de
opgaven, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
College voor examens aan het College voor examens.
2. Het College voor examens zorgt ervoor dat de opgaven en
correctievoorschriften voor het centraal examen geheim blijven tot de
aanvang van de toets waarbij deze opgaven aan de kandidaten worden
voorgelegd.
3. Tijdens een schriftelijke toets van het centraal examen worden
aan de kandidaten geen mededelingen van welke aard ook aangaande de
opgaven gedaan, uitgezonderd mededeling van door het College voor
examens vastgestelde errata.
4. Het College voor examens draagt er zorg voor dat het nodige
toezicht bij het centraal examen wordt uitgeoefend. Zij die toezicht
hebben gehouden, maken daarvan een proces-verbaal op en leveren dit
samen met het gemaakte examenwerk in bij het College voor examens.
5. Een kandidaat die te laat komt, mag nog tot uiterlijk een half
uur na de aanvang van een toets worden toegelaten.
6. De aan de kandidaten voorgelegde opgaven voor een schriftelijke
toets van het centraal examen blijven in het examenlokaal tot het
einde van die toets.
7. De kandidaten leveren de opgaven, de door hen gemaakte
aantekeningen alsmede andere door hen gemaakte stukken in bij een van
degenen die toezicht houden. Het College voor examens bepaalt, in
welke gevallen kan worden afgeweken van de eerste volzin, alsmede in
welke gevallen en op welk tijdstip de opgaven, de aantekeningen en de
andere stukken, bedoeld in die volzin, aan de kandidaten worden
teruggegeven.
Artikel 19. Correctie centraal examen
1. Het College voor examens draagt er zorg voor dat het gemaakte
werk voor het centraal examen door twee door het College voor examens
aan te wijzen correctoren wordt beoordeeld.
2. De correctoren kijken het werk onafhankelijk van elkaar na en
zenden het met hun beoordeling aan het College voor examens. De
correctoren passen bij hun beoordeling toe de beoordelingsnormen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor
examens. De correctoren drukken hun beoordeling uit in een score
overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel
e, van de Wet College voor examens.
3. Indien dit het College voor examens noodzakelijk voorkomt, wordt
het oordeel van een derde corrector ingeroepen. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
4. Het College voor examens stelt op grond van de beoordelingen
door de correctoren de eindscore vast.
Artikel 20. Vaststelling cijfer centraal examen
Het College voor examens stelt op grond van de eindscore, bedoeld in
artikel 19, vierde lid, het cijfer vast voor het centraal examen. Het
College voor examens neemt daarbij in acht de regels, bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel e, van de Wet College voor examens en gebruikt
daarbij één van de cijfers uit de schaal lopend van 1 tot en met 10,
met de tussenliggende cijfers met 1 decimaal.
Artikel 21. Niet op regelmatige wijze afgenomen centraal examen
1. Indien het centraal examen naar het oordeel van de inspectie
niet op regelmatige wijze heeft plaatsgevonden, kan zij besluiten dat
het geheel of gedeeltelijk voor een of meer kandidaten opnieuw wordt
afgenomen.
2. Indien het eerste lid toepassing vindt, stelt het College voor
examens op verzoek van de inspectie nieuwe opgaven vast en bepaalt op
welke wijze en door wie het examen zal worden afgenomen.
Artikel 22. Onvoorziene omstandigheden centraal examen
Indien door onvoorziene omstandigheden het centraal examen in één
of meer vakken niet op de voorgeschreven wijze kan worden afgenomen,
beslist het College voor examens hoe dan moet worden gehandeld.
Artikel 23. Verhindering centraal examen; voltooiing in tweede, derde
of vierde tijdvak
1. Indien een kandidaat om een geldige reden, ter beoordeling van
het College voor examens:
a. is verhinderd bij één of meer toetsen van het centraal
examen in het eerste tijdvak tegenwoordig te zijn, wordt hem in
het tweede tijdvak de gelegenheid gegeven het centraal examen op
ten hoogste twee toetsen te voltooien;
b. ook in het tweede tijdvak verhinderd is, of wanneer hij het
centraal examen in het tweede tijdvak niet kan voltooien, wordt
hij in de gelegenheid gesteld in het derde tijdvak het centraal
examen te voltooien;
c. ook in het derde tijdvak verhinderd is, of wanneer hij het
centraal examen in het derde tijdvak niet kan voltooien, wordt hij
in de gelegenheid gesteld in het vierde tijdvak het centraal
examen te voltooien.
2. Toepassing van het eerste lid geschiedt onverminderd artikel 6.
Hoofdstuk IV. Uitslag, herkansing en diplomering
Artikel 24. Eindcijfer vakken (deel)staatsexamen
1. Het eindcijfer voor alle vakken van het staatsexamen en
deelstaatsexamen wordt uitgedrukt in een geheel cijfer uit de reeks
van 1 tot en met 10.
2. Het College voor examens bepaalt het eindcijfer voor een vak op
het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor het college-examen en
het cijfer voor het centraal examen. Indien de uitkomst van deze
berekening niet een geheel getal is, wordt dat getal indien het eerste
cijfer achter de komma een 4 of lager is, naar beneden afgerond en
indien dat cijfer een 5 of hoger is, naar boven afgerond.
3. Indien in een vak alleen een college-examen wordt afgenomen, is
het cijfer voor het college-examen tevens het eindcijfer.
4. Indien in een vak alleen een centraal examen wordt afgenomen,
wordt het cijfer voor het centraal examen afgerond overeenkomstig het
tweede lid en vormt als gevolg hiervan het eindcijfer.
Artikel 25. Vaststelling uitslag
1. Het College voor examens stelt vast of de kandidaat het examen
heeft afgelegd in de voor het staatsexamen voorgeschreven vakken.
2. Het College voor examens stelt de uitslag van het staatsexamen
vast, met inachtneming van de artikelen 24 en 26.
3. De uitslag ter verkrijging van het staatsexamendiploma wordt
vastgesteld op grond van de volgende eindcijfers, cijferlijsten of
bewijzen van ontheffing, al dan niet in combinatie:
a. de eindcijfers van een in dat jaar afgelegd volledig
staatsexamen;
b. de eindcijfers van in dat jaar afgelegde deelstaatsexamens;
c. een of meer cijferlijsten als bedoeld in de artikelen 30 en
31, eerste lid;
d. één cijferlijst van een school voor voortgezet onderwijs;
e. een of meer cijferlijsten van instellingen voor educatie en
beroepsonderwijs;
f. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 11, vierde
lid;
g. bewijzen van ontheffing als bedoeld in artikel 10, vierde
lid, van het Eindexamenbesluit VO.
4. Cijferlijsten worden uitsluitend bij de vaststelling van de
uitslag betrokken, indien na het jaar waarin zij zijn vastgesteld, nog
geen 10 jaren zijn verstreken. Bewijzen van ontheffing worden
uitsluitend bij de vaststelling van de uitslag betrokken indien na het
jaar waarin het onderliggende diploma, getuigschrift of ander
bewijsstuk is vastgesteld, nog geen 10 jaren zijn verstreken.
5. De uitslag luidt «geslaagd» of «afgewezen».
6. Indien dat nodig is om de kandidaat te laten slagen voor het
staatsexamen, betrekt het College voor examens een of meer eindcijfers
van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag. De
overgebleven vakken dienen een staatsexamen te vormen.
Artikel 26. Uitslag
1. De kandidaat die het staatsexamen voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs van de theoretische leerweg, genoemd in artikel 10
van de Wet op het voortgezet onderwijs, heeft afgelegd, is geslaagd
indien het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal examen
behaalde cijfers ten minste 5,5 is, en hij tevens:
a. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer
5 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger,
b. voor ten hoogste één van zijn examenvakken het eindcijfer
4 heeft behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger
waarvan ten minste één 7 of hoger, dan wel
c. voor twee van zijn examenvakken het eindcijfer 5 heeft
behaald en voor zijn overige examenvakken een 6 of hoger waarvan
ten minste één 7 of hoger.
2. De kandidaat die staatsexamen havo of vwo heeft afgelegd, is
geslaagd:
a. indien het rekenkundig gemiddelde van zijn bij het centraal
examen behaalde cijfers ten minste 5,5 is,
b. indien hij:
1°. voor al zijn vakken waarvoor een eindcijfer is
vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft behaald,
2°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is
vastgesteld, als eindcijfer 5 en voor de overige vakken
waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of
meer heeft behaald,
3°. voor één van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is
vastgesteld, als eindcijfer 4 en voor de overige vakken
waarvoor een eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of
meer heeft behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers
tenminste 6,0 bedraagt, dan wel
4°. voor twee van zijn vakken waarvoor een eindcijfer is
vastgesteld, als eindcijfer 5 heeft behaald dan wel voor één
van de vakken waarvoor een eindcijfer is vastgesteld als
eindcijfer 4 en voor één van deze vakken als eindcijfer 5
heeft behaald, en voor de overige vakken waarvoor een
eindcijfer is vastgesteld, als eindcijfer 6 of meer heeft
behaald, en het gemiddelde van de eindcijfers tenminste 6,0
bedraagt, en
c. indien geen van de eindcijfers van onderdelen, genoemd in
het derde lid, lager is dan 4.
3. Bij de uitslagbepaling volgens het tweede lid wordt het
gemiddelde van de eindcijfers van ten minste de volgende onderdelen
aangemerkt als het eindcijfer van één vak, voor zover voor deze
onderdelen een eindcijfer is bepaald: maatschappijleer en het
profielwerkstuk en voor v.w.o. ook algemene natuurwetenschappen. Het
College voor examens kan aan die onderdelen toevoegen:
a. literatuur, als onderdeel van alle afzonderlijke moderne
talen, met dien verstande dat indien het College voor examens
daartoe niet besluit, literatuur voor de bepaling van de
eindcijfers een onderdeel is van het college-examen van de
desbetreffende taal en literatuur;
b. klassieke culturele vorming, met dien verstande dat indien
het College voor examens daartoe niet besluit, klassieke culturele
vorming voor de bepaling van de eindcijfers een onderdeel is van
het college-examen van Latijnse taal en literatuur en Griekse taal
en literatuur;
c. algemene natuurwetenschappen in het h.a.v.o..
4. In aanvulling op het eerste lid geldt tevens als voorwaarde dat
het sectorwerkstuk moet zijn beoordeeld als «voldoende» of«goed».
5. Het eindcijfer, bedoeld in het derde lid, wordt bepaald als het
rekenkundig gemiddelde van de eindcijfers van de samenstellende
onderdelen. Indien de uitkomst van deze berekening niet een geheel
getal is, wordt dat getal indien het eerste cijfer achter de komma een
4 of lager is, naar beneden afgerond en indien dat cijfer een 5 of
hoger is, naar boven afgerond.
6. De kandidaat die niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het
eerste en vierde of het tweede en derde lid, is afgewezen voor het
staatsexamen.
7. Zodra de uitslag ingevolge het eerste, vierde en zesde lid of
het tweede, derde en zesde lid is vastgesteld, maakt het College voor
examens deze samen met de eindcijfers schriftelijk aan de kandidaat
bekend. Indien de kandidaat is afgewezen voor het staatsexamen, wordt
bij de bekendmaking mededeling gedaan van het in artikel 27 bepaalde.
De in de eerste volzin bedoelde uitslag is de definitieve uitslag
indien artikel 27 geen toepassing vindt.
Artikel 27. Herkansing
1. Onverminderd de artikelen 6 en 23 heeft de kandidaat die in enig
jaar met toepassing van artikel 26 is afgewezen voor het staatsexamen,
recht op herkansing in het derde tijdvak van dat jaar. Indien de
kandidaat op grond van artikel 23, eerste lid onderdeel b, in de
gelegenheid wordt gesteld in het derde tijdvak het centraal examen te
voltooien, wordt het recht op herkansing uitgeoefend, overeenkomstig
artikel 23, eerste lid, onderdeel c, op een door het College voor
examens te bepalen tijdstip.
2. Herkansing houdt in:
a. het recht om voor één door de kandidaat te kiezen vak
waarin hij in dat jaar door het College voor examens is
geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan het college-examen, in
door het College voor examens vast te stellen onderdelen van het
examenprogramma, en
b. het recht om voor één door de kandidaat te kiezen vak
waarin hij in dat jaar door het College voor examens is
geëxamineerd, opnieuw deel te nemen aan het centraal examen.
3. Voorwaarde voor toepassing van het eerste lid is dat de
kandidaat daardoor alsnog kan slagen voor het staatsexamen.
Artikel 28. Rechtsverwerking herkansing
De kandidaat die recht heeft op de in artikel 27 bedoelde herkansing,
is alsnog afgewezen indien hij niet binnen acht dagen na de in artikel
26, zevende lid, bedoelde bekendmaking het College voor examens ervan in
kennis stelt dat hij zich aan de herkansing wenst te onderwerpen en
daarbij schriftelijk opgeeft in welk vak hij opnieuw wil deelnemen aan
het college-examen en in welk vak hij opnieuw wil deelnemen aan het
centraal examen. Het College voor examens bevestigt zo spoedig mogelijk
aan de kandidaat schriftelijk de ontvangst van deze kennisgeving.
Artikel 29. Cijferbepaling bij herkansing
1. Het College voor examens stelt vast op welke wijze het cijfer
van de in artikel 27 bedoelde herkansing voor het college-examen wordt
bepaald. In zijn overwegingen betrekt het college de cijfers voor die
toetsen van het eerder afgelegde college-examen die betrekking hebben
op niet tot de herkansing behorende onderdelen van het
examenprogramma.
2. Het hoogste cijfer van de cijfers behaald bij de herkansing en
bij het eerder afgelegde college-examen of centraal examen geldt als
definitief cijfer voor het college-examen respectievelijk centraal
examen.
3. Na afloop van de herkansing wordt de uitslag definitief
vastgesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 24 tot en
met 26 en wordt de uitslag schriftelijk aan de kandidaat
bekendgemaakt.
Artikel 30. Diploma en cijferlijst
1. Het College voor examens reikt aan elke kandidaat die is
afgewezen voor het staatsexamen, een cijferlijst uit waarop ten
aanzien van de vakken waarin hij in dat jaar door het College voor
examens is geëxamineerd, zijn vermeld, voor zover van toepassing:
a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen,
b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het
profielwerkstuk,
c. het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van
het sectorwerkstuk,
d. de eindcijfers voor de examenvakken, alsmede
e. de uitslag van het staatsexamen.
2. Het College voor examens reikt op grond van de definitieve
uitslag aan elke kandidaat die is geslaagd voor het staatsexamen, een
cijferlijst uit waarop ten aanzien van elk examenvak dat bij de
bepaling van de uitslag is betrokken, zijn vermeld, voor zover van
toepassing:
a. de cijfers voor het college-examen, het centraal examen, en
in voorkomend geval het schoolexamen,
b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het
profielwerkstuk,
c. het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van
het sectorwerkstuk,
d. de vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing
is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor de
desbetreffende vakken,
e. de eindcijfers voor de examenvakken, alsmede
f. de uitslag van het staatsexamen.
3. Het College voor examens draagt er zorg voor dat op grond van de
definitieve uitslag aan elke voor het staatsexamen geslaagde kandidaat
een diploma wordt uitgereikt waarop het profiel of de profielen zijn
vermeld die bij de bepaling van de uitslag zijn betrokken. Op het
diploma vmbo-theoretische leerweg is in elk geval de sector of de
sectoren vermeld die bij de uitslag worden betrokken.
4. Indien een kandidaat in meer vakken examen heeft afgelegd dan in
de vakken die ten minste nodig zijn voor het behalen van het
staatsexamen, worden de vakken die niet bij de bepaling van de uitslag
zijn betrokken, op de cijferlijst vermeld, tenzij de kandidaat
daartegen bezwaar heeft.
5. Onze Minister stelt de modellen van de diploma's en
cijferlijsten vast.
6. Voor de vermelding op de cijferlijst van vakken waarvoor de
kandidaat vrijstelling of ontheffing is verleend bij het staatsexamen
geldt het volgende:
a. indien het betreft het staatsexamen v.w.o. of het
staatsexamen h.a.v.o.:
1°. de vakken culturele en kunstzinnige vorming en
lichamelijke opvoeding van het gemeenschappelijk deel en de
maatschappelijke stage worden niet vermeld op de cijferlijst;
2°. de vakken algemene natuurwetenschappen en
maatschappijleer waarvoor de kandidaat bij het staatsexamen
v.w.o. is vrijgesteld op grond van het bezit van een diploma
h.a.v.o., worden niet vermeld op de cijferlijst;
3°. vakken waarvoor de kandidaat is vrijgesteld op grond
van artikel 9 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 10 van
dit besluit, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding
van het eerder behaalde cijfer;
4°. vakken waarvoor de kandidaat bij het staatsexamen
v.w.o. is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd
eindexamen of staatsexamen h.a.v.o. of v.m.b.o. voor zover het
betreft de theoretische leerweg, waarvan deze v.w.o.-vakken
deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst, met
vermelding van het eerder behaalde cijfer;
5°. vakken waarvoor de kandidaat bij het staatsexamen
h.a.v.o. is vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd
eindexamen of staatsexamen v.m.b.o., voor zover het betreft de
theoretische leerweg waarvan deze vakken dan wel de
overeenkomstige vakken, bedoeld in artikel 14, achtste lid,
van de wet, deel uitmaakten, worden vermeld op de cijferlijst,
met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
6°. andere vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of
ontheffing is verleend, worden vermeld op de cijferlijst,
zonder vermelding van een cijfer;
b. indien het betreft het staatsexamen v.m.b.o. theoretische
leerweg:
1°. de vakken behorende tot de beeldende vorming, muziek,
dans, drama en lichamelijke opvoeding van het
gemeenschappelijk deel en de maatschappelijke stage worden
niet vermeld op de cijferlijst;
2°. vakken waarvoor de kandidaat is vrijgesteld op grond
van artikel 9 van het Eindexamenbesluit VO of artikel 10 van
dit besluit, worden vermeld op de cijferlijst, met vermelding
van het eerder behaalde cijfer;
3°. vakken waarvoor de kandidaat bij het staatsexamen
v.m.b.o. voor zover het betreft de theoretische leerweg, is
vrijgesteld op grond van een eerder afgelegd eindexamen
v.m.b.o. voor zover het betreft de kaderberoepsgerichte
leerweg of de basisberoepsgerichte leerweg waarvan deze vakken
dan wel de overeenkomstige vakken, bedoeld artikel 10, negende
lid, van de wet, deel uitmaakten, worden vermeld op de
cijferlijst, met vermelding van het eerder behaalde cijfer;
4°. andere vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of
ontheffing is verleend, worden vermeld op de cijferlijst,
zonder vermelding van een cijfer.
7. Het College voor examens tekent de diploma's en cijferlijsten.
Artikel 31. Certificaat en cijferlijst deelstaatsexamen
1. Het College voor examens reikt aan de kandidaat die
deelstaatsexamen heeft afgelegd, een cijferlijst uit waarop zijn
vermeld, voor zover van toepassing:
a. de cijfers voor het college-examen en het centraal examen,
b. het vak of de vakken en het onderwerp of de titel van het
profielwerkstuk,
c. het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de beoordeling van
het sectorwerkstuk, en
d. de eindcijfers voor de examenvakken
2. Het College voor examens reikt aan de in het eerste lid bedoelde
kandidaat, alsmede aan de kandidaat aan wie op grond van de
definitieve uitslag niet op grond van artikel 30, derde lid, een
diploma kan worden uitgereikt, een certificaat uit, waarop zijn
vermeld, voor zover van toepassing:
a. het vak of de vakken waarvoor de kandidaat een eindcijfer 6
of meer heeft behaald, en
b. het vak of de vakken, het onderwerp of de titel van het
profielwerkstuk of het thema van het sectorwerkstuk, alsmede de
beoordeling van het sectorwerkstuk, voor zover beoordeeld met
«goed» of«voldoende».
3. Onze Minister stelt het model van het certificaat en de
cijferlijst voor het deelstaatsexamen vast.
4. Het College voor examens tekent de certificaten en de
cijferlijsten voor het deelstaatsexamen.
Artikel 32. Duplicaten en afgifteverklaringen
1. Duplicaten van afgegeven diploma's, certificaten, bewijzen van
ontheffing en cijferlijsten worden niet verstrekt.
2. Een schriftelijke verklaring dat een in het eerste lid bedoeld
document is afgegeven, welke verklaring dezelfde waarde heeft als dat
document zelf, kan uitsluitend door of vanwege Onze Minister worden
verstrekt.
Hoofdstuk V. Afwijkende wijze van examineren; gegevensverstrekking
Artikel 33. Afwijking wijze van examineren
1. Het College voor examens kan toestaan dat een gehandicapte
kandidaat het examen geheel of gedeeltelijk aflegt op een wijze die is
aangepast aan de mogelijkheden van die kandidaat. In dat geval bepaalt
het College voor examens de wijze waarop het examen zal worden
afgelegd, met dien verstande dat aan de overige bepalingen in dit
besluit wordt voldaan. Het College voor examens doet hiervan zo
spoedig mogelijk mededeling aan de inspectie.
2. Tenzij sprake is van een objectief waarneembare lichamelijke
handicap, geldt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
aangepaste wijze van examineren dat:
a. een deskundigenverklaring voorligt die door een ter zake
deskundige psycholoog of orthopedagoog is opgesteld,
b. de aanpassing voor zover betrekking hebbend op het centraal
examen in ieder geval kan bestaan uit een verlenging van de duur
van de desbetreffende toets van het centraal examen met ten
hoogste 30 minuten, en
c. een andere aanpassing slechts kan worden toegestaan voor
zover daartoe in de onder a genoemde deskundigenverklaring ten
aanzien van betrokkene een voorstel wordt gedaan dan wel indien de
aanpassing aantoonbaar aansluit bij de begeleidingsadviezen,
vermeld in die deskundigenverklaring.
3. Het College voor examens kan ten aanzien van een kandidaat die
de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, afwijken van de bij of
krachtens dit besluit vastgestelde voorschriften, indien de kandidaat
met inbegrip van het jaar waarin hij staatsexamen of deelstaatsexamen
aflegt, ten hoogste zes jaren onderwijs in Nederland heeft gevolgd en
niet het Nederlands als moedertaal heeft. De in de eerste volzin
bedoelde afwijking kan betrekking hebben op:
a. het vak Nederlandse taal en literatuur;
b. enig ander vak waarbij het gebruik van de Nederlandse taal
van overwegende betekenis is.
4. De in het derde lid bedoelde afwijking bestaat ten aanzien van
het centraal examen uitsluitend uit een verlenging van de duur van de
desbetreffende toets met ten hoogste 30 minuten, en het verlenen van
toestemming tot het gebruik van een verklarend woordenboek der
Nederlandse taal.
5. Van elke afwijking op grond van het eerste en derde lid wordt
mededeling gedaan aan de inspectie.
Artikel 34. Gegevensverstrekking
1. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve
uitslag zendt het College voor examens aan Onze Minister en aan de
inspectie een lijst die voor iedere kandidaat die niet is geslaagd
voor het staatsexamen, vermeldt, voor zover van toepassing:
a. de vakken waarin examen is afgelegd;
b. de cijfers van het college-examen;
c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking
heeft;
d. de beoordeling van het sectorwerkstuk, alsmede het thema van
het sectorwerkstuk;
e. de cijfers van het centraal examen;
f. de eindcijfers;
g. de uitslag van het staatsexamen.
2. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de definitieve
uitslag zendt het College voor examens aan Onze Minister en aan de
inspectie een lijst die voor iedere kandidaat die is geslaagd voor het
staatsexamen, vermeldt, voor zover van toepassing:
a. het profiel of de profielen waarop het examen betrekking
heeft;
b. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;
c. de cijfers van het college-examen of in voorkomend geval van
het schoolexamen;
d. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking
heeft;
e. de beoordeling van het sectorwerkstuk, en het thema van het
sectorwerkstuk;
f. de cijfers van het centraal examen;
g. de eindcijfers;
h. de vakken waarvoor de kandidaat vrijstelling of ontheffing
is verleend, met voor zover van toepassing de cijfers voor de
desbetreffende vakken;
i. de uitslag van het staatsexamen.
3. Zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de eindcijfers van de
kandidaten die deelstaatsexamen hebben afgelegd, stuurt het College
voor examens aan Onze Minister en aan de inspectie een lijst die voor
iedere kandidaat vermeldt, voor zover van toepassing:
a. de vakken die zijn vermeld op de cijferlijst;
b. de cijfers van het college-examen;
c. het vak of de vakken waarop het profielwerkstuk betrekking
heeft;
d. de beoordeling van het sectorwerkstuk, en het thema van het
sectorwerkstuk;
e. de cijfers van het centraal examen;
f. de eindcijfers.
Artikel 35. Bewaren examenwerk
1. Het schriftelijke werk van de kandidaten wordt gedurende ten
minste zes maanden na afloop van het examen bewaard op een door het
College voor examens te bepalen wijze. Een kandidaat die voor een vak
centraal examen aflegt met geheime opgaven kan omtrent zijn werk
gedurende genoemde periode van zes maanden inlichtingen inwinnen bij
het College voor examens. Elk der overige kandidaten kan gedurende die
periode zijn schriftelijk werk inzien.
2. Een door het College voor examens ondertekend exemplaar van de
lijst, bedoeld in artikel 34, eerste, tweede en derde lid, en de door
de kandidaat overgelegde documenten, worden gedurende ten minste zes
maanden na de vaststelling van de uitslag in het archief van het
College voor examens bewaard.
3. Het College voor examens draagt er zorg voor dat een volledig
stel van de bij de centrale examens gebruikte opgaven gedurende ten
minste zes maanden na de vaststelling van de uitslag bewaard blijft in
het archief van het College voor examens.
Artikel 36. Hardheidsclausule
Het College voor examens kan bij of krachtens dit besluit
vastgestelde voorschriften buiten toepassing laten of daarvan afwijken
voor zover toepassing gelet op de bijzondere functie van het
staatsexamen mede voor kandidaten die in bijzondere omstandigheden
verkeren, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Hoofdstuk VI. Wijziging andere besluiten
Artikel 37 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 38 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 39 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 40 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 41 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 42 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 43 [Vervallen per 01-10-2009]
Artikel 44. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt met uitzondering van de artikelen 37, 39, 40
wat het Eindexamenbesluit VO betreft, en 41, tweede lid, in werking
met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin het besluit wordt geplaatst.
2. De artikelen 37, 39, 40 wat het Eindexamenbesluit VO betreft, en
41, tweede lid, treden in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen verschillend
kan worden vastgesteld, met dien verstande dat artikel 39 terugwerkt
tot en met 1 augustus 1998. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen
voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is
overgelegd aan beide kamers der Staten-Generaal en gedurende die
termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te
kennen gegeven dat het in die artikelen geregelde onderwerp bij de wet
wordt geregeld.
Artikel 45. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Staatsexamenbesluit VO.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
Tavarnelle, 28 juli 2000
BEATRIX
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen,
K.Y.I.J. Adelmund
Uitgegeven de twaalfde september 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|