Voor de subsidie, bedoeld in artikel
4, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, dient de BVE Raad voor 1 juli
van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verstrekt, een
jaarrekening in waaruit blijkt dat de subsidie rechtmatig is besteed.
2. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een
accountant omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 393, eerste
lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring heeft tevens
betrekking op de naleving van de aan de subsidie verbonden voorwaarden.
3. De subsidie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, de onderdelen a
en b, zoals dat luidt op 31 december 1999, die niet voor 1 januari 2000
is besteed, wordt met ingang van 1 januari 2000 besteed voor het doel
waarvoor zij was bestemd. Uit de jaarrekening blijkt dat de subsidie
rechtmatig is besteed.
Hoofdstuk 2. Specifieke bepalingen projectsubsidie
Artikel 7. Subsidie
De minister kan voor projectopdrachten voor innovatie en ontwikkeling
van beroepsonderwijs en educatie subsidie verstrekken.
Artikel 8. Projectopdrachten
1. De minister stelt per projectopdracht de hoogte van de
subsidie, de voorwaarden voor de verstrekking, en de wijze van
verantwoorden vast met inachtneming van de in dit artikel bepaalde
voorwaarden.
2. De voorwaarden voor de verstrekking hebben betrekking op:
a. het doel dat met de projectopdracht wordt beoogd;
b. de activiteiten die met het oog op dat doel in ieder geval
worden uitgevoerd;
c. de doelgroep tot wie het project zich richt;
d. de wijze van verslaglegging van het project;
e. tussenrapportages en tussentijds overleg;
f. tussentijdse aanvullingen c.q. wijzigingen van projecten, en
g. begeleiding van projecten.
3. De subsidie wordt, tezamen met eventuele baten en rentebaten,
per projectopdracht verantwoord. Artikel 6, eerste en tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat uit de jaarrekening
blijkt dat de subsidie rechtmatig is besteed en dat uit het
projectenverslag blijkt dat de subsidie doelmatig is besteed.
4. De subsidie wordt per projectopdracht verstrekt uitsluitend
voor het doel waarvoor zij is bestemd.
5. Subsidie die niet of niet in overeenstemming met de
voorwaarden van deze regeling is verantwoord, of niet is besteed, wordt
teruggevorderd voor zover zij niet door de minister na overleg met de
BVE Raad is herbestemd.
Artikel 8a. Vaststelling van de projectsubsidie
1. Uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de
projectopdrachten betrekking hebben, dient de Bve Raad een aanvraag
tot vaststelling van de projectsubsidie in. De aanvraag gaat vergezeld
van de jaarrekening, bedoeld in artikel 8, derde lid, en een
projectenverslag over het betreffende boekjaar.
2. De minister stelt, na goedkeuring van de aanvraag en het
projectenverslag, de projectsubsidie vast binnen dertien weken na de
ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. Indien de beschikking niet
binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de Bve Raad
daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen
Artikel 9. Toepassing
Op de overgangssubsidie en de projectsubsidies zijn de artikelen 10
tot en met 14 van toepassing.
Artikel 10. Administratie
1. De BVE Raad draagt zorg voor een inzichtelijke en
deugdelijke administratie, die een juist, volledig en actueel beeld
geeft van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt en de
daarmee gemoeide uitgaven en inkomsten.
2. Als boekjaar geldt het kalenderjaar.
Artikel 11. Opschorting
1. Indien de BVE Raad de gegevens, bedoeld in de artikelen 5 of
6, niet tijdig heeft verstrekt, kan de minister bepalen dat
verstrekking van de subsidie geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort.
2. De minister kan de subsidie wederom verstrekken indien hem
blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
Artikel 12. Intrekking, wijziging en terugvordering
1. De minister kan de subsidie binnen een periode van 5 jaar na
het jaar waarvoor de subsidie is verstrekt, intrekken of ten nadele
van de BVE Raad wijzigen indien de BVE Raad na de verstrekking van de
subsidie niet of niet volledig heeft voldaan aan de aan de subsidie
verbonden verplichtingen.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het jaar
waarvoor de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging
anders is bepaald.
3. Bij het intrekken of wijzigen van de subsidie kan de minister
de subsidie onmiddellijk terugvorderen of de subsidie verrekenen met de
subsidie aan de BVE Raad in het jaar nadat tot intrekken of wijzigen is
besloten.
4. Indien de minister onmiddellijk terugvordert, wordt de
subsidie binnen een termijn van vier weken nadat een daartoe strekkend
besluit aan de BVE Raad is verzonden, door de BVE Raad terugbetaald.
5. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het vierde lid,
is de BVE Raad zonder aanmaning of rechterlijke tussenkomst de
wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 13. Verslaglegging en informatieplicht
1. De BVE Raad verstrekt de minister een inhoudelijke
verslaglegging over de activiteiten van de BVE Raad.
2. De BVE Raad verstrekt de minister en de door hem aangewezen
personen de gevraagde inlichtingen.
3. De BVE Raad draagt er zorg voor dat de minister en de door hem
aangewezen personen volledige inzage hebben in de boeken, bescheiden en
andere informatiedragers van de BVE Raad.
4. De BVE Raad verleent de minister en de door hem aangewezen
personen toegang tot de door de BVE Raad gebruikte plaatsen.
Artikel 14. Bewaarplicht
De BVE Raad bewaart de boeken en bescheiden en informatie op andere
informatiedragers die verband houden met de toepassing van deze
regeling, gedurende tenminste 5 jaar na het jaar waarvoor de subsidie is
verstrekt.
Artikel 15. Bekendmaking
Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen
worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de
datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling is
geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996. Artikel 3, 4 en 5
vervallen met ingang van 1 januari 2000.
Artikel 17. Inwerkingtreding
Deze regeling wordt aangehaald als: Kaderregeling subsidiëring BVE
Raad.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
dr. ir. J.M.M. Ritzen.