Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)

 

UITVOERINGSBESLUIT  WEB

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 6 augustus 1999, houdende vaststelling van de algemene berekeningswijze van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs, de educatie en de landelijke organen, alsmede vaststelling van voorschriften over het informatieverkeer, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs (Uitvoeringsbesluit WEB)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordrachten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 8 maart 1999, nr. 1998/8716 (3704), en van 31 maart 1999, nr. 1999/14257 (3693), directie Wetgeving en Juridische Zaken, de eerste voordracht gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
     Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid en vijfde lid, 2.2.4, vierde lid, 2.2.12, tweede lid, 2.3.1, eerste en derde lid, 2.3.6, tweede en derde lid, 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.4.2, vierde lid, 2.5.3, negende lid, 2.5.5, tweede en derde lid, 2.5.10, eerste lid, en 2.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 19, vijfde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
     De Raad van State gehoord (adviezen van 29 april 1999, nr. W05.99.0160/II, en van 6 mei 1999, nr. W05.99/0111/III);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van 22 juli 1999, nr. 1999/30854 (3704), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Algemeen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. deelnemer: een in artikel 8.1.1, eerste lid, eerste volzin, van de wet bedoelde deelnemer;

c. basisregister onderwijs: basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht.

Artikel 1.1.2 [Vervallen per 01-08-2011]

Hoofdstuk 2. Bekostiging beroepsonderwijs

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1.1. Reikwijdte hoofdstuk 2

1. De paragrafen 1, 2, 4, 5, 6 en 6a zijn van toepassing op instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 1° tot en met 3°, van de wet.

2. Paragraaf 1, paragraaf 2 en paragraaf 4 zijn van overeenkomstige toepassing en de paragrafen 5, 6 en 6a zijn van toepassing ten aanzien van het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra waarvoor de rijksbijdrage wordt vastgesteld door Onze Minister van Economische Zaken.

3. Paragraaf 3 onderscheidenlijk de paragrafen 4 en 5 heeft betrekking onderscheidenlijk hebben mede betrekking op het voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan agrarische opleidingscentra.

4. De paragrafen 5, 6 en 6a hebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wet genoemde instituten, alsmede op de in artikel 12.3.9 van de wet genoemde hogescholen.

Artikel 2.1.2. Begripsbepalingen hoofdstuk 2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. opleiding: een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt;

b. voltijds deelnemer: een deelnemer die blijkens een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3 van de wet een voltijdse opleiding volgt als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel i1, van de wet;

c. deeltijds deelnemer: een deelnemer aan een opleiding, niet zijnde een voltijds deelnemer;

d. diploma beroepsonderwijs: een door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een onder a bedoelde opleiding, alsmede van een opleiding die niet langer wordt bekostigd op grond van artikel 2.1.1 van de wet;

e. agrarisch opleidingscentrum: een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, onder 3° van de wet;

f. voorbereidend beroepsonderwijs: voorbereidend beroepsonderwijs dat wordt verzorgd aan een agrarisch opleidingscentrum;

g. leerling: een leerling die voor het volgen van voorbereidend beroepsonderwijs is ingeschreven aan een agrarisch opleidingscentrum.

Artikel 2.1.3. Vaststelling omvang landelijk beschikbare budgetten beroepsonderwijs

Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van de landelijk beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten en voor de huisvestingskosten voor zowel het beroepsonderwijs als het voorbereidend beroepsonderwijs.

Paragraaf 2. Exploitatiekosten

Artikel 2.2.1. Verdeling landelijk beschikbaar budget voor exploitatiekosten beroepsonderwijs

1. Onze Minister stelt jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid, van de wet en van het landelijke beschikbare budget ten behoeve van de toepassing van artikel 2.2.4, tweede lid, dat in mindering wordt gebracht op het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs.

2. Het na toepassing van het eerste lid resterende deel van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar wordt verdeeld als volgt:

a. 80% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf ingeschreven deelnemers, en

b. 20% wordt toegerekend aan het landelijk deel ten behoeve van de maatstaf diploma's beroepsonderwijs.

Artikel 2.2.2. Berekening rijksbijdrage voor exploitatiekosten beroepsonderwijs

1. Onze Minister berekent de rijksbijdrage voor een instelling voor de exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs voor een kalenderjaar door bij elkaar op te tellen:

a. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers,

b. het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf diploma’s beroepsonderwijs vermeerderd met het rijksbijdragedeel op grond van de diploma’s, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, en

c. het rijksbijdragedeel ten behoeve van voorbereidende en ondersteunende activiteiten,

zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van artikel 2.2.3, artikel 2.2.4 respectievelijk artikel 2.2.5. De uitkomst van elke berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

2. De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte deelnemers, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2.6a.1.

3. De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

Artikel 2.2.3. Berekening rijksbijdragedeel volgens maatstaf ingeschreven deelnemers beroepsonderwijs

1. Onze Minister berekent het rijksbijdragedeel op grond van de maatstaf ingeschreven deelnemers volgens de formule:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | WEB | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x