|
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen;
Handelende mede namens de minister van
landbouw, natuurbeheer en visserij;
Gelet op de artikelen 12.3.8, tweede lid,
12.3.9, tweede lid, en 12.3.48, tweede lid, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs en de artikelen 2.3.2, tweede lid, 2.4.1, tweede lid,
6.1.1, 6.1.4, tweede lid, en 6.3.1, eerste lid, van het
Uitvoeringsbesluit WEB;
Besluiten:
Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen
Artikel 1.1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
| a. |
wet:
de Wet
educatie en beroepsonderwijs, en
|
| b. |
besluit:
het Uitvoeringsbesluit
WEB.
|
Hoofdstuk 2.
Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven en
Hogescholen Haarlem en Tilburg
Paragraaf
1. Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven
Artikel
2.1.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen
Instituten voor doven
| 1. |
In
overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van
de rijksbegroting die is vastgesteld voor het
desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister
jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor
de exploitatiekosten respectievelijk voor de
huisvestingskosten voor Het Christelijk Instituut
voor Doven "Effatha" en Het Instituut voor
Doven "Sint-Michielsgestel" vast, ten
behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als
bedoeld in artikel
12.3.8 van de wet. Deze budgetten worden
jaarlijks toegevoegd aan de landelijk beschikbare
budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk
de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel
2.1.3 van het besluit.
|
| 2. |
De artikelen
2.2.1 tot en met 2.2.5 en artikel
2.4.1 van het besluit zijn van toepassing ten
aanzien van de in het eerste lid genoemde
instituten.
|
| 3. |
De
minister verhoogt de uitkomst van de berekening,
bedoeld in het tweede lid, tot de hoogte van het
totaal van de rijksbijdragen voor 1999, berekend op
grond van de artikelen 9, 14b en 14i van de
Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB
tot 2000 en de Regeling bekostiging huisvesting
BVE-sector.
|
Artikel
2.1.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht
| 1. |
Het
bepaalde bij of krachtens paragraaf
1 van titel 5 van hoofdstuk 2 van de wet is
van overeenkomstige toepassing op de instituten,
bedoeld in artikel 2.1.1.
|
| 2. |
Hoofdstuk
5 van de wet
is van overeenkomstige toepassing op de instituten,
bedoeld in artikel 2.1.1.
|
| 3. |
Het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk
5 van het besluit, alsmede de Bijlagen
1, 1a,
1c en 4
behorende bij het besluit, is van
overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld
in artikel 2.1.1.
|
Artikel
2.1.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op de
Instituten voor doven
De instituten,
bedoeld in artikel 2.1.1, nemen voor de beroepsopleidingen
verzorgd aan die instituten in acht hetgeen bij of krachtens
de wet is bepaald ten aanzien van:
| a. |
de taken
van de instellingen ten aanzien van het
beroepsonderwijs, bedoeld in artikel
1.3.5 van de wet;
|
| b. |
de
kwaliteitszorg, bedoeld in artikel
1.3.6 van de wet;
|
| c. |
de
contractactiviteiten, bedoeld in artikel
1.7.1 van de wet;
|
| d. |
de
voorschriften betreffende het personeel van de
instellingen, bedoeld in de titels
1 en 2 van
hoofdstuk 4 van de wet;
|
| e. |
de
voorschriften betreffende ontneming van van rechten
ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod, bedoeld in
artikel 6.1.4 van
de wet en ten aanzien van onthouding van
rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit
oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke
voorschriften, bedoeld in artikel
6.1.6 van de wet;
|
| f. |
de
voorschriften betreffende de beëindiging van
registratie van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel
6.4.4 van de wet;
|
| g. |
het
onderwijs en de examens betreffende het
beroepsonderwijs, bedoeld in hoofdstuk
7 van de wet, met dien verstande dat bij de
toepassing van:
| 1. |
artikel
7.2.8 van de wet
het bevoegd gezag van een instituut tevens
met het oog op de handicap van de deelnemer
nadere regels kan vaststellen ten aanzien
van de beroepspraktijkvorming;
|
| 2. |
het
eerste lid van artikel
7.4.2 van de wet het bevoegd gezag
van een instituut er tevens zorg voor draagt
dat bij het afleggen van het examen rekening
wordt gehouden met de aard van de handicap
van de deelnemer;
|
|
| h. |
de
rechtsbescherming van de deelnemer, bedoeld in titel
5 van hoofdstuk 7 van de wet;
|
| i. |
de
inschrijving en vooropleidingseisen van hoofdstuk
8 van de wet, met dien verstande dat bij de
toepassing van artikel
8.1.3, derde lid, van de wet tevens de
wederzijdse rechten en verplichtingen van het
instituut en de deelnemer die voortvloeien uit de
specifieke handicap van de deelnemer, worden
opgenomen;
|
| j. |
de
opneming in het Centraal register;
|
| k. |
de
voorschriften inzake bestuur en bestuursoverdracht,
bedoeld in paragraaf
1 van titel 1 van hoofdstuk 9 van de wet;
|
| l. |
de hoofdstukken
10 en 11
van de wet.
|
Artikel
2.1.4. Overgangsvoorschriften bekostiging beroepsopleidingen
Instituten voor doven
Het bepaalde bij
of krachtens de artikelen
6.1.1 tot en met 6.1.3 van het besluit is van
overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld in
artikel 2.1.1.
Paragraaf
2. Voorschriften beroepsopleidingen verbonden aan hogescholen
Haarlem en Tilburg
Artikel
2.2.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen
verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg
| 1. |
In
overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van
de rijksbegroting die is vastgesteld voor het
desbetreffende begrotingsjaar, stelt de minister
jaarlijks de omvang van het beschikbare budget voor
de exploitatiekosten respectievelijk voor de
huisvestingskosten ten behoeve van het verzorgen van
beroepsopleidingen als bedoeld in artikel
12.3.9 van de wet, verbonden aan de
Hogeschool Haarlem en de Hogeschool Tilburg. Deze
budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de
landelijk beschikbare budgetten voor de
exploitatiekosten respectievelijk de
huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel
2.1.3 van het besluit.
|
| 2. |
De artikelen
2.2.1 tot en met 2.2.5 en artikel
2.4.1 van het besluit zijn van toepassing ten
aanzien van de hogescholen, genoemd in het eerste
lid.
|
Artikel
2.2.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht
| 1. |
Het
bepaalde bij of krachtens paragraaf
1 van titel 5 van hoofdstuk 2 van de wet is
van overeenkomstige toepassing op de hogescholen,
bedoeld in artikel 2.2.1.
|
| 2. |
Hoofdstuk
5 van de wet
is van overeenkomstige toepassing op de hogescholen,
bedoeld in artikel 2.2.1.
|
| 3. |
Het
bepaalde bij of krachtens hoofdstuk
5 van het besluit, alsmede de Bijlagen
1, 1a,
1c en 4
behorende bij het besluit is van
overeenkomstige toepassing op de hogescholen,
bedoeld in artikel 2.2.1.
|
Artikel
2.2.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op de
Hogescholen
De hogescholen,
bedoeld in artikel 2.2.1, nemen voor de beroepsopleidingen
verzorgd door die hogescholen, in acht hetgeen bij of
krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:
| a. |
de taken
van de instellingen ten aanzien van het
beroepsonderwijs, bedoeld in artikel
1.3.5 van de wet;
|
| b. |
de
kwaliteitszorg, bedoeld in artikel
1.3.6 van de wet;
|
| c. |
de
contractactiviteiten, bedoeld in artikel
1.7.1 van de wet;
|
| d. |
de
voorschriften betreffende het personeel van de
instellingen, bedoeld in de titels
1 en 2 van
hoofdstuk 4 van de wet;
|
| e. |
de
voorschriften betreffende ontneming van van rechten
ten aanzien van bestaand onderwijsaanbod, bedoeld in
artikel 6.1.4 van
de wet en ten aanzien van onthouding van
rechten ten aanzien van voorgenomen onderwijs uit
oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke
voorschriften, bedoeld in artikel
6.1.6 van de wet;
|
| f. |
de
voorschriften betreffende de beëindiging van
registratie van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel
6.4.4 van de wet;
|
| g. |
het
onderwijs en de examens betreffende het
beroepsonderwijs, bedoeld in hoofdstuk
7 van de wet;
|
| h. |
de
rechtsbescherming van de deelnemer, bedoeld in titel
5 van hoofdstuk 7 van de wet;
|
| i. |
de
inschrijving en vooropleidingseisen van hoofdstuk
8 van de wet,
|
| j. |
de
opneming in het Centraal register;
|
| k. |
de
voorschriften inzake bestuur en bestuursoverdracht,
bedoeld in paragraaf
1 van titel 1 van hoofdstuk 9 van de wet;
|
| l. |
de hoofdstukken
10 en 11
van de wet.
|
Artikel
2.2.4. Overgangsvoorschriften bekostiging beroepsopleidingen
verbonden aan hogescholen Haarlem en Tilburg
Het bepaalde bij
of krachtens de artikelen
6.1.1, derde lid, en 6.1.3
tot en met 6.1.5 van het besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op de hogescholen, bedoeld in
artikel 2.2.1.
Hoofdstuk 3.
Voorschriften bekostiging beroepsonderwijs
Paragraaf
1. Voorschriften bekostiging
Artikel
3.1.1. Bedrag huisvestingskosten school voor voortgezet
onderwijs in scholengemeenschap met een instelling
| 1. |
Het bedrag
ten behoeve van de huisvestingskosten, bedoeld in artikel
2.4.1, tweede lid, van het besluit, bedraagt
ƒ 1.026,- per leerling aan een school voor
voortgezet onderwijs als bedoeld in deel
I van de Wet op het voortgezet onderwijs.
|
| 2. |
Het bedrag
ten behoeve van de huisvestingskosten, bedoeld in artikel
2.4.1, derde lid, van het besluit, bedraagt
ƒ 1.010,- per leerling aan het voorbereidend
beroepsonderwijs verzorgd aan een agrarisch
opleidingscentrum als bedoeld in artikel
1.3.3 van de wet.
|
| 3. |
De
bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid,
kunnen worden aangepast in verband met uit de
rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
|
Artikel
3.1.2. Vaststelling vaste voet en prijs per leerling
voorbereidend beroepsonderwijs
| 1. |
Het aantal
formatieplaatsen wordt verhoogd met één
formatieplaats per agrarisch opleidingscentrum.
|
| 2. |
Indien
twee of meer agrarische opleidingscentra een fusie
met elkaar aangaan, behoudt het agrarisch
opleidingscentrum dat tengevolge van de fusie tot
stand komt het aantal formatieplaatsen, bedoeld in
het eerste lid, dat ieder van de agrarische
opleidingscentra afzonderlijk vóór de fusie had,
voor een periode van drie jaren na het jaar waarin
de fusie plaatsvond.
|
| 3. |
In
aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt
het aantal formatieplaatsen uitgebreid met:
| a. |
een
halve formatieplaats per school voor
voorbereidend beroepsonderwijs met een
afdeling landbouw en natuurlijke omgeving
die uiterlijk op 1 augustus 1991 deel
uitmaakte van het agrarisch
opleidingscentrum, en
|
| b. |
twee
formatieplaatsen per school met een afdeling
paardenhouderij en paardensport die
uiterlijk op 1 augustus 1991 deel uitmaakte
van een agrarisch opleidingscentrum.
|
|
| 4. |
De prijs
per leerling beroepsonderwijs en
leerwegondersteunend onderwijs, bedoeld in artikel
2.3.2 van het besluit, bedraagt
| a. |
voor
de leerling beroepsonderwijs ƒ 8.502,-, en
|
| b. |
voor
de leerling leerwegondersteunend onderwijs
ƒ 12.988,-.
|
|
| 5. |
De prijs
per leerling kan worden aangepast in verband met
salarismaatregelen en prijsbijstellingen die
voortvloeien uit de rijksbegroting.
|
Artikel
3.1.3. Bekostiging gehandicapten
| 1. |
In
afwijking van artikel
2.2.2, vierde lid, van de wet stelt de
minister jaarlijks het landelijk beschikbare budget
vast ten behoeve van de kosten voor gehandicapte
deelnemers voor het beroepsonderwijs voor:
| a. |
de
instellingen, bedoeld in de artikelen
1.3.1 van de wet, met uitzondering
van een agrarisch opleidingscentrum als
bedoeld in artikel
1.3.3 van de wet;
|
| b. |
de
instituten, bedoeld in artikel
12.3.8 van de wet;
|
| c. |
de
hogescholen, bedoeld in artikel
12.3.9 van de wet, gezamenlijk.
|
|
| 2. |
De
minister verdeelt het voor een kalenderjaar
vastgestelde budget ten behoeve van de gehandicapte
deelnemers over de instellingen, bedoeld in het
eerste lid, naar rato van het totaal van de voor dat
kalenderjaar op grond van de artikelen
2.2.3 en 2.2.4
van het besluit, berekende rijksbijdrage voor
die instelling.
|
Paragraaf
2. Overgangsvoorschriften bekostiging
Artikel
3.2.1. Vervangende gegevens diploma's beroepsbegeleidend
onderwijs
| 1. |
De
gegevens ten behoeve van de bekostiging van het jaar
2000, bedoeld in artikel
6.1.1, eerste en vierde lid, van het besluit
worden, voor zover het diploma's van opleidingen
beroepsbegeleidend onderwijs betreft, niet zijnde
opleidingen op het gebied van de landbouw en de
natuurlijke omgeving, vastgesteld in bijlage 1 bij
deze regeling.
|
| 2. |
De
gegevens ten behoeve van de bekostiging voor het
jaar 2001, bedoeld in artikel
6.1.1, eerste en vierde lid, van het besluit
worden, voorzover het diploma's van opleidingen
beroepsbegeleidend onderwijs betreft, niet zijnde
opleidingen op het gebied van de landbouw en de
natuurlijke omgeving, vastgesteld in bijlage 8 bij
deze regeling.
|
Artikel
3.2.2. Vervangende gegevens VOA
| 1. |
Het deel
van de rijksbijdrage voor voorbereidende en
ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel
7.2.2, vierde lid, van de wet, wordt op grond
van artikel 6.1.1,
tweede lid, van het besluit, berekend door
het landelijk beschikbare budget ten behoeve van
voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals
dat voor dat kalenderjaar is vastgesteld op grond
van artikel 2.2.1,
eerste lid, van het besluit te verdelen naar
rato van het aantal deelnemers dat op 1 oktober van
het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het
desbetreffende jaar per instelling aan de
opleidingen als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet
is ingeschreven en dat daadwerkelijk die opleiding
volgt, waarbij
| a. |
het
aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld
in artikel
7.2.2, eerste lid onderdeel a, van de wet,
met de factor 1 wordt vermenigvuldigd,
|
| b. |
het
aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld
in artikel
7.2.2, eerste lid onderdeel b, van de wet
met de factor 0,4 wordt vermenigvuldigd, met
dien verstande dat het aantal van deze
deelnemers dat voldoet aan de voorwaarden,
bedoeld in artikel
6.1.2 van het besluit, met de factor
1 wordt vermenigvuldigd.
|
|
| 2. |
Bij de
toepassing van het eerste lid worden de
deeltijddeelnemers, bedoeld in artikel
2.1.2. van het besluit, in de
beroepsopleidende leerweg buiten beschouwing
gelaten.
|
Artikel
3.2.3. Vaststelling prijsfactoren/ deeltijdfactoren
gelijkstelling opleidingen
| 1. |
Op grond
van artikel 6.1.1,
derde lid, van het besluit worden de
prijsfactoren, deeltijdfactoren en het niveau van de
beroepsopleidingen op het gebied van de landbouw en
de natuurlijke omgeving, vastgesteld in bijlage 2a
bij deze regeling.
|
| 2. |
Op grond
van artikel 6.1.1,
derde lid, van het besluit worden de
prijsfactoren, deeltijdfactoren en het niveau van de
overige beroepsopleidingen, vastgesteld in bijlage
2b bij deze regeling.
|
Artikel
3.2.4. Voorwaarden herstructureringsplan
Het plan, bedoeld
in artikel 6.1.4, tweede
lid, van het besluit, voldoet aan de volgende
voorwaarden:
| a. |
het beleid
van de instelling ten aanzien van de besteding van
de overgangsgelden is uiteengezet,
|
| b. |
de in het
plan opgenomen maatregelen zijn toereikend om een
structureel lagere bekostiging van de instelling te
kunnen opvangen, en
|
| c. |
het bevat
de perioden waarbinnen elk van de maatregelen wordt
uitgevoerd.
|
Artikel
3.2.5. Risicodeelnemers
| 1. |
Het
bevoegd gezag van een instelling kan de minister
verzoeken goed te keuren dat een deelnemer, in
aanvulling op artikel
2.2.3, eerste lid, onderdeel a, van de definitie van
DDi, van het besluit, op 1 oktober als
deelnemer in de beroepsbegeleidende leerweg van de
opleidingen, bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid onderdelen a en b, van de wet
voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Het
bevoegd gezag toont voor 1 juni van het
daaropvolgende jaar aan dat:
| a. |
met
deze deelnemer een praktijkovereenkomst is
gesloten als bedoeld in artikel
7.2.8 van de wet,
|
| b. |
deze
deelnemer is aangesteld in een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel
4 van de Wet inschakeling werkzoekenden,
of
|
| c. |
deze
deelnemer is aangesteld in een
dienstbetrekking krachtens
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
bij een bedrijf waar de praktijk van het
beroep kan worden geoefend.
|
|
| 2. |
De
minister keurt het verzoek goed indien:
| a. |
het
een deelnemer betreft ten aanzien van wie op
1 augustus van het jaar waarin deze
deelnemer voor de eerste maal wordt
ingeschreven aan de instelling de volledige
leerplicht is geëindigd, maar die de
leeftijd van 18 jaren nog niet heeft
bereikt;
|
| b. |
uit
de onderwijsovereenkomst met de deelnemer
blijkt dat voorbereidende en ondersteunende
activiteiten als bedoeld in artikel
7.2.2, vierde lid, van de wet worden
toegevoegd aan de opleiding of het deel
waarvoor de deelnemer is ingeschreven;
|
| c. |
het
een deelnemer betreft die bij de
inschrijving voor de opleiding of het deel
daarvan niet in het bezit is van:
| 1. |
een
diploma beroepsonderwijs van een
opleiding als bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, van de wet,
|
| 2. |
een
bewijs dat de eerste drie leerjaren
van een school voor hoger algemeen
voortgezet onderwijs of van een
school voor voorbereidend
wetenschappelijk onderwijs met
gunstig gevolg zijn doorlopen.
|
| 3. |
een
diploma middelbaar algemeen
voortgezet onderwijs,
|
| 4. |
een
diploma voorbereidend
beroepsonderwijs of lager
beroepsonderwijs, dan wel een
diploma verkregen op grond van een
eindexamen waarbij één of meer
vakken volgens het A-programma en de
overige vakken volgens het
B-programma zijn geëxamineerd, of
|
| 5. |
een
ander diploma of bewijs dat
overeenkomt met onder 1 tot en met 4
verkregen diploma of bewijs, en
|
|
| d. |
het
bevoegd gezag van de instelling verklaart
dat:
| 1. |
ten
aanzien van de deelnemer uiterlijk
op 31 december van het jaar waarin
deze deelnemer voor de eerste maal
wordt ingeschreven aan de
instelling, door de gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie een
traject zal worden vastgesteld dat
is gericht op inschakeling in het
arbeidsproces als bedoeld in artikel
9, eerste lid, van de Wet
inschakeling werkzoekenden,
of
|
| 2. |
ten
behoeve van de deelnemer uiterlijk
op 31 december van het jaar waarin
deze deelnemer voor de eerste maal
wordt ingeschreven aan de
instelling, een leerplaats
beschikbaar zal worden gesteld waar
de praktijk van het beroep kan
worden geoefend.
|
|
|
| 3. |
Het
verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt door het
bevoegd gezag van de instelling voor 1 november van
het jaar waarin deze deelnemer voor de eerste maal
wordt ingeschreven aan de instelling, ingediend bij
de inspecteur. Daartoe vult het bevoegd gezag het
als bijlage 10 bij deze regeling gevoegde formulier
in. De minister beslist binnen zes weken na
ontvangst van het verzoek.
|
Paragraaf
3. Voorschriften wachtgelden
Artikel
3.3.1. Afwijking besluit
In afwijking van paragraaf
5 van hoofdstuk 2 van het besluit worden de in deze
paragraaf opgenomen voorschriften vastgesteld.
Artikel
3.3.2. Begripsbepalingen
In deze paragraaf
wordt verstaan onder:
| a. |
instelling:
een
instelling als bedoeld in artikel
1.3.1 van de wet, een agrarisch innovatie- en
praktijkcentrum als bedoeld in artikel
1.3.4 van de wet, een instituut als bedoeld
in artikel 12.3.8
van de wet of een hogeschool als bedoeld in artikel
12.3.9 van de wet;
|
| b. |
uitkering:
een
werkloosheidsuitkering als bedoeld in de Hoofdstukken
I en II van
het Besluit Werkloosheid onderwijs- en
onderzoekpersoneel of suppletie inzake
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in Hoofdstuk 3,
van het tijdelijk Besluit ziekte en
arbeidsongeschiktheid onderwijs- en
onderzoekpersoneel, voortvloeiend uit een
dienstbetrekking aan een instelling;
|
| c. |
overeenkomst
inburgering:
een
overeenkomst als bedoeld in artikel
2.3.4 van de wet, die betrekking heeft op de
educatieve programma's bedoeld in artikel
2.3.1, tweede lid, van de wet;
|
| d. |
overeenkomst
educatie:
een
overeenkomst als bedoeld in artikel
2.3.4, eerste lid, van de wet.
|
Artikel
3.3.3. Toevoeging aan de rijksbijdrage
| 1. |
Het
bevoegd gezag van een instelling heeft naast de
aanspraak op grond van artikel
2.2.2 van het besluit, in geval van een
agrarisch opleidingscentrum vermeerderd met de
rijksbijdrage zoals vastgesteld op grond van artikel
2.3.2 van het besluit, artikel 2, tweede lid,
artikel 5, tweede lid, of op grond van artikel
2 van het Besluit bekostiging agrarische innovatie-
en praktijkcentra 1997, per kalenderjaar
aanspraak op een vergoeding voor uitkeringen.
|
| 2. |
De
vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor het
jaar 2001 en verder, het bedrag berekend volgens de
volgende formule:
|
(PI
+ InbI + EduI)
|
x
W
|
|
(PL
+ InbL + EduL)
|
In deze
formule en voor zover van toepassing de formule,
bedoeld in artikel 3.3.4, wordt verstaan onder:
| PI: |
de
rijksbijdrage voor de exploitatiekosten,
zoals omschreven in het eerste lid, van de
desbetreffende instelling voor het
kalenderjaar voorafgaande aan het
desbetreffende kalenderjaar;
|
| InbI: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of de overeenkomsten
inburgering van de desbetreffende instelling
in het kalenderjaar voorafgaand aan het
desbetreffende kalenderjaar is gemoeid,
blijkend uit de jaarrekening van de
instelling;
|
| EduI: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of overeenkomsten educatie van
de desbetreffende instelling in het
kalenderjaar voorafgaand aan het
desbetreffende kalenderjaar is gemoeid,
blijkend uit de jaarrekening van de
instelling;
|
| PL: |
de
rijksbijdrage voor de exploitatiekosten,
zoals omschreven in het eerste lid, van de
instellingen voor het kalenderjaar
voorafgaande aan het desbetreffende
kalenderjaar;
|
| InbL: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomsten inburgering van de
instellingen in het kalenderjaar voorafgaand
aan het desbetreffende kalenderjaar is
gemoeid, blijkend uit de jaarrekeningen van
de instellingen;
|
| EduL: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomsten educatie van de instellingen
in het kalenderjaar voorafgaand aan het
desbetreffende kalenderjaar is gemoeid,
blijkend uit de jaarrekeningen van de
instellingen;
|
| W: |
het
in artikel 20.01 van de begroting van de
uitgaven van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen en in de artikelen
16.07 en 16.08 van de begroting van het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij van het desbetreffende
kalenderjaar, opgenomen wachtgeldbudget voor
de instellingen.
|
|
| 3. |
De
vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor het
jaar 2000, het bedrag berekend volgens de formule,
bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat in
afwijking van het tweede lid in die formule wordt
verstaan onder:
| PI: |
de
rijksbijdrage, berekend met inachtneming van
artikel 2, artikel 7, derde lid, en artikel
8, van de Overgangsregeling bekostiging
beroepsonderwijs WEB tot 2000, en de
rijksbijdrage, berekend met inachtneming van
de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, en 6 van
de Overgangsregeling bekostiging opleidingen
tot vepleegkundige en verzorgende beroepen
WEB tot 2000, voor de desbetreffende
instelling voor het jaar 1999,
|
| PL: |
de
rijksbijdrage, berekend met inachtneming van
artikel 2, artikel 7, derde lid, en artikel
8, van de Overgangsregeling bekostiging
beroepsonderwijs WEB tot 2000, en de
rijksbijdrage, berekend met inachtneming van
de artikelen 3, 4, 5, eerste lid, en 6 van
de Overgangsregeling bekostiging opleidingen
tot verpleegkundige en verzorgende beroepen
WEB tot 2000, van de instellingen voor het
jaar 1999,
|
| Inbl: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of overeenkomsten inburgering
van de desbetreffende instelling is gemoeid
in het jaar 1999,
|
| Edul: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of overeenkomsten educatie van
de desbetreffende instelling is gemoeid in
het jaar 1999,
|
| InbL: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of overeenkomsten inburgering
van de instellingen is gemoeid in het jaar
1999, en
|
| EduL: |
de
hoogte van het bedrag dat met de
overeenkomst of overeenkomsten educatie van
de instellingen is gemoeid in het jaar 1999.
|
|
| 4. |
De
uitkomsten van de in het tweede en derde lid
bedoelde berekeningen wordt rekenkundig afgerond op
twee cijfers achter de komma.
|
| 5. |
De
minister kan voor zover het betreft educatie en
inburgering, in afwachting van de indiening van de
jaarrekeningen door de instellingen, een voorlopig
bedrag toevoegen aan de rijksbijdrage.
|
Artikel
3.3.4. Vermindering van de rijksbijdrage
| 1. |
De
minister brengt op de rijksbijdrage van een
instelling voor een kalenderjaar een bedrag in
mindering volgens de volgende formule:
|
(PI
+ InbI + EduI)
|
x
(A + B + C + D)
|
|
(PL
+ InbL + EduL)
|
In deze
formule wordt verstaan onder:
| A: |
de
kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar voor gewezen
personeel van de instellingen voortvloeiend
uit een ontslag dat is geëffectueerd voor 1
augustus 1995;
|
| B: |
de
kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar voor gewezen
personeel van de instellingen voortvloeiend
uit een ontslag dat is geëffectueerd in de
periode tussen 31 juli 1995 en 1 augustus
1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld
in artikel
4.4.2 van de wet, zoals luidend op 31
juli 1998, heeft ingestemd op grond van artikel
2.5.8, derde lid, van de wet, zoals
luidend op 31 juli 1998, met het ten laste
van bedoelde rechtspersoon brengen van de
kosten van deze uitkeringen;
|
| C: |
40%
van de kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar voor gewezen
personeel van de instellingen voortvloeiend
uit een ontslag dat is geëffectueerd op of
na 1 augustus 1998;
|
| D: |
100%
van de kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar voor gewezen
personeel van een instelling die de taken beëindigt,
anders dan op grond van een samenvoeging als
bedoeld in artikel
2.1.3, tweede lid onderdeel b, van de wet
of een bestuursoverdracht dan wel een
splitsing als bedoeld in artikel
9.1.3 van de wet, indien het bevoegd
gezag van deze instelling niet tevens een
andere instelling onder zijn bestuur heeft.
|
|
| 2. |
Vervolgens
worden door de minister op de rijksbijdrage van een
instelling voor een kalenderjaar in mindering
gebracht:
| a. |
de
kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar voor gewezen
personeel van de instelling voortvloeiend
uit een ontslag dat is geëffectueerd in de
periode tussen 1 augustus 1995 en 31 juli
1998 en waarvoor de rechtspersoon, bedoeld
in artikel
4.4.2 van de wet, zoals luidend op 31
juli 1998, niet heeft ingestemd op grond van
artikel
2.5.8, derde lid, van de wet, zoals
luidend op 31 juli 1998, met het ten laste
van bedoelde rechtspersoon brengen van de
kosten van deze uitkeringen, en
|
| b. |
60%
van de kosten van de uitkeringen in het
desbetreffende kalenderjaar van gewezen
personeel van de instelling voortvloeiend
uit een ontslag dat op of na 1 augustus 1998
is geëffectueerd.
|
|
| 3. |
De
uitkomsten van de in het eerste en tweede lid
bedoelde berekeningen worden rekenkundig afgerond op
twee cijfers achter de komma.
|
Artikel
3.3.5. Voorlopige inhouding; definitieve vaststelling
| 1. |
De
minister gaat gedurende het kalenderjaar waarop de
verminderingen, bedoeld in artikel 3.3.4, eerste
lid, betrekking hebben, over tot een voorlopige
inhouding op de rijksbijdrage.
|
| 2. |
De
definitieve vaststelling van de verminderingen,
bedoeld in het eerste lid, vindt plaats in maart of
zoveel eerder als mogelijk is, volgend op het in het
eerste lid bedoelde kalenderjaar.
|
Paragraaf
4. Voorkoming sociale problematiek instellingen als gevolg van
invoering educatie
Artikel
3.4.1. Aanvullende vergoeding instelling in verband met
wijziging rijksbijdrage gemeente
| 1. |
De
minister verhoogt de rijksbijdrage voor het
beroepsonderwijs van een instelling voor het
kalenderjaar 2000, zoals berekend op grond van de artikelen
2.2.2 en 2.4.1
van het besluit, indien E.2000 lager is dan
E.1999, volgens de volgende formule: (E.1999 -
E.2000) x 20% x 2,38376. In de eerste volzin wordt
verstaan onder: E.1999: het totaal van de bedragen
die door gemeenten op grond van een overeenkomst als
bedoeld in artikel
2.3.4 van de wet, aan de desbetreffende
instelling zijn toegekend en beschikbaar gesteld
voor het kalenderjaar 1999, gecorrigeerd naar het
prijspeil dat ten grondslag ligt aan Bekendmaking
rijksbijdrage educatie 2000 (Uitleg OCenW-Regelingen
1999, nr.23); E.2000: het totaal van de door de
minister berekende bedragen die de bij E.1999
bedoelde gemeenten, op grond van het verschil tussen
de nieuwe berekening en de oude berekening, zoals
die voor de desbetreffende gemeenten zijn
vastgesteld op grond van artikel
6.2.1 van het besluit, bij ongewijzigd beleid
van de betreffende gemeente aan de desbetreffende
instelling voor het kalenderjaar 2000 zouden
toekennen.
|
| 2. |
In geval
voor 1 januari 2000 samenvoeging van instellingen
als bedoeld in artikel
2.1.3, tweede lid onderdeel b, van de wet,
plaatsvindt, worden de bedragen zoals omschreven in
E.1999, bedoeld in het eerste lid, van instellingen
die bij de samenvoeging betrokken zijn, opgeteld. De
op deze wijze verkregen bedragen van E1999 worden
gebruikt voor de berekening van E.2000 van de nieuwe
instelling.
|
| 3. |
In geval
voor 1 januari 2000 afspraken tussen instellingen
inzake een splitsing als bedoeld in artikel
9.1.3, derde lid, van de wet, worden gemaakt
over opleidingen educatie, verstrekken de betrokken
bevoegde gezagorganen tezamen een opgave van E.1999
van elk bij de splitsing betrokken instelling
afzonderlijk.
|
Paragraaf
5. Ambtshalve vaststelling
Artikel
3.5.1. Ambtshalve vaststelling
| 1. |
Indien de
minister van een instelling het formulier
Bekostigingstelling beroepsonderwijs van bijlage
4 behorende bij het besluit niet uiterlijk 1
juli van het jaar voorafgaand aan het
bekostigingsjaar voorzien van een goedkeurende
accountantsverklaring heeft ontvangen, stelt de
minister de hoogte van de rijksbijdrage voor deze
instelling voor het desbetreffende kalenderjaar
ambtshalve vast, op de wijze bedoeld in het tweede
tot en met het vijfde lid.
|
| 2. |
Bij de
toepassing van artikel
2.2.2 van het besluit wordt voor een
instelling, bedoeld in het eerste lid, bij de
berekening van de rijksbijdrage voor
exploitatiekosten voor het beroepsonderwijs:
| a. |
in
afwijking van artikel
2.2.3, eerste lid, van het besluit,
de uitkomst van het gedeelte van de formule
boven de streep vastgesteld op 90% van de
uitkomst van dat deel van de formule van het
voorgaande kalenderjaar;
|
| b. |
in
afwijking van artikel
2.2.4 van het besluit, de uitkomst
van het gedeelte van de formule boven de
streep vastgesteld op 90% van de uitkomst
van dat deel van de formule van het
voorgaande kalenderjaar;
|
| c. |
in
afwijking van artikel 3.2.2 het aantal
deelnemers bedoeld in de onderdelen a, b en
c van deze bepaling vastgesteld op 90% van
het aantal deelnemers dat is gehanteerd bij
de berekening van de rijksbijdrage van het
voorgaande kalenderjaar.
|
|
| 3. |
Indien
toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, wordt
in artikel 2.2.4
van het besluit in de begripsbepalingen LD1,
LD2 en LD3 tevens gelezen: alsmede de op grond van
artikel 3.5.1, tweede lid onderdeel b, van de
Uitvoeringsregeling WEB vastgestelde aantallen
diploma's.
|
| 4. |
De
instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen
uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan
het bekostigingsjaar het in het eerste lid bedoelde
formulier, voorzien van een goedkeurende
accountantsverklaring, in bij de minister.
|
| 5. |
Indien uit
het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat
toepassing van artikel
2.2.3 respectievelijk artikel
2.2.4 van het besluit en artikel 3.2.2 van de
regeling leidt tot een lagere waarde dan vastgesteld
op grond van het tweede lid onderdelen a, b
respectievelijk c wordt de vergoeding van de
instelling berekend op grond van die lagere waarde.
|
| 6. |
Indien uit
het formulier, bedoeld in het vierde lid, blijkt dat
toepassing van artikel
2.2.3 respectievelijk artikel
2.2.4 van het besluit en artikel 3.2.2 van de
regeling leidt tot een gelijke of hogere waarde dan
vastgesteld op grond van het tweede lid, onderdelen
a, b respectievelijk c, wordt de vergoeding van de
instelling berekend op grond van het tweede lid.
|
Hoofdstuk 4.
Voorschriften bekostiging educatie
Paragraaf
1. Voorschriften educatie
Artikel
4.1.1. Samenwerkende gemeenten
| 1. |
De
gemeente kan de rijksbijdrage tezamen met een of
meer andere gemeenten besteden.
|
| 2. |
In geval
van samenwerking als bedoeld in het eerste lid,
wijzen de samenwerkende gemeenten een gemeente of
een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel
8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen
aan die namens die gemeenten de rijksbijdrage
ontvangt, verantwoordt en waarbij met inachtneming
van het bepaalde bij of krachtens de wet eventuele
opschorting of terugvordering van de rijksbijdrage
als bedoeld in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2,
plaatsvindt.
|
| 3. |
In geval
van samenwerking als bedoeld in het eerste lid,
ontvangt de minister voor 1 december van het jaar
voorafgaand aan het jaar waarvoor de middelen aan de
gemeente worden verstrekt daarvan een mededeling.
|
| 4. |
Indien
gemeenten de uitkering tezamen met een of meer
andere gemeenten besteden, wordt de informatie,
bedoeld in artikel
2.3.6 van de wet, namens die gemeenten
gezamenlijk ingediend door de in het tweede lid
aangewezen gemeente of publiekrechtelijke
rechtspersoon.
|
Artikel
4.1.2. Voorwaarde toekennen rijksbijdrage aan gemeente
De rijksbijdrage
per gemeente wordt aan de gemeente toegekend onder de
voorwaarde dat gedurende de periode van 1 januari tot 31
december van het jaar waarvoor de middelen worden toegekend,
één of meer overeenkomsten als bedoeld in artikel
2.3.4, eerste lid, van de wet van kracht zijn, op
grond waarvan die gemeente zich verplicht tot toekenning en
beschikbaarstelling van het totale bedrag van de
rijksbijdrage voor deze periode ten behoeve van activiteiten
gedurende de looptijd van de overeenkomst of overeenkomsten.
Artikel
4.1.3. Vermindering door de gemeente van de bedragen
educatie aan instellingen
| 1. |
Indien een
gemeente besluit tot een vermindering van het bedrag
van de verplichting ten opzichte van een bepaalde
instelling, gedurende of na afloop van het
kalenderjaar waarvoor de desbetreffende
rijksbijdrage is toegekend, is die vermindering niet
eerder van kracht dan nadat:
| a. |
tussen
het gemeentebestuur en het bevoegd gezag van
de instelling een redelijke termijn voor de
vermindering is overeengekomen, of,
|
| b. |
de
schade is vergoed die de instelling lijdt
doordat zij in vertrouwen op het voortduren
van de overeenkomst anders heeft gehandeld
dan zij bij vermindering met toepassing van
een redelijke termijn zou hebben gedaan.
|
|
| 2. |
Het eerste
lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen
in de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
|
| 3. |
Het eerste
lid is niet van toepassing indien de vermindering
het gevolg is van een vermindering van de
rijksbijdrage voor de desbetreffende gemeente voor
de desbetreffende periode.
|
Artikel
4.1.4. Verantwoording gemeenten over inzet educatiemiddelen
| 1. |
Voor 1
juli van het jaar volgend op het jaar waarvoor de
middelen aan de gemeente worden verstrekt, dient de
gemeente bij de minister een verantwoording in
waaruit blijkt dat de rijksbijdrage, bedoeld in artikel
2.3.1, eerste lid, van de wet, door de
gemeente in het betreffende jaar rechtmatig is
besteed dan wel verplicht. Indien de activiteiten
als bedoeld in artikel 4.1.2, vierde lid, waarvoor
de gemeente zich heeft verplicht, niet of niet
volledig door de instellingen zijn geleverd en de
gemeente uit dien hoofde in enig jaar aanspraken
heeft jegens de instelling, besteedt de gemeente de
middelen die voortvloeien uit deze aanspraken,
uiterlijk in het jaar volgend op het jaar waarin die
middelen zijn terugontvangen, en verantwoordt de
gemeente die middelen in het jaar volgend op het
jaar waarin de middelen zijn besteed.
|
| 2. |
De
verantwoording gaat vergezeld van een verklaring
omtrent de getrouwheid afgegeven door een door de
gemeente aangewezen accountant, bedoeld in artikel
393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek. Bij de aanwijzing van de accountant
bedingt het bevoegd gezag dat aan de minister op
diens verzoek inzicht wordt geboden in de
controlerapporten van de accountant.
|
| 3. |
Ten
behoeve van de verklaring van de accountant wordt
door de minister een controleprotocol opgesteld.
|
| 4. |
De
minister kan tot uiterlijk 1 juli van het jaar
waarvoor de middelen aan de gemeente worden
verstrekt, nadere regels stellen ten aanzien van de
rekening en verantwoording.
|
Paragraaf
2. Opschorting en terugvordering rijksbijdrage educatie
Artikel
4.2.1. Opschorting rijksbijdrage educatie
| 1. |
Indien de
gemeente de gegevens bedoeld in artikel
2.3.6 van de wet, of artikel 4.1.4, binnen de
op grond van die artikelen vastgestelde termijnen
niet of niet volledig heeft verstrekt, kan de
minister bepalen dat de rijksbijdrage, bedoeld in artikel
2.3.1, eerste lid, van de wet, voorschotten
daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt
opgeschort.
|
| 2. |
Artikel
11.1, tweede lid, van de wet,
is van overeenkomstige toepassing.
|
Artikel
4.2.2. Terugvordering rijksbijdrage educatie
De rijksbijdrage,
bedoeld in artikel 2.3.1,
eerste lid, van de wet, per gemeente kan binnen een
periode van vijf jaren na de vaststelling door de minister
worden ingetrokken of ten nadele van de gemeente worden
gewijzigd op de volgende gronden:
| a. |
handelen
in strijd met de wettelijke voorschriften dan wel
met de verplichtingen of voorwaarden die op grond
van wettelijke regels zijn verbonden aan de
rijksbijdrage bedoeld in de aanhef;
|
| b. |
handelen
in strijd met het controleprotocol, bedoeld in
artikel 4.1.4, derde lid, of met de doelstelling van
de rijksbijdrage, bedoeld in artikel
1.2.1, eerste lid, van de wet;
|
| c. |
indien de
vaststelling van de rijksbijdrage onjuist was en de
gemeente dit wist of behoorde te weten.
|
Hoofdstuk 5.
Voorschriften bekostiging landelijke organen
Artikel 5.1
. Aanvullende middelen
| 1. |
De minister
kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel
2.4.2 van de wet, ten behoeve van specifieke,
door de minister aan te duiden activiteiten van beperkte
duur en onder door hem te stellen voorwaarden
aanvullende bedragen toevoegen. De minister maakt in
voorkomend geval zijn voornemens hiertoe bij gelegenheid
van de indiening van het voorstel van wet inzake de
rijksbegroting voor het jaar waarop de aanvullende
bedragen betrekking hebben, aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal bekend.
|
| 2. |
De omvang van
de aanvullende bedragen bedraagt ten hoogste 2% van de
rijksbijdrage, berekend op grond van artikel
2.4.2 van de wet. Indien de minister bij
gelegenheid van de indiening van de in het eerste lid
bedoelde begroting aantoont dat voor de in dat lid
bedoelde activiteiten een groter bedrag noodzakelijk is,
kan van het in de eerste volzin bedoelde percentage
worden afgeweken.
|
| 3. |
De minister
beslist binnen negen maanden na ontvangst van een
aanvraag voor een aanvullend bedrag als bedoeld in het
eerste lid. Indien de beschikking niet binnen negen
maanden kan worden afgegeven, stelt de minister de
aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een
termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
|
Artikel 5.3.
Vervangende gegevens landelijke organen voor het jaar 2001
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt, onverminderd
het achtste lid, het aantal normatieve bpv-plaatsen:
| a. |
ten
aanzien van de beroepsbegeleidende leerweg
berekend door het aantal deelnemers dat op 1
oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven in de beroepsbegeleidende leerweg
en waarvoor een overeenkomst als bedoeld in artikel
7.2.8, tweede lid, van de wet is
afgesloten, op te tellen bij het aantal
leerlingen dat op 1 oktober 1998 als
daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan
de opleidingen bbo als bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
|
| b. |
ten
aanzien van de beroepsopleidende leerweg
berekend door het aantal voltijds deelnemers in
de beroepsopleidende leerweg en het aantal
voltijds leerlingen van de opleidingen mbo, als
bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet,
dat op 1 oktober 1998 als daadwerkelijk
schoolgaand stond ingeschreven, vermenigvuldigd
met 35%, op te tellen bij het aantal deeltijds
deelnemers en het aantal leerlingen dat op 1
oktober 1998 als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan de beroepsopleidende leerweg
respectievelijk de opleidingen deeltijds mbo,
vermenigvuldigd met 10%.
|
|
| 2. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel c, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt het aantal
leerbedrijven voor elk landelijk orgaan in de
beroepsbegeleidende leerweg vastgesteld door het op
grond van artikel 5.4 opgegeven aantal erkende
leerbedrijven op 1 oktober 1999 te delen door het totaal
aantal normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het eerste
lid, van dat landelijk orgaan en de uitkomst te
vermenigvuldigen met het aantal normatieve bpv-plaatsen
in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, van dat landelijk orgaan.
|
| 3. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel d, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt het aantal
leerbedrijven voor elk landelijk orgaan in de
beroepsopleidende leerweg vastgesteld door het op grond
van artikel 5.4 opgegeven aantal erkende leerbedrijven
op 1 oktober 1999 te delen door het totaal aantal
normatieve bpv-plaatsen, bedoeld in het eerste lid, van
dat landelijk orgaan, en de uitkomst te vermenigvuldigen
met het aantal normatieve bpv-plaatsen in de
beroepsopleidende leerweg, bedoeld in het eerste lid
onderdeel b, van dat landelijk orgaan.
|
| 4. |
Een landelijk
orgaan kan schriftelijk verzoeken om berekening van het
aantal normatieve bpv-plaatsen als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, aan de hand van:
| a. |
het
aantal praktijkovereenkomsten zoals vermeld op
het formulier bedoeld in het vijfde lid in
plaats van het aantal deelnemers bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a; of
|
| b. |
het
aantal door hem afgesloten leerovereenkomsten,
zoals vermeld op het door de minister
vastgestelde en door de accountant van het
landelijk orgaan gecontroleerde formulier
betreffende de telling leerovereenkomsten en
leerbedrijven 1998/1999 in plaats van het aantal
leerlingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a.
|
|
| 5. |
Een landelijk
orgaan maakt voor het in het vierde lid, onderdeel a,
bedoelde verzoek gebruik van het door de minister bij
brief kenmerk IGP/GGV-2000/195927 M van 12 oktober 2000
voor het desbetreffende landelijk orgaan vastgestelde
formulier en voorziet dit van een verklaring omtrent de
getrouwheid van de gegevens door een accountant als
bedoeld in artikel
393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
|
| 6. |
Een landelijk
orgaan maakt in het, in het vierde lid onder b, bedoelde
verzoek aannemelijk dat de in het eerste lid, onderdeel
a, bedoelde leerlinggegevens niet volledig overeenkomen
met de door het landelijk orgaan verrichte
werkzaamheden.
|
| 7. |
De in het
vierde lid bedoelde verzoeken dienen zo snel mogelijk
doch uiterlijk op 10 november 2000 in het bezit van de
minister te zijn.
|
| 8. |
| a. |
Indien
het verzoek, bedoeld in het vierde lid onder a,
voldoet aan de bij dit artikel gestelde
voorwaarden, berekent de minister het aantal
normatieve bpv-plaatsen aan de hand van het
aantal deelnemers met een praktijkovereenkomst
op 1 oktober 1998, zoals vermeld op het
formulier genoemd in het vijfde lid, in plaats
van het aantal deelnemers als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a.
|
| b. |
Indien
het verzoek, bedoeld in het vierde lid onder b,
voldoet aan de bij dit artikel gestelde
voorwaarden, berekent de minister het aantal
normatieve bpv-plaatsen aan de hand van het
aantal leerlingen met een leerovereenkomst op 31
oktober 1998, 31 december 1998 respectievelijk 1
april 1999, vermenigvuldigd met 25%, 50%
respectievelijk 25% in plaats van het aantal
leerlingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a.
|
|
Artikel
5.3a. Vervangende gegevens landelijke organen voor het
bekostigingsjaar 2002
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt per landelijk
orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien
van de beroepsbegeleidende leerweg berekend door het
aantal normatieve bpv-plaatsen zoals voor dat landelijk
orgaan berekend voor het bekostigingsjaar 2001 en het
aantal deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op
1 oktober 2000 te middelen. Bij deze berekening wordt
onder deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg
verstaan:
| a. |
de
deelnemer die op de bedoelde datum als
daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan
de beroepsbegeleidende leerweg en voor wie een
overeenkomst als bedoeld in artikel
7.2.8, tweede lid, van de wet is
afgesloten en
|
| b. |
de
deelnemer die op de bedoelde datum als
daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan
een opleiding beroepsbegeleidend onderwijs als
bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
|
| 2. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt per landelijk
orgaan het aantal normatieve bpv-plaatsen ten aanzien
van de beroepsopleidende leerweg berekend door bij
elkaar op te tellen:
-
35% van
het gemiddelde van het aantal voltijds deelnemers
aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 1998
en het aantal voltijds deelnemers aan de
beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 2000 en
-
10% van
het gemiddelde van het aantal deeltijds deelnemers
aan de beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 1998
en het aantal deeltijds deelnemers aan de
beroepsopleidende leerweg op 1 oktober 2000.
Bij deze
berekening wordt verstaan onder:
| a. |
voltijds
deelnemer aan de beroepsopleidende leerweg: de
voltijds deelnemer die op de bedoelde datum als
daadwerkelijk schoolgaand stond ingeschreven aan
de beroepsopleidende leerweg dan wel aan een
opleiding middelbaar beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet
en
|
| b. |
deeltijds
deelnemer: de deeltijds deelnemer die op de
bedoelde datum als daadwerkelijk schoolgaand
stond ingeschreven aan de beroepsopleidende
leerweg of aan een opleiding deeltijds
middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
|
| 3. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel c, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor elk landelijk
orgaan het aantal leerbedrijven in de
beroepsbegeleidende leerweg vastgesteld door
achtereenvolgens:
-
het aantal
erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 en het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000 te
middelen;
-
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal
normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste
en het tweede lid, en
-
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal
normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste
lid.
|
| 4. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel d, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor elk landelijk
orgaan het aantal leerbedrijven in de beroepsopleidende
leerweg vastgesteld door achtereenvolgens:
-
het aantal
erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999 en het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000 te
middelen;
-
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het aantal
normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het eerste
en het tweede lid en
-
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het aantal
normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens het tweede
lid.
|
Artikel
5.3b. Vervangende gegevens landelijke organen voor het
bekostigingsjaar 2003
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2003 per landelijk orgaan het aantal
normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de
beroepsbegeleidende leerweg berekend door het aantal
normatieve bpv-plaatsen zoals voor dat landelijk orgaan
berekend voor het bekostigingsjaar 2001 en het aantal
deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1
oktober 1999, op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te
middelen. Bij deze berekening wordt onder deelnemer aan
de beroepsbegeleidende leerweg verstaan:
| a. |
de
deelnemer die op één of meer van de bedoelde
data als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan de beroepsbegeleidende leerweg
en voor wie een overeenkomst als bedoeld in artikel
7.2.8, tweede lid, van de wet is
afgesloten, en
|
| b. |
de
deelnemer die op één of meer van de bedoelde
data als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan een opleiding
beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
|
| 2. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2003 per landelijk orgaan het aantal
normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de
beroepsopleidende leerweg berekend door bij elkaar op te
tellen:
| a. |
35%
van het gemiddelde van het aantal voltijds
deelnemers op 1 oktober 1998, op 1 oktober 1999,
op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001, en
|
| b. |
10%
van het gemiddelde van het aantal deeltijds
deelnemers op 1 oktober 1998, op 1 oktober 1999,
op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001.
|
Bij deze
berekening wordt verstaan onder:
| a. |
voltijds
deelnemer: de voltijds deelnemer die op één of
meer van de bedoelde data als daadwerkelijk
schoolgaand stond ingeschreven aan de
beroepsopleidende leerweg dan wel aan een
opleiding middelbaar beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet
en
|
| b. |
deeltijds
deelnemer: de deeltijds deelnemer die op één
of meer van de bedoelde data als daadwerkelijk
schoolgaand stond ingeschreven aan de
beroepsopleidende leerweg of aan een opleiding
deeltijds middelbaar beroepsonderwijs als
bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
|
| 3. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel c, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2003 voor elk landelijk orgaan het
aantal leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg
vastgesteld door achtereenvolgens:
| a. |
het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999,
op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te
middelen;
|
| b. |
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste en het tweede lid, en
|
| c. |
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste lid.
|
|
| 4. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel d, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2003 voor elk landelijk orgaan het
aantal leerbedrijven in de beroepsopleidende leerweg
vastgesteld door achtereenvolgens:
| a. |
het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 1999,
op 1 oktober 2000 en op 1 oktober 2001 te
middelen;
|
| b. |
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste en het tweede lid en
|
| c. |
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het tweede lid.
|
|
Artikel
5.3c. Vervangende gegevens landelijke organen voor het
bekostigingsjaar 2004
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2004 per landelijk orgaan het aantal
normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de
beroepsbegeleidende leerweg berekend door het aantal
deelnemers aan de beroepsbegeleidende leerweg op 1
oktober 1999, op 1 oktober 2000, op 1 oktober 2001 en op
1 oktober 2002 te middelen. Bij deze berekening wordt
onder deelnemer aan de beroepsbegeleidende leerweg
verstaan:
| a. |
de
deelnemer die op één of meer van de bedoelde
data als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan de beroepsbegeleidende leerweg
en voor wie een overeenkomst als bedoeld in artikel
7.2.8, tweede lid, van de wet is
afgesloten, en
|
| b. |
de
deelnemer die op één of meer van de bedoelde
data als daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan een opleiding
beroepsbegeleidend onderwijs als bedoeld in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
|
| 2. |
In afwijking
van artikel 4.2.5,
tweede lid, van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2004 per landelijk orgaan het aantal
normatieve bpv-plaatsen ten aanzien van de
beroepsopleidende leerweg berekend door bij elkaar op te
tellen:
| a. |
35%
van het gemiddelde van het aantal voltijds
deelnemers op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000,
op
1
oktober 2001 en op 1 oktober 2002, en
|
| b. |
10%
van het gemiddelde van het aantal deeltijds
deelnemers op 1 oktober 1999, op 1 oktober 2000,
op 1 oktober 2001 en op 1 oktober 2002.
Bij
deze berekening wordt verstaan onder:
| a. |
voltijds
deelnemer: de voltijds deelnemer die op
één of meer van de bedoelde data als
daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan de beroepsopleidende
leerweg dan wel aan een opleiding
middelbaar beroepsonderwijs alsbedoeld
in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de
wet en
|
| b. |
deeltijds
deelnemer: de deeltijds deelnemer die op
één of meer van de bedoelde data als
daadwerkelijk schoolgaand stond
ingeschreven aan de beroepsopleidende
leerweg of aan een opleiding deeltijds
middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld
in artikel
12.3.24, eerste lid, onderdeel b, van de
wet.
|
|
|
| 3. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel c, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2004 voor elk landelijk orgaan het
aantal leerbedrijven in de beroepsbegeleidende leerweg
vastgesteld door achtereenvolgens:
| a. |
het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000,
op 1 oktober 2001 en op 1 oktober 2002 te
middelen;
|
| b. |
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste en het tweede lid, en
|
| c. |
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste lid.
|
|
| 4. |
In afwijking
van artikel 4.2.7,
tweede lid, onderdeel d, en artikel
4.2.8 van het besluit wordt voor het
bekostigingsjaar 2004 voor elk landelijk orgaan het
aantal leerbedrijven in de beroepsopleidende leerweg
vastgesteld door achtereenvolgens:
| a. |
het
aantal erkende leerbedrijven op 1 oktober 2000,
op 1 oktober 2001 en op 1 oktober 2002 te
middelen;
|
| b. |
de
uitkomst daarvan te delen door de som van het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het eerste en het tweede lid, en
|
| c. |
de
uitkomst daarvan te vermenigvuldigen met het
aantal normatieve bpv-plaatsen, berekend volgens
het tweede lid.
|
|
Artikel 5.4.
Verstrekking van gegevens ten behoeve van de bekostigingsjaren
2001 en 2002
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.8 van
het besluit en artikel
4, eerste lid, van de Regeling Informatievoorziening BVE
verstrekt het landelijke orgaan voor het
beroepsonderwijs aan de minister een opgave van het
aantal door dat landelijke orgaan erkende leerbedrijven
op de peildata 1 oktober 1999 en 1 oktober 2000.
|
| 2. |
Het landelijk
orgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
over 1999 uiterlijk 5 dagen na publicatie van deze
regeling. Het landelijk orgaan verstrekt de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, over 2000 uiterlijk 23
oktober 2000.
|
| 3. |
De verklaring
omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel
2.5.3, vierde lid, juncto artikel
2.5.10, eerste lid, van de wet, heeft mede
betrekking op het overzicht.
|
Artikel
5.4a. Verstrekking van gegevens ten behoeve van het
bekostigingsjaar 2003
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.8 van
het besluit verstrekt het landelijk orgaan voor
het beroepsonderwijs vóór 15 november 2001 aan de
minister een opgave van het aantal door dat landelijk
orgaan erkende leerbedrijven op de peildatum 1 oktober
2001.
|
| 2. |
De verklaring
omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel
2.5.3, vierde lid, juncto artikel
2.5.10, eerste lid, van de wet heeft mede
betrekking op de opgave, bedoeld in het eerste lid.
|
Artikel
5.4b. Verstrekking van gegevens ten behoeve van het
bekostigingsjaar 2004
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.8 van
het besluit verstrekt het landelijk orgaan vóór
15 december 2002 aan de minister een opgave van het
aantal door dat landelijk orgaan erkende leerbedrijven
op de peildatum 1 oktober 2002.
|
| 2. |
De verklaring
omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel
2.5.3, vierde lid, juncto artikel
2.5.10, eerste lid, van de wet heeft mede
betrekking op de opgave, bedoeld in het eerste lid.
|
Artikel
5.4c. Verstrekking van gegevens ten behoeve van de
bekostigingsjaren 2005
| 1. |
In afwijking
van artikel 4.2.8 van
het besluit verstrekt het landelijk orgaan vóór
15 november 2003 aan de minister een opgave van het
aantal door dat landelijk orgaan erkende leerbedrijven
op de peildatum 1 oktober 2003.
|
| 2. |
De verklaring
omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel
2.5.3, vierde lid, juncto artikel
2.5.10, eerste lid, van de wet heeft mede
betrekking op de opgave, bedoeld in het eerste lid.
|
Hoofdstuk 6.
Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf
1. Budgetcorrectie beroepsonderwijs voor 1999
Artikel
6.1.1. Budgetcorrectie 1999
| 1. |
De
budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld
in artikel 8 van de Overgangsregeling bekostiging
beroepsonderwijs WEB tot 2000 wordt vastgesteld op
4,85%.
|
| 2. |
In
afwijking van artikel 3 van de Overgangsregeling
bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000 past de
minister de budgetcorrectie, bedoeld in het eerste
lid, toe op de rijksbijdrage voor het
beroepsonderwijs van een instelling, waarin niet is
begrepen de toevoeging aan en vermindering van de
rijksbijdrage inzake werkloosheidsuitkeringen en
suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen
personeel, bedoeld in de artikelen 11c en 11d, van
deze Overgangsregeling, zoals luidend op 31 juli
1998.
|
| 3. |
De
budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld
in artikel 7 van de Regeling huisvesting bve-sector,
wordt vastgesteld op 2,48%.
|
| 4. |
De
budgetcorrectie voor het kalenderjaar 1999, bedoeld
in artikel 6 van de Overgangsregeling bekostiging
opleidingen tot verpleegkundige en verzorgende
beroepen WEB tot 2000, wordt voor de in dat artikel
genoemde componenten, vastgesteld op 7,98%.
|
Paragraaf
2. Aanvullende voorschriften landelijke organen
Artikel
6.2.1. Quotum LOB's
| 1. |
De
berekening van het Quotum LOB's, zoals omschreven in
artikel 8d, eerste lid, onderdeel e, van de Regeling
bekostiging landelijke organen voor het
beroepsonderwijs onder de Wet
educatie en beroepsonderwijs (WEB) geschiedt
voor het jaar 1998 en het jaar 1999 op grond van
bijlage 3 behorende bij deze regeling.
|
| 2. |
De
berekening van het Quotum LOB's, zoals omschreven in
artikel 6.3.5,
tweede lid, van het besluit, geschiedt voor
het jaar 2000 en het jaar 2001 op grond van bijlage
9, behorende bij deze regeling.
|
Artikel
6.2.2. Aanvullende vergoeding OVDB
De minister
verleent aan het bestuur van het landelijk orgaan OVDB
Landelijk Orgaan van het Beroepsonderwijs Gezondheidszorg,
Dienstverlening, Welzijn en Sport voor het kalenderjaar 2000
aanspraak op een aanvullende vergoeding ten behoeve van
extra taken als gevolg van de overname van de instituten
voor de opleiding tot verpleegkundige of ziekenverzorgende,
bedoeld in artikel 12.3.1,
negende lid, van de wet, van ƒ 4.962.967,-.
Paragraaf
3. Voorschriften uit de Overgangsregeling bekostiging
beroepsonderwijs WEB tot 2000 die worden gecontinueerd
Artikel
6.3.1. Bijzondere bepalingen in verband met de beëindiging
van de afdelingen havo/mbo en vhbo
| 3. |
De
minister stelt de aanvullende vergoedingen, bedoeld
in het eerste en tweede lid, beschikbaar volgens het
voor de rijksbijdrage geldende kasritme.
|
Artikel
6.3.2
[Vervallen.]
Paragraaf
4. [Vervallen.]
Artikel
6.4.1
[Vervallen.]
Paragraaf
5. Overgangsvoorschriften inzake hardheidsclausule huisvesting
Artikel
6.5.1. Overgangsvoorschriften inzake hardheidsclausule
huisvesting
| 1. |
In
aanvulling op artikel
6.1.3, eerste lid, van het besluit wordt
artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting
bve-sector uitsluitend betrokken bij de berekening
van het bedrag voor de huisvestingskosten voor het
betreffende kalenderjaar, indien:
| a. |
het
bevoegd gezag voor 15 februari van het
betreffende jaar een aanvraag indient bij de
minister voor een aanvullende vergoeding;
|
| b. |
het
verzoek wordt ingediend door het bevoegd
gezag van een instelling ten aanzien waarvan
in 1997 een aanvraag is gehonoreerd op grond
van artikel 7 van de Regeling bekostiging
huisvesting bve-sector, zoals luidend op 19
december 1997 dan wel afgewezen op grond van
artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van die
regeling;
|
| c. |
het
een aanvraag betreft in verband met de
huurpenningen voor een schoolgebouw die door
het bevoegd gezag verschuldigd zijn op grond
van een huurovereenkomst die door het
bevoegd gezag, dan wel diens
rechtsvoorganger, voor 1 januari 1997 is
gesloten:
| a. |
zonder
uitdrukkelijke instemming van de
minister, blijkend uit een
beschikking, of
|
| b. |
voor
een langere duur dan wel onder
andere voorwaarden dan waarvoor door
de minister instemming, blijkend uit
een beschikking, is verleend.
|
|
|
| 2. |
Een
aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt
slechts gehonoreerd indien het bevoegd gezag naar
het oordeel van de minister aannemelijk heeft
gemaakt dat:
| a. |
dit
bevoegd gezag, dan wel diens
rechtsvoorganger, gelet op de eigen taak,
positie en verantwoordelijkheid in
redelijkheid geen verwijt te maken valt over
de ontstane situatie,
|
| b. |
dit
bevoegd gezag al het mogelijke in het werk
stelt om de betreffende huurovereenkomst
binnen afzienbare tijd geheel of
gedeeltelijk te ontbinden, dan wel op te
zeggen, dan wel de gevolgen van de
overeenkomst te wijzigen, en
|
| c. |
de
onder zijn beheer staande instelling, zonder
een aanvullende vergoeding, bedoeld in het
eerste lid, in zodanige financiële
omstandigheden komt te verkeren dat het
voortbestaan van de instelling in het geding
komt.
|
|
| 3. |
Bij de
aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het
bevoegd gezag tevens aan op welk schoolgebouw,
respectievelijk welke schoolgebouwen, de door hem,
dan wel diens rechtsvoorganger, gesloten
huurovereenkomst betrekking heeft, alsmede het
aantal vierkante meters brutovloeroppervlak en de
verschuldigde huursom per jaar van dat gebouw. Het
bevoegd gezag legt aan de minister een gewaarmerkt
afschrift over van de desbetreffende
huurovereenkomst.
|
| 4. |
De
minister berekent de aanvullende vergoeding volgens
de formule:
Vt = O x (Ht
- Nt)
In deze
formule wordt verstaan onder:
| Vt: |
aanvullende
vergoeding van het betreffende kalenderjaar;
|
| O: |
vierkante
meters brutovloeroppervlak van het gebouw
waarvoor de aanvullende vergoeding wordt
aangevraagd;
|
| Ht: |
huurbedrag
per vierkante meter brutovloeroppervlak van
het betreffende gebouw;
|
| Nt: |
normbedrag
huurvergoeding per vierkante meter
brutovloeroppervlak in het betreffende
kalenderjaar, vastgesteld volgens de
formule:
|
|
|
In deze
formule wordt verstaan onder:
| Lt: |
landelijk
beschikbare budget voor de
huisvestingskosten beroepsonderwijs in het
betreffende kalenderjaar;
|
| L1999: |
landelijk
beschikbare budget voor de
huisvestingskosten beroepsonderwijs in 1999;
|
| N1999: |
normbedrag
huurvergoeding per vierkante meter
brutovloeroppervlak in 1999, zijnde €
52,90.
|
|
| 5. |
Indien de
uitkomst van het onderdeel (Ht - Nt) van de formule,
bedoeld in het vierde lid, negatief is, wordt het
verzoek om een aanvullende vergoeding afgewezen.
|
Paragraaf
6. Slotbepalingen
Artikel
6.6.1. Intrekking andere regelingen
De navolgende
regelingen worden met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken:
| a. |
de
Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB
tot 2000, met uitzondering van artikel 14g, vierde
lid, dat vervalt op 1 september 2000 en artikel 14g,
negende lid, dat vervalt op 1 april 2000;
|
| b. |
de
Overgangsregeling bekostiging opleidingen tot
verpleegkundige en verzorgende beroepen WEB tot
2000;
|
| c. |
de
Regeling bekostiging huisvesting BVE-sector;
|
| d. |
de
Regeling bekostiging landelijke organen voor het
beroepsonderwijs onder de WEB;
|
| e. |
de
Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie;
|
| f. |
de
Regeling bekostiging agrarische opleidingscentra tot
2000;
|
| g. |
de
Regeling bekostiging LOBAS.
|
Artikel
6.6.2. Inwerkingtreding; expiratie
| 1. |
Deze
regeling treedt, met uitzondering van de artikelen
6.3.1, 6.3.2 en 6.4.1, in werking met ingang van de
derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg
OCenW-Regelingen, waarin deze is geplaatst en werkt
terug tot en met 27 oktober 1999. De regeling wordt
voor het eerst toegepast ten aanzien van het jaar
2000.
|
| 2. |
De
artikelen 6.3.1, 6.3.2 en 6.4.1 treden in werking
met ingang van 1 januari 2000.
|
| 3. |
Artikel
6.3.1, eerste lid, vervalt met ingang van 1 januari
2002, het tweede lid vervalt met ingang van 1
januari 2001. Artikel 6.3.2, met uitzondering van
het eerste lid, en artikel 6.4.1 vervallen met
ingang van 15 september 2002. Artikel 6.3.2, eerste
lid, vervalt met ingang van 1 januari 2002.
|
Artikel
6.6.3. Bekendmaking
Deze regeling zal
met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden
geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1, 2a en 2b, die
ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van deze plaatsing
en ter inzage legging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
Artikel
6.6.4. Citeertitel
Deze regeling
wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling WEB.
De Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
drs. L.M.L.H.A. Hermans.
Bijlage 1 [Ligt
ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen]
Bijlage 2a [Ligt
ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen]
Bijlage 2b [Ligt
ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen]
Bijlage 3
(N.B. De bijlagen 1, 2a en
2b liggen ter inzage bij de bibliotheek van het Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)
Verdeling
wachtgeldkosten naar rato daling
Maximale
instroom t.l.v. het collectief
|
Landelijk Orgaan
Ber.ond.
|
Absolute daling
WCBO-WEB
|
Absolute daling
WCBO-WEB
|
Totale max.
instroom t.l.v. 't collectief 1998-2001
|
Verdeling
wachtgeldquotum
|
Verdeling Quotum
1998 en 1999
|
|
Kolom 1
|
Gegevens 1997
kolom 2
|
Gegevens 1998
kolom 3
|
Gegevens 97/'98
kolom 4
|
Gegevens 98/'99
kolom 5
|
1998 kolom 6
|
1999 kolom 7
|
Kolom 8
|
|
SOM
|
ƒ 2.928.618
|
ƒ 3.369.326
|
ƒ 965.379
|
ƒ 1.002.548
|
ƒ 241.345
|
ƒ 250.637
|
ƒ 491.982
|
|
SVB
|
ƒ 1.433.953
|
ƒ 1.740.627
|
ƒ 472.683
|
ƒ 517.926
|
ƒ 118.171
|
ƒ 129.482
|
ƒ 247.653
|
|
SVS
|
ƒ 556.240
|
ƒ 623.646
|
ƒ 183.357
|
ƒ 185.567
|
ƒ 45.839
|
ƒ 46.392
|
ƒ 92.231
|
|
INNOVAM
|
ƒ 3.325.746
|
ƒ 3.866.750
|
ƒ 1.096.286
|
ƒ 1.150.557
|
ƒ 274.072
|
ƒ 287.639
|
ƒ 561711
|
|
VEV
|
ƒ 1.250.342
|
ƒ 1.163.720
|
ƒ 412.158
|
ƒ 346.267
|
ƒ 103.040
|
ƒ 86.567
|
ƒ 189.607
|
|
VAPRO
|
ƒ 724.896
|
ƒ 832.400
|
ƒ 238.952
|
ƒ 247.682
|
ƒ 59.738
|
ƒ 61.920
|
ƒ 121.658
|
|
SBW
|
ƒ 474.964
|
ƒ 359.567
|
ƒ 156.565
|
ƒ 106.990
|
ƒ 39.141
|
ƒ 26.747
|
ƒ 65.888
|
|
VOCAR
|
ƒ 1.095.261
|
ƒ 1.447.732
|
ƒ 361.038
|
ƒ 430.775
|
ƒ 90.259
|
ƒ 107.694
|
ƒ 197.953
|
|
SH&M
|
ƒ 592.924
|
ƒ 631.237
|
ƒ 195.449
|
ƒ 187.825
|
ƒ 48.862
|
ƒ 49.956
|
ƒ 95.818
|
|
SOBB
|
ƒ 1.034.949
|
ƒ 1.142.549
|
ƒ 341.157
|
ƒ 339.967
|
ƒ 85.289
|
ƒ 84.992
|
ƒ 170.281
|
|
KOC
|
ƒ 618.982
|
ƒ 510.132
|
ƒ 204.039
|
ƒ 151.791
|
ƒ 51.010
|
ƒ 37.948
|
ƒ 88.958
|
|
SVO
|
ƒ 1.006.598
|
ƒ 1.190.764
|
ƒ 331.811
|
ƒ 354.314
|
ƒ 82.953
|
ƒ 88.578
|
ƒ 171.531
|
|
INTECHNUM
|
ƒ 3.158.409
|
ƒ 3.286.132
|
ƒ 1.041.126
|
ƒ 977.793
|
ƒ 260.282
|
ƒ 244.448
|
ƒ 504.730
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
ƒ 18.201.882
|
ƒ 20.164.582
|
ƒ 6.000.000
|
ƒ 6.000.000
|
ƒ 1.500.000
|
ƒ 1.500.000
|
ƒ 3.000.000
|
Bijlage 4. Model voor
strategisch beleidsplan internationaliseringsactiviteiten
Instellingen
1. Gegevens van de
instelling
De instelling dient de
volgende gegevens te vermelden:
2. Strategisch
beleidsplan
Het strategisch
beleidsplan internationalisering moet inzicht geven in de
internationale activiteiten die de instelling voornemens is te
realiseren en de resultaten die daarmee worden beoogd.
Doelstellingen
Het bevoegd gezag zal
allereerst moeten aangeven welke doelstellingen voor het
internationaliseringsbeleid van de instelling in de periode 1998
tot 2002 van toepassing zullen zijn. Het heeft daarbij de keuze
uit één of meer van de in artikel 14g, zesde en zevende lid
gedefinieerde doelstellingen.
ad
zesde lid 'Mobiliteit'
- a.
- Uitwisseling van
deelnemers
- b.
- Curriculumvergelijking
- c.
- Managementbezoek
- d.
- Docententraining
ad
zevende lid 'Internationale samenwerkingsprojecten gericht op
innovatie'
- a.
- Samenwerkingsproject
innovatie beroepsonderwijs
- b.
- Voorbereiding
van een samenwerkingsproject
Uitwerking per
doelstelling
Per gekozen doelstelling
dient vervolgens te worden aangegeven:
- a.
- Is dit onderdeel
van het plan meerjarig, d.w.z. voor de gehele periode, of
eenjarig, d.w.z. voor het komende schooljaar.
- b.
- Omschrijving van
het te realiseren resultaat in zo concreet mogelijke
bewoordingen.
- c.
- De buurlanden
waarop de activiteiten gericht zijn.
- d.
- Een korte
omschrijving van de uitvoering van de activiteiten
- e.
- De tijdsplanning
- f.
- De partners in
Nederland waarmee wordt samengewerkt
- g.
- De partners in
het buurland/buurlanden waarmee wordt samengewerkt
- h.
- De begroting
- i.
- Het deel van de
bijdrage op grond van art. 14g eerste lid van deze regeling
dat wordt ingezet voor deze doelstelling
- j.
- De bijdragen uit
andere middelen van de instelling
- k.
- De bijdragen van
derden
- l.
- De relatie van
de activiteiten met een project van een EU-programma (Leonardo)
voor zover aanwezig. Hierbij moet worden aangetoond dat de
activiteiten complementair zijn aan het EU-programma en er
geen sprake is van overlapping.
Bijlage 5. Model voor de
inhoudelijke verantwoording van internationaliseringsactiviteiten in
het kader van de regeling
Per in het strategisch
beleidsplan internationalisering opgenomen doelstelling wordt in de
inhoudelijke verantwoording op de volgende onderwerpen ingegaan.
Deel I. Behaalde
resultaten
- 1a.
- Kwalitatieve
doelen
- 1b.
- Kwantitatieve
doelen (prestaties)
- 1c.
- Producten of
instrumenten
- 1d.
- Overige
resultaten.
Deel II. Kwalitatieve
analyse
2a. Verklaring behaalde
resultaten
|
Resultaten
|
Uitgevoerde
activiteiten
|
| |
|
|
-
|
|
|
-
|
|
|
-
|
|
2b. Verklaring
achterblijvende resultaten
Doelstellingen die niet
behaald zijn:
Oorzaken:
Beleidsconsequenties:
2c. Welke activiteiten
waren succesvol en welke minder succesvol. Per categorie maximaal
drie activiteiten noemen.
|
succesvolle
activiteiten
|
minder
succesvolle activiteiten
|
| |
|
|
1.
|
|
|
2.
|
|
|
3.
|
|
Bijlage 6. Model voor
strategisch beleidsplan internationaliseringsactiviteiten Landelijke
Organen
1. Gegevens van het
Landelijk Orgaan
Het landelijk orgaan dient
de volgende gegevens te vermelden:
2. Strategisch
beleidsplan
Het strategisch
beleidsplan internationalisering moet inzicht geven in de
internationale activiteiten die het landelijk orgaan voornemens is
te realiseren en de resultaten die daarmee worden beoogd.
Doelstellingen
Het bevoegd gezag zal
allereerst moeten aangeven welke doelstellingen voor het
internationaliseringsbeleid van het landelijk orgaan in de periode
1998 tot 2002 van toepassing zullen zijn. Het heeft daarbij de keuze
uit één of meer van de in artikel 9b, zesde en zevende lid
gedefinieerde doelstellingen.
ad
zesde lid 'Internationale samenwerkingsprojecten Mobiliteit'
- a.
- Samenwerkingsproject
transparantie kwalificatiestructuur
- b.
- Samenwerkingsproject
erkennen van praktijkplaatsen
- c.
- Voorbereiding van
een samenwerkingsproject mobiliteit
ad
zevende lid 'Internationaal samenwerkingsproject, gericht op
innovatie'
- a.
- Samenwerkingsproject
innovatie beroepsonderwijs
- b.
- Voorbereiding van
een samenwerkingsproject
Uitwerking per
doelstelling
Per gekozen doelstelling
dient vervolgens te worden aangegeven:
- a.
- Is dit onderdeel
van het plan meerjarig, d.w.z. voor de gehele periode, of
eenjarig, d.w.z. voor het komenb.de schooljaar.
- b.
- Omschrijving van
het te realiseren resultaat in zo concreet mogelijke
bewoordingen.
- c.
- De buurlanden
waarop de activiteiten gericht zijn.
- d.
- Een korte
omschrijving van de uitvoering van de activiteiten
- e.
- De tijdplanning
- f.
- De partners in
Nederland waarmee wordt samengewerkt
- g.
- De partners in het
buurland/buurlanden waarmee wordt samengewerkt
- h.
- De begroting
- i.
- Het deel van de
bijdrage op grond van art. 9b eerste lid van deze regeling dat
wordt ingezet voor deze doelstelling
- j.
- De bijdragen uit
andere middelen van het landelijk orgaan
- k.
- De bijdragen van
derden
- l.
- De relatie van de
activiteiten met een project van een EU-programma (Leonardo)
voorzover aanwezig. Hierbij moet worden aangetoond dat de
activiteiten complementair zijn aan het EU-programma en er geen
sprake is van overlapping.
Bijlage 7. Model voor de
inhoudelijke verantwoording van internationaliseringsactiviteiten in
het kader van de regeling
Per in het strategisch
beleidsplan internationalisering opgenomen doelstelling wordt in de
inhoudelijke verantwoording op de volgende onderwerpen ingegaan.
Deel I. Behaalde
resultaten
- 1a.
- Kwalitatieve
doelen
- 1b.
- Kwantitatieve
doelen (prestaties)
- 1c.
- Producten of
instrumenten
- 1d.
- Overige
resultaten.
Deel II. Kwalitatieve
analyse
2a. Verklaring behaalde
resultaten
|
Resultaten
|
Uitgevoerde
activiteiten
|
| |
|
|
-
|
|
|
-
|
|
|
-
|
|
2b. Verklaring
achterblijvende resultaten
Doelstellingen die niet
behaald zijn:
Oorzaken:
Beleidsconsequenties:
2c. Welke activiteiten
waren succesvol en welke minder succesvol. Per categorie maximaal
drie activiteiten noemen.
|
succesvolle
activiteiten
|
minder
succesvolle activiteiten
|
| |
|
|
1.
|
|
|
2.
|
|
|
3.
|
|
Bijlage 8 [Ligt
ter inzage bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen]
Bijlage 9
|
Lob
|
Absolute daling
100% wcbo
|
Totale max
instroom
|
|
Bedrag voor:
|
|
Wachtgelden
t.l.v. het
|
|
Restant
quotum
|
Cumulatief
1998+1999
|
|
|
t.o.v.
|
t.l.v.
|
|
|
|
quotum
|
|
|
|
|
|
100% web
|
collectief
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1998-2001
|
|
|
|
|
|
|
|
|
kolom 1
|
kolom 2
|
kolom 3
|
kolom 4
|
kolom 7
|
kolom 8
|
kolom 9
|
kolom 10
|
kolom 11
|
kolom 12
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2000
|
2000
|
2001
|
2000
|
2001
|
1999
|
2000
|
2001
|
2000+2001
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Som
|
3.721.124
|
945.801
|
1.000.944
|
236.450
|
250.236
|
|
|
978.668
|
978.668
|
|
Bouwradius
|
2.137.834
|
630.563
|
575.055
|
157.641
|
143.764
|
|
|
549.057
|
549.057
|
|
(svb)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Svs
|
545.442
|
180.706
|
146.718
|
45.176
|
36.680
|
20.693
|
|
153.394
|
174.087
|
|
Innovam
|
4.783.421
|
886.996
|
1.286.691
|
221.749
|
321.673
|
85.562
|
|
1.019.571
|
1.105.133
|
|
Vev
|
805.868
|
497.858
|
216.771
|
124.464
|
54.193
|
|
|
368.263
|
368.263
|
|
Vapro
|
1.233.482
|
311.879
|
331.793
|
77.970
|
82.948
|
|
|
282.577
|
282.577
|
|
Sbw
|
903.437
|
258.080
|
243.016
|
64.520
|
60.754
|
|
|
191.163
|
191.163
|
|
voc
|
1.141.741
|
345.024
|
307.116
|
86.256
|
76.779
|
|
|
360.988
|
360.988
|
|
(voccar)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
sh&m
|
510.598
|
177.066
|
37.346
|
44.267
|
34.337
|
48.114
|
60.59
|
5 65.713
|
174.422
|
|
Sobb
|
1.073.759
|
317.515
|
288.830
|
79.379
|
72.208
|
213
|
|
321.654
|
321.867
|
|
Koc
|
516.434
|
154.417
|
138.915
|
38.604
|
34.729
|
|
|
162.290
|
162.290
|
|
Svo
|
1.159.706
|
299.341
|
311.948
|
74.835
|
77.987
|
|
|
324.354
|
324.354
|
|
Intechnium
|
3.772.846
|
977.877
|
1.014.857
|
244.469
|
253.714
|
123.968
|
111.215
|
767.730
|
1.002.913
|
|
TenL
|
|
16.876
|
|
4.219
|
|
|
|
4.219
|
4.219
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Totaal
|
22.305.692
|
6.000.000
|
6.000.000
|
1.500.000
|
1.500.000
|
278.550
|
171.810
|
5.549.640
|
6.000.000
|
Bijlage 10
[Illustratie verwijderd]
Bijlage 11
In onderdeel 3,
Gegevenslijst, wordt onder A8, Code Doelgroep, de volgende
toegevoeging gelezen:
Subgegeven
Risicodeelnemer
|
Definitie
|
Een
risicodeelnemer is een deelnemer ten aanzien van wie het
bevoegd gezag goedkeuring van de minister heeft ontvangen
omdat:
- a.
- het een
deelnemer betreft ten aanzien van wie op 1 augustus van
het kalenderjaar de volledige leerplicht is geëindigd,
maar die de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft
bereikt;
- b.
- uit de
onderwijsovereenkomst met de deelnemer blijkt dat
voorbereidende en ondersteunende activiteiten als
bedoeld in artikel
7.2.2, vierde lid, van de wet worden toegevoegd
aan de opleiding of het deel waarvoor de deelnemer is
ingeschreven;
- c.
- het
betreft een deelnemer die bij de inschrijving voor de
opleiding of het deel daarvan niet in het bezit is van:
- 1.
- een
diploma beroepsonderwijs van een opleiding als
bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid, van de wet,
- 2.
- een
bewijs dat de eerste drie leerjaren van een school
voor hoger algemeen voortgezet onderwijs of van een
school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
met gunstig gevolg zijn doorlopen,
- 3.
- een
diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs,
- 4.
- een
ander diploma voorbereidend beroepsonderwijs of
lager beroepsonderwijs, dan een diploma verkregen op
grond van een eindexamen waarbij één of meer
vakken volgens het A-programma en de overige vakken
volgens het B-programma zijn geëxamineerd, of
- 5.
- een
diploma of bewijs dat overeenkomt met onder 1 tot en
met 4 verkregen diploma of bewijs;
- d.
- het
bevoegd gezag van de instelling verklaart dat voor 1
juni van het volgende kalenderjaar:
- a.
- met
deze deelnemer een praktijkovereenkomst is gesloten
als bedoeld in artikel
7.2.8 van de wet,
- b.
- deze
deelnemer is aangesteld in een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel
4 van de Wet inschakeling werkzoekenden, of
- c.
- deze
deelnemer is aangesteld in een dienstbetrekking
krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek,
bij een bedrijf waar de praktijk van het beroep kan
worden geoefend, en
- e.
- de
minister heeft het verzoek van het bevoegd gezag op
grond van artikel 3.2.5 van de Uitvoeringsregeling
WEB goedgekeurd.
|
|
Type onderwijs
|
Beroepsonderwijs
|
|
Groep
|
Doelgroep
|
|
Type
|
Alfanumeriek
|
|
Eenheid
|
N.v.t.
|
|
Lengte
|
|
|
Code
|
005
|
|
Integriteit
|
|
|
Constraint
|
|
|
Validiteit
|
|
|
Verplicht
|
J
|
|
Pre-WEB-Opleiding
|
N
|
|
Doel
|
Bekostiging
|
|
Begindatum
|
1 augustus 2001
|
|
Einddatum
|
31 juli 2004
|
|