| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet educatie en
beroepsonderwijs (WEB)
UITVOERINGSREGELING
WEB 2007
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
van 8 november 2008, nr. BVE/Stelsel/73928, houdende uitvoeringsregels
voor het bekostigen van het middelbaar beroepsonderwijs en de educatie
(Uitvoeringsregeling WEB 2007)
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 12.3.8, tweede lid, en
12.3.9, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de
artikelen 2.3.2, tweede lid, 2.4.1, tweede lid, en 6.1.1 van het
Uitvoeringsbesluit WEB;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en,
voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van de
landbouw en natuurlijke omgeving, minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie,
b. wet: Wet educatie en beroepsonderwijs,
c. besluit: Uitvoeringsbesluit WEB.
Hoofdstuk 2. Voorschriften beroepsopleidingen instituten voor doven
en hogeschool Haarlem
§ 1. Voorschriften beroepsopleidingen Instituten voor doven
Artikel 2.1.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen
Instituten voor doven
1.In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de
rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende
begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het
beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de
huisvestingskosten voor het Christelijk Instituut voor Doven ‘Effatha’
en het Instituut voor Doven ‘Sint-Michielsgestel’ vast, ten
behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen als bedoeld in
artikel 12.3.8 van de wet.
Deze budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de landelijk
beschikbare budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk de
huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel
2.1.3 van het besluit.
2.De artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.7 en artikel 2.4.1 van het
besluit zijn van toepassing ten aanzien van de in het eerste lid
genoemde instituten.
3.De minister verhoogt de uitkomst van de berekening, bedoeld in
het tweede lid, tot de hoogte van het totaal van de rijksbijdragen
voor 1999, berekend op grond van de artikelen 9, 14b en 14i van de
Overgangsregeling bekostiging beroepsonderwijs WEB tot 2000, zoals die
luidde op 31 december 1999 en de Regeling bekostiging huisvesting
BVE-sector, zoals die luidde op 31 december 1999.
4.Artikel 2.6.1 van het besluit is van toepassing.
Artikel 2.1.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht
1.Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 1 van titel 5 van
hoofdstuk 2 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de
instituten, bedoeld in artikel 2.1.1.
2.Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5 van het besluit,
alsmede de Bijlagen 1, 1c en 4 behorende bij het besluit, is van
overeenkomstige toepassing op de instituten, bedoeld in artikel 2.1.1.
Artikel 2.1.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op de
Instituten voor doven
De instituten, bedoeld in artikel 2.1.1, nemen voor de
beroepsopleidingen verzorgd aan die instituten in acht hetgeen bij of
krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:
a. de taken van de instellingen ten aanzien van het
beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.3.5 van de wet;
b. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6 van de wet;
c. de contractactiviteiten, bedoeld in artikel 1.7.1 van de wet;
d. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in de artikelen 2.3.6a
tot en met 2.3.6d van de wet;
e. het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 van de wet;
f. de voorschriften betreffende het personeel van de
instellingen, bedoeld in de titels 1 en 2 van hoofdstuk 4 van de
wet;
g. de voorschriften betreffende ontneming van rechten ten aanzien
van bestaand onderwijsaanbod, bedoeld in artikel 6.1.4 van de wet,
ten aanzien van de ontneming van het recht op examinering van een
beroepsopleiding, bedoeld in artikel 6.1.5b van de wet en ten
aanzien van onthouding van rechten ten aanzien van voorgenomen
onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke
voorschriften, bedoeld in artikel 6.1.6 van de wet;
h. de voorschriften betreffende de beëindiging van registratie
van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.4 van de wet;
i. het onderwijs en de examens betreffende het beroepsonderwijs,
bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet, met dien verstande dat bij de
toepassing van:
1. artikel 7.2.8 van de wet het bevoegd gezag van een
instituut tevens met het oog op de handicap van de deelnemer
nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de
beroepspraktijkvorming;
2. het eerste lid van artikel 7.4.2 van de wet het bevoegd
gezag van een instituut er tevens zorg voor draagt dat bij het
afleggen van het examen rekening wordt gehouden met de aard van
de handicap van de deelnemer;
j. de rechtsbescherming van de deelnemer, bedoeld in titel 5 van
hoofdstuk 7 van de wet;
k. de inschrijving, de vooropleidingseisen en de voorschriften
inzake voortijdig schoolverlaten van hoofdstuk 8 van de wet, met
dien verstande dat bij de toepassing van artikel 8.1.3, derde lid,
van de wet tevens de wederzijdse rechten en verplichtingen van het
instituut en de deelnemer die voortvloeien uit de specifieke
handicap van de deelnemer, worden opgenomen;
l. de opneming in het Centraal register;
m. de voorschriften inzake bestuur en bestuursoverdracht, bedoeld
in paragraaf 1 van titel 1 van hoofdstuk 9 van de wet, en
n. de hoofdstukken 10 en 11 van de wet.
§ 2. Voorschriften beroepsopleidingen verbonden aan hogeschool
Haarlem dan wel diens rechtsopvolgers
Artikel 2.2.1. Voorschriften bekostiging beroepsopleidingen verbonden
aan hogeschool Haarlem dan wel diens rechtsopvolgers
1.In overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de
rijksbegroting die is vastgesteld voor het desbetreffende
begrotingsjaar, stelt de minister jaarlijks de omvang van het
beschikbare budget voor de exploitatiekosten respectievelijk voor de
huisvestingskosten ten behoeve van het verzorgen van
beroepsopleidingen als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, verbonden
aan de Hogeschool Haarlem, dan wel diens rechtsopvolgers voor wat
betreft de opleidingen in de beroepsopleidende leerweg, vast. Deze
budgetten worden jaarlijks toegevoegd aan de landelijk beschikbare
budgetten voor de exploitatiekosten respectievelijk de
huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel
2.1.3 van het besluit.
2.De artikelen 12.4.1 en 12.4.2 van de wet en de artikelen 2.2.1
tot en met 2.2.7 en 2.4.1 van het besluit zijn van toepassing ten
aanzien van de hogeschool, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.2.2. Begroting, verslaglegging, informatie en toezicht
1.Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 1 van titel 5 van
hoofdstuk 2 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de
hogeschool, bedoeld in artikel 2.2.1.
2.Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5 van het besluit,
alsmede de Bijlagen 1, 1c en 4 behorende bij het besluit is van
overeenkomstige toepassing op de hogeschool, bedoeld in artikel 2.2.1.
Artikel 2.2.3. Voorschriften WEB die van toepassing zijn op
hogeschool Haarlem dan wel diens rechtsopvolgers
De hogeschool, bedoeld in artikel 2.2.1, neemt voor de
beroepsopleidingen verzorgd door die hogeschool, in acht hetgeen bij of
krachtens de wet is bepaald ten aanzien van:
a. de taken van de instellingen ten aanzien van het
beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 1.3.5 van de wet;
b. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6 van de wet;
c. de contractactiviteiten, bedoeld in artikel 1.7.1 van de wet;
d. de voorschriften inzake de leerlinggebondenfinanciering in het
beroepsonderwijs, bedoeld in de artikelen 2.2.5 tot en met 2.2.8 van
de wet;
e. het persoonsgebonden nummer, bedoeld in de artikelen 2.3.6a
tot en met 2.3.6.d van de wet;
f. het jaarverslag, bedoeld in artikel 2.5.4 van de wet;
g. de voorschriften betreffende het personeel van de
instellingen, bedoeld in de titels 1 en 2 van hoofdstuk 4 van de
wet;
h. de voorschriften betreffende ontneming van rechten ten aanzien
van bestaand onderwijsaanbod, bedoeld in artikel 6.1.4 van de wet,
ten aanzien van de ontneming van het recht op examinering van een
beroepsopleiding, bedoeld in artikel 6.1.5b van de wet en ten
aanzien van onthouding van rechten ten aanzien van voorgenomen
onderwijs uit oogpunt van kwaliteit of niet naleving wettelijke
voorschriften, bedoeld in artikel 6.1.6 van de wet;
i. de voorschriften betreffende de beëindiging van registratie
van beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.4 van de wet;
j. het onderwijs en de examens betreffende het beroepsonderwijs,
bedoeld in hoofdstuk 7 van de wet;
k. de rechtsbescherming van de deelnemer, bedoeld in titel 5 van
hoofdstuk 7 van de wet;
l. de inschrijving en vooropleidingseisen van hoofdstuk 8 van de
wet,
m. de opneming in het Centraal register;
n. de voorschriften inzake bestuur en bestuursoverdracht, bedoeld
in paragraaf 1 van titel 1 van hoofdstuk 9 van de wet;
o. de hoofdstukken 10 en 11 van de wet.
Hoofdstuk 3. Voorschriften bekostiging beroepsonderwijs
§ 1. Voorschriften bekostiging
Artikel 3.1.1. Bedrag huisvestingskosten school voor voortgezet
onderwijs in scholengemeenschap met een instelling
1.Het bedrag ten behoeve van de huisvestingskosten, bedoeld in
artikel 2.4.1, tweede lid, van het besluit, bedraagt € 496,– per
leerling aan een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2.Het bedrag ten behoeve van de huisvestingskosten, bedoeld in
artikel 2.4.1, derde lid, van het besluit, bedraagt € 469,33 per
leerling verbonden aan het voorbereidend beroepsonderwijs, verzorgd
aan een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van
de wet.
3.De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden
aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende
maatregelen.
Artikel 3.1.2. Vaststelling vaste voet en prijs per leerling
voorbereidend beroepsonderwijs
1. De vaste voet per instelling, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste
lid, van het besluit, wordt voor het jaar 2011 berekend door elke
vaste formatieplaats te vermenigvuldigen met een bedrag van€
53.175,67. De vaste formatie wordt als volgt vastgesteld:
a. één formatieplaats per agrarisch opleidingscentrum; en
b. een halve formatieplaats per vestiging waar per 1 augustus
voorafgaand aan het desbetreffende jaar voorbereidend
beroepsonderwijs in de afdeling landbouw, natuurlijke omgeving en
voedsel wordt verzorgd;
c. indien twee of meer agrarische opleidingscentra een fusie
met elkaar aangaan, behoudt het agrarisch opleidingscentrum dat
ten gevolge van de fusie tot stand komt het aantal
formatieplaatsen, bedoeld in het eerste lid onder a. en b., dat
ieder van de agrarische opleidingscentra afzonderlijk voor de
fusie had, voor een periode van drie jaren na het jaar waarin de
fusie plaatsvond;
d. indien de formatie van een agrarisch opleidingscentrum,
berekend volgens deze regeling zoals die luidde op 1 januari 2011,
hoger was dan die volgens deze regeling zoals deze luidt op 1
januari 2012, dan wordt het verschil voor het bekostigingsjaar
2012 toegevoegd aan de formatie van dat agrarisch
opleidingscentrum. Voor het bekostigingsjaar 2013 wordt 75% van
het verschil toegevoegd, voor het jaar 2014 50% en voor het jaar
2015 25%.
2. De prijs per leerling verbonden aan het voorbereidend
beroepsonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs als bedoeld in
artikel 2.3.2 van het besluit bedraagt per 1 januari 2011:
a. voor de leerling voorbereidend beroepsonderwijs € 6463,24,
bestaande uit een component voor personele kosten ad €
5.484,87en een component voor materiële kosten ad€ 978,37;
b. voor de leerling leerwegondersteunend onderwijs€
10.070,72,bestaande uit een component voor personele kosten ad €
8.842,35en een component voor materiële kosten ad€ 1.228,37.
3. De bedragen in het eerste en tweede lid worden jaarlijks als
volgt aangepast:
a. het bedrag in het eerste lid wordt met hetzelfde percentage
aangepast als waarmee de gemiddelde personeelslast in het
voorbereidend beroepsonderwijs wordt aangepast op grond van
artikel 85, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
b. de bedragen voor personele kosten, bedoeld in het tweede
lid, worden aangepast met hetzelfde percentage als waarmee de
gemiddelde personeelslast in het voorbereidend beroepsonderwijs
wordt aangepast op grond van artikel 85, derde lid, van de Wet op
het voortgezet onderwijs;
c. de bedragen voor materiële kosten, bedoeld in het tweede
lid, worden jaarlijks aangepast met het gemiddelde van de
percentages waarmee de bedragen voor het voorbereidend
beroepsonderwijs worden aangepast op grond van artikel 86, vijfde
en zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
Artikel 3.1.3 [Vervallen per 01-08-2011]
Artikel 3.1.4. Diploma’s waarvoor een vast bedrag wordt toegekend
Voor diploma’s van de opleidingen
a. Helpende Welzijn (Crebonummer 10745)
b. Helpende breed (Crebonummer 91340)
c. Helpende (Sociaal-agogisch werk) (Crebonummer 91352) en
d. Helpende Zorg & Welzijn (Crebonummer 92640)
die in het kalenderjaar 2010 zijn verkregen door
examendeelnemers, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b,
van de wet, wordt € 675 per diploma toegekend. De in de eerste
volzin bedoelde diploma’s worden niet meegeteld bij de berekening
van het rijksbijdragedeel op grond van artikel 2.2.4, eerste lid,
van het besluit.
§ 2. Overgangsvoorschriften bekostiging
Artikel 3.2.1. Vervangende gegevens VOA
1.Het deel van de rijksbijdrage voor voorbereidende en
ondersteunende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2.2, vierde lid,
van de wet, wordt op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, van het
besluit, berekend door het landelijk beschikbare budget ten behoeve
van voorbereidende en ondersteunende activiteiten, zoals dat voor dat
kalenderjaar is vastgesteld op grond van artikel 2.2.1, eerste lid,
van het besluit te verdelen naar rato van het aantal deelnemers dat op
1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het
desbetreffende jaar per instelling aan de opleidingen als bedoeld in
artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet is
ingeschreven en dat daadwerkelijk die opleiding volgt, waarbij:
a. het aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid onderdeel a, van de wet, met de factor 1 wordt
vermenigvuldigd;
b. het aantal deelnemers aan de opleiding, bedoeld in artikel
7.2.2, eerste lid onderdeel b, van de wet met de factor 0,4 wordt
vermenigvuldigd.
2.Bij de toepassing van het eerste lid worden de deeltijds
deelnemers, bedoeld in artikel 2.1.2. van het besluit, in de
beroepsopleidende leerweg buiten beschouwing gelaten.
Hoofdstuk 4. Voorschriften bekostiging educatie
§ 1. Voorschriften educatie
Artikel 4.1.1. Voorwaarde toekennen rijksbijdrage educatie aan
gemeente
De rijksbijdrage educatie per gemeente wordt aan de gemeente
toegekend onder de voorwaarde dat gedurende de periode van 1 januari tot
en met 31 december van het jaar waarvoor de middelen worden toegekend,
één of meer overeenkomsten als bedoeld in artikel 2.3.4, eerste lid,
van de wet van kracht zijn, op grond waarvan die gemeente zich verplicht
tot toekenning en beschikbaarstelling van het totale bedrag van de
rijksbijdrage educatie voor deze periode ten behoeve van activiteiten
gedurende de looptijd van de overeenkomst of overeenkomsten.
Artikel 4.1.2. Vermindering door de gemeente van de bedragen educatie
aan instellingen
1.Indien een gemeente beslist tot een vermindering van het bedrag
van de verplichting, bedoeld in artikel 4.1.1, ten opzichte van een
bepaalde instelling, gedurende of na afloop van het kalenderjaar
waarvoor de desbetreffende rijksbijdrage educatie is toegekend, is die
vermindering niet eerder van kracht dan nadat:
a. tussen het gemeentebestuur en het bevoegd gezag van de
instelling een redelijke termijn voor de vermindering is
overeengekomen, of,
b. de schade is vergoed die de instelling lijdt doordat zij in
vertrouwen op het voortduren van de overeenkomst anders heeft
gehandeld dan zij bij vermindering met toepassing van een
redelijke termijn zou hebben gedaan.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen
in de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid.
3.Het eerste lid is niet van toepassing indien de vermindering het
gevolg is van een vermindering van de rijksbijdrage educatie voor de
desbetreffende gemeente voor de desbetreffende periode.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 5.1. Overgangsvoorschriften inzake hardheidsclausule
huisvesting
1.In aanvulling op artikel 6.1.3, eerste lid, van het besluit wordt
artikel 8 van de Regeling bekostiging huisvesting bve-sector, zoals
die luidde op 31 december 1999, uitsluitend betrokken bij de
berekening van het bedrag voor de huisvestingskosten voor het
betreffende kalenderjaar, indien:
a. het bevoegd gezag voor 15 februari van het betreffende jaar
een aanvraag indient bij de minister voor een aanvullende
vergoeding;
b. het verzoek wordt ingediend door het bevoegd gezag van een
instelling ten aanzien waarvan in 1997 een aanvraag is gehonoreerd
op grond van artikel 7 van de Regeling bekostiging huisvesting
bve-sector, zoals die luidde op 19 december 1997 dan wel afgewezen
op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel c, van die regeling;
c. het een aanvraag betreft in verband met de huurpenningen
voor een schoolgebouw die door het bevoegd gezag verschuldigd zijn
op grond van een huurovereenkomst die door het bevoegd gezag, dan
wel diens rechtsvoorganger, voor 1 januari 1997 is gesloten:
1°. zonder uitdrukkelijke instemming van de minister,
blijkend uit een beschikking, of
2°. voor een langere duur dan wel onder andere voorwaarden
dan waarvoor door de minister, blijkend uit een beschikking,
instemming is verleend.
2.Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts
gehonoreerd indien het bevoegd gezag naar het oordeel van de minister
aannemelijk heeft gemaakt dat:
a. dit bevoegd gezag, dan wel diens rechtsvoorganger, gelet op
de eigen taak, positie en verantwoordelijkheid in redelijkheid
geen verwijt te maken valt over de ontstane situatie,
b. dit bevoegd gezag al het mogelijke in het werk stelt om de
betreffende huurovereenkomst binnen afzienbare tijd geheel of
gedeeltelijk te ontbinden, dan wel op te zeggen, dan wel de
gevolgen van de overeenkomst te wijzigen, en
c. de onder zijn beheer staande instelling, zonder een
aanvullende vergoeding, bedoeld in het eerste lid, in zodanige
financiële omstandigheden komt te verkeren dat het voortbestaan
van de instelling in het geding komt.
3.Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geeft het bevoegd
gezag tevens aan op welk schoolgebouw, respectievelijk welke
schoolgebouwen, de door hem, dan wel diens rechtsvoorganger, gesloten
huurovereenkomst betrekking heeft, alsmede het aantal vierkante meters
brutovloeroppervlak en de verschuldigde huursom per jaar van dat
gebouw. Het bevoegd gezag legt aan de minister een gewaarmerkt
afschrift over van de desbetreffende huurovereenkomst.
4.De minister berekent de aanvullende vergoeding volgens de
formule:
Vt = O x (Ht – Nt)
In deze formule wordt verstaan onder:
Vt: aanvullende vergoeding van het betreffende kalenderjaar;
O: vierkante meters brutovloeroppervlak van het gebouw waarvoor
de aanvullende vergoeding wordt aangevraagd;
Ht: huurbedrag per vierkante meter brutovloeroppervlak van het
betreffende gebouw;
Nt: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter
brutovloeroppervlak in het betreffende kalenderjaar, vastgesteld
volgens de formule:
Nt = (Lt/ L1999) x N 1999
In deze formule wordt verstaan onder:
Lt: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten
beroepsonderwijs in het betreffende kalenderjaar;
L1999: landelijk beschikbare budget voor de huisvestingskosten
beroepsonderwijs in 1999;
N1999: normbedrag huurvergoeding per vierkante meter
brutovloeroppervlak in 1999, zijnde € 52,90.
5.Indien de uitkomst van het onderdeel (Ht – Nt) van de formule,
bedoeld in het vierde lid, negatief is, wordt het verzoek om een
aanvullende vergoeding afgewezen.
Artikel 5.2. Wijzigingen artikel 2.2.1 en 2.2.3 in verband met
invoering leerlinggebonden financiering MBO
[Wijzigt deze regeling]
Artikel 5.3. Intrekking regelingen
1. De Uitvoeringsregeling WEB wordt, met in achtneming van het
tweede lid, ingetrokken.
2. De artikelen 5.3b en 5.4a van de Uitvoeringsregeling WEB
vervallen met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2008. De
artikelen 5.3c en 5.4b van de Uitvoeringsregeling WEB vervallen met
ingang van 1 januari 2009. Artikel 5.4c van de Uitvoeringsregeling WEB
vervalt met ingang van 1 januari 2010.
3. De Regeling aanwijzing bewijzen van voldoende didactische
bekwaamheid in de bve-sector wordt ingetrokken.
Artikel 5.4. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze is geplaatst
en werkt terug tot en met 1 oktober 2007.
Artikel 5.5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling WEB 2007.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.
|
|
|