St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet energiebesparing toestellen

 

BESLUIT  AANWIJZING  MINISTERS  WET  ENERGIEBESPARING  TOESTELLEN

Tekst zoals deze geldt op 16 maart 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
 

 

 
BESLUIT van 22 september 1988, houdende aanwijzing van ministers in overeenstemming met wie gehandeld moet worden ter zake van besluiten op grond van de Wet energiebesparing toestellen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 juli 1988, nr. 688/1246 WJA/W, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw en Visserij en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
     Gelet op de artikelen 11, eerste lid, en 18, eerste lid, van de Wet energiebesparing toestellen (Stb. 1986, 59);
     De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 1988, nr. W10.88.0394);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 14 september 1988, nr. 688/1703 WJA/W uitgebracht in overeenstemming met Onze andere voornoemde Ministers;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2, 4, 5, 19, 20 of 21 van de Wet energiebesparing toestellen (Stb. 1986, 59) met betrekking tot het installeren van toestellen of installaties in gebouwen wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Artikel 2

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 2, 4, 5, 6, 17, 19, 20 of 21 van de Wet energiebesparing toestellen met betrekking tot vervoermiddelen en onderdelen daarvan wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 3

Onze Minister wijst ambtenaren als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet energiebesparing toestellen aan:

a. voor zover het betreft het toezicht op de naleving van het bij of krachtens genoemde wet bepaalde met betrekking tot het installeren van toestellen of installaties in gebouwen, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

b. voor zover het betreft het toezicht op de naleving van het bij of krachtens genoemde wet bepaalde met betrekking tot vervoermiddelen en onderdelen daarvan, in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

c. voor zover het betreft ambtenaren die onder een andere dan Onze Minister ressorteren, in overeenstemming met die andere minister.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

 

's-Gravenhage, 22 september 1988

 

BEATRIX

 

De Minister van Economische Zaken,
R.W. de Korte

 

Uitgegeven de derde november 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x