St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis

 

BESLUIT  AANWIJZING  PALEIZEN  EX  ARTIKEL  4  WET  FINANCIEEL  STATUUT  VAN  HET  KONINKLIJK  HUIS

Tekst zoals deze geldt op 24 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013

 

 

 

 
BESLUIT van 15 juli 1980, houdende aanwijzing van paleizen als bedoeld in artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, mede namens Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 9 juli 1980, nr. 298908;
     Overwegende dat bij de Wet van 2 juli 1980 houdende aanvulling van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis tot regeling van de uitkeringen aan Prinses Juliana en haar echtgenoot, Paleis Soestdijk ten laste van het Rijk aan Prinses Juliana en Prins Bernhard tot gebruik ter beschikking is gesteld;
     Dat in verband met het voorgaande behoefte bestaat aan het gebruik van het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage en dat het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het Paleis op de Dam te Amsterdam hun bestemming dienen te behouden;
     Gelet op artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Artikel 1

De paleizen, bedoeld in artikel 4 van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis zijn:

a. het Paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage;

b. het Paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage;

c. het Paleis op de Dam te Amsterdam.

Artikel 2

Het Koninklijk besluit van 24 december 1970, houdende aanwijzing van paleizen, bedoeld in artikel 23 van de Grondwet (Stb. 1970, 629), wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot 1 mei 1980.

 

 

     Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Ministers van Financiën en van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

 

Pisa, 15 juli 1980

 

BEATRIX

 

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
Van Agt

De Minister van Financiën a.i.,
G.M.V. van Aardenne

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Beelaerts van Blokland

 

Uitgegeven de eenentwintigste augustus 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x