| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet financiering
decentrale overheden
REGELING
UITZETTINGEN EN DERIVATEN DECENTRALE OVERHEDEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet
financiering decentrale overheden;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet financiering decentrale overheden;
b. lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte;
c. financiële onderneming: een onderneming die in een lidstaat
het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag
verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming
in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van
verzekeraar mag uitoefenen.
d. solvabiliteitsratio: het in een lidstaat voor een financiële
onderneming voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen
tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activum;
e. vastrentende waarden: openbare en onderhandse leningen;
f. nazorgfondsen: fondsen als bedoeld in artikel 15.47 van de Wet
Milieubeheer.
g. rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële
onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau;
h. nettingovereenkomst: een overeenkomst op grond waarvan de
wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor
wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij
verschuldigd is;
i. waardepapieren: documenten met een geldswaarde, zoals een
bewijs van een aandeel of obligatie.
Artikel 2
1.Openbare lichamen zetten, al dan niet tegen waardepapieren,
slechts gelden uit bij en gaan slechts verbintenissen met betrekking
tot financiële derivaten aan met financiële ondernemingen die:
a. gevestigd zijn in een lidstaat die ten minste beschikt over
een AA-rating afgegeven door ten minste twee ratingbureaus; en
b. voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren
kunnen aantonen dat ze ten minste over een AA-minusrating
beschikken, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus.
2.Indien de gelden worden uitgezet of de verbintenissen met
betrekking tot financiële derivaten worden aangegaan voor een periode
van minder dan drie maanden, tonen deze financiële ondernemingen aan
dat ze, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, voor henzelf of
voor de door hen uitgegeven waardepapieren ten minste over een
A-rating, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus beschikken.
3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op uitzettingen
tegen waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent
geldt.
Artikel 2a
1.Openbare lichamen gaan geen leningen aan met het enkele doel de
aangetrokken gelden tegen een hoger rendement uit te zetten.
2.Openbare lichamen zetten tijdelijk overtollige gelden van
aangetrokken leningen voor projectfinanciering uitsluitend uit bij de
financiële onderneming waar deze leningen zijn aangegaan,
onverminderd artikel 2, eerste en tweede lid.
3.Indien een openbaar lichaam een nettingovereenkomst heeft
afgesloten met een financiële onderneming met betrekking tot het
uitzetten van tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen
voor projectfinanciering als bedoeld in het tweede lid, is artikel 2,
eerste en tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 3
Openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet,
zetten uitsluitend gelden uit in de vorm van:
a. producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de
looptijd intact is, uitgezet bij een instelling die voldoet aan
artikel 2;
b. vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die
voldoet aan artikel 2.
Artikel 3a
1.Nazorgfondsen mogen, in afwijking van artikel 3, gelden uitzetten
in de vorm van beleggingen in aandelen die genoteerd zijn aan een van
overheidswege toegelaten effectenbeurs en in onroerend goedfondsen die
genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs,
mits zeker wordt gesteld dat de hoofdsom, gecorrigeerd voor inflatie,
ten minste aan het einde van dertig jaar intact is door middel van:
a. vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die
voldoet aan artikel 2, of
b. overige uitzettingen tegen rente bij een instelling die
voldoet aan artikel 2.
2.Voor de bepaling van het gedeelte van de portefeuille dat
aangehouden moet worden in de vorm van uitzettingen als bedoeld in het
eerste lid onder a en b, geldt een nominale rekenrente van 5% en een
inflatiecorrectie van 2%.
Artikel 4
1.Derivaten worden uitsluitend gebruikt ter beperking van
financiële risico's. Dit houdt in dat geen open posities worden
ingenomen. Derivaten worden afgesloten met een instelling die voldoet
aan artikel 2;
2.In afwijking van het eerste lid, laatste volzin, kunnen derivaten
ook worden afgesloten op een gereglementeerde markt in de Europese
Economische Ruimte, zoals bedoeld in de Richtlijn 93/22/EEG van de
Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het
gebied van beleggingen in effecten in een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte onder toezicht staande effecteninstelling.
Een wijziging van deze Richtlijn gaat voor de toepassing van deze
regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 5
Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet
financiering decentrale overheden in werking treedt.
Artikel 6
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzettingen en
derivaten decentrale overheden.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
|
|
|