| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet financiering
decentrale overheden
UITVOERINGSREGELING
FINANCIERING DECENTRALE OVERHEDEN
Tekst zoals deze geldt op
29 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
De Minister van
Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer
en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet
financiering decentrale overheden;
Besluit:
Artikel 1
In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder:
a. Het bedrag aan renteherziening:
Het bedrag aan leningen die een onderdeel vormen van de vaste
schuld, gesaldeerd met verstrekte geldleningen met een oorspronkelijke
rentetypische looptijd van één jaar of langer, waarvan op grond van
de leningvoorwaarden de rente in het lopende kalenderjaar op basis van
de leningvoorwaarden eenzijdig door de tegenpartij kan worden herzien.
b. Het bedrag aan herfinanciering:
Het bedrag aan nieuwe leningen in een jaar met een oorspronkelijke
rentetypische looptijd van één jaar of langer, gesaldeerd met nieuw
verstrekte leningen voor zover dezelfde rentetypische looptijd, voor
zover dit het bedrag van de verplicht afgeloste leningen niet
overstijgt.
c. De wet:
De Wet financiering decentrale overheden.
Artikel 2
1.Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in
artikel 3, eerste lid, van de wet als volgt vastgesteld:
a. voor de provincies: 7,0%;
b. voor de gemeenten: 8,5%;
c. voor de waterschappen: 23%;
d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%.
2.Voor de openbare lichamen wordt het in artikel 5 van de wet
genoemde percentage als volgt vastgesteld:
a. voor de provincies: 20%;
b. voor de gemeenten: 20%;
c. voor de waterschappen: 30%;
d. voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%.
3.Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 2.500.000
euro.
Artikel 3
Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt
berekend: de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan
renteherziening op de vaste schuld.
Artikel 4
1.De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder
a. Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van:
1°. Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande
jaar en het komende jaar;
2°. De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar;
3°. De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de
kalenderkwartalen van het voorgaande jaar;
4°. De renterisiconorm bij aanvang van het komende jaar;
5°. Het renterisico op de vaste schuld over de komende
vier jaren.
2.De openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, lid a, van de wet
zenden aan het Centraal bureau voor de statistiek driemaandelijks een
opgave van de stand van het EMU-saldo op een door het Centraal Bureau
voor de Statistiek te bepalen wijze.
3.Een openbaar lichaam kan toezending van de in het eerste lid,
onderdeel b, bedoelde gegevens aan de toezichthouder achterwege laten,
indien de kasgeldlimiet van deze openbare lichamen gelijk is aan het
wettelijke minimumbedrag.
Artikel 5
Het Centraal Bureau voor de Statistiek zendt iedere drie maanden voor
het einde van het eerstvolgende kwartaal verzamelopgaven van de in
artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister van
Financiën.
Artikel 6
De opgaven bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verstrekt
overeenkomstig de als bijlage bij deze regeling gevoegde modelstaten.
Artikel 7
1.Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, mag een
openbaar lichaam in overleg met de toezichthouder stapsgewijs het
nieuwe percentage van de kasgeldlimiet, als bedoeld in artikel 3 van
de wet, eerste lid, bereiken.
2.Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, is, in
afwijking van artikel 2, tweede lid, een percentage van de
renterisiconorm van 30% van toepassing.
Artikel 8
Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet
financiering decentrale overheden in werking treedt.
Artikel 9
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling financiering
decentrale overheden.
De Minister van Financiën,
G. Zalm.
Bijlage
Modelstaat A
• Liquiditeitspositie over het ..... kwartaal van het jaar .....
• Van de decentrale overheid:
Provincie .....
Gemeente .....
Waterschap .....
Gemeenschappelijke regeling .....
• In de provincie: .....
Toelichting: liquiditeitspositie in relatie tot kasgeldlimiet
De modelstaten A over de kwartalen van het voorafgaande jaar worden
normaliter eenmaal per jaar als onderdeel van de financieringsparagraaf
bij de begroting en het jaarverslag naar de toezichthouder verzonden. De
liquiditeitspositie heeft betrekking op de financiering met een
rentetypische looptijd van korter dan een jaar. Een derivaat kan daarbij
de looptijd van de financiering veranderen. Zo kan een derivaat vaste
schuld omzetten in een korte schuld met variabele rente. De
liquiditeitspositie is het saldo van (a) de vlottende of korte schulden,
zoals schulden in rekening-courant en in bewaring zijnde kasgelden van
derden en (b) de vlottende middelen zoals kasgelden en tegoeden in
rekening-courant. De liquiditeitspositie heeft betrekking op het gehele
openbaar lichaam, alsmede op de gemeentelijke kredietbank en op diensten
zoals het grondbedrijf, exclusief interne schuldverhoudingen. De
gemiddelde liquiditeitspositie van de drie kwartaalmaanden wordt
getoetst aan het bedrag van de kasgeldlimiet. De kasgeldlimiet heeft
betrekking op het totaal van de begroting van het lopende jaar naar de
stand van 1 januari. Als de gemiddelde liquiditeitspositie van drie
achtereenvolgende kwartalen de kasgeldlimiet overschrijdt, dan dient de
betrokken decentrale overheid de drie kwartaalrapportages toe te zenden
aan de toezichthouder, met daarbij een plan om weer te voldoen aan de
kasgeldlimiet.
Berekening (bedragen x € 1.000)
|
Stappen (1–4)
|
(1) Vlottende schuld
|
(2) Vlottende middelen
|
(3) Netto vlottend (+) of Overschot middelen (–)
|
|
(1) – (2) = (3)
|
|
|
|
|
ultimo maand 1
|
|
|
|
|
ultimo maand 2
|
|
|
|
|
ultimo maand 3
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(4) gemiddelde van (3)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Stappen (5–9)
|
Variabelen
|
|
Bedragen
|
|
|
|
|
|
|
(5)
|
kasgeldlimiet
|
|
|
|
(6a) = (5>4)
|
ruimte onder de kasgeldlimiet
|
|
|
|
(6b) = (4>5)
|
overschrijding van de kasgeldlimiet
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Berekening kasgeldlimiet (5)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(7)
|
Begrotingstotaal
|
|
|
|
(8)
|
Percentage regeling
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(5) = (7) x (8) / 100
|
Kasgeldlimiet
|
|
|
Modelstaat B
• Renterisico vaste schuld over de jaren .....
• Van de decentrale overheid:
Provincie .....
Gemeente .....
Waterschap .....
Gemeenschappelijke regeling .....
• In de provincie: .....
Toelichting: renterisico vaste schuld in relatie tot renterisiconorm
Modelstaat B wordt eenmaal per jaar als onderdeel van de
financierings-paragraaf bij de begroting en het jaarverslag naar de
toezichthouder verzonden. Op deze staat wordt over het renterisico van
de komende vier jaren gerapporteerd. Het renterisico heeft betrekking op
de vaste schuld en op het bedrag waarover renterisico wordt gelopen.
Naast de renteherzieningen zijn hiervoor ook de aflossingen van belang,
want het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te
spreiden. Het renterisico heeft betrekking op het gehele openbaar
lichaam, op de gemeentelijke kredietbank en op diensten zoals het
grondbedrijf. Het renterisico wordt getoetst aan het bedrag van de
renterisiconorm. De renterisiconorm heeft betrekking op het totaal van
de begroting van uitsluitend het komende jaar. Het komende jaar is jaar
T in de tabel hierna.
Berekening (bedragen x € 1.000)
|
Stap
|
Variabelen Renterisico(norm)
|
Jaar T:
|
Jaar T+1:
|
Jaar T+2:
|
Jaar T+3:
|
|
(1)
|
Renteherzieningen
|
|
|
|
|
|
(2)
|
Aflossingen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(3)
|
Renterisico (1+2)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(4)
|
Renterisiconorm
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(5a) = (4>3 )
|
Ruimte onder renterisiconorm
|
|
|
|
|
|
(5b) = (3>4)
|
Overschrijding renterisiconorm
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Renterisiconorm
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Berekening
|
Begrotingstotaal jaar T
|
|
|
|
|
|
(4a)
|
Percentage
|
|
|
|
|
|
(4b)
|
Regeling
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Renterisiconorm (van alleen jaar T)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
(4) = (4a x 4b/100)
|
|
|
|
|
|
|
|
|