| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet op de ruimtelijke
ordening (WRO)
BESLUIT
OP DE RUIMTELIJKE ORDENING 1985
Tekst zoals deze geldt op
23 mei 2008
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2008
(Zie Besluit
ruimtelijke ordening)
|
|
|
BESLUIT van 2 december 1985 ter uitvoering van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 25 januari 1985, nr. MJZ 2515023, Centrale
Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 2a, eerste en tweede lid,
2c, 3, tweede lid, 4a, negende lid, 17, tiende lid, 18, eerste en derde lid, 18a, eerste en
tweede lid, 19, vierde lid, 36, 51, tweede, vierde en vijfde lid, 52,
eerste en derde lid, 53, derde lid, 55, tweede lid, en 57 van de Wet op
de Ruimtelijke Ordening alsmede de artikelen 45 en 76, derde lid, van de
Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (advies van 23 september 1985,
nr.
W08.85.0054/14.5.39);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 25 november
1985, nr. MJZ 25N5055, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling
Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepaling
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
de wet: de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Hoofdstuk II. Rijks planologisch beleid
Artikel 2 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 3
1. In een planologische kernbeslissing
wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de
kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.
2. In een planologische kernbeslissing wordt tevens herkenbaar
aangegeven welke van de daarin opgenomen beslissingen van zodanig belang
zijn dat afwijking daarvan slechts mogelijk is met toepassing van
artikel 2b van de wet.
3. In het plan kan worden aangegeven in hoeverre bij de
herziening of intrekking van het plan of onderdelen daarvan toepassing
zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 2a, tweede, derde, vierde
of vijfde lid, van de wet.
Artikel 4
1. Een structuurschets geeft inzicht in mogelijke
ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor het nationaal
ruimtelijk beleid op de lange termijn, de middellange termijn daarbij
tevens in beschouwing genomen, en bevat de hoofdlijnen en beginselen
voor één of meer aspecten van dit beleid. Een structuurschets gaat
vergezeld van één of meer kaarten waarop de hoofdlijnen en
beginselen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht.
2. Een structuurschema bevat met betrekking tot een bepaalde
sector van het rijksbeleid hoofdlijnen en beginselen van algemeen belang
voor het nationaal ruimtelijk beleid en geeft in het bijzonder inzicht
in de ruimtelijke aspecten van die sector op de lange termijn, de
middellange termijn daarbij tevens in beschouwing genomen. Een
structuurschema gaat vergezeld van één of meer kaarten waarop de
ruimtelijke aspecten van het beleid in die sector voor zover mogelijk in
beeld zijn gebracht.
3. Een ontwerp voor een structuurschets of voor een
structuurschema bevat de elementen genoemd in het eerste of tweede lid.
Artikel 5 [Vervallen per 03-04-2000]
Hoofdstuk III. Provinciaal planologisch beleid
Artikel 6
Gedeputeerde Staten verrichten ten behoeve van de toekomstige
ruimtelijke ontwikkeling van het gebied van de provincie onderzoek naar
de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling
van de provincie.
Artikel 7
1. Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan, als bedoeld
in artikel 4a, tiende lid, van de wet alsmede ontwerpen daarvoor
worden vervat in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in
hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig,
van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen
voltrekken;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin deze
hoofdlijnen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht.
2. Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan alsmede
ontwerpen daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn
neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de
uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, voorzover dit
onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft;
b. de rapportering over het bij de voorbereiding van het streekplan
gevoerde overleg en over de uitkomsten daarvan;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de
gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
d. een beschrijving van de mate waarin of de wijze waarop de onder a
bedoelde ontwikkeling in hoofdlijnen is afgestemd op, dan wel leidt
tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, zoals dat is
vastgelegd in het geldende provinciale milieubeleidsplan, of het
provinciale waterhuishoudingsbeleid, zoals dat is vastgelegd in het
geldende provinciale waterhuishoudingsplan;
e. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop en de
termijn waarbinnen het geldende provinciale milieubeleidsplan of
waterhuishoudingsplan zal worden herzien.
3. In een streekplan wordt een concrete beleidsbeslissing als
zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.
Artikel 8
De kaarten worden ingericht met inachtneming van de volgende
voorschriften:
a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond;
b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft,
wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van bij voorkeur 1
op 50 000;
d. indien het plan wordt vervat in meerdere kaartbladen wordt een
overzichtskaart op kleinere schaal daaraan toegevoegd;
e. op de kaarten worden schaal en noordpijl aangegeven.
Hoofdstuk IV. Gemeentelijk planologisch beleid
Afdeling 1. Structuurplannen en bestemmingsplannen
§ 1. Algemeen
Artikel 9
1. Burgemeester en wethouders verrichten ten behoeve van de
toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente
onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en
wenselijke ontwikkeling van de gemeente.
2. Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan
heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek van stonde af aan mede
betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.
Artikel 10
Bij de voorbereiding van een structuurplan, een bestemmingsplan of
een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet
plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het
plan of de vrijstelling betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij
tevens overleg met de besturen van de gemeenten wier belangen
rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie
die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met
die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging
van belangen welke in het plan of de vrijstelling in het geding zijn.
§ 2. Structuurplannen
Artikel 11
1. Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat
in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in
hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig,
van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen
voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze
ontwikkeling voorzover mogelijk in beeld is gebracht.
2. Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld
van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de
uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek, voor zover dit
onderzoek op het plan betrekking heeft;
b. de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de
gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
d. een rapportering als bedoeld in artikel 6a van de wet juncto
artikel 150, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet.
3. Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal
bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt.
§ 3. Bestemmingsplannen
Artikel 12
1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor worden
vervat in:
a. een omschrijving van de in het plan vervatte bestemmingen,
waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven,
die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan
begrepen gronden worden toegekend, alsmede in voorkomend geval, een
beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop met het plan dat doel
of die doeleinden worden nagestreefd;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarop de
bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangewezen;
c. voor zover nodig, voorschriften omtrent het gebruik van de in
het plan begrepen grond en van de zich daarop bevindende opstallen;
d. voor zover nodig, regelen dan wel grenzen als bedoeld in de
artikelen 11, eerste lid, en 15 van de wet.
2. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan
vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de
uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek voor zover dit
onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft;
b. de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de
gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
d. een rapportering als bedoeld in artikel 6a van de wet juncto
artikel 150, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet;
e. in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van
overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in
artikel 31a, eerste lid, van de wet.
Artikel 13
1. Een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de wet
geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, geeft aan waarop de
uitwerkingsverplichting betrekking heeft.
2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid geeft
bovendien op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken
plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de
toekomstige ontwikkeling van dat plangebied.
Artikel 14
1. Op een besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
wet alsmede een ontwerp daarvoor is artikel 12, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bepaalde onder d
wordt vervangen door: d. voor zover nodig, regelen als bedoeld
in artikel 15 van de wet.
2. Een besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet,
alsmede een ontwerp daarvoor, gaan vergezeld van een toelichting, waarin
is neergelegd:
a. de aan het besluit ten grondslag liggende gedachten en, in
voorkomend geval, de uitkomsten van nader, het in het besluit begrepen
gebied betreffend, onderzoek als bedoeld in artikel 9;
b. in voorkomend geval, de uitkomsten van nader overleg als bedoeld
in artikel 10;
c. in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van
overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in
artikel 31a, eerste lid van de wet.
Artikel 15
1. Voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks
vereist, geeft het bestemmingsplan voorts aan:
a. de ligging en de afmetingen van woningen en van andere
geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinder, die gelegen zijn binnen de zone van
een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet
geluidhinder;
b. de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel
dan wel het aantal rijstroken daarvan.
2. Voor zover een bestemmingsplan op grond van artikel 11 van de
wet moet worden uitgewerkt dan wel kan worden gewijzigd, kan in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met het
aangeven van de voor woningen en gebouwen als bedoeld in het eerste lid
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, welke bij de uitwerking dan
wel de wijziging van het plan in acht moet worden genomen.
Artikel 16
1. De kaarten, bedoeld in artikel 12, worden ingericht met
inachtneming van de volgende voorschriften:
a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond;
b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft,
wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op
10 000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan een
andere schaal noodzakelijk maakt;
d. uit de kaarten moet blijken de aansluiting van het in het plan
begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied;
e. voor zover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de
bestemming in de naaste toekomst voor verwerkelijking in aanmerking
komt, worden deze gedeelten vervat in één of meer kaarten op een
schaal van ten minste 1 op 2500, waarop voorts de kadastrale grenzen,
sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen
percelen zijn aangegeven;
f. indien een bestemmingsplan uit meerdere kaarten bestaat, moet
uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de
aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
g. op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven;
h. op de kaarten worden de bestaande gebouwen en de namen van de
belangrijkste wegen, straten en waterwegen aangegeven.
2. De kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze
worden uitgevoerd. Zij moeten voorts van duurzaam materiaal vervaardigd
worden en goed vermenigvuldigbaar zijn.
Artikel 17
Voorlopige bestemmingen of voorlopige gebruiksregelen, als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, van de wet kunnen slechts in samenhang met
bestemmingen en gebruiksregelen, als bedoeld in de artikelen 10 en 11
van de wet, worden aangewezen of gegeven.
Afdeling 2. Voorschriften in acht te nemen bij het verlenen van
vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de wet
Artikel 18
1. De aanvraag om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17
of 19
van de wet gaat vergezeld van tenminste een duidelijke situatieschets
van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft.
2. Een aanvraag om een aanlegvergunning die slechts kan worden
ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17
of 19
van de wet, wordt mede aangemerkt als een aanvraag om zodanige
vrijstelling.
Artikel 19
Vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet wordt slechts
verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen
bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf
jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.
Artikel 19a
De ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
de wet, gaat vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop rekening
is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding.
Afdeling 3. Aanwijzing van gevallen als bedoeld in artikel 19, derde
lid van de wet
Artikel 20
1. Voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet
komen in aanmerking:
a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:
1°. een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen
gelijk blijft;
2°. een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal
woningen gelijk blijft en
a. het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw
niet groter is dan 25 m2,
b. de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag
en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5
meter, en
c. de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende
terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte
die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in
aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;
3°. een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander
gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits
de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:
a. het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en
b. de oppervlakte die op grond van het geldende
bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan
50% wordt overschreden;
b. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het
openbaar vervoer of het wegverkeer:
1°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m2,
en
2°. dat bestaat uit één bouwlaag en dat gemeten vanaf het
aansluitende terrein niet hoger is dan 5m;
c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
1°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m2,
en
2°. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is
dan 5m;
d. een kas of een bedrijfsgebouw van lichte constructie:
1°. ten dienste van een agrarische bestemming, en
2°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 100
m2;
e. een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom,
mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer
omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m2;
f. een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit
bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, in
de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne
is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de
hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de
voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is
dan 40 m;
g. een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten
behoeve van bewoning, mits:
1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de
Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet
milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij
gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;
3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de
recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien
onafgebroken bewoont.
2. Onder een gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder c, van de
Woningwet.
3. Onder een woongebouw als bedoeld in het eerste lid wordt
mede verstaan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder f, van de Huisvestingswet.
4. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g,
wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de aanvrager en diens met
name genoemde meerderjarige huisgenoten die voldoen aan het eerste
lid, aanhef en onderdeel g, onder 3e. Zij vervalt in elk geval zodra
de in de eerste volzin genoemde personen de bewoning hebben
beëindigd.
5. Vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt
in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door
de gemeente op 31 oktober
2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van
recreatiewoningen.
Hoofdstuk IVA. Regionaal planologisch beleid
Artikel 21
Het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam verricht ten
behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het
samenwerkingsgebied onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de
mogelijke en wenselijke ontwikkeling van dat gebied.
Artikel 21a
Bij de voorbereiding van een regionaal structuurplan pleegt het
dagelijks bestuur overleg met de besturen van bij het plan betrokken
waterschappen. Waar nodig pleegt het tevens overleg met de besturen van
de gemeenten of samenwerkingsgebieden wier belangen rechtstreeks in het
geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn
bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van
Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in
het plan in geding zijn.
Artikel 21b
1. Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor
worden vervat in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in
hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig,
van de fasen waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen
voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze
ontwikkeling voor zover mogelijk in beeld is gebracht.
2. Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan
vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de
uitkomsten van het in artikel 21 bedoelde onderzoek, voor zover dit
onderzoek op het plan betrekking heeft;
b. de uitkomsten van het in artikel 21a bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de
gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
3. Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal
bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt.
4. In een regionaal structuurplan wordt een concrete
beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en
herkenbaar aangegeven.
Hoofdstuk V. Planologische organen en adviesraden
Afdeling 1. Planologische organen op rijksniveau
§ 1. Rijksplanologische Commissie
Artikel 22
1. De leden van de Rijksplanologische Commissie worden benoemd
door Onze Ministers van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van
Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Financiën, van Defensie, en
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die ieder één lid benoemen,
Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ieder twee
leden benoemen en door Onze Ministers van Economische Zaken en van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, die ieder drie
leden benoemen.
2. Onze Minister kan één of meer deskundigen tot lid van de
Rijksplanologische Commissie benoemen.
Artikel 23
1. De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie kan zich
bij ontstentenis of ziekte doen vervangen door een door hem aan te
wijzen lid.
2. Bij ontstentenis of ziekte van een lid van de Commissie kan de
betrokken Minister voor een bepaalde termijn een ander tot lid benoemen.
Artikel 24
1. De Rijksplanologische Commissie heeft naast hetgeen de wet
daaromtrent bepaalt tot taak:
a. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen aan Onze
Minister omtrent het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening;
b. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen
betreffende streekplannen, en voorts voor zover van algemene aard of
strekking ten aanzien van structuurplannen, bestemmingsplannen en
andere maatregelen op planologisch gebied;
c. het ontwerpen van richtlijnen voor het planologische werk.
2. Van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de wet wordt
afgeweken voor wat betreft de maatregelen en plannen die worden
behandeld in de Centrale Landinrichtingscommissie, ingevolge artikel 7
van de Landinrichtingswet, behoudens in die gevallen waarin van de zijde
van een Onzer Ministers die in de Rijksplanologische Commissie
vertegenwoordigd is, tegen de maatregel of het plan bezwaar wordt
gemaakt op grond van het regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening.
Artikel 25
1. De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie roept de
Commissie in vergadering bijeen zo dikwijls hij dit nodig oordeelt of
indien één lid dit verzoekt. De oproep vermeldt de agenda van de
vergadering.
2. De Commissie kan uit haar midden werkcommissies vormen. De
voorzitter kan deskundigen uitnodigen tot het deelnemen aan
beraadslagingen van de Commissie of van een werkcommissie.
3. Op verzoek van een lid schorst de voorzitter de behandeling
van een zaak tot de volgende vergadering teneinde het lid gelegenheid te
geven met de Minister die hem heeft benoemd, ruggespraak te houden.
Artikel 26
1. Er is in de Rijksplanologische Commissie een subcommissie
voor algemene zaken.
2. Onze Minister bepaalt, de Rijksplanologische Commissie
gehoord, welke leden van deze Commissie zitting hebben in de in het
eerste lid bedoelde subcommissie. De voorzitter van de
Rijksplanologische Commissie is voorzitter van de subcommissie. Het
hoofd van de Rijksplanologische Dienst heeft zitting in de subcommissie.
3. Onze Minister kan, de Rijksplanologische Commissie gehoord,
niet-leden van deze Commissie als lid van de in het eerste lid bedoelde
subcommissie benoemen.
4. Het advies van de in dit artikel bedoelde subcommissie treedt
in de plaats van dat der Rijksplanologische Commissie, tenzij de
voorzitter of een lid behandeling in de Rijksplanologische Commissie
verlangt.
Artikel 27
1. In de adviezen van de Rijksplanologische Commissie of van de
subcommissie wordt desverlangd van gevoelens, van die der meerderheid
afwijkende, melding gemaakt.
2. De leden die in een vergadering van de Commissie of van de
subcommissie een mening kenbaar hebben gemaakt, van die der meerderheid
afwijkende, kunnen zich in deze vergadering de bevoegdheid voorbehouden
tot het uitbrengen van een afzonderlijk advies, dat bij het advies van
de Commissie of van de subcommissie wordt gevoegd.
§ 2. Rijksplanologische Dienst
Artikel 28
1. De standplaats van het hoofd van de Rijksplanologische
Dienst is 's-Gravenhage.
2. Ten behoeve van de vervulling van de taak van de dienst worden
ten hoogste vijf directies ingesteld.
3. Onze Minister stelt het aantal alsmede de omvang van de
werkzaamheden der directies vast.
4. Onze Minister kan ten behoeve van het verrichten van bepaalde
onderzoekingen van algemene of bijzondere aard ter voorbereiding van de
taakvervulling van de dienst commissies instellen, waarin uitsluitend of
voor het merendeel personen die niet tot de dienst behoren, zitting
hebben.
5. De in het vierde lid bedoelde commissies brengen advies uit
aan het hoofd van de dienst.
6. Het hoofd van de dienst legt op verzoek van Onze Minister bij
zijn advies dat van een overeenkomstig het vierde lid ingestelde
commissie over.
Artikel 29 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 30 [Vervallen per 25-02-2005]
Artikel 31 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 32 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 33 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 34 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 35 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 36 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 37 [Vervallen per 22-02-1995]
Afdeling 2. Provinciale Planologische Commissie
Artikel 38
1. De provinciale planologische
commissies worden zodanig samengesteld, dat de verschillende aspecten
die bij de ruimtelijke ordening zijn betrokken, daarin tot hun recht
komen.
2. In de provinciale planologische commissies hebben in elk geval
zitting de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de
provincie, de inspecteur, de eerstaanwezend ingenieur directeur van de
betrokken directie van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen van het
departement van Defensie, het regiohoofd van de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg, de regio-coördinator van de Rijksdienst voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek, het hoofd van de betrokken regio van het
ministerie van Economische Zaken, de betrokken regiodirecteur van het
ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de
regionaal-directeur voor de arbeidsvoorziening.
Hoofdstuk VI. Subsidies
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 38a
Onze Minister maakt vóór 1 november in de Staatscourant het
door hem vastgestelde subsidieplafond voor het daaropvolgende
kalenderjaar bekend.
Artikel 38b
1. Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel a, van de wet
genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover het
reguliere kosten voor het opstellen en herzien van ruimtelijke plannen
betreft.
2. Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel b, van de wet
genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover de kosten
uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen
komen.
3. Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel c, van de wet
genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover niet is
aangetoond dat de activiteiten in financiële en in bestuurlijke zin
haalbaar zijn of voor zover de kosten uit hoofde van een andere regeling
voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
Artikel 38c
Onze Minister kan ter uitvoering van de planologische kernbeslissing
over de Waddenzee subsidie verstrekken ten behoeve van het bestuurlijk
overleg over het Waddengebied.
§ 2. Subsidie-aanvraag
Artikel 38d
1. De subsidie-aanvraag wordt voorafgaand aan de activiteit bij
Onze Minister ingediend.
2. De activiteit vangt aan in het jaar waarop de
subsidie-aanvraag betrekking heeft.
3. De subsidie-aanvraag gaat in elk geval vergezeld van:
a. een sluitende begroting van de kosten of de wijze van
financiering van de activiteit, en
b. een beschrijving van de activiteit en een tijdsplanning.
4. Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de gegevens die
bij de subsidie-aanvraag dienen te worden verstrekt.
5. Aan de aanvrager wordt onverwijld een bericht van ontvangst
gezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.
§ 3. Subsidieverlening
Artikel 38e
Onze Minister neemt bij de verdeling van het beschikbare bedrag in
aanmerking:
a. het belang van de activiteit waarvoor een subsidie-aanvraag is
ingediend voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, en
b. de bijdrage van die activiteit aan de verwezenlijking van het
doel van de subsidie.
Artikel 38f
1. Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de
subsidie-aanvraag.
2. Onze Minister kan de beslissing voor ten hoogste acht weken
verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 38g
De subsidieverlening wordt geweigerd indien de subsidie-aanvrager
niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 38d, eerste tot en met
vierde lid.
§ 4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 38h
1. De subsidie-ontvanger voert de activiteit uit overeenkomstig
de door hem verstrekte gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand
toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken.
2. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en de
financieringswijze van de activiteit waarvoor een subsidie is verleend,
kan worden afgelezen.
3. Voor zover de activiteit zich over meer dan één kalenderjaar
uitstrekt legt de subsidie-ontvanger tevens éénmaal per kalenderjaar
een verslag omtrent de voortgang van de activiteit over aan Onze
Minister.
4. Onze Minister kan de subsidie-ontvanger bij de
subsidieverlening ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot
verwezenlijking van het doel van de subsidie.
§ 5. Subsidievaststelling
Artikel 38i
1. De subsidie-ontvanger dient binnen 13 weken na voltooiing
van de activiteit bij Onze Minister een aanvraag tot
subsidievaststelling in.
2. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
activiteitenverslag, waarbij de subsidie-ontvanger aantoont dat de
activiteit overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen
heeft plaatsgevonden, en een financieel verslag.
3. Indien de subsidie meer bedraagt dan € 50 000,
gaat het financiële verslag vergezeld van een verklaring van
getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing
van de wijze van besteding van de subsidie aan de wet en dit besluit.
4. Het derde lid is niet van toepassing op subsidieverstrekking
aan gemeenten of provincies.
Artikel 38ia
Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, provincie of een regionaal
openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke
regelingen is, wordt een subsidievaststelling aangevraagd in het jaar na
de voltooiing van de activiteit, door de verantwoordingsinformatie aan
Onze Minister te verstrekken, op de wijze, bedoeld in artikel 27 van het
Besluit financiële verhouding 2001.
§ 6. Voorschotten en betaling
Artikel 38j
1. Onze Minister kan op aanvraag voorschotten verlenen, met
dien verstande dat het totale bedrag aan verleende voorschotten niet
meer kan bedragen dan 80 procent van het bedrag van de verleende
subsidie.
2. In afwijking van het eerste lid, kan in naar het oordeel van
Onze Minister in aanmerking komende gevallen het totale bedrag van de
verleende voorschotten 100 procent bedragen van de verleende subsidie.
3. Een beschikking tot voorschotverlening vermeldt de termijnen
waarbinnen de voorschotten worden uitbetaald. Aan de beschikking kunnen
verplichtingen worden verbonden.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 39 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 40 [Vervallen per 22-02-1995]
Artikel 41 [Vervallen per 03-04-2000]
Artikel 42
1. Dit besluit treedt in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. Het kan worden aangehaald als: Besluit op de ruimtelijke
ordening 1985.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 2 december 1985
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de twaalfde december 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|