BESLUIT van 15 augustus 1985, houdende uitvoering van
de artikelen 10 en 147a van de Wet geluidhinder (Stb.
1979, 99) met betrekking tot de uitlaatsystemen van motorvoertuigen en
bromfietsen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 25 januari 1985, MJZ 2515017, gedaan in
overeenstemming met de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en
Onze Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 10 en 147a van de
Wet geluidhinder (Stb. 1979, 99);
Overwegende dat het, mede ter uitvoering van de
Richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 13 april
1981, nr. 81/334/EEG (PbEG L 131), houdende aanpassing aan de
stand van de techniek van Richtlijn 70/157/EEG van de Raad inzake de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende
het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van
motorvoertuigen, wenselijk is regelen te stellen met betrekking tot de
uitlaatsystemen van motorvoertuigen en bromfietsen;
Gehoord de Centrale Raad voor de Milieuhygiëne
(advies van 7 juni 1982, nr. 460);
De Raad van State gehoord (advies van 22 april
1985, nr. W08.85.0052/20.5.16.);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i. van 7
augustus 1985, nr. MJZ 0785029, uitgebracht in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van
Economische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder Onze
Ministers: Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Economische Zaken te
zamen.
2. Onder een uitlaatsysteem wordt verstaan een uitlaatinrichting
in de zin van de wegenverkeerswetgeving, of een onderdeel van zodanige
uitlaatinrichting, bestemd voor een motorvoertuig of voor een bromfiets.
3. Onder bromfiets wordt verstaan: een bromfiets als bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van de Wegenverkeerswet 1994.
Hoofdstuk II. Verbodsbepalingen
Artikel 2
Het is verboden uitlaatsystemen voor motorvoertuigen op ten minste
vier wielen te vervaardigen, in te voeren, in voorraad te hebben, te
koop aan te bieden, af te leveren of te vervoeren die niet behoren tot
een type:
a. waarvoor een goedkeuring geldt ingevolge een keuring, door een
door Onze Minister aangewezen instantie verricht aan de hand van de
krachtens artikel 5 geldende voorschriften, of
b. dat blijkens een door een andere Lid-Staat van de Europese
Gemeenschappen of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven document als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, derde streepje, van de richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970, nr.
70/156/EEG (PbEG L 42), inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van
motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, voldoet aan de
voorschriften van de richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 6 februari 1970, nr. 70/157/EEG (PbEG L
42), inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de
Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de
uitlaatinrichting van motorvoertuigen.
Artikel 3
Het is verboden uitlaatsystemen voor motorvoertuigen op minder dan
vier wielen of voor bromfietsen te vervaardigen, in te voeren, in
voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of te
vervoeren, die niet behoren tot een type:
a. waarvoor een goedkeuring geldt ingevolge een keuring, door een
door Onze Minister aangewezen instantie verricht aan de hand van de
krachtens artikel 5 geldende voorschriften, of
b. dat blijkens een typegoedkeuringsverklaring als bedoeld in
artikel 4, vierde lid, van richtlijn nr. 2002/24/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 maart 2002 (PbEG L
124) betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige
motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn nr. 92/61/EEG van de
Raad voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk 9 van richtlijn nr.
97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen
van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226).
Artikel 4
1. De artikelen 2 en 3 gelden niet indien de handelingen
geschieden met het oog op het buiten Nederland in de handel brengen
van uitlaatsystemen.
2. De artikelen 2 en 3 gelden voorts niet ten aanzien van
uitlaatsystemen:
a. die zich in het kader van bedrijfsmatige vervaardiging nog
bevinden in het stadium van beproeving of onderzoek;
b. die dienen als monster bij een ingevolge dit besluit te
verrichten keuring.
Hoofdstuk III. Typekeuring
Artikel 5
Onze Minister stelt voorschriften vast, aan de hand waarvan de in
artikel 2, onder a , en de in artikel 3 bedoelde keuring wordt
verricht.
Artikel 6
De aanvraag voor een keuring als bedoeld in artikel 2, onder a
, of artikel 3, onder a , wordt slechts in behandeling genomen,
indien de aanvrager de bepalingen van het in artikel 10 bedoelde, voor
die keuring geldende reglement in acht neemt.
Artikel 7
Goedkeuring van een type wordt geweigerd indien het uitlaatsysteem
niet beantwoordt aan de krachtens artikel 5 met betrekking tot de
keuring van de betrokken categorie uitlaatsystemen geldende
voorschriften.
Onze Ministers stellen voor elke der
door hen op grond van artikel 2, onder a, of 3 aangewezen
keuringsinstanties een reglement vast ter zake van de ingevolge dit
besluit te verrichten keuringen.
2. Een reglement als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval
bepalingen omtrent:
a. de bij de aanvraag voor een keuring als bedoeld in artikel 2,
onder a , of artikel 3, onder a , te verstrekken
gegevens;
b. de wijze waarop en de staat waarin het uitlaatsysteem tot de
keuring ter beschikking dient te worden gesteld;
c. de voor de keuring verschuldigde vergoeding.
Hoofdstuk VI. Wijziging keuringsvoorschriften
Artikel 11
In geval van wijziging van de voorschriften, bedoeld in artikel 5,
die ten grondslag hebben gelegen aan een goedkeuring als bedoeld in
artikel 2, onder a , of in artikel 3, onder a , kunnen
Onze Ministers bepalen dat bij het verstrijken van een door hen te
stellen termijn die goedkeuring ophoudt te gelden. In een dergelijk
geval wordt een overgangsregeling getroffen op dezelfde wijze als is
voorzien in artikel 12.
Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 12
1. Met betrekking tot uitlaatsystemen behorende tot een type
dat reeds voor het in werking treden van dit besluit in de handel was,
gelden de artikelen 2 en 3 voor wat betreft het verbod om:
a. te vervaardigen of in te voeren, behoudens het in het tweede lid
bepaalde, met ingang van 1 april 1986;
b. in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of
te vervoeren, met ingang van 1 oktober 1987 voor wat betreft
fabrikanten, importeurs en groothandel en met ingang van 1 oktober
1988 voor wat betreft de detailhandel.
2. Voor uitlaatsystemen als bedoeld in de aanhef van het eerste
lid, geldt het verbod om in te voeren van voor 1 april 1986 vervaardigde
uitlaatsystemen met ingang van 1 oktober 1987.
Artikel 12a
Het in artikel 3, onder b, gestelde verbod is tot 17 juni 1999 niet
van toepassing op uitlaatsystemen die behoren tot een type dat blijkens
een certificaat als bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr. 78/1015/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1978 inzake
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende
het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorrijwielen
(PbEG L 349) voldoet aan de voorschriften van die richtlijn.
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van de zevende kalendermaand
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.
Artikel 14
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit uitlaatsystemen
motorvoertuigen en bromfietsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
’s-Gravenhage, 15 augustus 1985
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P. Winsemius
Uitgegeven de vijfde september 1985
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes