|
BESLUIT van 29 december 1994, houdende vaststelling
van een geluidszone op het grondgebied van de gemeenten Brunssum en
Onderbanken rond het luchtvaartterrein Teveren/Geilenkirchen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 7 juli 1994, nr. MJZ07794031, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 108, 110 en 130 van de
Wet geluidhinder;
Gehoord de raden van de gemeenten Brunssum en
Onderbanken en provinciale staten van de provincie Limburg;
De Raad van State gehoord (advies van 17
november 1994, nr. W08.94 0438);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 december
1994, nr. MJZ 22d94046, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Wet geluidhinder;
b. luchtvaartterrein: luchtvaartterrein Teveren/Geilenkirchen;
c. zone: geluidszone als bedoeld in artikel 3;
d. geluidsbelasting in Kosteneenheden: geluidsbelasting op een
bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke op een
luchtvaartterrein landende en opstijgende luchtvaartuigen,
vastgesteld volgens de formule: geluidsbelasting = 20 log Σ n
10L/15 - 157:
waarin het teken "Σ" staat voor de optelling van
de bijdragen van alle vliegtuigen die ter plaatse voorbij vliegen
in een periode van een jaar;
waarin het teken "n" staat voor een factor gelijk aan
1 gedurende de periode van 8.00 tot 18.00 uur en voor de verdere
tijdsperiode volgens onderstaande tabel:
|
n
|
Tijdsperiode (lokale tijd)
|
|
|
factor
|
Van
uur
|
Tot
uur
|
|
10
|
0.00
|
6.00
|
|
8
|
6.00
|
7.00
|
|
4
|
7.00
|
8.00
|
|
1
|
8.00
|
18.00
|
|
2
|
18.00
|
19.00
|
|
3
|
19.00
|
20.00
|
|
4
|
20.00
|
21.00
|
|
6
|
21.00
|
22.00
|
|
8
|
22.00
|
23.00
|
|
10
|
23.00
|
24.00
|
en waarin het teken "L" staat voor het maximaal geluidsniveau
in dB(A) dat voor een passerend luchtvaartuig ter plaatse in de
buitenlucht wordt of kan worden gemeten;
e. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie
Limburg;
f. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van
de gemeenten Brunssum en Onderbanken.
2. Een gymnastieklokaal maakt voor de toepassing van hoofdstuk
II geen deel uit van de in het eerste lid, onder e, onder 1°,
bedoelde gebouwen.
Artikel 2
1. Indien artikel 110f van de wet van toepassing is, geven
gedeputeerde staten slechts toepassing aan de artikelen 8, tweede en
derde lid, 9, derde en vierde lid, of 10, tweede lid, voor zover de
berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen na de
correctie op grond van artikel 110f, derde lid, van de wet niet leiden
tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
2. Indien artikel 110f van de wet van toepassing is, passen
gedeputeerde staten artikel 11, eerste lid, zodanig toe dat de
berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen niet
leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
Artikel 3
Er is een geluidszone op het grondgebied van de gemeenten Brunssum en
Onderbanken rond het luchtvaartterrein, waarvan de grenzen zijn
aangegeven op de kaart in de bij dit besluit behorende bijlage.
Hoofdstuk II. Maatregelen in zones
§ 1. Bestemmingsplan
Artikel 4
1. Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat
geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot de
zone, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen of
aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, de
waarden in acht genomen die ingevolge de artikelen 8, eerste lid, 9,
eerste en tweede lid, 10, eerste lid, en 11 als de ten hoogste
toelaatbare worden aangemerkt.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling of
herziening van een bestemmingsplan als in dat lid bedoeld hogere
waarden in acht genomen, voor zover:
a. gedeputeerde staten met toepassing van artikel 8, tweede en
derde lid, 9, derde en vierde lid, 10, tweede lid, of 11, eerste
lid, voor de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan
zodanige waarden hebben vastgesteld, dan wel
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een
vaststelling of herziening van het plan in afwijking van het
ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, en redelijkerwijs
valt aan te nemen dat zij door gedeputeerde staten met toepassing
van artikel 8, tweede en derde lid, 9, derde en vierde lid, 10,
tweede lid, of 11, eerste lid, zullen worden vastgesteld.
Artikel 5
Bij het geven van een beschikking tot ontheffing als bedoeld in
artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening, dan wel het nemen van een
projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die
wet dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot
de zone, is ten aanzien van de in acht te nemen waarden ter zake van de
geluidsbelasting, vanwege het luchtvaartterrein, artikel 4, eerste en
tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
Bij het voorbereiden van de vaststelling of herziening van een
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt vanwege
burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar de
geluidsbelasting, die door woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen binnen de zone vanwege het luchtvaartterrein
wordt ondervonden.
Artikel 7 [Vervallen per 25-02-2005]
§ 2. Ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones
Artikel 8
1. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, van de woningen die op het tijdstip van in werking
treden van dit besluit binnen de zone, nog niet aanwezig of nog niet
in aanbouw zijn, is 35 Kosteneenheden.
2. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting van woningen als bedoeld in het eerste lid een hogere
waarde vaststellen dan 35 Kosteneenheden, met dien verstande dat deze
waarde 40 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten een
hogere waarde vaststellen dan 40 Kosteneenheden, met dien verstande
dat deze waarde 45 Kosteneenheden niet te boven mag gaan, voor wat
betreft:
a. geprojecteerde woningen,
b. woningen die in plaats van geprojecteerde woningen worden
gebouwd, omdat het geldende bestemmingsplan om
financieel-economische redenen moet worden herzien, of
c. woningen die om redenen van bedrijfs- of grondgebondenheid
noodzakelijk zijn.
4. Gedeputeerde staten kunnen een hogere waarde als bedoeld in het
tweede en derde lid alleen vaststellen indien zodanige geluidwerende
voorzieningen aan de woning worden getroffen, dat de geluidsbelasting
binnen de woning een milieuhygiënisch aanvaardbaar niveau niet te
boven gaat.
5. Onverminderd het vierde lid kunnen gedeputeerde staten een
hogere waarde als bedoeld in het tweede lid en in het derde lid voor
wat betreft de in dat lid onder a en b bedoelde woningen alleen
vaststellen indien naar hun oordeel:
a. de woningen een open plaats in de bestaande te handhaven
bebouwing opvullen;
b. uit een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het
luchtverkeer op het luchtvaartterrein en de daarmee samenhangende
geluidsbelasting door luchtvaartuigen blijkt dat de
geluidsbelasting ter plaatse binnen redelijke termijn tot 35
Kosteneenheden of minder zal afnemen;
c. de woningen zullen dienen ter vervanging van op die plaats
reeds aanwezige bebouwing, of
d. de woningen zullen dienen voor de huisvesting van door de
gemeente aangewezen woningzoekenden voor wie huisvesting elders in
het woningmarktgebied op overwegende bezwaren zou stuiten.
6. Onverminderd het vierde en vijfde lid kunnen gedeputeerde staten
een hogere waarde als bedoeld in het derde lid voor wat betreft de in
dat lid, onder b, bedoelde woningen slechts vaststellen indien het
voorziene aantal geluidgehinderden en de aan de woningen optredende
geluidsbelasting niet wezenlijk toenemen.
Artikel 9
1. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, van woningen die op het tijdstip van in werking
treden van dit besluit binnen de zone reeds aanwezig of in aanbouw
zijn, is 40 Kosteneenheden.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde woningen op het tijdstip
van in werking treden van dit besluit reeds een hogere
geluidsbelasting ondervinden dan 40 Kosteneenheden is de ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het luchtvaartterrein, van die
woningen 55 Kosteneenheden.
3. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting van woningen als bedoeld in het eerste lid een hogere
waarde vaststellen dan 40 Kosteneenheden, met dien verstande dat deze
waarde 55 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
4. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting van woningen als bedoeld in het tweede lid een hogere
waarde vaststellen dan 55 Kosteneenheden, met dien verstande dat deze
waarde 65 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
5. Op de vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het
derde en vierde lid is artikel 8, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 10
1. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, van andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen die op het tijdstip van in werking treden
van dit besluit binnen de zone nog niet aanwezig of in aanbouw
onderscheidenlijk in aanleg zijn, is 35 Kosteneenheden.
2. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting van andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in het eerste lid een hogere
waarde vaststellen dan 35 Kosteneenheden, met dien verstande dat deze
waarde voor andere geluidsgevoelige gebouwen 45 Kosteneenheden en voor
geluidsgevoelige terreinen 40 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
3. Op de vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het
tweede lid is artikel 8, vierde lid en vijfde lid, onder a, b en c ,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
1. Gedeputeerde staten stellen voor andere geluidsgevoelige
gebouwen die op het tijdstip van in werking treden van dit besluit
binnen de zone, reeds aanwezig of in aanbouw zijn, een waarde voor de
ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, vast, met dien verstande dat deze waarde 65
Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
2. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege het
luchtvaartterrein, van geluidsgevoelige terreinen die op het tijdstip
van in werking treden van dit besluit binnen de zone reeds aanwezig of
in aanleg zijn, is 40 Kosteneenheden.
3. Gedeputeerde staten stellen een waarde als bedoeld in het eerste
lid alleen vast indien zodanige geluidwerende voorzieningen aan een
ander geluidsgevoelig gebouw worden getroffen, dat de geluidsbelasting
binnen de ruimten, genoemd in het vierde lid, een milieuhygiënisch
aanvaardbaar niveau niet te boven gaat.
4. De ruimten, bedoeld in het derde lid, zijn verblijfsruimten als
bedoeld in artikel 1.1, onder e, van het Besluit geluidhinder.
Artikel 12
1. Indien woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen die op het
tijdstip van in werking treden van dit besluit binnen de zone reeds
aanwezig zijn, worden vervangen door woningen, is artikel 9 van
overeenkomstige toepassing op de vervangende woningen.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien naar het oordeel van
gedeputeerde staten de vervanging door woningen zou leiden tot:
a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige
functie of structuur;
b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij
toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen, of
c. een wezenlijke toename van de aan de woningen optredende
geluidsbelasting.
Artikel 13
Indien woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in
artikel 12, eerste lid, worden vervangen door andere geluidsgevoelige
gebouwen zijn de artikelen 11, eerste en derde lid, en 12, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk verzoek van burgemeester
en wethouders de in de artikelen 8, tweede en derde lid, 9, derde en
vierde lid, en 10, tweede lid, bedoelde hogere waarden en de waarden,
bedoeld in artikel 11, eerste lid, vaststellen.
Hoofdstuk III. Andere geluidsbronnen
Artikel 15
De hoofdstukken V, VI en VII van de wet zijn van overeenkomstige
toepassing op het voorkomen of beperken van geluidsbelasting vanwege
industrieterreinen, vanwege wegen onderscheidenlijk spoor-, tram-, en
metrowegen, gelegen in de zone.
Hoofdstuk IV. Commissie
Artikel 16
1. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie een commissie instellen, die voor de zone tot taak heeft:
a. Onze Minister te adviseren terzake van de toepassing van
Hoofdstuk VIII van de wet juncto artikel 130 van de wet voor
gebieden in Limburg waar ernstige geluidhinder vanwege het
luchtvaartterrein optreedt;
b. Onze Minister en Onze Minister van Defensie te adviseren
over de maatregelen en voorschriften ter vermindering van de
geluidhinder en eventuele andere hinderfactoren op Nederlands
grondgebied rondom het luchtvaartterrein;
c. in voorkomende gevallen informatie te verstrekken en
voorlichting te geven met betrekking tot de geluidsaspecten van
het gebruik van het luchtvaartterrein.
2. De commissie is bevoegd Onze Minister en Onze Minister van
Defensie ongevraagd voorstellen te doen.
3. De commissie kan zich doen voorlichten door deskundigen buiten
de commissie.
4. In de commissie hebben zitting:
a. het lid van gedeputeerde staten, belast met het
milieubeheer, alsmede een lid, aan te wijzen door en uit
gedeputeerde staten;
b. de burgemeester van de gemeente Brunssum, alsmede twee door
burgemeester en wethouders van die gemeente aan te wijzen
vertegenwoordigers;
c. de burgemeester van de gemeente Onderbanken, alsmede drie
door burgemeester en wethouders van die gemeente aan te wijzen
vertegenwoordigers;
d. twee door Onze Minister aan te wijzen vertegenwoordigers;
e. twee door Onze Minister van Defensie aan te wijzen
vertegenwoordigers;
f. één vertegenwoordiger aan te wijzen door de commandant van
de vliegbasis Teveren/Geilenkirchen.
5. Het lid van gedeputeerde staten, belast met het milieubeheer, is
voorzitter, het andere lid van gedeputeerde staten is vice-voorzitter.
6. De aanwijzing van vertegenwoordigers door burgemeester en
wethouders kan te allen tijde door deze worden gewijzigd of
ingetrokken.
Artikel 17
1. De commissie stelt een reglement van orde op.
2. In dit reglement worden in ieder geval regels gesteld met
betrekking tot onderwerpen als de vervanging van commissieleden bij
afwezigheid, de vergaderfrequentie, alsmede de openbaarheid van
vergaderingen en notulen.
Artikel 18
1. De commissie heeft een secretariaat, bestaande uit een
secretaris, een plaatsvervangend secretaris en een functionaris ten
behoeve van voorlichting en contacten met derden. De leiding van het
secretariaat berust bij de secretaris.
2. De secretaris, de plaatsvervangend secretaris en de
functionaris, bedoeld in het eerste lid, worden aangewezen door
gedeputeerde staten.
3. Gedeputeerde staten kunnen voorts deskundigen op het gebied van
ruimtelijke ordening en milieubeheer aanwijzen ten behoeve van
ambtelijke bijstand aan de commissie.
Hoofdstuk V. Financiële bepalingen
Artikel 19
Onze Minister draagt de kosten die zijn verbonden aan de
instandhouding van het zonebewakingssysteem.
Artikel 20
1. Onze Minister draagt jaarlijks € 9 075,60 bij in de kosten die
zijn verbonden aan het secretariaat en de vergaderingen van de
commissie, bedoeld in artikel 16, mits hij heeft ingestemd met de
begroting van de commissie voor dat kalenderjaar.
2. Onze Minister kan, na overleg met gedeputeerde staten en
burgemeester en wethouders, het in het eerste lid bedoelde bedrag bij
ministeriële regeling wijzigen.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 21
1. Totdat de door Onze Minister bij besluit van 12 februari 1990
(Stcrt. 33) ingestelde Commissie AWACS anders besluit, wordt deze
commissie geacht de commissie te zijn, bedoeld in artikel 16.
2. Totdat de Commissie AWACS, genoemd in het eerste lid, anders
besluit, treedt het vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit door deze commissie vastgestelde reglement van orde in de
plaats van het reglement van orde, bedoeld in artikel 17.
3. Het besluit van Onze Minister van 12 februari 1990 houdende
samenstelling en taakstelling commissie AWACS, wordt ingetrokken.
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zonering buitenlands
luchtvaartterrein Zuid-Limburg.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 december 1994
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de tweede februari
1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlage
|