| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet milieubeheer (Wm)
INRICHTINGEN-
EN VERGUNNINGENBESLUIT MILIEUBEHEER
Tekst zoals deze geldt op
24 juli 2010
Vervallen
m.i.v. 1 oktober 2010
|
|
|
BESLUIT van 5 januari 1993, houdende uitvoering van de hoofdstukken 1
en 8 van de Wet milieubeheer en hoofdstuk V van de Wet geluidhinder
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 23 december 1991, nr. MJZ 23d91011,
Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 1.1, derde en vijfde lid, 8.2, tweede lid, 8.5,
8.7, eerste en derde lid, 8.19, derde lid, 8.35, eerste lid, 8.44, derde
lid, en 21.7 van de Wet milieubeheer en, voor zover het betreft artikel
2.4 van dit besluit, op artikel 41 van de Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (adviezen van 3 november 1992, no.
W08.91.0724 en van 4 december 1992, no. W08.92.0315);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 december 1992, nr.
MJZ30d92043, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, en
het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 30 december 1992, nr. MJZ30d92044, Centrale
Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieubeheer;
b. vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de
wet;
c. bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
d. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de
Wet bodembescherming;
e. genetische modificatie, micro-organismen, organismen en
genetisch gemodificeerde organismen: hetgeen daaronder wordt
verstaan in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen
milieubeheer;
f. regionaal openbaar lichaam: een regionaal openbaar lichaam als
bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering;
g. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een regionaal
openbaar lichaam;
h. samenwerkingsgebied: een samenwerkingsgebied als bedoeld in de
Kaderwet bestuur in verandering;
i. autowrak: motorrijtuig op meer dan twee wielen dat een
afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
milieubeheer;
j. groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10,
100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun
aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een
ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof
betrokken is;
k. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een
inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die
onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt
als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die
inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is;
l. invloedsgebied: gebied waarin volgens door Onze Minister bij
ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het
Besluit externe veiligheid inrichtingen te stellen regels personen
worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Hoofdstuk 2. Aanwijzing van categorieën van inrichtingen
Artikel 2.1
1.Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1,
derde lid, van de wet, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen
veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die
in bijlage I zijn genoemd.
2.In afwijking van het eerste lid heeft de aanwijzing geen
betrekking op inrichtingen voor de uitoefening van detailhandel, voor
zover die aanwijzing uitsluitend zou gelden omdat in de inrichting
stoffen, preparaten of andere produkten worden op- of overgeslagen,
die zijn genoemd in bijlage I, onder de categorieën 4.1, onder b tot
en met f, 6.1, 8.1, 9.1, 11.1, met uitzondering van asbest of
asbesthoudende produkten, 12.1, 15 of 16.1.
Artikel 2.2
Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.17, tweede
lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die
zijn genoemd in bijlage I, onder 28.4, onder a tot en met d en onder g,
28.5 en 28.6.
Artikel 2.3 [Vervallen per 28-04-2005]
Artikel 2.4
1.Als categorie van inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde
lid, van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder
kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen
die zijn genoemd in bijlage I, onder:
1.3, onder a, b, voor zover het thermisch vermogen 75 MW of meer
bedraagt, c, 1° en 2°, en d, waarbij voor de toepassing van
onderdeel 1.3 veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing of
winning van aardgas buiten beschouwing blijven,
2.6, onder b, voor zover het betreft
aardgasbehandelingsinstallaties bij aardgaswinputten en
gasverzamelinrichtingen, en c,
4.3, onder d,
5.3, onder b,
6.2,
9.3,
11.3, onder a tot en met e, onder g en onder k,
12.2, onder a tot en met g,
12.2, onder h, voor zover het smeltpunt van de metalen of hun
legeringen hoger is dan 800 K,
13.3, onder b,
14.2, voor zover een rangeerheuvel aanwezig is,
16.2,
19.2,
20.1, onder b,
24.2 en
27.3.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel 1.3, onder b,
voor zover het thermisch vermogen 75 MW of meer bedraagt, blijven
buiten beschouwing inrichtingen voor het verstoken van biomassa
waarvan het equivalente geluidsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de
in de inrichting aanwezige vast opgestelde toestellen en installaties,
alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en
activiteiten op de grens van het bedrijventerrein niet meer bedraagt
dan:
a. 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;
b. 45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;
c. 40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.
Hoofdstuk 3. Bevoegd gezag
Artikel 3.1
Gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of
in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, zijn bevoegd te beslissen op de
aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot
een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.
Artikel 3.2
Onze Minister is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een
vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie
die in bijlage II is aangewezen.
Artikel 3.3
1.Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in
overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op de aanvraag om een
vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie
die in bijlage I is aangewezen en die zijn of zullen zijn gelegen op
of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een
gemeente of provincie.
2.In afwijking van het eerste lid, is Onze Minister van Economische
Zaken bevoegd te beslissen op een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting die een krachtens artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet
aangewezen mijnbouwwerk is, voor zover het niet betreft de
ondergrondse gelegen inrichting voor het opslaan van afvalstoffen die
van buiten het betrokken mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel
gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 4. De wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet
geschieden
Artikel 4.1
1.De aanvraag om een vergunning wordt in viervoud ingediend, indien
zij betrekking heeft op een inrichting waarvoor burgemeester en
wethouders bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag.
2.De aanvraag om een vergunning wordt in zesvoud bij het bevoegde
gezag ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting
waarvoor het dagelijks bestuur, gedeputeerde staten, Onze Minister,
Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag.
3.In gevallen waarin bij de artikelen 7.1, dan wel 7.2 of 7.3 van
dit besluit meer dan een, onderscheidenlijk drie adviseurs en
betrokken bestuursorganen zijn aangewezen, verstrekt de aanvrager op
verzoek van het bevoegd gezag even zoveel meer exemplaren van de
aanvraag.
Artikel 4.2
De bij de vergunningaanvraag behorende stukken worden door of namens
de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.
Hoofdstuk 5. Gegevensverstrekking
§ 1. Gegevensverstrekking bij een aanvraag om een vergunning voor
het oprichten onderscheidenlijk het in werking hebben van een inrichting
§ 1.1. Algemeen
Artikel 5.1
1.In of bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten of het
in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder a en c, van de wet, vermeldt de aanvrager:
a. zijn naam en adres;
b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de
inrichting;
c. de aard van de inrichting;
d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen
in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen
technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van
energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang
kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het
milieu, die de inrichting kan veroorzaken;
e. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld onder d,
kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-,
neven- en eindproducten;
f. de maximale capaciteit van de inrichting en het maximale
motorische of thermische vermogen van de tot de inrichting
behorende installaties;
g. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de inrichting of
de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn;
h. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de
inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder
begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor
het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;
i. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van:
1°. het voorkomen of beperken van het ontstaan van
afvalstoffen in de inrichting;
2°. het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor
nuttig toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting
ontstaan;
3°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting;
4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de
inrichting ontstaan;
j. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden
getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de
inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken;
k. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de
inrichting de belasting van het milieu, die de inrichting
veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd, en
l. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten
ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting die voor de
beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn;
m. voor zover het betreft inrichtingen waartoe
gpbv-installaties behoren: een beknopte beschrijving van de
belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voor
zover deze bestaan.
2.De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting
van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Artikel 5.2
Indien de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar
haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij
vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de inrichting
buiten werking zal worden gesteld.
Artikel 5.3
In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten
van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van
de Woningwet, verstrekt de aanvrager aan het bevoegd gezag:
a. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk
met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt ingediend,
een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning bij zijn aanvraag;
b. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen niet
tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt
ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning
gelijktijdig met de indiening van die aanvraag.
Artikel 5.4
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag,
verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens met betrekking tot:
a. voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die
redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;
b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen
veroorzaken;
c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te
onderscheiden vormen van belasting van het milieu;
d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het
milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan
veroorzaken, te voorkomen of te beperken.
Artikel 5.5
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag,
verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag
de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de
plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen.
Artikel 5.6
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag,
verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag
nadere gegevens.
Artikel 5.7
1.De in artikel 5.1, eerste lid, of 5.4 vermelde gegevens behoeven
niet te worden verstrekt indien:
a. de aanvrager die gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft
verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt, dan wel
b. het bevoegd gezag op verzoek van de aanvrager heeft beslist
dat verstrekking van die gegevens voor het nemen van een
beslissing op de aanvraag niet nodig is.
2.De aanvrager deelt in of bij de aanvraag mee ten aanzien van
welke gegevens het eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, is
toegepast.
§ 1.2. Aanvullende regels voor bepaalde categorieën van
inrichtingen
Artikel 5.8
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort
tot een of meer in deze paragraaf genoemde categorieën, verstrekt de
aanvrager, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit
hoofdstuk, de daarbij genoemde gegevens.
Artikel 5.9
1.Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die
behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze
Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag,
vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maatregelen die worden
getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting kan
veroorzaken, te voorkomen of te beperken:
a. tijdens het in werking zijn van de inrichting of de te
onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van
toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal
bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden;
b. ten gevolge van voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van
de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten.
2.Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarvoor
Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat bevoegd is te beslissen, kan hij bepalen dat
het eerste lid buiten toepassing blijft, indien die gegevens niet
nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag gezien de aard of de
omvang van de gevolgen die die inrichting voor het milieu kan
veroorzaken.
Artikel 5.10
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort
tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 11.1, 12.1, 13.1,
onder a, 1° tot en met 3°, 17, onder a, 18 of 19, of die behoort tot
een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze
Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de
aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag in of bij de aanvraag:
a. de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten
geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd
gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken;
b. de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen;
c. de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de
geluidsbelasting zijn vastgesteld.
Artikel 5.11
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort
tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4 of 28.5,
vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag:
a. de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van
de inkomende afvalstoffen;
b. de procedures van acceptatie en controle van de inkomende
afvalstoffen;
c. de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een
schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan;
d. de tarieven die de aanvrager voor het nuttig toepassen of
verwijderen wil vaststellen alsmede de wijze waarop de tarieven zijn
samengesteld;
e. de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting
werkzame personen;
f. de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden
geregistreerd;
g. de wijze waarop de bij het proces van nuttig toepassen of
verwijderen ontstane stoffen, preparaten of andere producten of
afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd, nuttig toegepast of
verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan;
h. de ondernemings- en organisatiestruktuur, alsmede de regeling
van de feitelijke leiding van de activiteiten in de inrichting;
i. de naam en het adres van degene die de feitelijke leiding van
de activiteiten heeft in de inrichting.
Artikel 5.12
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot
een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.6, vermeldt de
aanvrager in of bij de aanvraag de aard, de samenstelling, de
hoeveelheid en de herkomst van de betrokken afvalstoffen.
Artikel 5.13
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die
behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.1,
onder c, onder 28.4, onder f, of 28.4, onder g, in gevallen waarin
sprake is van het storten van afvalstoffen, vermeldt de aanvrager in
of bij de aanvraag:
a. de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting
zal zijn of is gelegen;
b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische
omstandigheden op de plaats waar de inrichting zal zijn of is
gelegen, waaronder ten minste gegevens met betrekking tot:
1°. voor zover van toepassing de gemiddelde
grondwaterstand, vastgesteld door metingen volgens de door het
Nederlands Normalisatie Instituut uitgeven norm NEN 5766,
uitgave 1990, welke metingen tenminste tweemaal per maand op
de 14e en 28e van die maand, gedurende een periode van
tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de
aanvraag zijn verricht;
2°. de grondwaterstroming;
3°. de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van
de bodemlagen;
c. de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de
omvang en de duur daarvan die de inrichting naar verwachting kan
veroorzaken na de beëindiging van de werking van de inrichting of
de sluiting daarvan;
d. de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem
brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënische beheer van die
stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld;
e. een exploitatie-, toezicht- en controleplan dat ten minste
de gegevens, bedoeld in de onderdelen d, e, f, g en k van artikel
5.1, alsmede de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met h
van artikel 5.11, bevat.
2. In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting
als bedoeld in het eerste lid, toont de aanvrager aan dat financiële
zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften
met betrekking tot:
a. de bovenafdichting van een stortplaats, niet zijnde een
stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort;
b. het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch
isolatiesysteem, of het zo nodig aanbrengen van een afdeklaag op
een stortplaats, zijnde een stortplaats waar uitsluitend
baggerspecie wordt gestort.
3. Indien een gemeente-, een provincie-, of een waterschapsbestuur,
dan wel het Rijk, vergunninghouder zal zijn, kan in afwijking van het
tweede lid in plaats van het stellen van financiële zekerheid een
daaraan gelijkwaardige voorziening zijn of worden getroffen.
4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als
bedoeld in het eerste lid in gevallen waarin sprake is van het storten
van afvalstoffen in de diepe ondergrond, gaat zij tevens vergezeld van
een rapport, inhoudende een veiligheidsbeoordeling die voldoet aan
onderdeel 2.5 van de bijlage bij de beschikking nr. 2003/33/EG van de
Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van
criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op
stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn
1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L11).
5. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als
bedoeld in het eerste lid en er sprake is van het opslaan of storten
van metallisch kwik, voldoet deze tevens aan artikel 4, eerste lid,
van verordening (EG) nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de
Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van
metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige
opslag van metallisch kwik (PbEU L 304/75).
6. Een wijziging van de bijlage, bedoeld in het vierde lid, gaat
voor de toepassing van dat lid gelden met ingang van de dag waarop aan
de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 5.13a
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een afvalvoorziening,
gaat de aanvraag vergezeld van een door degene die de afvalvoorziening
drijft, opgesteld winningsafvalbeheersplan als bedoeld in artikel 3
van het Besluit beheer winningsafvalstoffen.
2. In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een
afvalvoorziening, toont de aanvrager aan dat:
a. de afvalvoorziening geschikt gelegen is, in het bijzonder
gelet op verplichtingen ten aanzien van beschermde gebieden en
geologische, hydrologische en hydrogeologische, seismische en
geotechnische factoren;
b. de afvalvoorziening zo is ontworpen dat voldaan wordt aan de
noodzakelijke voorwaarden om:
1°. verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater
of een oppervlaktewaterlichaam, rekening houdende met in het
bijzonder richtlijn 2006/11/EG, het Lozingenbesluit
bodembescherming en de kaderrichtlijn water, te voorkomen,
2°. te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op
doelmatige wijze kunnen worden verzameld, en
3°. erosie door water of wind wordt tegengegaan voor zover
dat technisch mogelijk en economisch haalbaar is;
c. de afvalvoorziening passend is gebouwd, wordt beheerd en
onderhouden teneinde:
1°. haar fysische stabiliteit te verzekeren,
2°. verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht,
een oppervlaktewaterlichaam of het grondwater te voorkomen, en
3°. schade aan het landschap zoveel mogelijk te voorkomen
of te beperken.
d. passende plannen en regelingen zijn getroffen voor:
1°. een periodieke monitoring en inspectie van de
afvalvoorziening door binnen de inrichting werkzame personen,
die beschikken over de voor die werkzaamheden benodigde
vakbekwaamheid;
2°. het treffen van maatregelen indien de resultaten van
die monitoring en de inspectie wijzen op instabiliteit of
verontreiniging van het water of de bodem;
e. passende regelingen zijn getroffen voor:
1°. de rehabilitatie en de sluiting van de
afvalvoorziening;
2°. de fase na de sluiting van de afvalvoorziening;
f. in het ontwerp en bij de bouw van die afvalvoorziening
rekening is gehouden met de noodzakelijke voorwaarden om een zwaar
ongeval als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit
risico’s zware ongevallen 1999 te voorkomen en de nadelige
gevolgen van een dergelijk ongeval voor de gezondheid van de mens
of het milieu zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, met
inbegrip van de grensoverschrijdende gevolgen;
g. financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen
van de voorschriften die ingevolge het Besluit beheer
winningsafvalstoffen aan de vergunning worden verbonden, alsmede
voor het nakomen van titel 8.3 van de wet.
Artikel 5.14
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort
tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 21 of 28.4, onder
g, of in bijlage II, onder 9, vermeldt de aanvrager in of bij de
aanvraag:
a. de namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de
handelingen met de genetisch gemodificeerde organismen en voor het
toezicht op en de controle van de veiligheid daarvan;
b. de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen
die bij die handelingen zijn betrokken;
c. het eventuele bestaan van biologische veiligheidscomités of
subcomités;
d. het hoogste inperkingsniveau waaraan de ruimte bestemd voor
ingeperkt gebruik voldoet.
Artikel 5.14a
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar ten
hoogste 10 000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in het
Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen vermeldt de aanvrager in of bij de
aanvraag de maximale hoeveelheid consumentenvuurwerk in de zin van het
Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt opgeslagen.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die
behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage I bij dit besluit,
onder 3.5, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag:
a. de maximale hoeveelheden stoffen en voorwerpen behorend tot
transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling
vervoer over land van gevaarlijke stoffen, onderscheiden naar
gevarensubklasse en compatibiliteitsgroep, die in de inrichting
worden opgeslagen;
b. de maximale hoeveelheid consumenten- en professioneel
vuurwerk dan wel pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in
de zin van het Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt
opgeslagen;
c. de namen van degenen door wie of onder voortdurend toezicht
van wie handelingen met professioneel vuurwerk of pyrotechnische
artikelen voor theatergebruik worden verricht, voor zover de
aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel
vuurwerk onderscheidenlijk pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik;
d. gegevens over de vakbekwaamheid van de in de inrichting
werkzame personen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het
bewerken van professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen
voor theatergebruik.
Artikel 5.14b
1.Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop het
Besluit verbranden afvalstoffen van toepassing is, vermeldt de
aanvrager in of bij de aanvraag:
a. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van terugwinning
van de als gevolg van thermische behandeling van afvalstoffen
opgewekte warmte;
b. de gegevens, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder d,
per categorie van stoffen, preparaten of andere producten, genoemd
in de bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie van
de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling
van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a),
van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG
van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een lijst
van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van
Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen
betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226/3), en
c. een nadere omschrijving van de slechtst denkbare
bedrijfsomstandigheden als bedoeld in artikel 11, derde lid, van
richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding
van afval (PbEG L 332).
2.Voor de toepassing van het eerste lid gaat een wijziging van:
a. de bijlage, bedoeld in het eerste lid, onder b, gelden met
ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld;
b. de richtlijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, gelden met
ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven.
§ 1.3. Aanvullende regels voor categorieën van gevallen
Artikel 5.15
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop
paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van
toepassing is, gaat zij vergezeld van die onderdelen van het
veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 10 van dat besluit, die
betrekking hebben op de risico's voor personen buiten de inrichting en
voor het milieu.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager
in of bij de aanvraag, per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat
besluit en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage
I, deel 2, bij dat besluit, de maximale hoeveelheid waarvoor
vergunning wordt gevraagd.
3. Het bevoegd gezag zendt uiterlijk twee weken na ontvangst van
een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, een exemplaar daarvan en
van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan:
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1,
derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet;
b. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel
of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de
inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
d. voor zover de onderdelen van het veiligheidsrapport
betrekking hebben op de risicos voor een oppervlaktewaterlichaam:
het bestuursorgaan dat tot het verlenen van de vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet bevoegd is, behoudens in een
geval als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet milieubeheer.
4. Het bevoegd gezag zendt, indien tijdens de behandeling van de
aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze
aanvulling uiterlijk twee weken na ontvangst aan de in het derde lid
genoemde bestuursorganen en aan de daar bedoelde toezichthouder.
Artikel 5.15a
1.Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop
paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware
ongevallen 1999 van toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de
aanvraag, de volgende gegevens:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam of de handelsnaam van degene die de inrichting
drijft en zijn adres;
c. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van
de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene
die de inrichting drijft;
d. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke
stoffen;
e. per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit, en
per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I,
deel 2, bij dat besluit:
1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt
gevraagd;
2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in
de inrichting aanwezig is;
3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of
stoffen;
f. met het oog op de vaststelling van domino-effecten: voor
gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar,
ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld
in bijlage I, deel 2, bij dat besluit:
1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem;
2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke
stof die daarin aanwezig kan zijn;
3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof
alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof
behoort;
4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting;
5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en
preparaten in het insluitsysteem;
g. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend;
h. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting
samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen
veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken.
2.Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid nadere regels stellen met betrekking tot de gegevens
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5.15b
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop artikel
10c van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van
toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de volgende
gegevens:
a. de resultaten van het onderzoek naar de technische en
economische haalbaarheid van warmtekrachtkoppeling;
b. indien van toepassing: de maatregelen of voorzieningen ten
behoeve van warmtekrachtkoppeling.
Artikel 5.15c
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting als
bedoeld in artikel 3, onderdelen b, e, f, g en h, of artikel 4, onder
b, e en f, van het Registratiebesluit externe veiligheid vermeldt de
aanvrager in of bij de aanvraag de volgende gegevens:
a. de ligging van zowel de 10-5 per jaar contour als de
10-6
per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien
beschikbaar, de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden
risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden
voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze
Minister zijn voorgeschreven;
b. de grootte van het groepsrisico, uitgedrukt in een grafiek
met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op
de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat
aantal slachtoffers, dan wel voor inrichtingen waarvoor geen
veiligheidsrapport verplicht is gesteld op grond van het Besluit
risico’s zware ongevallen 1999, indien bekend de op grond van de
oriënterende waarde voor het groepsrisico gemiddeld toelaatbare
dichtheid van personen binnen het invloedsgebied rond de
inrichting.
2. Voor inrichtingen waarop het Besluit LPG-tankstations
milieubeheer of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn, blijft het
eerste lid buiten toepassing.
3. Bij de berekening van de in de onderdelen a en b van het eerste
lid bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de aanvraag genoemde
maximale hoeveelheid gevaarlijke stof.
§ 2. Gegevensverstrekking bij een aanvraag om een vergunning voor
het veranderen van een inrichting of het veranderen van de werking
daarvan
Artikel 5.16
1.In of bij de aanvraag om een vergunning voor het veranderen van
een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder b, van de wet, vermeldt de aanvrager:
a. zijn naam en adres;
b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting
opgericht dan wel in werking is;
c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking
daarvan;
d. voor zover de beoogde verandering van de inrichting of van
de werking daarvan van invloed is op de onderwerpen waaromtrent
voor het verkrijgen van de onder b bedoelde vergunning of
vergunningen gegevens zijn verstrekt, een aanduiding van die
gegevens en van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen
daarvan.
2.De artikelen 5.2 tot en met 5.14 van dit besluit zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17
1.Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder b, van de wet, gaat zij vergezeld van een rapport,
als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking heeft op
een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware
ongevallen 1999 ten gevolge van het veranderen van de inrichting of
het veranderen van de werking ervan voor de eerste maal van toepassing
wordt.
2.Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder b, van de wet, gaat zij vergezeld van een herzien
rapport, als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking
heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's
zware ongevallen 1999 van toepassing is en ten aanzien waarvan reeds
een rapport is overgelegd, voor zover de herziening van de gegevens in
bedoeld rapport nodig is voor het nemen van de beslissing op de
aanvraag.
3.Op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid is
artikel 5.15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover
de gegevens met betrekking tot de maximale hoeveelheid nodig zijn voor
het nemen van de beslissing op de aanvraag.
4.Artikel 5.15, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 5.17a
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij de
aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van
dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid,
indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf
2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen
1999 ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het
veranderen van de werking daarvan voor de eerste maal van toepassing
wordt.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onder b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij de
aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van
dit hoofdstuk, herziene gegevens als bedoeld in artikel 5.15a, eerste
lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop
paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware
ongevallen 1999 van toepassing is en ten aanzien waarvan reeds
gegevens als bedoeld in die paragraaf zijn overgelegd, voor zover de
herziening van die gegevens nodig is voor het nemen van de beslissing
op de aanvraag.
3. Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.17b
1. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onderdeel b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij
de aanvraag onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van
dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in artikel 5.15c, eerste lid,
indien de aanvraag ten gevolge van het veranderen van de inrichting of
het veranderen van de werking ervan, voor de eerste maal betrekking
heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 3, onderdelen b, e, f,
g en h, of artikel 4, onderdelen b, e en f, van het Registratiebesluit
externe veiligheid.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een
inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1,
eerste lid, onderdeel b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij
de aanvraag onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van
dit hoofdstuk, herziene gegevens als bedoeld in artikel 5.15c, eerste
lid, voor zover de herziening van die gegevens nodig is voor het nemen
van een beslissing op de aanvraag.
§ 3. Gegevensverstrekking bij een aanvraag als bedoeld in artikel
8.4 van de wet
Artikel 5.18
Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in artikel 8.4 van de wet
zijn de artikelen 5.1 tot en met 5.16 van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Gegevensverstrekking bij een melding als bedoeld in artikel
8.19, tweede lid, van de wet
Artikel 5.19
Bij een melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet,
vermeldt de vergunninghouder:
a. zijn naam en adres;
b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting
opgericht dan wel in werking is;
c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking
daarvan;
d. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate
van de onder b bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan
verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken;
e. gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de
inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of
grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting
ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en
voorschriften mag veroorzaken;
f. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te
verwezenlijken.
§ 5. Gegevensverstrekking bij een melding als bedoeld in artikel
8.20, tweede lid, van de wet
Artikel 5.20
Bij een melding als bedoeld in artikel 8.20, tweede lid, van de wet,
vermeldt de vergunninghouder:
a. zijn naam en adres;
b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting
opgericht dan wel in werking is;
c. de naam, het adres en het telefoonnummer van degene voor wie
de vergunning zal gaan gelden;
d. een contactpersoon van degene voor wie de vergunning zal gaan
gelden;
e. het beoogde tijdstip waarop de vergunning zal gaan gelden voor
de onder c bedoelde persoon.
Hoofdstuk 5a. Bepaling beste beschikbare technieken
Artikel 5a.1
1. Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is aangevraagd, het
bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, betrekt bij
de bepaling van de voor een inrichting, onderscheidenlijk met
betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare
technieken, rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van
maatregelen, en met het voorzorg- en het preventiebeginsel:
a. de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen
veroorzaken;
b. de toepassing van minder gevaarlijke stoffen;
c. de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de
terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in
de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van
afvalstoffen;
d. vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van
bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;
e. de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de
wetenschappelijke kennis;
f. de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;
g. de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik
zijn of worden genomen;
h. de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan
passen;
i. het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip
van water, en de energie-efficiëntie;
j. de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de
risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te
beperken;
k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan
voor het milieu te beperken.
2. Het bevoegd gezag houdt bij de bepaling van de voor een
inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende
beste beschikbare technieken rekening met bij ministeriële regeling
aangewezen:
a. documenten waarin door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen krachtens artikel 16, tweede lid, van de
EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van
verontreiniging bekendgemaakte informatie met betrekking tot de
bepaling van beste beschikbare technieken is opgenomen;
b. door andere internationale organisaties bekendgemaakte
informatie met betrekking tot de bepaling van beste beschikbare
technieken;
c. andere informatie met betrekking tot de bepaling van die
technieken.
Hoofdstuk 6. Openbare kennisgeving van een verklaring, als bedoeld in
artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de wet
Artikel 6.1
Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van de verklaring, in ieder
geval door:
a. overeenkomstige toepassing van artikel 19.1 van de wet;
b. kennisgeving daarvan in een of meer dag-, nieuws- of
huis-aan-huis-bladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel
zo goed mogelijk wordt bereikt.
Artikel 6.2
Bij de openbare kennisgeving van de verklaring vermeldt het bevoegd
gezag ten minste:
a. de zakelijke inhoud van de verklaring;
b. de uren waarop en de plaats waar de stukken kunnen worden
ingezien.
Artikel 6.3
In gevallen waarin een verklaring betrekking heeft op een inrichting
waarvoor Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een
vergunning, kan hij de toepassing van de artikelen 6.1 en 6.2 geheel of
gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat geboden is in het belang
van de veiligheid van de Staat.
Artikel 6.4
In gevallen waarin de verklaring betrekking heeft op een inrichting
waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is en
die verklaring betrekking heeft op het onderdeel externe veiligheid,
zendt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken
na de bekendmaking van de verklaring, een exemplaar daarvan aan:
a. het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu;
b. de inspecteur;
c. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1,
derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet;
d. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en
wethouders het bevoegd gezag zijn;
e. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de
inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
Hoofdstuk 7. Adviseurs en betrokken bestuursorganen
Artikel 7.1
1.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het
dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2a, eerste lid, onder a, van
de wet bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste
lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur
aangewezen:
a. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied
de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen,
indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort
tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 3.1 of 17;
b. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting
geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de
inrichting of een onderdeel daarvan is gelegen in een gebied,
waarvoor bij provinciale verordening regels zijn gesteld ter
bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de
waterwinning;
c. gedeputeerde staten van een provincie, waarin de inrichting
geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de
inrichting is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in
artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder, of met
betrekking waartoe toepassing is gegeven aan artikel 163, derde
lid, van de Wet geluidhinder;
d. Onze Minister, indien de inrichting is gelegen op een
industrieterrein als bedoeld in artikel 163, vierde lid, van de
Wet geluidhinder.
2.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het
dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2a, eerste lid, onder a, van
de wet bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen,
als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de
grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats
waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het
grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8, bedoeld in bijlage
III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen
1999;
c. gedeputeerde staten van een provincie waarin een gemeente is
gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel b,
betrokken bestuursorgaan zijn;
d. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een
gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge
de onderdelen a of b betrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het
dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag.
Artikel 7.2
1.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde
staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden naast de in
artikel 8.7, eerste lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs
tevens als adviseur aangewezen:
a. gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken
inrichting mede zal zijn of is gelegen;
b. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied
de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen,
indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort
tot een categorie die is genoemd in bijlage I, onder 3.5;
c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de
betrokken inrichting mede zal zijn of is gelegen;
d. Onze Minister, indien de inrichting is gelegen op een
industrieterrein als bedoeld in artikel 163, vierde lid, van de
Wet geluidhinder.
2.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde
staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden als betrokken
bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet,
aangewezen:
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de
grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats
waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de
grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer
van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij
het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te
verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu,
veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking
heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het
grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8, bedoeld in bijlage
III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen
1999;
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente
is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de
onderdelen b of c betrokken bestuursorgaan zijn;
e. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een
gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge
de onderdelen a, b of c betrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het
dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag.
Artikel 7.3
1.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische
Zaken bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste
lid, onder a en b, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur
aangewezen:
a. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting
geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
b. de inspecteur-generaal der mijnen, indien de aanvraag om een
vergunning, betrekking heeft op een inrichting die een krachtens
artikel 1, onder n, van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk is;
c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de
inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
d. de hoofdingenieur-directeur van de directie Noordzee van het
Ministerie van Verkeer en Waterstaat, indien de aanvraag om een
vergunning betrekking heeft op een inrichting die een krachtens
artikel 1, onder o, van de Mijnbouwwet aangewezen mijnbouwwerk is.
2.Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische
Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen,
als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de
grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats
waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de
grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer
van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij
het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te
verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu,
veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking
heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het
grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8, bedoeld in bijlage
III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen
1999;
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente
is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel
c betrokken bestuursorgaan zijn;
e. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een
gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge
de onderdelen a, b, of c betrokken bestuursorgaan zijn.
Artikel 7.4
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een
inrichting, waarop krachtens artikel 3.3 Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister, of Onze Minister van
Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken
bestuursorganen als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet,
aangewezen:
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens
is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de
inrichting zal zijn of is gelegen;
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens
is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de
plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd
gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat
de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de
inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die
gemeenten zal doen gevoelen;
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het
grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10-8, bedoeld in bijlage
III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen
1999;
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is
gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel c
betrokken overheidsorgaan zijn;
e. gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, indien de
aanvraag betrekking heeft op een inrichting voor het op of in de
zeebodem brengen van baggerspecie om deze daar te laten, die is
gelegen binnen het gebied dat door arcering is aangegeven op de
kaart die is opgenomen in bijlage III.
Hoofdstuk 8. Bijzondere gevallen
Artikel 8.1
Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in artikel 5.14 met
het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware
ongevallen een exemplaar van de schriftelijke samenvatting van de
risico-analyse aan:
a. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel of
in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
b. de commissaris van de Koning in de provincie waarin een
gemeente als bedoeld onder a is gelegen;
c. het bestuur van de regionale brandweer waarin een gemeente als
bedoeld onder a is gelegen.
Artikel 8.2
1.Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in de artikelen
5.15 en 5.17 met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van
rampen en zware ongevallen de daar bedoelde onderdelen van het
veiligheidsrapport en, indien tijdens de behandeling van de aanvraag
een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling
aan:
a. de burgemeester van de gemeenten waarvan het grondgebied is
gelegen binnen de lijn van 10-8 van het plaatsgebonden risico,
bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's
zware ongevallen 1999;
b. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een
gemeente is gelegen waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk
zal zijn of is gelegen;
c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een
gemeente als bedoeld onder a is gelegen;
d. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied
een gemeente als bedoeld onder a of c is gelegen.
2.Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in
het eerste lid, aan Onze Minister.
3.Onze Minister zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het
eerste lid, indien de lijn van 10-8 van het plaatsgebonden risico,
bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's
zware ongevallen 1999 zich uitstrekt over het grondgebied van een
andere staat, aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een
exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. In afwijking van de eerste volzin zendt Onze
Minister, indien krachtens artikel 19.3 van de wet een tweede tekst is
overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat.
Artikel 8.3 [Vervallen per 28-04-2005]
Artikel 8.4
Indien een inrichting belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
in een andere lid-staat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel
indien een andere lid-staat van de Europese Unie die belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu van een inrichting kan ondervinden
daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag de aanvraag met de daarbij
behorende stukken aan die lid-staat op het tijdstip waarop daarvan in
Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij
behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.
Hoofdstuk 8a. Actualisering van vergunningen
Artikel 8a.1
Het bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning
krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is aangevraagd, het bestuursorgaan
dat bevoegd is die vergunning te verlenen, geeft in ieder geval
toepassing, onderscheidenlijk overeenkomstige toepassing aan het
bepaalde in artikel 8.22, eerste lid, van de wet indien:
a. de door de inrichting of onderdelen daarvan veroorzaakte
verontreiniging van dien aard is dat de emissiegrenswaarden die zijn
vastgesteld in de aan de vergunning verbonden voorschriften,
gewijzigd moeten worden of daarin nieuwe emissiegrenswaarden
vastgesteld moeten worden;
b. belangrijke veranderingen in de beste beschikbare technieken
een aanmerkelijke beperking van de emissies zonder buitensporige
kosten mogelijk maken;
c. de noodzaak om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan
voor het milieu te beperken de toepassing van andere technieken
vereist.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 9.1
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de
wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene
bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van
andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen;
procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving) (Stb. 1992,
414) in werking treedt.
Artikel 9.2
Dit besluit kan worden aangehaald als: Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 januari 1993
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
J.G.M. Alders
Uitgegeven de negenentwintigste januari 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer
Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid,
van de wet, en categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2,
tweede lid, van de wet, ten aanzien waarvan gedeputeerde staten het
bevoegd gezag zijn
Categorie 1
1.1. Inrichtingen waar:
a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of
een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat
bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met
een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;
b. een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen
of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande,
dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een
verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten
beschouwing blijft;
c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor
het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een
gezamenlijk thermisch vermogen groter dan 130 kW.
1.2. Voor de toepassing van onderdeel 1.1 blijven buiten beschouwing:
a. elektromotoren, verbrandingsmotoren en installaties voor het
verstoken van brandstoffen die tijdelijk in een bepaalde omgeving
aanwezig zijn;
b. elektromotoren, die in een gebouw of een gedeelte van een
gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, ten
behoeve van dat gebouw worden aangewend;
c. elektromotoren van bruggen, viadukten, verkeerstunnels en
andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of
goederen en beweegbare waterkeringen.
1.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen:
a. waar een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren
aanwezig zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van
15 MW of meer;
b. voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen
van 50 MW of meer;
c. voor het beproeven van:
1°. verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen of
installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk
motorisch vermogen van 1 MW of meer;
2°. straalmotoren of -turbines met een stuwkracht van 9 kN
of meer;
3°. straalmotoren of -turbines met een op as overgebracht
vermogen van 250 kW of meer;
d. voor het vervaardigen van petrochemische produkten of
chemicaliën met een niet in een gesloten gebouw geïnstalleerd
motorisch vermogen van 1 MW of meer.
Categorie 2
2.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan
van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof
verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand;
b. het regelen of meten van de druk of stroming van gas of
gasstromen.
2.2. Voor de toepassing van onderdeel 2.1 blijven buiten beschouwing:
a. een of meer bovengrondse drukhouders of insluitsystemen met
een inhoud of een gezamenlijke inhoud kleiner dan 0,025 m3 voor het
opslaan van licht ontvlambare, ontvlambare, schadelijke of
irriterende gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot
vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand;
b. ten hoogste twee bovengrondse, niet op een bouwplaats
opgestelde drukhouders of insluitsystemen, elk met een inhoud van
0,15 m3 of minder voor het opslaan van propaan ten behoeve van
ruimteverwarming, warmwatervoorziening, het bereiden van
voedingsmiddelen of huishoudelijk gebruik;
c. een of meer drukhouders of insluitsystemen met een inhoud of
een gezamenlijke inhoud kleiner dan 1 m3 voor het opslaan van andere
dan de onder a of b genoemde gassen of gasmengsels of zuurstof, al
of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in
vloeistof opgeloste toestand, met uitzondering van ontplofbare, zeer
licht ontvlambare, zeer vergiftige, vergiftige, oxyderende,
corrosieve, carcinogene, mutagene of teratogene gassen of
gasmengsels.
2.3. Voor de toepassing van onderdeel 2.1, onder b, blijven buiten
beschouwing inrichtingen met een nominale belasting van 10 Nm3/uur of
minder bij een aanvoerdruk van ten hoogste 800 kPa of met een nominale
belasting van 500 Nm3/uur of minder bij een aanvoerdruk van ten hoogste
20 kPa.
2.4. Voor de toepassing van onderdeel 2.2, onder b, wordt onder
propaan een produkt verstaan dat hoofdzakelijk bestaat uit propaan en
propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voor zover
de dampspanning bij 70 graden C ten hoogste 3100 kPa bedraagt.
2.5. Onderdeel 2.2, onder b, is niet van toepassing indien de
drukhouder of het insluitsysteem respectievelijk de drukhouders of
insluitsystemen zijn opgesteld in een inrichting waar andere stationaire
drukhouders of insluitsystemen voor de opslag van tot vloeistof
verdichte gassen aanwezig zijn.
2.6. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft:
a. inrichtingen voor opslag en overslag van koolwaterstoffen in
gasvormige toestand met een capaciteit voor de opslag van deze
stoffen of produkten van 100.103 m3 of meer;
b. aardgasbehandelingsinstallaties en gasverzamelinrichtingen,
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.106 m3 per dag (bij 1
bar en 273 K) of meer;
c. luchtscheidingsbedrijven, met een benodigde hoeveelheid lucht
ten behoeve van het eindprodukt van 10.103 kg per uur of meer.
Categorie 3
3.1. Inrichtingen waar ontplofbare stoffen, preparaten of produkten
worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, verpakt of herverpakt, opgeslagen
of overgeslagen, waarbij onder ontplofbare stoffen worden verstaan de
stoffen of preparaten als bedoeld in artikel 2 van het Besluit
verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen, dan wel de stoffen,
preparaten of andere produkten, die zijn ingedeeld in de internationale
transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van het Regeling
vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG), alsmede nitro-cellulose.
3.2. Voor de toepassing van onderdeel 3.1 blijft het opslaan van ten
hoogste de volgende hoeveelheden buiten beschouwing:
a. 10 000 tot gevarengroep 1.4 van het VLG behorende patronen dan
wel onderdelen daarvan voor vuurwapens met een kaliber van niet meer
dan 13,2 mm of voor schietgereedschap;
b. 1 kg tot gevarengroep 1.1 van het VLG behorend zwart buskruit;
c. 3 kg tot gevarengroep 1.3 van het VLG behorend rookzwak
buskruit;
d. 10 kg tot gevarengroep 1.4 van het VLG behorend pyrotechnisch
speelgoed;
e. 10 kg tot gevarengroep 1.4 van het VLG behorend
consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit.
3.3. Voor de toepassing van onderdeel 3.1 blijft buiten beschouwing
het herladen als bedoeld in artikel 17 van de Regeling wapens en
munitie.
3.4. Indien sprake is van gelijktijdig opslaan van zwart en rookzwak
buskruit, als bedoeld in onderdeel 3.2, onder b en c, dient voor de
berekening van de hoeveelheden die dan ten hoogste mogen worden
opgeslagen de hoeveelheid zwart buskruit, vermenigvuldigd met twee, te
worden opgeteld bij de hoeveelheid rookzwak buskruit; de zo berekende
hoeveelheid mag de hoeveelheid van 3 kg niet te boven gaan, met dien
verstande dat de hoeveelheid zwart buskruit de hoeveelheid van 1 kg niet
te boven gaat.
3.5. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen waar:
a. meer dan 10 000 kilogram consumentenvuurwerk in de zin van het
Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of consumentenvuurwerk wordt
bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit;
b. professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk in de zin
van het Vuurwerkbesluit worden opgeslagen of bewerkt in de zin van
het Vuurwerkbesluit, tenzij sprake is van opslag van uitsluitend
theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit
in een hoeveelheid van ten hoogste 25 kilogram;
c. meer dan 25 kilogram, maar niet meer dan ten hoogste 50 000
kilogram in beslag genomen vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor
theatergebruik in de zin van het Vuurwerkbesluit worden opgeslagen.
Categorie 4
4.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of andere produkten:
a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit
verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in
een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de
wet;
b. produkten, waarin stoffen of preparaten, als bedoeld onder a,
zijn verwerkt;
c. kosmetische of farmaceutische produkten;
d. geurstoffen of smaakstoffen;
e. produkten op basis van elastomeren of kunststoffen;
f. andere stoffen, preparaten of produkten, die zijn genoemd in
onderdeel 4.3.
4.2. Voor de toepassing van onderdeel 4.1 blijven apotheken en
praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als huisarts en de
diergeneeskunst buiten beschouwing.
4.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor het vervaardigen van:
a. één of meer van de volgende stoffen of produkten, met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 5.106 kg per jaar of meer:
1. ammoniak;
2. azijnzuur of azijnzuuranhydride;
3. benzeen, tolueen, xyleen of naftaleen;
4. chloor;
5. ethanol met een gehalte van ten minste 94%;
6. fenol of cresol;
7. fosfor- of stikstofhoudende kunstmeststoffen;
8. fosforzuur;
9. isocyanaten;
10. onverzadigde organische verbindingen met een
molecuulmassa van 110 of minder;
11. rayon of viscose;
12. salpeterzuur;
13. synthetische organische polymeren;
14. titaandioxide, vanadiumpentoxide, zinkoxide,
molybdeenoxide of loodoxide;
15. zoutzuur;
16. zwavel, zwavelzuur, zwaveligzuur of zwaveldioxide;
b. één of meer van de volgende stoffen of produkten, met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 10.103 kg per jaar of meer:
1. aminen;
2. calciumcarbide (carbid) of siliciumcarbide (carborundum);
3. carbonblack;
4. carbonilchloride (fosgeen);
5. fosfor;
6. koolstofdisulfide;
7. organische sulfiden (thioethers) of organische disulfiden;
8. thiolen (mercaptanen);
c. gehalogeneerde organische verbindingen met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 1.106 kg per jaar of meer;
d. methanol met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.106 kg
per jaar of meer;
e. alle volgende stoffen of produkten, met een totale capaciteit
ten aanzien daarvan van 1.106 kg per jaar of meer:
1. aromatische aldehyden;
2. esters van alifatische monocarbonzuren;
3. eugenolderivaten;
4. fenolische esters;
5. ketonen met een molecuulmassa groter dan 150;
6. terpentijnoliederivaten.
Categorie 5
5.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare
of brandbare vloeistoffen.
5.2. Voor de toepassing van onderdeel 5.1 blijven buiten beschouwing:
a. een of meer houders of insluitsystemen met een inhoud of een
gezamenlijke inhoud van ten hoogste 0,02 m3 voor het opslaan van
licht ontvlambare vloeistoffen, waarvan het vlampunt lager is
gelegen dan 21 graden C;
b. een of meer houders of insluitsystemen met een inhoud of een
gezamenlijke inhoud van ten hoogste 0,2 m3 voor het opslaan van
ontvlambare vloeistoffen, waarvan het vlampunt gelijk of hoger is
gelegen dan 21 graden C doch lager dan 55 graden C;
c. een of meer houders of insluitsystemen met een inhoud of een
gezamenlijke inhoud van ten hoogste 1 m3 voor het opslaan van
brandbare vloeistoffen, waarvan het vlampunt gelijk of hoger is
gelegen dan 55 graden C.
5.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor:
a. het opslaan of overslaan van aardolie of koolwaterstoffen in
vloeibare toestand met een capaciteit voor de opslag van deze
stoffen of produkten van 100.103 m3 of meer;
b. het raffineren, kraken of vergassen van aardolie of
aardoliefracties met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.109 kg
per jaar of meer.
Categorie 6
6.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan
of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten.
6.2. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor het vervaardigen van:
a. oliën en vetten uit dierlijke of plantaardige grondstoffen
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 250.106 kg per jaar of
meer;
b. vetzuren of alkanolen uit dierlijke of plantaardige oliën of
vetten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50.106 kg per jaar
of meer.
Categorie 7
7.1. Inrichtingen voor:
a. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van dierlijke of
overige organische meststoffen;
b. het vervaardigen, bewerken, opslaan of overslaan van
anorganische nitraathoudende meststoffen.
7.2. Voor de toepassing van onderdeel 7.1, onder a, blijft buiten
beschouwing het opslaan van 10 m3 of minder dierlijke of andere
organische vaste meststoffen.
7.3. Voor de toepassing van onderdeel 7.1, onder b, blijft buiten
beschouwing het opslaan of overslaan van 1000 kg of minder anorganische
nitraathoudende meststoffen die als gevolg van hun
ammoniumnitraatgehalte niet kunnen ontploffen.
7.4. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor het bewerken of verwerken van van buiten de inrichting
afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan
van 25.103 m3 per jaar of meer.
Categorie 8
8.1. Inrichtingen voor:
a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of
wegen van dieren;
b. het slachten van dieren;
c. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan
van huiden, bont, leer of lederhalffabrikaten;
d. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van produkten,
die bij het slachten van dieren vrijkomen;
e. de destructie van dieren als bedoeld in artikel 5 van de
Destructiewet.
8.2. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft:
a. inrichtingen voor het vervaardigen van vet, lijm, as, kool,
proteïne of gelatine uit beenderen of huiden met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 5.106 kg per jaar of meer;
b. inrichtingen als bedoeld in onderdeel 8.1, onder e.
Categorie 9
9.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan
van vlees of vleeswaren;
b. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van vis,
weekdieren, schaaldieren of produkten, die bij de bewerking of
verwerking daarvan vrijkomen;
c. het vervaardigen van brood, banket, chocoladeprodukten,
beschuit, koek of biscuit;
d. het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen,
genotmiddelen of grondstoffen daarvoor;
e. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan
van voedingsmiddelen voor dieren of grondstoffen daarvoor;
f. het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van
landbouwprodukten.
9.2 Voor de toepassing van onderdeel 9.1, onder e en f, blijven
buiten beschouwing inrichtingen voor het opslaan van:
a. tot balen geperst of gebundeld hooi, stro of vlas met een
drogestof-gehalte van meer dan 30%, of
b. bieten of aardappelen met een capaciteit ten behoeve daarvan
van niet meer dan 750 m3
9.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor:
a. het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde
zuivelprodukten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1,5.103
kg per uur of meer;
b. het vervaardigen van consumptiemelk, consumptiemelkprodukten
of geëvaporiseerde melk of -melkprodukten met een
melkverwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 55.106 kg per jaar
of meer;
c. het concentreren van melk of melkprodukten door middel van
indamping met een waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van
20.103 kg per uur of meer;
d. het vervaardigen van veevoeder met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.103 kg per uur of meer;
e. het drogen van groenvoer met een waterverdampingscapaciteit
ten aanzien daarvan van 10.103 kg per uur of meer;
f. het opslaan of overslaan van veevoeder met een
verwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 0,5.106 kg per uur of
meer;
g. het vervaardigen van suiker uit suikerbieten met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 2,5.106 kg suikerbieten per dag
of meer;
h. het vervaardigen van gist met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 5.106 kg per jaar of meer;
i. het vervaardigen van zetmeel of zetmeelderivaten met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 10.103 kg per uur of meer;
j. het opslaan of overslaan van granen, meelsoorten, zaden,
gedroogde peulvruchten, mais, of derivaten daarvan met een
verwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 0,5.106 kg per uur of
meer.
Categorie 10
10.1. Inrichtingen waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden, als
bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
worden vervaardigd, bewerkt, opgeslagen of overgeslagen.
10.2. Voor de toepassing van onderdeel 10.1 blijven buiten
beschouwing het opslaan van 10 kg of minder gewasbeschermingsmiddelen of
biociden, tenzij bij het opslaan van de gewasbeschermingsmiddelen of
biociden sprake is of zou zijn van het aanwezig hebben van een
gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 8 van het Besluit risico's
zware ongevallen 1999.
Categorie 11
11.1. Inrichtingen voor het winnen, vervaardigen, bewerken,
verwerken, opslaan of overslaan van:
a. keramische produkten, bak-, sier- of bestratingsstenen,
dakpannen, porselein, aardewerk, kalkzandsteen, cement,
cementmortel, cementwaren of kalk;
b. betonmortel of betonwaren;
c. ertsen, mineralen, derivaten van ertsen of mineralen, minerale
produkten of mergel;
d. asbest of asbesthoudende produkten;
e. glas of glazen voorwerpen;
f. asfalt of asfalthoudende produkten;
g. steen, gesteente of stenen voorwerpen, niet zijnde puin;
h. zand of grind;
i. grond.
11.2. Voor de toepassing van onderdeel 11.1, onder a en e, blijven
buiten beschouwing inrichtingen met een of meer ovens met een thermisch
vermogen of een gezamenlijk thermisch vermogen van 5 kW of minder, die
bestemd zijn voor de vervaardiging of bewerking van genoemde produkten.
11.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor:
a. het opslaan of overslaan van ertsen, mineralen of derivaten
van ertsen of mineralen met een oppervlakte voor de opslag daarvan
van 2000 m2 of meer;
b. het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen
of derivaten daarvan met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.106 kg per jaar of meer;
c. het vervaardigen van:
1°. cement of cementklinker met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.106 kg per jaar of meer;
2°. cement- of betonmortel met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.103 kg per uur of meer;
3°. cement- of betonwaren met behulp van persen, triltafels
of bekistingstrillers met een capaciteit ten aanzien daarvan van
100.103 kg per dag of meer;
4°. glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of steenwol met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 5.106 kg per jaar of
meer;
5°. asfalt of asfaltprodukten in een buiten opgestelde
eenheid, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.103 kg
per uur of meer;
6°. cokes uit steenkool met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.106 kg per jaar of meer;
d. het vergassen van steenkool met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.106 kg per jaar of meer;
e. het vervaardigen, bewerken of verwerken van glas of glazen
voorwerpen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.103 kg per
uur of meer;
f. het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit
kolenmijnen, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.106 kg
per jaar of meer;
g. het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel,
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.103 kg per uur of
meer;
h. het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel;
i. het winnen van zand of grind met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.103 kg per uur of meer;
j. het breken, malen, zeven of drogen van zand, grond, grind of
steen, met uitzondering van mergel, met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 100.106 kg per jaar of meer, indien zodanige inrichting
een inrichting is voor zand- of grindwinning waarvoor op grond van
artikel 3 van de Ontgrondingenwet een vergunning is vereist;
k. het breken, malen, zeven of drogen van:
1°. zand, grond, grind of steen, met uitzondering van puin
en mergel;
2°. kalkzandsteen, kalk;
3°. steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan,
met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.106 kg per jaar of
meer, indien zodanige inrichting niet een inrichting is voor zand- of
grindwinning, waarvoor op grond van artikel 3 van de Ontgrondingenwet
een vergunning is vereist;
l. het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten in een inpandig
opgestelde eenheid, met een capaciteit ten aanzien daarvan van
100.103 kg per uur of meer.
Categorie 12
12.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken,
opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel
behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.
12.2. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen:
a. voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal of primaire
non-ferrometalen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.106 kg
per jaar of meer;
b. waar een of meer warmband- of koudwalsen aanwezig zijn voor
het tot platen omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het
smeltpunt hoger is dan 800 K, en waarbij de dikte van het
aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm en waar het
produktieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
c. waar een of meer wals- of trekinstallaties aanwezig zijn voor
het tot profiel- of stafmateriaal omvormen van metalen of hun
legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K en waar het
produktieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
d. waar een of meer wals-, trek- of lasinstallaties aanwezig zijn
voor het produceren van metalen buizen en waar het
produktieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
e. voor het smeden van ankers of kettingen en waar het
produktieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
f. voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen
ketels, vaten, tanks of containers en waar het produktieoppervlak
ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
g. voor het samenvoegen van plaat-, profiel-, staf- of
buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen of monteren
en waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte
produktieoppervlak ten aanzien daarvan 2000 m2 of meer bedraagt;
h. voor het smelten of gieten van metalen of hun legeringen met
een capaciteit ten aanzien daarvan van 4.106 kg per jaar of meer;
i. voor het smelten van lood met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 2,5.106 kg per jaar of meer.
Categorie 13
13.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, onderhouden, repareren, behandelen van de
oppervlakte, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren of proefdraaien
van:
1°. vliegtuigen;
2°. trams of onderdelen daarvan;
3°. motoren, motorvoertuigen of -vaartuigen;
4°. caravans;
5°. landbouwwerktuigen;
6°. bromfietsen;
b. het parkeren van 3 of meer voor het vervoer van goederen langs
de weg bestemde motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen,
aanhangwagens of opleggers, waarvan de massa van het ledige
voertuig, vermeerderd met het laadvermogen, meer bedraagt dan 3500
kg.
13.2. Voor de toepassing van onderdeel 13.1, onder b, blijven buiten
beschouwing parkeerterreinen die deel uitmaken van openbare wegen of
weggedeelten en parkeerterreinen die voor het openbaar verkeer
openstaan.
13.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor:
a. het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren
voor automobielen met een produktieoppervlak ten aanzien daarvan van
10.103 m2 of meer;
b. voor het bouwen, onderhouden, repareren of het behandelen van
de oppervlakte van metalen schepen met een langs de waterlijn te
meten lengte van 25 m of meer;
c. het reinigen van tankschepen.
Categorie 14
14.1.
a. Spoorwegemplacementen;
b. inrichtingen voor het onderhouden, repareren, behandelen van
de oppervlakte, keuren, reinigen, verhandelen, verhuren of
proefdraaien van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan.
14.2 Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover de inrichtingen
zijn bestemd voor het samenstellen van treinen of treindelen door middel
van het stoten of heuvelen van spoorvoertuigen, bestemd voor
goederenvervoer.
Categorie 15
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen,
opslaan of overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of
houtachtige voorwerpen.
Categorie 16
16.1. Inrichtingen voor:
a. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan, overslaan of
reinigen van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont,
leer, vlas of produkten hiervan;
b. het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan
van papierstof, papier of produkten hiervan;
c. toepassen van grafische technieken.
16.2. Voor de toepassing van onderdeel 16.1 blijven buiten
beschouwing inrichtingen voor het opslaan van gebundeld vlas met een
drogestof-gehalte van meer dan 30%.
16.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen:
a. waar 50 of meer mechanisch aangedreven weefgetouwen aanwezig
zijn;
b. voor het vervaardigen van papier of celstof met een capaciteit
ten aanzien daarvan van 3.103 kg per uur of meer.
Categorie 17
17.1. Inrichtingen waar met vuurwapens wordt geschoten of met
ontvlambare of ontplofbare voorwerpen wordt geworpen.
17.2. Voor de toepassing van onderdeel 17.1 blijven buiten
beschouwing inrichtingen waarop door de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht uitsluitend met niet-scherpe patronen
wordt geschoten.
Categorie 18
18.1. Hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria's, snackbars
en discotheken, alsmede aanverwante inrichtingen waar tegen vergoeding
logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor
directe consumptie worden bereid of verstrekt.
18.2. Voor de toepassing van onderdeel 18.1 blijven buiten
beschouwing inrichtingen waar:
a. voorzieningen aanwezig zijn voor het gelijktijdig kunnen
verstrekken van uitsluitend logies en ontbijt aan ten hoogste 15
personen, of
b. ten hoogste 15 standplaatsen voor kampeermiddelen aanwezig
zijn.
Categorie 19
19.1.
a. Inrichtingen waar drie of meer speelautomaten aanwezig zijn
die zijn opgesteld voor gebruik door anderen dan de eigenaar of de
houder;
b. dansscholen en andere inrichtingen waar een of meer
voorzieningen aanwezig zijn voor het dansen;
c. sportscholen, sporthallen en andere inrichtingen, niet zijnde
sportterreinen, waar een of meer voorzieningen of installaties
aanwezig zijn voor het beoefenen van sport;
d. muziekscholen, muziekoefenlokalen en andere inrichtingen waar
een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het beoefenen van
muziek;
e. sportterreinen, openluchttheaters en andere inrichtingen waar
een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor recreatieve doeleinden
en waar een geluidsinstallatie is opgesteld;
f. inrichtingen voor het bieden van gelegenheid tot zwemmen;
g. inrichtingen of terreinen, geen openbare weg zijnde, waar
gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
1°. gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of
-voertuigen;
2°. bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde
voer- of vaartuigen in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
wedstrijden of voor recreatieve doeleinden;
h. jachthaven met de daarbij behorende grond waar overwegend
gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd
houden van tien of meer pleziervaartuigen;
i. inrichtingen waar met bogen of boogwapens of met wapens,
werkend met luchtdruk of gasdruk, wordt geschoten.
19.2. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot categorie 19.1, onder g, 2°, voor zover het
betreft terreinen, geen openbare weg zijnde, die bestemd of ingericht
zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of
voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen, en die
daartoe acht uren per week of meer opengesteld zijn.
19.3. Voor de toepassing van onderdeel 19.2 blijven buiten
beschouwing terreinen die langer zijn opengesteld, indien dit een gevolg
is van ruimere openingstijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per
kalenderjaar, met het oog op het houden van wedstrijden op die terreinen
of het voorbereiden van zodanige wedstrijden. Tot het weekeinde worden
gerekend: zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen of daarmee
gelijkgestelde dagen als bedoeld in artikel 3 van de Algemene
termijnenwet, die op een vrijdag of op een maandag vallen.
Categorie 20
20.1.
a. Inrichtingen voor het omzetten van:
1°. windenergie in mechanische, elektrische of thermische
energie;
2°. hydrostatische energie in elektrische of thermische
energie;
3°. elektrische energie in stralingsenergie;
4°. thermische energie in elektrische energie;
b. transformatorstations, met niet in een gesloten gebouw
ondergebrachte transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te
schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer.
20.2. Voor de toepassing van onderdeel 20.1, onder a, 1°, blijven
buiten beschouwing windmolens of windturbines met een rotordiameter
kleiner dan 2 m.
20.3. Voor de toepassing van onderdeel 20.1, onder a, 3°, blijven
buiten beschouwing inrichtingen met een elektrisch vermogen of
gezamenlijk vermogen voor de omzetting van die elektrische energie
kleiner dan 4 kW.
20.4. Voor de toepassing van onderdeel 20.1, onder a, 4°, blijven
buiten beschouwing inrichtingen met een elektrisch vermogen of
gezamenlijk vermogen kleiner dan 1,5 kW.
20.5. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van de
inrichtingen bedoeld in onderdeel 20.1, onder b.
Categorie 21
21.1. Inrichtingen waarin:
a. laboratoria, dierverblijven, opslagruimten of kassen aanwezig
zijn, die zijn bestemd voor:
1°. de genetische modificatie van organismen of
2°. het voor onderwijs, onderzoek, ontwikkeling of
niet-industriële doeleinden vermeerderen, opslaan, toepassen,
voorhanden hebben, vervoeren, zich ontdoen of vernietigen van
genetisch gemodificeerde organismen in hoeveelheden van niet
meer dan tien liter cultuurvloeistof per eenheid of in
hoeveelheden die om andere redenen zijn te beschouwen als
kleinschalig;
b. dierverblijven, opslagruimten, kassen of installaties voor
produktie-processen aanwezig zijn, die zijn bestemd voor het
niet-kleinschalig vermeerderen, opslaan, toepassen, voorhanden
hebben, vervoeren, zich ontdoen of vernietigen van genetisch
gemodificeerde organismen.
21.2. Onder de in onderdeel 21.1 bedoelde handelingen worden niet
begrepen:
a. handelingen, voor zover daarvoor een vergunning is verleend
als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit genetisch
gemodificeerde organismen milieubeheer;
b. handelingen met genetisch gemodificeerde organismen ten
aanzien waarvan artikel 23, tweede lid, onder d, van het onder a
genoemde besluit toepassing heeft gevonden, dan wel met genetisch
gemodificeerde organismen die vallen onder artikel 23, tweede lid,
onder e, van dat besluit, en
c. het vervaardigen, vervoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan
een ander ter beschikking stellen of zich ontdoen van organismen die
zijn vervaardigd door:
1°. celfusie, met inbegrip van protoplastfusie, van
plantencellen van organismen die genetisch materiaal kunnen
uitwisselen met behulp van traditionele kweekmethoden, of
2°. chemische of fysische mutagenese,
tenzij bij de vervaardiging daarvan als recipiënt of
ouderorganisme gebruik wordt gemaakt van genetisch gemodificeerde
organismen, die niet zijn verkregen op de onder 1° of 2°
beschreven wijze en ten aanzien waarvan geen toepassing heeft
plaatsgehad van artikel 23, tweede lid, onder d, van het onder a
genoemde besluit dan wel van genetisch gemodificeerde organismen die
niet vallen onder artikel 23, tweede lid, onder e, van dat besluit.
Categorie 22
Inrichtingen voor het opslaan of overslaan van andere stuk- of
bulkgoederen dan de stoffen, preparaten of produkten, die in een andere
in deze bijlage opgenomen categorie worden genoemd, met een oppervlakte
voor de opslag daarvan van 2000 m2 of meer.
Categorie 23
23.1.
a. Algemene, academische of categoriale ziekenhuizen;
b. inrichtingen voor het bieden van medische behandeling,
verpleging, of huisvesting tezamen met verzorging.
23.2. Voor de toepassing van onderdeel 23.1 blijven buiten
beschouwing praktijken voor de uitoefening van de geneeskunst als
huisarts en van de diergeneeskunst.
Categorie 24
24.1. Inrichtingen voor het vervaardigen van koolelektroden.
24.2. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50.106 kg per
jaar of meer.
Categorie 25
Inrichtingen voor het reinigen van drukhouders, insluitsystemen,
ketels, vaten, mobiele tanks, tankauto's, tank- of bulkcontainers.
Categorie 26
Inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken.
Categorie 27
27.1. Inrichtingen voor het opslaan, behandelen of reinigen van
afvalwater.
27.2. Voor de toepassing van onderdeel 27.1 blijft buiten beschouwing
het opslaan van afvalwater in septic-tanks.
27.3. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor het reinigen van afvalwater door middel van
waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.103 of
meer vervuilingseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid,
onderdeel a, van de Waterwet.
Categorie 28
28.1. Inrichtingen voor:
a. het opslaan van:
1°. huishoudelijke afvalstoffen, die ten aanzien daarvan een
capaciteit hebben van 5 m3 of meer;
2°. bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een
capaciteit hebben van 5 m3 of meer;
3°. 5 of meer autowrakken;
4°. gevaarlijke afvalstoffen;
b. het bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van
afvalstoffen;
c. het storten van afvalstoffen;
d. het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.
28.2. Voor de toepassing van onderdeel 28.1 worden onder
huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen niet begrepen
dierlijke of overige organische meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib,
tenzij sprake is van het verbranden of vernietigen van die meststoffen
dan wel het storten van die meststoffen.
28.3. Voor de toepassing van onderdeel 28.1 blijven buiten
beschouwing:
a. inrichtingen voor het uitsluitend opslaan, behandelen of
reinigen van afvalwater;
b. inrichtingen voor zover het betreft werken waarbij, anders dan
voor het opslaan:
1°. minder dan 1 m3 huishoudelijke afvalstoffen op of in de
bodem worden gebracht;
2°. minder dan 50 m3 bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem
worden gebracht;
c. inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van
bouwstoffen, grond of baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit
van toepassing is en waarin wordt gehandeld in overeenstemming met
de bepalingen van dat besluit;
d. inrichtingen voor het opslaan van autowrakken in het kader van
hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen
organisatie of instantie of in het kader van onderzoek door politie
of justitie;
e. inrichtingen voor het boven- of ondergronds opslaan, al dan
niet in combinatie met verdichting, van huishoudelijke of
bedrijfsafvalstoffen in containers met een capaciteit of
gezamenlijke capaciteit van ten hoogste 35 m3;
f. inrichtingen voor het op of in de bodem of oever van een
oppervlaktewaterlichaam brengen van onderhoudsspecie van de klasse
0, 1 of 2, overeenkomstig de classificatie krachtens het Besluit
vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, indien deze
onderhoudsspecie ten hoogste dezelfde klasse heeft als de bodem of
oever van een oppervlaktewaterlichaam waarin de onderhoudsspecie
wordt gebracht, met uitzondering van inrichtingen die niet in open
verbinding staan met een ander oppervlaktewaterlichaam.
28.4. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor:
a. het opslaan van de volgende afvalstoffen:
1°. van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of
afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten
aanzien daarvan van 35 m3 of meer;
2°. van buiten de inrichting afkomstige zuiveringsslib,
kolenreststoffen of afvalgips met een capaciteit ten aanzien
daarvan van 1.103 m3 of meer;
3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde
grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een
capaciteit ten aanzien daarvan van 10.10 m3 of meer;
4°. 5 of meer autowrakken;
5°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke
afvalstoffen;
6°. andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van
buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit
ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer;
b. het overslaan van van buiten de inrichting afkomstige:
1°. huishoudelijke afvalstoffen of van buiten de inrichting
afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten
aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer;
2°. gevaarlijke afvalstoffen;
c.
1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch
of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch,
fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch
behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de
inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of
bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van
15.106 kg per jaar of meer;
2°. het bewerken, verwerken of vernietigen - anders dan
verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke
afvalstoffen;
d. het bewerken, verwerken of vernietigen van autowrakken;
e. het verbranden van:
1°. van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke
afvalstoffen;
2°. van buiten de inrichting afkomstige
bedrijfsafvalstoffen;
3°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke
afvalstoffen;
f. het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen,
bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen
daar te laten;
g. het geheel of gedeeltelijk vernietigen van van buiten de
inrichting afkomstige genetisch gemodificeerde organismen als
afvalstoffen of voorkomend in afvalstoffen.
28.5. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
inrichtingen voor het verdichten, scheuren, knippen of breken van
schroot van ferro- of non-ferrometalen door middel van mechanische
werktuigen met een motorisch vermogen of een gezamenlijk motorisch
vermogen van 25 kW of meer.
28.6. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van
inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft
werken waarbij, anders dan voor het opslaan:
a. 1 m3 of meer huishoudelijke afvalstoffen op of in de bodem
worden gebracht, tenzij het werk deel uitmaakt van een inrichting en
de afvalstoffen uit die inrichting afkomstig zijn;
b. 50 m3 of meer bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem worden
gebracht, tenzij het werk deel uitmaakt van een inrichting en de
afvalstoffen uit die inrichting afkomstig zijn;
c. gevaarlijke afvalstoffen op of in de bodem worden gebracht.
28.7. Voor de toepassing van onderdeel 28.4, onder a, 1°, 2°, 3°
en 6°, en onder c, 1°, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor
het uitsluitend opslaan, bewerken, verwerken of vernietigen - anders dan
verbranden van de volgende afvalstoffen:
a. papier;
b. textiel;
c. ferro- of non-ferrometalen;
d. schroot;
e. glas.
28.8. Voor de toepassing van onderdeel 28.4, onder a, 1°, 5°, en
6°, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het opslaan, ter
uitvoering van een verplichting tot inname van afvalstoffen, opgelegd
bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 10.17 of
artikel 15.32, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, van de
betrokken afvalstoffen, voorzover die afvalstoffen zijn afgegeven door
of ingezameld bij particuliere huishoudens of naar aard en hoeveelheid
met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar zijn.
28.9. Voor de toepassing van onderdeel 28.4, onder a, 5°, blijven
buiten beschouwing:
a. inrichtingen waar uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden
opgeslagen die zijn afgegeven door, of ingezameld bij, particuliere
huishoudens voorzover deze bestaan uit producten die gelijksoortig
zijn aan de producten die door degene die de inrichting drijft aan
particulieren ter beschikking worden gesteld;
b. inrichtingen waar uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden
opgeslagen, die zijn ontstaan bij bouw-, onderhouds-, of
herstelwerkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door
degene die de inrichting drijft;
c. inrichtingen waar uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen worden
opgeslagen, die zijn afgegeven door of ingezameld bij particuliere
huishoudens, met een capaciteit ten aanzien daarvan van minder dan
35 m3.
Bijlage II, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer
Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid,
van de wet, ten aanzien waarvan Onze Minister bevoegd gezag is
Categorie 1
Vlootbases die in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of
een bondgenootschappelijke zeekrijgsmacht.
Categorie 2
Vliegbases of vliegkampen, die in hoofdzaak worden gebruikt door de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 3
Kazernes die in hoofdzaak worden gebruikt door parate eenheden van de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 4
Inrichtingen:
a. die in hoofdzaak bestemd zijn voor het transporteren of het
opslaan van brandstof ten behoeve van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht;
b. die in hoofdzaak bestemd zijn voor het opslaan van munitie ten
behoeve van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke
krijgsmacht.
Categorie 5
Verbindings- en commandocentra ten behoeve van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 6
6.1 Schietkampen, schietranges, schietgebieden, regionale
schietterreinen of rayonschietterreinen, die in hoofdzaak worden
gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
6.2 Voor de toepassing van categorie 6.1 blijven buiten beschouwing
inrichtingen waarop uitsluitend met niet-scherpe patronen wordt
geschoten.
Categorie 7
Landelijke brandweeroefenplaatsen die in hoofdzaak worden gebruikt
door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 8
Spoorwegemplacementen die in hoofdzaak worden gebruikt door de
Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 8a
Inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren of opslaan
van materieel of materialen ten behoeve van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht, die van essentieel belang zijn voor
de logistieke ondersteuning van de Nederlandse of een
bondgenootschappelijke krijgsmacht.
Categorie 9
Laboratoria, bestemd voor het ontwikkelen en beproeven van genetisch
gemodificeerde organismen, van welke activiteiten met toepassing van het
Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer is vastgesteld
dat deze uitsluitend mogen plaatsvinden met toepassing van voorzieningen
en voorschriften, die gelden voor het hoogste krachtens dat besluit bij
ministeriële regeling aangewezen niveau.
Categorie 10
Inrichtingen waar meer dan 50 000 kilogram in beslag genomen vuurwerk
of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de zin van het
Vuurwerkbesluit worden opgeslagen.
Bijlage III, behorende
bij artikel 3.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer
|
|
|