| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet geluidhinder (WGH)
REKEN-
EN MEETVOORSCHRIFT GELUIDHINDER 2006
Tekst zoals deze geldt op
17 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 december 2006, nr. LMV 2006
332519, houdende regels voor het berekenen en meten van de
geluidsbelasting ingevolge de Wet geluidhinder (Reken- en
meetvoorschrift geluidhinder 2006)
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 110d, 110e,
110f, eerste en derde lid, 110g en 110h van de Wet
geluidhinder;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
besluit: Besluit geluidhinder;
bijlage: bijlage bij deze regeling;
Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
wet: Wet geluidhinder.
Artikel 1.2
De resultaten van het akoestisch onderzoek, ter bepaling van het
equivalent geluidsniveau, worden vastgelegd in een overeenkomstig
hoofdstuk 1 van bijlage I ingericht akoestisch rapport.
Artikel 1.3
1. De waarde van het door berekening of door meting verkregen
equivalente geluidsniveau wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde
gehele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het even
getal.
2. Bij de vaststelling van het verschil tussen twee
geluidsbelastingwaarden wordt, in afwijking van het eerste lid, de
afronding slechts toegepast op het resultaat van de berekening van het
verschil.
Artikel 1.4
Het effect van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen,
bedoeld in artikel 110f van de wet, wordt bepaald overeenkomstig de in
hoofdstuk 2 van bijlage I beschreven rekenmethode.
Artikel 1.5
1. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een
industrieterrein, een weg of een spoorweg, wordt rekening gehouden
met:
a. de verzwakking van het geluid ten gevolge van de
geometrische uitbreiding van het geluidsveld;
b. de verzwakking van het geluid door absorptie van
geluidsenergie in de atmosfeer;
c. de invloed van de bodem op de geluidsoverdracht;
d. de meteorologische invloeden op de geluidsoverdracht.
2. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau wordt,
afhankelijk van de situatie, bovendien rekening gehouden met de
effecten op de geluidsoverdracht, die het gevolg zijn van één of
meer:
a. reflecties van het geluid;
b. afschermingen van het geluid.
3. Indien het equivalente geluidsniveau wordt bepaald ter plaatse
van de gevel van een woning of ander geluidsgevoelig gebouw, wordt
slechts rekening gehouden met het op de gevel invallende geluid.
Hoofdstuk 2. Industrie
Artikel 2.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
geluidsbron: geluidafstralend toestel, apparaat, gebouw of
activiteit, dan wel een combinatie hiervan, binnen een inrichting of
industrieterrein;
immissiepunt: plaats waarop het equivalent geluidsniveau wordt
bepaald;
immissierelevante bronsterkte: geluidsvermogensniveau van een
denkbeeldige bron, gelegen in het centrum van de werkelijke geluidsbron,
die in de richting van het immissiepunt dezelfde geluiddrukniveaus
veroorzaakt als de werkelijke geluidsbron;
representatieve bedrijfssituatie: toestand waarbij de voor de
geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een
bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in het te beschouwen gedeelte
van het etmaal.
Artikel 2.2
1. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau van een
industrieterrein wordt rekening gehouden met:
a. de over de betreffende periode energetisch gemiddelde
immissierelevante bronsterkte bij een representatieve
bedrijfssituatie;
b. de invloed van de vegetatie op de geluidsoverdracht.
2. Indien de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een
industrieterrein plaats vindt ten behoeve van de vaststelling of
wijziging van een geluidszone rond dat terrein, bevindt het
immissiepunt zich op een hoogte van vijf meter boven het maaiveld.
3. Indien de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een
industrieterrein plaats vindt ten behoeve van de vaststelling van de
geluidsbelasting van de gevel van woningen, of andere geluidsgevoelige
gebouwen, bevindt het immissiepunt zich op het punt van de gevel, waar
de hoogste geluidsbelasting optreedt.
Artikel 2.3
1. Bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een
industrieterrein vindt plaats volgens een van de methoden van de
Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, onder de in
genoemde handleiding bepaalde voorwaarden.
2. Op het overeenkomstig het eerste lid bepaalde equivalente
geluidsniveau vanwege een industrieterrein kan het bevoegd gezag een
aftrek toepassen als bedoeld in bijlage II, onder de in die bijlage
genoemde voorwaarden en voor zover het toepassen van de aftrek niet in
strijd is met de gewenste optimale akoestische en ruimtelijke indeling
op en rond het industrieterrein, zoals onder meer kan blijken uit een:
a. zonebeheerplan als bedoeld in artikel 164 van de wet;
b. gemeentelijke nota industrielawaai als bedoeld in de
Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, MBG 98065226,
21 oktober 1998;
c. gemeentelijk milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.16
van de Wet milieubeheer;
d. provinciaal milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.9 van
de Wet milieubeheer;
e. ontwerpbestemmingsplan die reeds ter inzage is gelegd;
f. ontwerp voor een projectbesluit dat reeds ter inzage is
gelegd;
g. ontwerpvergunning op grond van de Wet milieubeheer dat reeds
ter inzage is gelegd.
3. Indien meer bestuursorganen bevoegd zijn tot het vaststellen van
een hogere waarde met betrekking tot de geluidsbelasting vanwege een
industrieterrein op grond van artikel 110a van de wet of tot het
verlenen van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor op
dat industrieterrein gelegen inrichtingen, kan de aftrek, bedoeld in
het tweede lid, slechts worden toegepast na overleg met die
bestuursorganen.
4. Tegelijkertijd met, of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking
wordt van een besluit waarin bij de bepaling van het equivalente
geluidsniveau vanwege een industrieterrein of een gedeelte daarvan,
een aftrek bedoeld in het tweede lid is toegepast, mededeling gedaan
aan de bestuursorganen, bedoeld in het derde lid.
Artikel 2.4
Van de in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde methode kan, geheel of
gedeeltelijk worden afgeweken indien aannemelijk wordt gemaakt dat die
werkwijze:
a. een belangrijke tijdsbesparing of kostenbesparing oplevert en
in de betreffende situatie nagenoeg even nauwkeurig is als een van
de methoden van de in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde handleiding;
b. in de betreffende situatie belangrijk nauwkeuriger is dan een
van de methoden van de in artikel 2.3, eerste lid, bedoelde
handleiding, of
c. voldoende nauwkeurig is en geen van de methoden van de in
artikel 2.3, eerste lid, bedoelde handleiding in de betreffende
situatie leidt tot een voldoende representatief equivalent
geluidsniveau.
Hoofdstuk 3. Weg
Artikel 3.1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
dicht asfaltbeton: typeaanduiding dicht asfaltbeton zoals
gespecificeerd in de Standaard RAW-bepalingen 2005, ISBN 90 6628 443
9;
etmaalperiode: gedeelte van een etmaal, waarover het equivalente
geluidsniveau wordt bepaald;
maatgevende verkeersintensiteit: verkeersintensiteit, zoals die, in
het voor de geluidsbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een
representatief tijdvak, optreedt;
verkeersintensiteit: aantal motorvoertuigen van een categorie
motorvoertuigen als bedoeld in het tweede lid, dat jaarlijks per uur,
gemiddeld over een etmaalperiode, een waarneempunt passeert;
verkeerssnelheid: voor het betreffende wegvak representatief te
achten gemiddelde snelheid per categorie motorvoertuigen als bedoeld
in het tweede lid.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de volgende
categorieën motorvoertuigen onderscheiden:
categorie lv (lichte motorvoertuigen): motorvoertuigen op drie of
meer wielen, met uitzondering van de in categorie mv en categorie zv
bedoelde motorvoertuigen;
categorie mv (middelzware motorvoertuigen): gelede en ongelede
autobussen, alsmede andere motorvoertuigen die ongeleed zijn en
voorzien van een enkele achteras waarop vier banden zijn gemonteerd;
categorie zv (zware motorvoertuigen): gelede motorvoertuigen,
alsmede motorvoertuigen die zijn voorzien van een dubbele achteras,
met uitzondering van autobussen.
3. Als gebruik wordt gemaakt van automatische telapparatuur met een
van het tweede lid afwijkende categorie-indeling, zijn deze tellingen
toepasbaar als van deze automatische telapparatuur is aangetoond dat
het berekende, op tienden van decibellen afgeronde equivalente
geluidsniveau niet meer dan 0,5 dB afwijkt bij voor de betreffende
wegtype representatieve verkeerssamenstelling.
Artikel 3.2
1. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een
weg, wordt rekening gehouden met:
a. de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden
categorieën motorvoertuigen;
b. de verkeerssnelheden van de onderscheiden categorieën
motorvoertuigen;
c. de geluidemissies van de onderscheiden categorieën
motorvoertuigen, bepaald op een wegdek van dicht asfaltbeton;
d. de invloed van het wegdektype op de geluidemissie.
2. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau wordt,
afhankelijk van de situatie, bovendien rekening gehouden met de
effecten op de geluidemissie en geluidsoverdracht, die het gevolg zijn
van één of meer:
a. hellingen in het beschouwde weggedeelte;
b. met verkeerslichten geregelde kruispunten van wegen;
c. snelheidsbeperkende maatregelen.
Artikel 3.3
1. Het equivalente geluidsniveau wordt bepaald volgens de in
hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.
2. In afwijking van het eerste lid kan het equivalente
geluidsniveau worden bepaald volgens de in hoofdstuk 1 van bijlage III
beschreven Standaardrekenmethode I, indien de desbetreffende situatie
valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardrekenmethode I.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het equivalente
geluidsniveau tevens worden bepaald volgens de Standaardmeetmethode,
bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage III, indien de desbetreffende
situatie valt binnen het toepassingsgebied van die
Standaardmeetmethode.
Artikel 3.4
Bij een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype, wordt het effect
van het afwijkende wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig
de in hoofdstuk 4 van bijlage III beschreven methode.
Artikel 3.5
Het effect op het equivalente geluidsniveau van de in hoofdstuk 2 van
bijlage III beschreven schermtop op de geluidemissie bepaald
overeenkomstig de in hoofdstuk 5 van bijlage III beschreven methode.
Artikel 3.6
De ingevolge artikel 110g van de wet toe te passen aftrek op de
volgens de artikelen 1.3, eerste lid, en 3.7, onderdeel b en c, bepaalde
waarde van het equivalente geluidsniveau, vanwege een weg, van de gevel
van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van
geluidsgevoelige terreinen bedraagt:
a. 2 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid
van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt;
b. 5 dB voor de overige wegen;
c. 0 dB bij toepassing van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2003
en bij toepassing van de artikelen 111, tweede en derde lid, 111a,
112 en 113 van de wet.
Artikel 3.7
Voor de berekening van het akoestisch effect van een wijziging op of
aan een weg, worden, in afwijking van artikel 1.3, de volgende
uitgangspunten gehanteerd:
a. indien een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting is vastgesteld, wordt gerekend met het getal van de
hogere waarde, zoals deze is vastgesteld;
b. voor de heersende waarde van de geluidsbelasting wordt
gerekend met het onafgeronde getal, waarbij uitvoering is gegeven
aan artikel 3.6;
c. voor de geluidsbelasting in het toekomstige maatgevende jaar
wordt gerekend met het onafgeronde getal, waarbij uitvoering is
gegeven aan artikel 3.6.
Artikel 3.8
Indien een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een weg
in dB(A) is vastgesteld, wordt die waarde omgerekend tot de waarde van
de geluidsbelasting in dB door de getalswaarde van de vastgestelde
waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende
geluidsbelasting in dB(A) en de heersende geluidsbelasting in dB.
Hoofdstuk 4. Spoorweg
Artikel 4.1
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
eenheid: afhankelijk van de spoorvoertuigcategorie een locomotief,
een treinstel, een rijtuig of een wagen;
emissiegetal: getal dat de sterkte aangeeft van het geëmitteerde
geluid ten gevolge van het gezamenlijk spoorvoertuigverkeer op een
bepaald spoorweggedeelte, zonodig gespecificeerd per oktaafband en per
onderscheiden bronhoogte;
emissietraject: gedeelte van een spoorweg waarop de geluidemissie
constant kan worden verondersteld;
etmaalperiode: gedeelte van een etmaal, waarover het equivalente
geluidsniveau wordt bepaald;
snelheid: de voor het betreffende emissietraject, per
etmaalperiode, representatief te achten snelheid per categorie
spoorvoertuigen, als bedoeld in het tweede lid;
verkeersintensiteit: het aantal eenheden van een categorie
spoorvoertuigen, als bedoeld in het tweede lid, dat per uur, gemiddeld
over een etmaalperiode, op een bepaald emissietraject passeert.
2. Elk spoorvoertuig dat op een bepaald traject van de spoorweg
gebruik maakt, wordt voor de toepassing van deze regeling toegedeeld
aan de desbetreffende spoorvoertuigcategorie, genoemd in hoofdstuk 1
van bijlage IV.
Artikel 4.2
Bij de bepaling van het emissiegetal van een bepaald emissietraject
wordt rekening gehouden met:
a. de verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën
spoorvoertuigen;
b. de snelheid van de onderscheiden categorieën spoorvoertuigen;
c. de specifieke geluidemissies van de onderscheiden categorieën
spoorvoertuigen;
d. de bronhoogten die representatief te achten zijn voor de
betrokken categorieën spoorvoertuigen;
e. de mogelijke extra geluidemissie die optreedt bij het remmen
van de betrokken categorieën spoorvoertuigen;
f. de voor het betreffende emissietraject karakteristieke
baangesteldheid;
g. de wijze van spoorstaafoplegging.
Artikel 4.3
1. De Minister draagt zorg voor de samenstelling en het beheer van
een emissieregister, waarin de gegevens, bedoeld in hoofdstuk 7 van
bijlage IV, worden vastgelegd.
2. Het emissieregister is openbaar.
Artikel 4.4
1. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau, vanwege een
spoorweg, wordt rekening gehouden met de emissiegegevens zoals
vastgelegd in het emissieregister, bedoeld in artikel 4.3, of, indien
het een berekening betreft voor het toekomstig maatgevende jaar, met
de emissiegetallen van de relevante emissietrajecten bepaald
overeenkomstig artikel 4.6.
2. De Minister kan, na overleg met de instanties die op de
desbetreffende locatie de spoorweginfrastructuur en het gebruik
daarvan beheren, afwijking toestaan van het eerste lid, indien de daar
bedoelde gegevens onvoldoende representatief zijn.
Artikel 4.5
Het emissiegetal van een bepaald emissietraject en het equivalente
geluidsniveau, vanwege een spoorweg, worden bepaald door middel van
berekening dan wel meting.
Artikel 4.6
1. De berekening van het emissiegetal van een bepaald
emissietraject wordt uitgevoerd volgens de in hoofdstuk 2 en 3 van
bijlage IV beschreven methode.
2. In gevallen waarin de in het eerste lid genoemde methode leidt
tot een voor de betreffende situatie onvoldoende representatief
emissiegetal, wordt het emissiegetal bepaald volgens de in hoofdstuk 6
van bijlage IV beschreven methode.
Artikel 4.7
1. Het equivalente geluidsniveau wordt berekend volgens de
Standaardrekenmethode II, bedoeld in hoofdstuk 5 van bijlage IV.
2. In afwijking van het eerste lid kan het equivalente
geluidsniveau worden bepaald volgens de in hoofdstuk 4 van bijlage IV
beschreven Standaardrekenmethode I, indien de desbetreffende situatie
valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardrekenmethode I.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het equivalente
geluidsniveau tevens worden bepaald volgens de Standaardmeetmethode,
bedoeld in hoofdstuk 6 van bijlage IV, indien de desbetreffende
situatie valt binnen het toepassingsgebied van die
Standaardmeetmethode.
Artikel 4.8
Indien een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een
spoorweg in dB(A) is vastgesteld, wordt die waarde omgerekend tot de
waarde voor de geluidsbelasting in dB door de getalswaarde te
verminderen met 2.
Hoofdstuk 5. Binnen gebouwen
Artikel 5.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder gevel: de uitwendige
scheidingsconstructie zoals gedefinieerd in het Bouwbesluit 2003.
Artikel 5.2
1. Het equivalent geluidsniveau binnen een gebouw ten behoeve van
de vaststelling van de geluidsbelasting ter plaatse wordt bepaald door
het equivalente geluidsniveau buiten het gebouw, bepaald
overeenkomstig de hoofdstukken 2, 3 of 4, te verminderen met de
geluidwering van de gevel.
2. De geluidwering van een gevel kan worden bepaald door middel van
meting of berekening.
Artikel 5.3
Bij de bepaling van de geluidwering van de gevel wordt rekening
gehouden met:
a. het geluidsspectrum, behorend bij het equivalente
geluidsniveau buiten het gebouw;
b. de structuur van de gevel en de oriëntatie van de geveldelen
ten opzichte van de geluidsbron;
c. de geluidwerende kwaliteit en de afmetingen van de elementen
waaruit de gevel is opgebouwd;
d. het volume van het betreffend vertrek bij berekening, of de
nagalmtijd van het betreffend vertrek bij meting;
e. de geluidwerende kwaliteit van voorzieningen in de gevel voor
ventilatie in geopende stand;
f. geluidlekken.
Artikel 5.4
1. Bij de bepaling van de geluidwering van de gevel wordt uitgegaan
van het A-gewogen referentiespectrum behorend bij het equivalent
geluidsniveau buiten de woning of het andere geluidsgevoelige gebouw.
2. Tenzij anders vermeld en gemotiveerd wordt daarbij voor
wegverkeer en spoorwegverkeer uitgegaan van de referentiespectra voor
deze twee verkeerssoorten bepaald overeenkomstig NEN 5077.
3. In afwijking van het tweede lid wordt het referentiespectrum
voor wegverkeer toegepast, indien in het maatgevende jaar op een
spoorweg meer dan 30% spoorwegvoertuigen passeren behorende tot de
categorieën 4 of 5, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid.
Artikel 5.5
1. De meting van de geluidwering van een gevel wordt uitgevoerd
volgens de in NEN 5077, hoofdstuk 4 beschreven meetmethode.
2. De berekening van de geluidwering van een gevel wordt uitgevoerd
volgens de in NEN-EN 12354-3 beschreven rekenmethode, toegepast op de
wijze zoals beschreven in bijlage V.
Hoofdstuk 6. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 6.1
1. De geluidsbelasting, bedoeld in artikel 88, eerste lid, van de
wet, en artikel 3.6 van het besluit, wordt bepaald volgens het Reken-
en meetvoorschrift verkeerslawaai, zoals dat luidde tot het tijdstip
van inwerkingtreding van het Reken- en meetvoorschrift
wegverkeerslawaai 2002.
2. Bij toepassing van het eerste lid bedraagt de toe te passen
aftrek ingevolge artikel 110g van de wet 5 dB.
3. Op de bepaling van de geluidsbelasting, bedoeld in artikel 4.17
van het besluit is, het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai
van toepassing zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling.
Artikel 6.2
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 5
juli 2006 houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering
instrumentarium geluidbeleid, eerste fase; Stb. 350) in werking
treedt.
Artikel 6.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Reken- en meetvoorschrift
geluidhinder 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage
worden gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Rijnstraat 8, 2515 XP Den Haag.
Den Haag, 12 december 2006.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel.
Bijlage I
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer]
Bijlage II
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer]
Bijlage III
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer]
Bijlage IV
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer]
Bijlage V
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer]
|
|
|