| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA)
REGELING
PERIODIEKE AUDIT GBA
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2010
|
|
|
De Minister voor
Grotesteden- en Integratiebeleid;
Gelet op artikel 120a van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en de artikelen 53b,
53c en 53d van het Besluit gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
de wet: de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
het besluit: het Besluit gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
de Regeling GBA: de Regeling gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens;
auditee: de gemeente die onderwerp is van de audit;
auditor: de medewerker van de auditinstelling die het
inhoudelijke deel van de audit namens de auditinstelling uitvoert of de
medewerker van de auditinstelling onder wiens verantwoordelijkheid het
procesmatige en privacydeel van de audit namens de auditinstelling wordt
uitgevoerd;
auditinstelling: het bedrijf dat door de minister is aangewezen
om de audit als bedoeld in artikel 120a van de wet uit te voeren;
kwaliteitsbrochure: een vanwege de minister uitgegeven brochure,
bedoeld in artikel 8;
de minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
het agentschap BPR: het agentschap Basisadministratie
Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties;
de persoonslijst: de in het GBA-systeem van de auditee opgeslagen
persoonslijst als bedoeld in artikel 1 van de Wet GBA.
2. Brondocumenten als bedoeld in deze regeling zijn:
a. de kopie van de persoonskaart in het Vestigingsregister;
b. documenten die door instanties in Nederland zijn opgemaakt, te
weten (kennisgevingen van) akten van de burgerlijke stand, besluiten
en (afschriften van) rechterlijke uitspraken, tenzij deze de vorm
hebben van een Og01-, Og11-, Tb01- dan wel een TB02-bericht; en
c. overige Nederlandse en buitenlandse documenten die vermeld
zijn in bijlage 4.
3. Indien een brondocument als bedoeld in het tweede lid niet
aanwezig is en dit document door een instantie in Nederland is
opgemaakt, vraagt het college van burgemeester en wethouders bij de
desbetreffende instantie een afschrift op.
Artikel 2
1. Voor de uitvoering van deze regeling wordt verstaan onder
het aantal inwoners van een gemeente: het aantal inwoners volgens de
door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte
bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar waarin een audit wordt
uitgevoerd.
2. Bij de uitvoering van de heraudit wordt uitgegaan van
hetzelfde aantal inwoners dat ingevolge het eerste lid voor de audit is
vastgesteld.
Hoofdstuk 2. De periodieke audit
Paragraaf 1. Het inhoudelijke deel van de audit
Artikel 3
1. De auditor is verantwoordelijk voor
het trekken van een niet-selecte steekproef uit de basisadministratie
van de auditee ten behoeve van het inhoudelijke deel van de audit.
2. De steekproef wordt getrokken uit de verzameling van
persoonslijsten van personen die als ingezetene staan ingeschreven in de
basisadministratie van de auditee en de persoonslijsten die vanwege de
emigratie, een ministerieel besluit, bedoeld in artikel 32 van de wet of
het overlijden van de ingeschrevene zijn opgeschort. De auditee levert
in verband hiermee twee overzichten van administratienummers van alle in
de basisadministratie van de auditee opgenomen actuele respectievelijk
opgeschorte persoonslijsten.
3. Het aantal te selecteren persoonslijsten bedraagt:
a. 100 voor gemeenten tot 20.000 inwoners;
b. 200 voor gemeenten met 20.000 tot 100.000 inwoners;
c. 300 voor gemeenten met 100.000 of meer inwoners.
4. Vijf procent van de te selecteren persoonslijsten is
opgeschort in verband met de in het tweede lid genoemde redenen.
5. De auditee draagt er zorg voor dat na ontvangst van de door de
auditor opgegeven A-nummers, de daarbij behorende persoonslijsten binnen
een werkweek aan de auditor beschikbaar worden gesteld. Indien dit niet
binnen de genoemde termijn heeft plaatsgevonden, geeft de auditor
onmiddellijk nieuwe A-nummers op en stelt de auditee alsnog binnen een
werkweek na ontvangst van deze nieuwe A-nummers, de daarbij behorende
persoonslijsten aan de auditor beschikbaar.
Artikel 4
1. Naast de in artikel 3 bedoelde niet-selecte steekproef,
draagt de auditor zorg voor een selecte steekproef uit de
basisadministratie van de auditee.
2. De aantallen select verzamelde persoonslijsten bedragen:
a. 5 voor gemeenten tot 20.000 inwoners;
b. 10 voor gemeenten met 20.000 tot 100.000 inwoners;
c. 20 voor gemeenten met 100.000 of meer inwoners.
3. De select verzamelde persoonslijsten voldoen aan de criteria
genoemd in bijlage 1.
Artikel 5
De te controleren persoonslijsten worden op papier afgedrukt,
ongeacht de wijze waarop de controle plaatsvindt.
Artikel 6
1. In het kader van de toetsing van de eisen die voortvloeien
uit de systeembeschrijving wordt onderzocht of:
a. de gegevens voldoen aan de eisen in het gegevenswoordenboek;
b. de tekens voorkomen in het overzicht van te gebruiken Teletex
karakters;
c. de gegevens weergeven dat mutaties zijn uitgevoerd conform de in
de systeembeschrijving beschreven actualiseringprocedures;
d. de gegevens weergeven dat bij het opnemen dan wel wijzigen van
gegevens de voorschriften gesteld bij of krachtens de wet zijn
gevolgd;
e. de door een college van burgemeester en wethouders spontaan
geplaatste afnemersindicaties voorkomen op de persoonslijsten waar
deze verwacht mogen worden;
f. de gegevens zijn ontleend aan bij of krachtens de wet bepaalde
brondocumenten.
2. Een gegeven wordt getoetst aan de hand van het daarop
betrekking hebbende voorschrift dat gold op het moment waarop het
gegeven werd opgenomen, tenzij later is aangegeven dat het betreffende
gegeven gecorrigeerd moest worden omdat het bij de opname gehanteerde
voorschrift niet juist was. Gegevens die ten tijde van het trekken dan
wel verzamelen van de persoonslijsten, bedoeld in de artikelen 3 en 4,
niet conform de eisen waren opgenomen, maar naderhand zijn gecorrigeerd,
worden aangemerkt als afwijkingen.
3. Beoordeeld wordt of de gegevens op de persoonslijsten correct
zijn ontleend aan de gegevens op het brondocument.
4. Voor wat betreft de niet-selecte steekproef geldt dat:
a. de controle alleen wordt uitgevoerd aan de hand van de
brondocumenten die bij de auditee aanwezig dienen te zijn of waarvan
alsnog een afschrift kan worden verkregen;
b. de controle wordt uitgevoerd bij de door de auditor te bepalen
helft van de in de steekproef aanwezige persoonslijsten;
c. bij de andere helft van de in de steekproef aanwezige
persoonslijsten wordt alleen een controle uitgevoerd indien het
vermoeden bestaat dat gegevens niet juist aan de gegevens op het
brondocument zijn ontleend.
5. Bij de select verzamelde persoonslijsten wordt de controle
uitgevoerd ten aanzien van de bij de desbetreffende specifieke situatie
gehanteerde brondocumenten.
Artikel 7
1. Aangetroffen afwijkingen worden ingedeeld in drie
foutklassen:
a. foutklasse A, de voor afnemers cruciale gegevens, zijnde de
rubrieken: 01.02.30 (voorvoegsel persoon), 01.02.40 (geslachtsnaam
persoon), 01.03.10 (geboortedatum persoon), 05.03.10 en 55.03.10
(geboortedatum echtgenoot/geregistreerd partner), 05.06.10 en 55.06.10
(datum huwelijkssluiting), 05.07.10 (datum huwelijksontbinding),
06.08.10 (datum overlijden), 08.11.20 (huisnummer), 08.11.30
(huisletter), 08.11.40 (huisnummertoevoeging), 08.11.60 (postcode),
09.03.10 (geboortedatum kind) en 14.40.10 (afnemersindicatie);
b. foutklasse B, de niet onder a vermelde algemene gegevens met
uitzondering van de rubrieken 01.01.10 (A-nummer persoon), 05.01.10 en
55.01.10 (A-nummer echtgenoot/geregistreerd partner) en 09.01.10 (A-nummer
kind), alsmede van de bijzondere gegevens, de groepen: 13.31 (Europees
kiesrecht), 13.38 (Uitsluiting kiesrecht);
c. foutklasse C, de overige administratieve gegevens met
uitzondering van element 86.10, alsmede van de bijzondere gegevens, de
groepen: 12.35 (Nederlands reisdocument), 12.36 (Signalering), 12.37
(Buitenlands reisdocument), 12.85 (Geldigheid), 13.82 (Document).
2. Het, met in achtneming van artikel 6, vierde lid, onder a,
niet kunnen overleggen van een brondocument wordt aangemerkt als
afwijking, vallend in foutklasse C.
Artikel 8
1. Iedere aangetroffen afwijking wordt geteld als één fout.
2. Meervoudige afwijkingen worden geteld als één fout en
ingedeeld in de hoogste van de van toepassing zijnde foutklassen,
indien:
a. de afwijkingen die op meerdere persoonslijsten zijn
geconstateerd, worden veroorzaakt doordat het geautomatiseerde systeem
van de auditee op een bepaald aspect niet goed werkt(e) of doordat een
onjuiste procedure door een auditee is gevolgd, tenzij dezelfde
afwijking tijdens een eerdere audit is geconstateerd;
b. de op één persoonslijst geconstateerde afwijkingen met elkaar
samenhangen dan wel worden veroorzaakt door één en dezelfde fout,
tenzij dezelfde afwijking tijdens een eerdere audit is geconstateerd.
3. Afwijkingen worden niet als fout geteld, indien:
a. door of namens de minister schriftelijk kenbaar is gemaakt dat
de desbetreffende afwijking bij de bepaling van het resultaat van de
audit niet als afwijking wordt aangemerkt;
b. in de door het agentschap BPR uitgegeven Kwaliteitsbrochure
kenbaar is gemaakt dat de desbetreffende afwijking niet als afwijking
wordt aangemerkt.
4. In verband met het bepaalde in het tweede lid overlegt de
auditee de door de auditor verlangde managementsamenvattingen.
Artikel 9
Een auditee heeft het inhoudelijke deel van de audit met goed gevolg
afgelegd, indien er per foutklasse niet meer fouten zijn geteld dan:
a. 1% van het aantal niet-select getrokken persoonslijsten in
foutklasse A;
b. 5% van het aantal niet-select getrokken persoonslijsten in
foutklasse B;
c. 10% van het aantal niet-select getrokken persoonslijsten in
foutklasse C.
Artikel 10
De onderzochte persoonslijst wordt door de auditor gewaarmerkt. De
afwijkingen alsmede de telling van deze afwijkingen als fouten, worden
in de auditrapportage vermeld.
Paragraaf 2. Het procesmatige deel van de audit
Artikel 11
Het procesmatige deel van de audit wordt uitgevoerd met behulp van de
in bijlage 2 opgenomen vragenlijst en de ingevolge artikel 12, eerste
lid, door de auditee aangeboden documenten alsmede de waarneming ter
plaatse door de auditor.
Artikel 12
1. De vragenlijst wordt door de verantwoordelijke voor de
verwerking van persoonsgegevens in de basisadministratie voorafgaand
aan de audit ingevuld en samen met de afschriften van de meest recente
versies van de in bijlage 2 met een ‘@’-teken aangeduide
documenten aan de auditor aangeboden.
2. De auditor controleert naar eigen inzicht de juistheid van de
beantwoording van de door de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en
Koninkrijksrelaties aangewezen vragen en de bij die vragen behorende
vervolgvragen. Hij stelt daartoe naar eigen inzicht aanvullende vragen
aan de voor de desbetreffende processen verantwoordelijke en uitvoerende
personen en verricht elke toets die hij noodzakelijk acht.
3. Indien uit de controle blijkt dat één of meerdere vragen dan
wel twee of meerdere vervolgvragen onjuist is of zijn beantwoord,
controleert de auditor tevens de beantwoording van de overige vragen.
4. De auditee geeft vooraf aan bij wie genoemde
verantwoordelijkheden zijn neergelegd en waar dat uit blijkt.
5. Een werkdag voordat de controle bedoeld in het tweede lid
wordt uitgevoerd informeert de minister de auditinstelling welke vragen
hij heeft aangewezen.
Artikel 13 [Vervallen per 03-03-2007]
Artikel 14 [Vervallen per 03-03-2007]
Paragraaf 3. Het privacydeel van de audit
Artikel 15
Het privacydeel van de audit wordt uitgevoerd aan de hand van de in
bijlage 3 opgenomen aanvullende vragenlijst en de ingevolge artikel 15a,
eerste lid, door de auditee aangeboden documenten.
Artikel 15a
1. De vragenlijst wordt door de verantwoordelijke voor de
verwerking van persoonsgegevens in de basisadministratie voorafgaand
aan de audit ingevuld en samen met de afschriften van de meest recente
versies van de in bijlage 3 met een ‘@’-teken aangeduide
documenten aan de auditor aangeboden.
2. De auditor stelt naar eigen inzicht aanvullende vragen aan de
volgende voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
verantwoordelijke en uitvoerende personen:
a. de functionaris die verantwoordelijk is voor de inhoud,
integriteit en toegankelijkheid van de gegevens in de
basisadministratie in de gemeente;
b. de functionaris die verantwoordelijk is voor de bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van de personen over wie gegevens in de
GBA opgenomen zijn;
c. de functionaris die verantwoordelijk is voor het controleren en
evalueren van de maatregelen voor de informatiebeveiliging;
d. de functionaris die verantwoordelijk is voor een juiste
bijhouding van de GBA.
3. De auditee geeft vooraf aan bij wie genoemde
verantwoordelijkheden zijn neergelegd en waar dat uit blijkt.
4. De auditor toetst of ten aanzien van het onderdeel privacy de
voorgeschreven maatregelen zijn getroffen, of deze in de praktijk worden
nageleefd en welke risico's daarbij zijn te onderkennen.
Hoofdstuk 3. De auditrapportage en het
controleverslag procesmatig deel van de audit
Artikel 16
1. Deze regeling verstaat onder
auditrapportage een rapportage die minimaal uit de volgende delen
bestaat:
a. de bevindingen van het inhoudelijke deel van de audit;
b. de bevindingen van het privacydeel van de audit;
c. de managementsamenvatting, bevattende de in artikel 53c, tweede
lid, van het besluit bedoelde onderdelen van de auditrapportage.
2. Deze regeling verstaat onder controleverslag een verslag met
betrekking tot de controle van het procesmatige deel van de audit.
Artikel 17
1. Omtrent het inhoudelijke deel van de audit wordt minimaal
opgenomen:
a. de zichtbare onvolkomenheden in de gecontroleerde
persoonslijsten;
b. de wijze van uitvoering van de niet-selecte steekproef;
c. welke select verzamelde persoonslijsten zijn gecontroleerd;
d. de bevindingen.
2. Ten aanzien van de niet-selecte steekproef worden de
feitelijke bevindingen en geconstateerde afwijkingen onderverdeeld in
foutklassen.
Artikel 18 [Vervallen per 03-03-2007]
Artikel 19
Omtrent het privacydeel van de audit wordt minimaal opgenomen:
a. de zichtbare onvolkomenheden in de documentatie;
b. hoe dit deel van de audit is uitgevoerd, welke aanvullende
documenten zijn geraadpleegd, welke controles en interviews zijn
uitgevoerd;
c. de bevindingen.
Artikel 20
In verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de
burger zijn de feitelijke bevindingen bij het inhoudelijke deel van de
audit op een zodanige wijze beschreven dat de gegevens niet zijn te
herleiden tot een individuele persoon.
Artikel 21
1. De managementsamenvatting bestaat uit de volgende elementen:
a. een passage waaruit blijkt onder wiens verantwoordelijkheid het
inhoudelijk deel onderscheidenlijk het privacydeel van de audit is
uitgevoerd, welke auditoren het inhoudelijke deel en het privacy deel
hebben uitgevoerd, wanneer welke onderdelen van de audit zijn
uitgevoerd en, indien sprake is geweest van uitbesteding door de
auditinstelling, welk deel aan welke instantie is uitbesteed;
b. een verklaring dat het inhoudelijk deel van de audit
onderscheidenlijk het privacydeel van de audit niet, dan wel geheel of
gedeeltelijk is uitgevoerd met behulp van computers en
geautomatiseerde uitrusting;
c. de conclusies, onderverdeeld naar:
1°. de niet-selecte persoonlijsten, waarbij per foutklasse wordt
aangegeven welke afwijkingen zijn aangetroffen en of de geldende
norm is overschreden;
2°. de select getrokken persoonslijsten, waarbij wordt
aangegeven welke afwijkingen zijn aangetroffen;
3°. de uitkomsten van het privacydeel van de audit, onder
vermelding van de geconstateerde tekortkomingen;
4°. de onderdelen waarvoor een heraudit verplicht is dan wel de
mededeling dat geen heraudit verplicht is;
5°. de afspraken die de auditee met de auditor heeft gemaakt
naar aanleiding van de bespreking van het concept van de
auditrapportage.
d. een passage met aanbevelingen en voorgestelde maatregelen ter
verbetering van bij de auditee in het kader van een audit of een
heraudit geconstateerde afwijkingen en tekortkomingen.
2. Het controleverslag bestaat minimaal uit de volgende
elementen:
a. welke vragen en aanvullende vragen zijn gecontroleerd;
b. de zichtbare onvolkomenheden in de documentatie;
c. hoe dit deel van de audit is uitgevoerd, welke aanvullende
documenten zijn geraadpleegd alsmede welke controles en interviews
zijn uitgevoerd;
d. de bevindingen;
e. een passage waaruit blijkt onder wiens verantwoordelijkheid de
controle van het procesmatige deel is uitgevoerd, welke auditoren de
controle hebben uitgevoerd, wanneer de controle is uitgevoerd en,
indien sprake is geweest van uitbesteding door de auditinstelling, aan
welke instantie is uitbesteed.
3. Burgemeester en wethouders zenden binnen een maand na het in
artikel 21a, derde lid, bedoelde tijdstip een afschrift van de
managementsamenvatting onderscheidenlijk het controleverslag naar het
agentschap BPR.
4. Bij het afschrift van het controleverslag voegen zij een
afschrift van de ingevulde vragenlijst met betrekking tot het
procesmatige deel van de audit die zij aan de auditor ter controle
hebben overgelegd.
5. Indien uit de bevindingen naar aanleiding van de controle is
gebleken dat gecontroleerde vragen niet correct bleken te zijn
beantwoord, voegen zij tevens een correct ingevulde vragenlijst bij.
6. Burgemeester en wethouders delen bij de toezending van het
afschrift van het controleverslag mee voor welke onderdelen van het
procesmatige deel van de audit een heraudit verplicht is dan wel dat
geen heraudit verplicht is.
7. De managementsamenvatting en het controleverslag worden
gedurende zeven jaren door de auditee bewaard.
Artikel 21a
1. Uiterlijk twee maanden nadat met de uitvoering van de audit
is begonnen, wordt een concept van de auditrapportage voorgelegd aan
de auditee.
2. Het concept van de auditrapportage wordt vervolgens met een
vertegenwoordiger van de auditee besproken.
3. De uiteindelijke auditrapportage wordt uiterlijk twee maanden
nadat het concept van de auditrapportage aan de auditee is voorgelegd,
vastgesteld en door de auditor of een door de auditinstelling gemachtigd
personeelslid ondertekend.
4. De termijn van een jaar, bedoeld in artikel 120a, vijfde lid,
van de wet vangt aan op het moment dat de auditrapportage is
vastgesteld, dan wel op het tijdstip dat deze ingevolge het derde lid
uiterlijk had moeten zijn vastgesteld.
5. Ten aanzien van het verslag van de bevindingen van de controle
van het procesdeel zijn het eerste tot en met vierde lid van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. De vergoeding van de audit
Artikel 22
1. De vergoeding, bedoeld in artikel
120a, vierde lid, van de wet bedraagt voor in 2002 gehouden audits:
a. voor gemeenten met minder dan 20.000 inwoners: € 3641,-;
b. voor gemeenten met 20.000 tot 100.000 inwoners: € 4911,-;
c. voor gemeenten met 100.000 of meer inwoners: € 6181,-.
2. De in het eerste lid bedoelde bedragen worden jaarlijks, voor
het lopende kalenderjaar, geïndexeerd conform het eerste in dat jaar
door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend gemaakte voorlopige
indexcijfer voor ‘CAO-lonen van alle werknemers, bruto uurloon,
inclusief bijzondere beloningen voor de commerciële dienstverlening’
voor het voorafgaande jaar.
Hoofdstuk 5. De heraudit
Artikel 23
1. Een heraudit van onderdelen van het
inhoudelijk deel van de audit is verplicht indien bij de niet-selecte
steekproef meer fouten zijn geconstateerd dan de desbetreffende norm
toestaat.
2. Een heraudit van onderdelen van het procesdeel van de audit is
verplicht indien met betrekking tot de vragen in bijlage 2:
a. negatief is geantwoord op één of meer van de volgende vragen:
– 1.1.1 tot en met 1.1.7
– 1.3.1
– 1.3.1.3 tot en met 1.3.1.5
– 1.3.1.6 tot en met 1.3.1.8
– 2.1.1.2 tot en met 2.1.1.5
– 2.1.2.1
– 2.1.3.1
– 2.1.5.1.1
– 2.1.5.1.1.1
– 2.1.8.1 tot en met 2.1.8.2.1
– 2.2.1.2
– 2.2.1.3
– 2.2.1.3.1
– 2.2.2.2
– 2.2.3.1.1.
– 2.2.3.1.4
– 2.2.4.1 tot en met 2.2.4.3
– 2.2.4.3.2
– 2.2.5.1 tot en met 2.2.5.4.1
– 3.2.1;
b. negatief is geantwoord op zowel vraag 2.2.1.1 als vraag
2.2.1.1.1;
c. negatief is geantwoord op zowel vraag 2.2.5.2. als vraag
2.2.5.2.1;
d. bij één van de in de voorgaande onderdelen genoemde vragen de
te overleggen documenten ontbreken.
3. Een heraudit van onderdelen van het privacydeel van de audit
is verplicht indien met betrekking tot de vragen van bijlage 3 negatief
is geantwoord op één of meer van de vragen 1.1.1 tot en met 1.1.1.2 en
1.4.1 tot en met 1.6.1.4, dan wel indien bij één of meer van deze
vragen de te overleggen documenten ontbreken.
Artikel 23a [Vervallen per 01-07-2002]
Artikel 24
De heraudit wordt overeenkomstig de volgende eisen uitgevoerd:
1. De heraudit betreft:
a. de foutklassen van het inhoudelijk deel van de audit, waarin
meer fouten zijn geconstateerd dan de desbetreffende norm toestaat;
b. de vragen, genoemd in artikel 23, tweede lid, waarop negatief
is geantwoord, waarbij het te overleggen document ontbreekt dan wel
voor zover van toepassing maatregelen niet zijn getroffen of in de
praktijk niet worden nageleefd;
c. de vragen, genoemd in artikel 23, derde lid, waarop negatief
is geantwoord dan wel waarbij het te overleggen document ontbreekt.
2. Er wordt bij de heraudit gecontroleerd of de auditee
zodanige maatregelen heeft getroffen dat de kwaliteit van de
desbetreffende onderdelen nu wel voldoende is.
3. Voor een heraudit met betrekking tot de gegevens in
foutklassen A, B of C is het gestelde in paragraaf 1 van hoofdstuk 2
van overeenkomstige toepassing.
4. Voor een heraudit met betrekking tot het procesdeel is het
gestelde in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat de beantwoording van alle vragen, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b, wordt gecontroleerd.
5. Voor een heraudit met betrekking tot het privacydeel is het
gestelde in paragraaf 3 van hoofdstuk 2 van overeenkomstige
toepassing.
6. Artikel 21 en 21a zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. De auditinstellingen
Artikel 25
1. De auditinstelling of de organisatie
waarvan ze deel uitmaakt is juridisch identificeerbaar.
2. De auditinstelling beschikt over documentatie die globaal het
gehele werkgebied beschrijft waarin ze bekwaamheid bezit en
gedetailleerd het werkgebied dat onderwerp is van de audit.
3. De auditinstelling heeft een gepaste
aansprakelijkheidsverzekering, tenzij haar aansprakelijkheid is
overgenomen door de Staat, volgens nationale wetten, of door de
organisatie waarvan ze deel uitmaakt. In het laatste geval heeft de
desbetreffende organisatie een gepaste aansprakelijkheidsverzekering. In
het geval dat er sprake is van een aansprakelijkheidsverzekering, is het
eventuele eigen risico in overeenstemming met de financiële situatie
van de organisatie.
4. De auditinstelling beschikt over documentatie waarin haar
zakelijke voorwaarden beschreven staan.
Artikel 26
1. De auditor is volledig vrij van commerciële, financiële en
andere druk die zijn oordeel zou kunnen beïnvloeden.
2. De auditor is onafhankelijk ten opzichte van de auditee. De
auditor heeft geen andere zakelijke relaties met de auditee.
3. De auditor laat zich niet in met activiteiten die strijdig
kunnen zijn met de onafhankelijkheid van zijn oordeel en zijn
integriteit met betrekking tot de audit.
4. Alle colleges van burgemeester en wethouders kunnen, met
inachtneming van het gestelde in de voorgaande leden, de audit door de
auditinstelling laten uitvoeren.
Artikel 27
1. De auditinstelling verzekert de volledige geheimhouding van
informatie die zij in de loop van haar auditactiviteiten verkrijgt.
2. De auditinstelling garandeert de privacybescherming van de
burger en de bescherming van eigendomsrechten.
Artikel 28
1. De auditinstelling is zodanig georganiseerd dat ze blijvend
in staat is om haar auditfuncties naar behoren te vervullen. De audits
die met auditees zijn afgesproken, worden in het betreffende tijdvak
van drie maanden uitgevoerd zonder dat dat tot kwaliteitsverlies
leidt. De auditinstelling beschikt om die reden over voldoende
personeel of heeft met één of meerdere auditinstellingen een
overeenkomst gesloten zodat voldoende vervanging is gegarandeerd.
2. Alle soorten functies die van invloed zijn op de kwaliteit van
de auditdiensten of betrokken zijn bij het verlenen van de auditdiensten
zijn beschreven. Deze functiebeschrijvingen omvatten de eisen op het
gebied van opleiding, training, technische kennis, inhoudelijke kennis
van de gemeentelijke basisadministraties en ervaring.
Artikel 29
1. De leiding van de auditinstelling bepaalt haar beleid,
doelstelling en betrokkenheid met betrekking tot de kwaliteit van de
audit, legt dat schriftelijk vast en bewerkstelligt dat dit beleid op
alle niveaus in de organisatie wordt begrepen, toegepast en
gehandhaafd.
2. De auditinstelling beheert een effectief kwaliteitssysteem dat
past bij de omvang van de organisatie.
3. Het kwaliteitssysteem is volledig schriftelijk vastgelegd. Er
is een kwaliteitshandboek aanwezig, dat de door deze norm vereiste
informatie bevat die is opgesomd in artikel 38.
4. De auditinstelling wijst een functionaris aan die, ongeacht
andere taken, een duidelijk bepaalde bevoegdheid en verantwoordelijkheid
heeft voor de kwaliteitsborging aangaande de audit. Deze functionaris
heeft directe toegang tot de directie van de auditinstelling.
5. Het kwaliteitssysteem wordt passend en actueel gehouden onder
verantwoordelijkheid van deze functionaris.
6. De auditinstelling houdt een systeem in stand voor de
beheersing van alle voor de audit relevante documenten en bewerkstelligt
dat:
a. de documenten beschikbaar zijn voor al het betrokken personeel;
b. al het betrokken personeel tijdig van wijzigingen of
aanvullingen op de hoogte wordt gebracht;
c. vervallen (onderdelen van) documenten binnen de organisatie uit
gebruik worden genomen behoudens één exemplaar dat wordt bewaard.
Artikel 30
1. De auditinstelling beschikt over voldoende personeel, met
voldoende deskundigheid voor het uitvoeren van hun taken. Indien
gebruik wordt gemaakt van op afroep beschikbare personen, voeren deze
hun werk uit als was het personeel van de auditinstelling.
Werkzaamheden in het kader van een audit worden, behoudens het
gestelde in artikel 36, niet uitbesteed.
2. Een auditor voldoet ten behoeve van het inhoudelijke deel van
de audit aan de eisen, genoemd in artikel 40.
3. Een auditor voldoet ten behoeve van het procesmatige deel van
de audit aan de eisen, bedoeld in artikel 41.
4. De beloning van de auditoren is niet rechtstreeks afhankelijk
van het aantal uitgevoerde audits en is niet afhankelijk van de
resultaten van de audits.
Artikel 31
1. Indien de auditinstelling voor de vastlegging van de
bevindingen van de audit gebruikmaakt van computers en
geautomatiseerde uitrusting, dan bewerkstelligt ze dat:
a. de programmatuur en software is beproefd op haar geschiktheid
voor het bedoelde gebruik;
b. de procedures zijn vastgesteld en worden toegepast voor het
beschermen van de integriteit van de gegevens;
c. de computer en geautomatiseerde uitrusting zodanig worden
onderhouden dat de goede werking ervan verzekerd is;
d. procedures zijn vastgesteld en worden toegepast voor een
voortdurende beveiliging van de gegevens.
2. Indien de auditinstelling voor de vastlegging van de
interviewverslagen in het kader van de audit gebruik maakt van computers
en geautomatiseerde uitrusting, dan bewerkstelligt ze, onverminderd het
gestelde in het eerste lid, dat procedures zijn vastgesteld en worden
toegepast voor het verwijderen van die gegevens na afloop van de audit.
3. Indien de auditinstelling voor de uitvoering van de audit
gebruik maakt van computers en geautomatiseerde uitrusting, dan
bewerkstelligt ze dat:
a. de programmatuur en software is beproefd op haar geschiktheid
voor het bedoelde gebruik;
b. de procedures zijn vastgesteld en worden toegepast voor het
beschermen van de integriteit van de gegevens;
c. de computer en geautomatiseerde uitrusting zodanig worden
onderhouden dat de goede werking ervan verzekerd is;
d. procedures zijn vastgesteld en worden toegepast voor een
voortdurende beveiliging van de gegevens;
e. procedures zijn vastgesteld en worden toegepast voor het
verwijderen van de gegevens na afloop van de audit.
Artikel 32
1. De auditinstelling voert het inhoudelijke deel van de audit
uit overeenkomstig de eisen genoemd in paragraaf 1 van hoofdstuk 2.
2. De auditinstelling voert het procesmatige deel van de audit
uit overeenkomstig het gestelde in paragraaf 2 van hoofdstuk 2.
3. De auditinstelling voert het privacydeel van de audit uit
overeenkomstig het gestelde in paragraaf 3 van hoofdstuk 2.
4. De auditinstelling heeft een systeem voor het beheersen van de
contracten of werkopdrachten om er zeker van te zijn dat:
a. het uit te voeren werk binnen haar bekwaamheid ligt en dat de
organisatie over toereikende middelen beschikt om aan de eisen te
voldoen;
b. de eisen van al wie een beroep wenst te doen op de diensten van
de auditinstelling, naar behoren worden bepaald en dat de specifieke
voorwaarden goed worden begrepen, zodat ondubbelzinnige instructies
kunnen worden gegeven aan de auditoren;
c. toezicht wordt uitgeoefend op het werk in uitvoering, door
middel van regelmatige beoordelingen en corrigerende maatregelen;
d. het werk na voltooiing wordt beoordeeld ter bevestiging dat aan
de eisen is voldaan.
5. De waarnemingen en gegevens die gedurende de audit worden
verkregen, worden tijdig vastgelegd om verlies van ter zake doende
informatie te voorkomen.
Artikel 33
1. De auditinstelling bewerkstelligt dat de te controleren
persoonslijsten op ondubbelzinnige wijze zijn gekenmerkt, om te
voorkomen dat op enig ogenblik verwarring ontstaat met betrekking tot
de identiteit van de persoonslijsten.
2. Zichtbare onvolkomenheden in de te controleren persoonslijsten
en te bestuderen documentatie die aan de auditor worden gemeld of die
door hem worden opgemerkt, voordat met de audit is gestart, worden in de
auditrapportage vastgelegd. Indien er enige twijfel bestaat over de
geschiktheid van de persoonslijsten of de documentatie voor de uit te
voeren controle, raadpleegt de auditor de auditee alvorens verder te
gaan met de audit.
3. De auditinstelling bewerkstelligt dat na afloop van de audit
alle gecontroleerde persoonslijsten en andere door de auditee verstrekte
documentatie weer ter beschikking wordt gesteld aan de auditee.
Artikel 34
1. De door de auditinstelling uitgevoerde audit of heraudit
wordt afgesloten met een auditrapportage.
2. De auditrapportage voldoet aan de eisen genoemd in hoofdstuk
3.
Artikel 35
1. Alle registraties worden gedurende de audit veilig
opgeslagen, zorgvuldig en vertrouwelijk bewaard, met inachtneming van
de wettelijke verplichtingen.
2. De auditinstelling bewerkstelligt dat na afloop van de audit
het door het college van burgemeester en wethouders ingevulde
vragenlijst voor het procesmatige deel van de audit en de eventuele
interviewverslagen ter beschikking worden gesteld aan de auditee.
Artikel 36
1. De auditinstelling voert zelf de audits uit die ze op grond
van een overeenkomst op zich heeft genomen.
2. Uitbesteding van een gedeelte van de audit is slechts
toegestaan aan een andere auditinstelling die door de minister is
aangewezen om de audit uit te voeren. De auditinstelling stelt de
auditee op de hoogte van haar voornemen om een gedeelte van de audit uit
te besteden. De andere auditinstelling moet voor de auditee aanvaardbaar
zijn.
3. De auditinstelling houdt een register bij van al haar
uitbestede werk.
Artikel 37
1. De auditinstelling beschikt over schriftelijk vastgelegde
procedures voor het behandelen van klachten van auditees.
2. Er wordt een overzicht bijgehouden van alle klachten en van de
acties die daarop door de auditinstelling zijn genomen.
Artikel 38
De auditinstelling neemt op passende wijze deel aan de uitwisseling
van ervaringen met andere auditinstellingen, het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Raad voor Accreditatie.
Artikel 39
In het kwaliteitshandboek van de auditinstelling dient de volgende
informatie te zijn opgenomen:
a. algemene informatie (naam, adressen, telefoonnummer enz. en
wettelijke status);
b. verklaring van de leiding over haar beleid, doelstelling en
betrokkenheid op het gebied van kwaliteit;
c. verklaring van de leiding die de in artikel 28, vierde lid,
vermelde functionaris aanstelt;
d. beschrijving van de werkgebieden en bekwaamheden van de
auditinstelling;
e. informatie over de verhoudingen tussen de auditinstelling en
het moederbedrijf of verbonden organisaties, indien van toepassing;
f. organisatieschema('s);
g. beschrijving van de in artikel 27, tweede lid, bedoelde
functies;
h. beleidsverklaring over de kwalificatie en opleiding van de in
artikel 27, tweede lid, bedoelde functies;
i. procedures voor documentenbeheer;
j. procedures voor interne audits;
k. procedures voor terugkoppeling en corrigerende maatregelen;
l. procedures voor beoordelingen van het kwaliteitssysteem door
de leiding;
m. procedures voor het actueel houden van kwalificaties,
opleiding, ervaring en kennis van de auditor;
n. andere procedures en voorschriften of verwijzingen naar andere
procedures of voorschriften die in deze norm worden vereist;
o. verspreidingslijst van het kwaliteitshandboek.
Artikel 40
De auditor die het inhoudelijke deel van de audit uitvoert, voldoet
aan de volgende criteria:
a. de auditor beschikt over gedegen en aantoonbare kennis van de
voor de audit relevante onderdelen uit de voorschriften zoals deze
zijn beschreven in: de wet, het besluit, de regeling GBA, deze
regeling, de systeembeschrijving, de Landelijke Tabellen, overige
voor de verwerking van persoonsgegevens in de basisadministraties
relevante regelgeving, het Handboek Uitvoeringsprocedures, het
Handboek Operationele Procedures, de Kwaliteitsbrochures en de
rubriek ‘Vragen en antwoorden aan de GBA Helpdesk’ in
Burgerzaken en Recht;
b. de auditor beschikt over voldoende inzicht in de werking van
geautomatiseerde systemen in het algemeen en van de verschillende
GBA-applicaties in het bijzonder om vast te kunnen stellen of een
steekproef uit de basisadministratie op de voorgeschreven wijze is
getrokken, of het select verzamelen van persoonslijsten op de juiste
wijze is geschied, om de persoonslijst op de juiste wijze te kunnen
interpreteren en om vast te kunnen stellen dat een opgemerkte
afwijking mogelijk niet als een fout moet worden geteld.
c. de auditor werkt zeer nauwgezet en snel en bezit de
aantoonbare capaciteiten om afwijkingen in persoonslijsten te
vinden.
Artikel 41
De auditor die het procesmatige en privacydeel van de audit uitvoert,
of onder wiens verantwoordelijkheid die delen worden uitgevoerd, voldoet
aan het volgende criterium: de auditor is Register EDP-auditor (RE), een
Europees equivalent daarvan of Certified Information Systems Auditor (CISA).
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 42
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2000.
Artikel 22 van deze regeling werkt terug tot en met 1 juli 1999.
Artikel 43
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling periodieke audit GBA.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 september 2000.
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel.
Bijlage 1 bij artikel 4 van de Regeling
periodieke audit GBA
Lijst met select getrokken persoonslijsten, bedoeld in artikel 4,
derde lid
De vaststelling van de select getrokken persoonslijsten als bedoeld
in artikel 4, geschiedt op de volgende wijze:
1. In de basisadministratie van de auditee wordt gezocht naar
de onderstaande actualiseringen op de persoonslijsten, te beginnen met
de eerste en vervolgens de tweede en zo verder, totdat het aantal te
controleren select getrokken persoonslijsten is bereikt.
2. De controle van de select getrokken persoonslijsten is
bedoeld om het college van burgemeester en wethouders inzicht te
verschaffen in de eigen kwaliteit van een aantal bijzondere (actualiserings)processen.
Daarom dienen de desbetreffende bijzondere actualiseringen door het
college van burgemeester en wethouders zelf te zijn uitgevoerd.
Daarnaast wordt, gezien het doel van deze controle, aanbevolen om zo
mogelijk de actualiseringen te laten controleren waarvan de
gehanteerde brondocumenten aanwezig zijn.
3. De in onderdeel 1 genoemde actualiseringen zijn
achtereenvolgens:
a. een eerste inschrijving als gevolg van een vestiging vanuit
het buitenland;
b. een erkenning bij geboorteaangifte, waarbij de geboorte en
aangifte niet op dezelfde dag hebben plaatsgevonden (op de
persoonslijst van het kind);
c. een actualisering of correctie in de groepen 01
(Identificatienummers), 02 (Naam) of 03 (Geboorte) van categorie 01
(Persoon) met de daaropvolgende actualisering resp. correctie bij
één van de gerelateerden die nog steeds in de gemeente is
ingeschreven (de persoonslijst van de persoon én één van
zijn/haar gerelateerden);
d. een hervestiging vanuit het buitenland in een andere gemeente
dan waar de persoon stond ingeschreven;
e. twee of meer correcties, waarvan minimaal één van de
volgende:
een correctie in groepen 02 (Naam) of 03 (Geboorte) van
categorie 01 (Persoon), een correctie als gevolg van onjuist
adres/verhuizing,
een correctie als gevolg van ten onrechte/dubbel opgenomen
huwelijk, of
een correctie in de categorie 04 (Nationaliteit);
f. een adoptie met een naamswijziging (op de persoonslijst van
het kind);
g. een naturalisatie met naamswijziging en het eventuele verlies
van andere nationaliteit(en);
h. een vestiging vanuit het buitenland van een gezin (vader en
moeder met kind(eren)), als eerste inschrijving;
i. een adoptie van een buitenlands kind, waarvan de
geboortegegevens zijn ingeschreven in de Registers van de
Burgerlijke Stand van Den Haag (op de persoonslijst van het kind);
j. een ontkenning van het vaderschap (op de persoonslijsten van
het kind én van de vader en/of de moeder);
k. een registratie van een emigratie naar land onbekend;
l. een registratie van het adres van een persoon in het gegeven
08.12.10 (Locatiebeschrijving)
m. een geboorte met de daaropvolgende opname van het gegeven
11.32.10 (Indicatie gezag minderjarige);
n. nogmaals twee of meer correcties, waarvan minimaal één van
de volgende: een correctie in groepen 02 (Naam) of 03 (Geboorte) van
categorie 01 (Persoon), een correctie als gevolg van onjuist
adres/verhuizing, een correctie als gevolg van ten onrechte/dubbel
opgenomen huwelijk of een correctie in de categorie 04
(Nationaliteit), maar dan wel een ander dan eerder is gekozen;
o. een registratie van het gegeven 01.61.10 (Aanduiding
naamgebruik) met een andere waarde dan ‘E’ bij een gehuwde vrouw
die niet de Nederlandse nationaliteit bezit;
p. een registratie van meer dan vijf categorieën 10/60
(Verblijfstitel).
4. Indien te weinig van bovenstaande actualiseringen aanwezig
zijn, waardoor het aantal te controleren select getrokken
persoonslijsten niet is bereikt, kan het college van burgemeester en
wethouders zelf andere actualiseringen aandragen.
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties]
Bijlage 3
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties]
|
|
|