|
BESLUIT van 23 november 1972, houdende vaststelling
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 23 van de
Wet van 15 juni 1972 tot gemeentelijke herindeling van
Noordwest-Overijssel (Stb. 1972, 449)
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i. van 24 juli
1972, nr. AW71/2694, Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid,
Directie Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en
Wachtgelden;
Gelet op artikel 23 van de Wet van 15 juni 1972
tot gemeentelijke herindeling van Noordwest-Overijssel (Stb.
1972, 449);
De Raad van State gehoord (advies van 30
augustus 1972, nr. 10);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 13 november 1972, nr. AW72/2424,
Directoraat-Generaal Overheidspersoneelsbeleid, Directie
Overheidspersoneelszaken, Hoofdafdeling Pensioenen en Wachtgelden;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Dit besluit verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
b. betrokkene:
(1). de ambtenaar in vaste dienst;
(2). de ambtenaar in tijdelijke dienst,
mits dit dienstverband ten minste 5 jaren heeft geduurd en de
aanstelling niet is geschied in een betrekking van kennelijk
tijdelijke aard, die ten gevolge van een wet tot herindeling van
gemeenten wordt ontslagen of geacht wordt ontslagen te zijn;
c. pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986,
540);
d. pensioen: een pensioen in de zin van de Algemene burgerlijke
pensioenwet;
e. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
doelvermogens.
Artikel 2
1.Dit besluit verstaat onder diensttijd: de diensttijd die aan het
ontslag voorafgaat en die medetelt voor de pensioenberekening
krachtens de pensioenwet of als zodanig zou medetellen, wanneer die
tijd door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard, met
uitzondering van de tijd:
a. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking waaraan
een functioneel leeftijdsontslag is verbonden, mits uit hoofde van
dat ontslag een uitkering is toegekend;
b. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur
van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van onvrijwillige
werkloosheid ten laste van de overheid, tenzij voor de toepassing
van artikel 5, tweede lid en van artikel 6, tweede lid;
c. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door
ontslag van langer dan een jaar, tenzij voor de toepassing van
artikel 5, tweede lid en van artikel 6, tweede lid;
d. bedoeld in artikel D4 van de pensioenwet;
e. in een aangehouden betrekking.
2.Voor de toepassing van het eerste lid, van artikel 5a, derde lid
en van artikel 6, tweede lid, geldt ten aanzien van de diensttijd
bedoeld in artikel D1, tweede lid, van de pensioenwet, dat betrokkene
geacht wordt het in artikel D2 van die wet bedoelde verzoek aan het
bestuur te hebben gedaan.
3.Dit besluit verstaat mede onder diensttijd de diensttijd die aan
het ontslag voorafgaat in een betrekking waarin betrokkene krachtens
artikel B7, onder a, van de pensioenwet geen ambtenaar in de zin van
die wet is, mits het ontslag uit die betrekking is verleend.
4.Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
wachtgeld in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders
dan ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, wordt
vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld, met ingang
van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die
diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
Artikel 2a
1.Dit besluit verstaat onder dienstbetrekking iedere
publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in
dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen
bezoldiging of loon worden verricht.
2.Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
1.Dit besluit verstaat onder bezoldiging: de bezoldiging, zoals
deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
vermeerderd met de vakantietoelage.
2.Voor zover in de bezoldiging een vergoeding moet worden begrepen
wegens onregelmatige dienst, wordt dit bedrag berekend naar het
gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf
volle kalendermaanden.
3.De bezoldiging, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt
aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris en van
de vakantie-uitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang
van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging
van de vakantie-uitkering van kracht wordt.
4.Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
voorafgaande aan de opheffing van de gemeente lager was dan zonder
verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de
bezoldiging ten gunste van de wachtgelder worden herzien.
5.In bijzondere gevallen kan Onze Minister van het hiervoren
bepaalde ten gunste van de betrokkene afwijken.
Artikel 3a
1.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
bereikt, is hij verplicht zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
als bedoeld in de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) van zijn
woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op de eerste
werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht
op wachtgeld ontstaat.
2.De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden
in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij
een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de
mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van Onze Minister
vergelijkbaar is met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
3.Onze Minister kan bepalen dat de in het eerste en tweede lid
omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde belanghebbenden of
groepen van belanghebbenden die de leeftijd van 55 jaar nog niet
hebben bereikt.
Artikel 4. Recht op wachtgeld
1.De betrokkene heeft ten laste van Hoofdstuk VII van de
rijksbegroting recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het
ontslag ingaat, tenzij de betrokkene:
a. ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
b. ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen,
berekend naar een algemene invaliditeit van 80% of meer;
c. bij de ongeschiktheidsverklaring op grond waarvan het
ontslag plaats vond, herplaatsbaar is verklaard op grond van het
bepaalde in artikel K 2 van de pensioenwet.
2.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van algemene
invaliditeit op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80%. De
hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen van de datum van
ontslag op grond waarvan recht op pensioen is ontstaan. Ter bepaling
van de duur van het wachtgeld wordt:
a. voor de toepassing van artikel 5 als ingangsdatum uitgegaan
van de datum met ingang waarvan de mate van algemene invaliditeit
op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
toepassing van het vierde lid tevens een pensioen vastgesteld naar
een mate van algemene invaliditeit van 80% of meer mede in
aanmerking wordt genomen;
b. voor de toepassing van artikel 5a als ingangsdatum uitgegaan
van de datum op grond waarvan het recht op pensioen is ontstaan.
3.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
afloop van de duur van het wachtgeld, toegekend op grond van artikel K
4, tweede lid, van de pensioenwet aansluitend recht op wachtgeld
indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid,
onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij
blijvend ongeschikt is verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij
de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 5a van dit besluit.
Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop het
wachtgeld toegekend op grond van artikel K 4, tweede lid, van de
pensioenwet, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
wachtgeld dat, te rekenen van de dag waarop het ontslag is ingegaan,
zou zijn toegekend ingevolge artikel 5a, indien het eerste lid,
onderdeel c, buiten toepassing wordt gelaten, zou zijn geëindigd. Op
de hoogte van dit wachtgeld is artikel 6 van toepassing in die zin dat
gerekend wordt van het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.
4.Geen recht op wachtgeld heeft de betrokkene bedoeld in het eerste
lid aan wie schriftelijk is medegedeeld dat het eervol ontslag zal
worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en
omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
aanvaarden.
5.Het vierde lid is niet van toepassing indien de betrokkene op de
dag van ingang van zijn ontslag de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt.
6.Onze Minister beslist over de toekenning van wachtgeld op
schriftelijke aanvraag door de betrokkene. De stukken die Onze
Minister nodig acht voor de behandeling van de aanvraag dienen door of
vanwege de betrokkene te worden overgelegd.
Artikel 5
1.De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat.
2.Indien de betrokkene:
a. in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in
artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week werkzaam is geweest;
b. onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb.
1980, 28);
wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:
3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;
0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;
1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;
1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;
2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;
2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;
3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en
4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.
3.Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld
door samentelling van:
a. perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als
bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn
geweest, en
b. de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.
4.Perioden, waarin een betrokkene:
a. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987,
89), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%,
of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde
lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet
vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer
bedraagt van het dagloon, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
b. ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
onder a, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313),
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd
met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
zijn berekend;
d. na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
ontvangt op grond van de Ziektewet (Stb. 1987, 88) over de
maximale duur bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;
e. een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
genomen voor de periode van drie jaar bedoeld in het tweede lid, en
voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag bedoeld in het derde lid.
5.Voor de periode van drie jaar bedoeld in het tweede lid, en voor
de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon
een tot zijn huishouden behorend kind:
a. beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam
is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het
vierde lid, volledig, en
b. vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8
of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft
ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in
aanmerking genomen.
6.Voor de toepassing van het vijfde lid worden als perioden van
verzorging niet meegeteld de periode waarin:
a. de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een
uitkering ter zake van werkloosheid; en
b. de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
tijdens vakantie.
7.Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing
van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van
deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen
verzorgende persoon wordt aangewezen, is Onze Minister bevoegd een van
hen die naar zijn oordeel als verzorgende persoon moet worden
beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
8.Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
9.De regels die gesteld zijn krachtens artikel 42, negende lid, van
de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
10.In bijzondere gevallen kan Onze Minister na afloop van de in het
eerste en tweede lid bedoelde termijnen de duur van het wachtgeld
verlengen.
Artikel 5a
1.In afwijking van artikel 5, wordt, indien dit leidt tot een
langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
bijzondere verlenging bedoeld in het derde lid is begrepen, de duur
van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.
2.De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
vermeerderd voor de betrokkene:
a. die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;
b. die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
opklimmende met 1,5%;
c. die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
gelijk aan 78% van de diensttijd.
3.In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die
ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
pensioen, van ten minste 10 jaar heeft volbracht, wordt indien de som
van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of
meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is
toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
verlenging duurt tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op
die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
4.De verlenging bedoeld in het derde lid vindt niet plaats in het
geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene
nadien weder een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd die in
aanmerking is genomen bij de bijzondere verlenging, buiten aanmerking.
5.In bijzondere gevallen kan Onze Minister na afloop van de in het
eerste en tweede lid bedoelde termijnen de duur van het wachtgeld
verlengen.
Artikel 5b. Vervolgwachtgeld
1.De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur bedoeld in
artikel 5, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat
wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.
2.De betrokkene die
a. het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 5, eerste
lid, heeft bereikt en
b. voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 5, tweede lid,
onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden
geen recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht
op een vervolgwachtgeld.
3.Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
vervolgwachtgeld een jaar.
4.De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag
van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half
jaar.
5.De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
lid van artikel 5a een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
voorwaarde, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a of b, heeft
aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende
wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum
waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn
toegekend ingevolge artikel 5. Het vervolgwachtgeld eindigt op het
tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.
6.De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel
5a een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde bedoeld
in artikel 5, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op
een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
tijdstip gelegen binnen 3,5 jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 6.
Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen 3,5 jaar na de in
de vorige volzin bedoelde datum.
7.Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.
Artikel 6. Bedrag van het wachtgeld
1.Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste zes maanden
gelijk aan 90% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende zes
maanden 75% van die wedde, welk percentage voor elk leeftijdsjaar
boven 25 jaar met ¼wordt vermeerderd tot een maximum van 80.
Vervolgens bedraagt het wachtgeld 70% van die wedde.
2.In afwijking van het eerste lid is het bedrag van het wachtgeld
tijdens de verlenging bedoeld in artikel 5a, derde lid, gelijk aan het
bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben, indien
hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen,
op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd,
voor zover geldig voor pensioen, en naar de middelsom van
berekeningsgrondslagen, bedoeld in artikel F6, tweede lid, van de
pensioenwet, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend, met
dien verstande, dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het
wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de laatstelijk genoten wedde.
3.Het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging, bedoeld in
artikel 5a, vijfde lid, bedraagt ten hoogste 70% van de laatstelijk
genoten wedde.
Artikel 6a. Bedrag van het vervolgwachtgeld
1.Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen
dan 70% van de bezoldiging.
2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb. 1968, 657), of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar
betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in
artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide
vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15 van die wet.
Artikel 7. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
1.De inkomsten die de betrokkene geniet of gaat genieten uit of in
verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na
de dag waarop het ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is
toegekend, hem is aangezegd of door hem is aangevraagd, worden met het
wachtgeld verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking
hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Deze verrekening
geschiedt aldus:
a. indien de inkomsten uit enige overheidskas worden genoten,
wordt het wachtgeld verminderd met het bedrag waarmede het
wachtgeld en vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging
overschrijdt;
b. indien de inkomsten uit anderen hoofde worden genoten, wordt
het wachtgeld verminderd met het bedrag waarmede het wachtgeld,
vermeerderd met die inkomsten, de bezoldiging met meer dan 10%
overschrijdt;
c. bij gelijktijdig genot van inkomsten, als bedoeld onder a en
b, wordt het wachtgeld eerst verminderd met het bedrag waarmede de
onder a bedoelde inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te
boven gaan; vervolgens worden de onder a en b bedoelde inkomsten
bij het eventueel verminderde wachtgeld opgeteld en wordt een
tweede vermindering bepaald op het bedrag waarmede de verkregen
som 110% van de bezoldiging te boven gaat. Voor de bepaling van
het bedrag waarmede het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals
bedoeld in de eerste volzin de bezoldiging overschrijdt, wordt een
vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel
16, eerste lid, niet in aanmerking genomen.
2.Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend
en die wegens blijvende ongeschiktheid uit hoofde van ziekten of
gebreken ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de
met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij
ambtenaar was in de zin van de pensioenwet, worden inkomsten bedoeld
in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten die betrokkene
geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond
uit de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht
kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in
het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat het
oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag
waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een wachtgeld of
uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid
of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de
oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering
een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het
aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het
resterende bedrag aan overschrijding.
3.Het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen
gedurende vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is toegekend.
4.Wanneer de betrokkene arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen
vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste en
derde lid, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of
meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van toepassing, tenzij
de betrokkene aannemelijk maakt, dat die inkomsten of vermeerdering
van inkomsten of een gedeelte daarvan noch het gevolg zijn van een
verhoogde werkzaamheid noch verband houden met het ontslag, in welk
geval die inkomsten, die meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan
niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het eerste
lid.
5.Met inkomsten, die genoten worden uit enige overheidskas, worden
andere inkomsten gelijkgesteld, indien zij verbonden zijn aan een
betrekking waarin de betrokkene ambtenaar is in de zin van de
pensioenwet of afgezien van het bepaalde bij de artikelen B7 en B9 van
die wet ambtenaar in de zin van die wet zou zijn.
6.Voor de toepassing van dit artikel wordt een uitkering krachtens
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten aangemerkt als
inkomsten in verband met arbeid.
7.In bijzondere gevallen kan Onze Minister van het hiervoren
bepaalde ten gunste van de betrokkene afwijken.
Artikel 8
1.De betrokkene is verplicht van het ter hand nemen van enige
arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan Onze Minister onder
opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten, die hij uit die
werkzaamheden zal trekken. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven,
dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn
opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de
werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.
Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen van
mededelingen door de betrokkene met betrekking tot de inkomsten uit of
in verband met arbeid of bedrijf.
2.Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mede, dat
de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op het wachtgeld een
vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder
voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde termijn.
Ten aanzien van deze verrekening is artikel 7 van toepassing, met
dien verstande dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde
langere termijn in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de vaststelling van het bedrag van de
vermindering van de opgave van de betrokkene afwijken.
4.De voorgaande leden vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
7, derde en vierde lid.
5.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt
is hij verplicht zich te gedragen naar de voorschriften, welke hem
door Onze Minister worden gegeven om tot het verkrijgen van een ambt
of betrekking of andere bron van inkomsten te geraken.
6.De betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend, wordt door het
aanvaarden van het wachtgeld geacht er in toe te stemmen, dat allen,
die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komen,
omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de
uitvoering van dit besluit noodzakelijk zijn.
Artikel 9
Onze Minister kan bepalen, dat inkomsten, welke zijn genoten uit
hoofde van overwerk, bij wijze van gratificatie, ter zake van een
vrijwillige verbintenis bij de Nationale Reserve, als vrijwillige
ambtenaar bij de politie, bij de Noodwachten en Noodwachtstaven dan wel
bij de Monumentenwacht of bij andere door Onze Minister aan te wijzen
reserve-organen, geheel of ten dele niet worden aangemerkt als
inkomsten.
Artikel 10. Geneeskundig onderzoek
Indien de betrokkene langer dan een jaar wegens ziekte verhinderd is
geweest arbeid te verrichten, kan hij door Onze Minister worden
verplicht zich geneeskundig te doen onderzoeken, dan wel zich aan een
geneeskundig onderzoek volgens de bepalingen van de pensioenwet te
onderwerpen.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1980]
Artikel 12. Einde en verval van het recht op wachtgeld
1.Het recht op wachtgeld eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende
op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
is overleden;
c. indien het recht op wachtgeld geheel wordt afgekocht;
e. op aanvraag van betrokkene.
2.Het recht op wachtgeld eindigt met ingang van de eerste dag van
de tweede maand volgende op die waarin de betrokkene in de zin van
artikel E 1 of artikel U 15 van de pensioenwet uit hoofde van ziekten
of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard de betrekking te
vervullen waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, waarbij een
pensioen is berekend naar een algemene invaliditeit van 80% of meer.
Artikel 4, tweede lid, is vanovereenkomstige toepassing, met dien
verstande dat van het wachtgeld de duur, voor zover deze wordt bepaald
aan de hand van artikel 5a, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen
vanaf de datum van ontslag.
3.Het recht op wachtgeld kan geheel of ten dele vervallen worden
verklaard indien de betrokkene:
a. zich zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven,
zou zijn ontslagen;
b. de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of
de vermindering van het wachtgeld niet, niet volledig of onjuist
verstrekt;
c. de in artikel 3a, eerste en tweede lid, bedoelde
inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie
van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;
d. als ingeschrevene bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan
wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt
gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die
organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het
verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan
wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.
4.Het recht op wachtgeld vervalt wanneer de daartoe strekkende
aanvraag bedoeld in artikel 4, zesde lid, niet binnen een termijn van
vijf jaren na het ontstaan van dat recht bij Onze Minister is
ingekomen.
Artikel 13. Vermindering en niet-uitbetaling van het wachtgeld
1.Indien de betrokkene:
a. een hem aangeboden ambt of betrekking, welke hem in verband
met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan
worden opgedragen, weigert te aanvaarden;
b. in de gelegenheid is om op een wijze, die door hem passend
kan worden geacht, inkomsten te verkrijgen, daarvan geen gebruik
maakt;
c. inkomsten, als bedoeld in artikel 7, zonder voldoende reden
prijs geeft, dan wel door eigen schuld of toedoen verloren doet
gaan;
wordt het wachtgeld verminderd met het bedrag, waarmede het
wachtgeld vermeerderd met de verzuimde, dan wel met de prijs gegeven
of verloren gegane inkomsten de bezoldiging zou hebben overschreden.
2.Het wachtgeld wordt niet uitbetaald voor de duur dat de
betrokkene:
a. de hem opgelegde verplichtingen niet of niet volledig
nakomt;
b. metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland tenzij
Onze Minister, op een door betrokkene daartoe gedane aanvraag,
anders beslist;
c. verhindert, zij het ook alleen door gebrek aan medewerking,
dat een geneeskundig onderzoek of een voldoend geneeskundig
onderzoek plaats heeft tot het verkrijgen van een
invaliditeitspensioen ingevolge de pensioenwet, dan wel een
pensioen ingevolge artikel U15 van die wet;
d. niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling staat
ingeschreven, tenzij hij aantoont dat hij redelijkerwijs niet in
staat is geweest om te voldoen aan de in artikel 3a, eerste en
tweede lid, gestelde verplichting.
Artikel 14. Afkoop van het recht op wachtgeld
Op aanvraag van de betrokkene kan het recht op wachtgeld geheel of
ten dele worden afgekocht.
Artikel 15. Opschorting
1.Ten aanzien van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend en
die uit hoofde van ziekte aanspraak heeft of krijgt op doorbetaling
van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt de verdere uitvoering
van dit besluit opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die
aanspraak bestaat.
2.Het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing in het geval
aanspraak bestaat op een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits deze uitkering niet
minder bedraagt dan 70% van de laatstelijk genoten bezoldiging.
3.Ten aanzien van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend en
die zich ingevolge wettelijke verplichting als militair of als
noodwachter in werkelijke dienst bevindt of moet begeven, wordt op een
daartoe strekkende aanvraag de verdere uitvoering van dit besluit voor
de duur van die dienst opgeschort.
4.Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de
betrokkene is tewerkgesteld als gewetensbezwaarde in de zin van
artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaren militaire dienst.
Artikel 16. Samenloop van wachtgeld en invaliditeitspensioen dan wel
uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
1.Indien de betrokkene ter zake van een
ontslag dat verleend is wegens blijvende ongeschiktheid, uit hoofde van
ziekten of gebreken, aanspraak heeft op een pensioen op grond van de
pensioenwet berekend naar een algemene invaliditeit van minder dan 80%,
dan wel een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
invaliditeitsgraad van
|
65% tot 80%: |
80%; |
|
55% tot 65%: |
60%; |
|
45% tot 55%: |
50%; |
|
35% tot 45%: |
40%; |
|
25% tot 35%: |
30%; |
|
15% tot 25%: |
20%; |
|
minder dan 15%: |
0%. |
2.De som van het in het eerste lid
bedoelde pensioen dan wel de uitkering en het verminderde wachtgeld
bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt
genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
overschrijding van bedoeld onverminderd wachtgeld wordt het
overschrijdende bedrag op het verminderde wachtgeld in mindering
gebracht.
Artikel 17. Tegemoetkoming verhuiskosten
Aan de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend, die elders arbeid
of bedrijf ter hand gaat nemen, kan ter zake van de kosten, die voor hem
aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming
worden toegekend tot ten hoogste het bedrag van een vergoeding volgens
de normen van het Verplaatsingskostenbesluit 1989.
Artikel 18. Betaling
1.Het wachtgeld, over een maand berekend, wordt in maandelijkse
termijnen betaald. Met toestemming van de betrokkene kan de
uitbetaling in langere termijnen geschieden.
2.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene aan wie
wachtgeld is toegekend, wordt aan de weduwe of weduwnaar, van wie de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd
gelijk aan de bezoldiging, over een tijdvak van drie maanden. Wordt op
het wachtgeld een vermindering toegepast krachtens de artikelen 7, 8
of 13, of wordt artikel 12, derde lid, toegepast, dan is de uitkering
gelijk aan het bedrag van het wachtgeld, dat de betrokkene op de dag
van het overlijden ontving, over een tijdvak van drie maanden. Bij
overlijden in de periode van opschorting van het wachtgeld krachtens
artikel 15, eerste en tweede lid, bestaat geen aanspraak op een
uitkering als in dit artikel bedoeld.
3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede begrepen de nabestaande levenspartner met wie de
niet-gehuwde betrokkene samenwoonde en - met het oogmerk duurzaam
samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis
van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één
persoon als levenspartner worden aangemerkt. Onze Minister kan
verlangen dat een schriftelijke verklaring van een notaris wordt
overgelegd waaruit blijkt van het bestaan van dat
samenlevingscontract.
4.Laat de overledene geen weduwe of geen weduwnaar na van wie hij,
onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan geschiedt
de uitkering van het in het tweede lid bedoelde bedrag ten behoeve van
de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of
minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van het
overlijden de pleegouderlijke zorg droeg.
Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan
geschiedt de uitkering van het in het tweede lid bedoelde bedrag, aan
degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten
van de overledene.
5.Op de uitkering, bedoeld in het tweede of derde lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken:
a. krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen
ziekte, arbeidsongeschiktheid en onvrijwillige werkloosheid;
b. krachtens een gemeentelijke verordening, indien op de dag
van overlijden artikel 16 van toepassing is.
6.Laat de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede
en derde lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte
en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van
die kosten ontoereikend is.
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 20. Slotbepalingen
De Algemene Termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op
de termijnen gesteld in artikel 5, eerste en tweede lid, artikel 5a,
tweede lid, artikel 5b, derde tot en met zesde lid, artikel 6, eerste
lid, en artikel 18, tweede lid.
Artikel 21
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1973.
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit
besluit, hetwelk in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 23 november 1972
JULIANA
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
W.J. Geertsema
Uitgegeven de veertiende
december 1972
De Minister van Justitie a.i.,
B. Biesheuvel
|