| 4. |
Perioden, waarin
een betrokkene:
| a. |
recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1987, 89), berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op grond
van artikel 58,
eerste of derde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet
vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70%
of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
|
| b. |
ter zake
van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en
strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
onder a, die al dan niet
vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
|
| c. |
een
uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen (Stb.
1972, 313), berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt
van het dagloon, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
|
| d. |
na beëindiging
van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
grond van de Ziektewet
(Stb. 1987, 88) over de
maximale duur bedoeld in artikel 29, tweede lid, van
die wet;
|
| e. |
een
uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a
of d;
|
worden, indien
deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede
lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het
derde lid.
|