BESLUIT van 29 oktober 1964, houdende maatregelen ter
uitvoering van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Defensie en van Justitie van 21
augustus 1964, afdeling Dienstplichtzaken, nr. 28.768-C;
Gelet op de Wet gewetensbezwaren militaire
dienst;
De Raad van State gehoord (advies van 30
september 1964, nr. 70);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 26 oktober 1964, afdeling Dienstplichtzaken, nr. 28.768-E;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. "de wet": de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;
b. "de verzoeker": hij die een verzoek heeft gedaan als
bedoeld in artikel 3 der wet;
c. "de commissie": de commissie van advies, bedoeld in
artikel 5 van de wet;
d. "fungerend voorzitter": het lid van de commissie dat
het onderzoek leidt;
e. "het onderzoek": het onderzoek, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, respectievelijk artikel 7a, eerste lid, van de wet;
f. "de erkende gewetensbezwaarde": hij wiens bezwaren
tegen de vervulling van militaire dienst, overeenkomstig de bepalingen
der wet zijn erkend als ernstige gewetensbezwaren.
2. Waar in dit besluit overigens uitdrukkingen voorkomen, als in
artikel 1 der wet vermeld, worden deze verstaan in de zin als in dat
artikel omschreven.
Artikel 2
Tenzij Onze Minister van Defensie anders bepaalt, wordt aan de
verzoeker die vóór zijn opkomst in militaire dienst, of binnen dertig
dagen daarna, een verzoek tot erkenning van zijn bezwaren als ernstige
gewetensbezwaren heeft gedaan, in afwachting van de onherroepelijke
beslissing op het verzoek uitstel verleend van de militaire
verplichtingen.
Hoofdstuk IIA. De commissie; het secretariaat
Artikel 3
1. De commissie is zodanig samengesteld dat een brede spreiding
van levensbeschouwing onder de leden aanwezig is.
2. Uit de leden worden door Ons een voorzitter en een of meer
vice- voorzitters benoemd.
3. De leden wordt in elk geval ontslag verleend bij het bereiken
van de zeventigjarige leeftijd.
Artikel 4
1. De commissie stelt een reglement vast, waarin worden
geregeld:
a. de frequentie van de zittingen waarin het onderzoek plaatsvindt;
b. de samenstelling van het rooster der zittingen waarin het
onderzoek plaatsvindt;
c. de deelneming van de leden aan de zittingen zulks op zodanige
wijze, dat een zo groot mogelijke spreiding van levensbeschouwing ter
zitting wordt bevorderd, dat zo mogelijk rekening wordt gehouden met
de levensbeschouwing van de verzoeker en dat aan een onderzoek als
bedoeld in artikel 7a van de wet geen lid deelneemt dat reeds
een advies met betrekking tot het verzoek heeft uitgebracht;;
d. de frequentie van haar plenaire vergaderingen;
e. hetgeen verder omtrent de werkwijze der commissie regeling
behoeft.
2. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van
Defensie en wordt door diens zorg gepubliceerd in de Staatscourant.
Artikel 5
Onze Minister van Defensie draagt er zorg voor dat de commissie
beschikt over passende lokaliteiten.
Artikel 6
1. Aan de commissie wordt toegevoegd een secretaris, die door
Ons wordt benoemd en ontslagen.
2. Ten behoeve van het onderzoek worden adjunct-secretarissen
toegevoegd, die door Onze Minister van Defensie worden benoemd en
ontslagen.
3. De secretaris treedt op als hoofd van het bureau van het
secretariaat en regelt onder verantwoordelijkheid van de voorzitter de
werkzaamheden van het secretariaat. Hij kan, indien geen
adjunct-secretaris voor het onderzoek aanwezig is, als zodanig optreden.
4. Een adjunct-secretaris kan, indien dit naar het oordeel van de
voorzitter noodzakelijk is, bij ontstentenis van de secretaris tijdelijk
de functie van secretaris vervullen.
Hoofdstuk IIB. De erkenningsprocedure
Artikel 7
De secretaris draagt er zorg voor dat de verzoeker voor het onderzoek
wordt opgeroepen.
Artikel 8
1. De fungerend voorzitter beslist over een aanvraag van de
verzoeker tot het bijwonen van de zitting van het onderzoek door
andere personen.
2. De adjunct-secretaris stelt een verslag op van de verklaringen
van de verzoeker ter zitting.
Artikel 9
De commissie zendt het verzoek, haar advies en het verslag van het
onderzoek ter zitting aan Onze Minister van Defensie. Indien de
verzoeker niet verschijnt voor het onderzoek brengt de commissie advies
uit, ook zonder dat de verzoeker is gehoord.
In onvoorziene omstandigheden kan Onze Minister van Defensie na
overleg met de voorzitter van de commissie, en zoveel mogelijk met
inachtneming van de bepalingen van dit besluit, passende voorzieningen
treffen.
Hoofdstuk III. Financiële voorzieningen
Artikel 21
1. Ten laste van 's Rijks kas genieten de voorzitter, de
vice-voorzitters, de fungerend voorzitter en de leden een vacatiegeld,
waarvan het bedrag wordt vastgesteld op de voet van het
Vacatiegeldenbesluit 1970 (Stb. 1970, 577). Aan de secretaris
en de adjunct-secretarissen kan door Onze Minister van Defensie een
vergoeding worden toegekend.
2. Ten laste van 's Rijks kas genieten de voorzitter, de
vice-voorzitters, de fungerend voorzitter, de leden, de secretaris en de
adjunct-secretarissen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten
waarvan het bedrag wordt vastgesteld op de voet van het Reisbesluit 1971
(Stb. 1970, 602).
3. Aan de verzoeker die is verschenen ter zitting voor het
onderzoek wordt een tegemoetkoming toegekend voor de reiskosten en
wegens loonderving overeenkomstig door Onze Minister van Defensie te
stellen regelen.
Hoofdstuk IV. Algemene bepalingen met betrekking tot de erkende
gewetensbezwaarden
Artikel 22
De burgemeester registreert de erkende gewetensbezwaarden, die in de
basisadministratie persoonsgegevens van zijn gemeente zijn ingeschreven.
Erkende gewetensbezwaarden die niet in een basisadministratie
persoonsgegevens zijn ingeschreven, worden geregistreerd door de
burgemeester van 's-Gravenhage. Omtrent de aard en de wijze van de te
houden registratie geeft Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid nadere regels.
Artikel 23
De autoriteit, aan wie blijkt of die vermoedt, dat een erkende
gewetensbezwaarde behoort tot een Staat welks onderdanen krachtens een
met die Staat gesloten verdrag in Nederland niet tot krijgsdienst
gehouden zijn, geeft hiervan terstond kennis aan Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zo mogelijk met overlegging van een
stuk, waaruit de nationaliteit van de erkende gewetensbezwaarde blijkt.
Artikel 24
1. Ingeval van de erkende gewetensbezwaarde de geschiktheid tot
het vervullen van de vervangende dienst moet worden vastgesteld,
geschiedt zulks overeenkomstig de regelen welke voor dienstplichtigen
gelden.
2. De tewerkgestelde, omtrent wiens geschiktheid tot het
vervullen van de vervangende dienst de beslissing van de Inspecteur van
de militair geneeskundige dienst wordt ingeroepen, kan in het genot van
groot verlof worden gesteld.
Artikel 25
De oproeping tot het vervullen van vervangende dienst geschiedt door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Hoofdstuk V. Rechten en verplichtingen van de erkende
gewetensbezwaarden
Artikel 26
1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt ten
aanzien van de erkende gewetensbezwaarde vast:
a. de tak van dienst waarbij de vervangende dienst wordt volbracht;
b. het tijdstip van opkomst;
c. de plaats van opkomst.
2. In de oproeping wordt vermeld, onder meer:
a. de verplichting om zich op het aangegeven tijdstip en de
aangegeven plaats aan te melden;
b. de verplichting van de opgeroepene, die de vervangende dienst
heeft moeten aanvangen of voortzetten en op de bepaalde tijd en plaats
niet is verschenen, zich zodra mogelijk aan te melden bij de in de
oproeping genoemde autoriteit;
c. de inhoud van artikel 52 der wet.
Artikel 27
De vervangende dienst vangt aan op het ogenblik waarop de erkende
gewetensbezwaarde tot het voldoen aan de oproeping, op de plaats voor
zijn opkomst bepaald, is verschenen.
Artikel 28
Vangt de erkende gewetensbezwaarde de tewerkstelling niet aan op de
daarvoor vastgestelde datum, op grond van een naar het oordeel van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wettige reden, dan treedt
hij in het genot van groot verlof.
Artikel 29
De erkende gewetensbezwaarde die tot het vervullen van vervangende
dienst heeft moeten opkomen doch op tijd en plaats, voor zijn opkomst
bepaald, niet is verschenen, meldt zich zodra mogelijk aan bij de
autoriteit bij wie hij zich moest melden, dan wel bij een andere door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen
autoriteit.
Artikel 30
1. Het aanvragen van vrijstelling van de gewone vervangende
dienst dan wel van vrijstelling van vervangende dienst om de reden
bedoeld in artikel 15, tweede lid, der wet geschiedt, mondeling of
schriftelijk, door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde als regel
bij de burgemeester van de gemeente waar hij, wie de aanvraag geldt,
in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven dan wel,
indien de erkende gewetensbezwaarde niet in een basisadministratie
persoonsgegevens is ingeschreven, bij de burgemeester van
's-Gravenhage.
2. Van elke aanvraag om vrijstelling geeft de burgemeester
terstond een bewijs af aan degene, die de aanvraag heeft gedaan.
3. De aanvraag wordt afgewezen:
a. indien blijkt dat de erkende gewetensbezwaarde reeds van de op
hem uit de wet voortvloeiende verplichtingen is ontslagen, voorgoed
vrijgesteld, dan wel voorgoed ongeschikt bevonden is;
b. indien blijkt dat de erkende gewetensbezwaarde alleen verplicht
is tot het vervullen van buitengewone vervangende dienst tenzij het
betreft een aanvraag om vrijstelling om de reden bedoeld in artikel
15, tweede lid, der wet;
c. indien het geldt een aanvraag om vrijstelling wegens
kostwinnerschap en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft bepaald, dat vergoeding zal worden toegekend als in artikel 26
der wet bedoeld.
Artikel 31
1. De aanvraag om vrijstelling wegens kostwinnerschap of wegens
persoonlijke onmisbaarheid geschiedt door of vanwege de erkende
gewetensbezwaarde, binnen veertien dagen na ontvangst van de oproeping
tot tewerkstelling. Ontstaat de reden tot het aanvragen van
vrijstelling eerst na de hiervóór aangegeven tijd, dan geschiedt de
aanvraag binnen veertien dagen nadat de reden tot aanvragen is
ontstaan. Ten aanzien van hem, die tijdelijk is vrijgesteld en opnieuw
vrijstelling verlangt, geschiedt de aanvraag daartoe binnen de door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen tijd. De
aanvraag kan geschieden bij de burgemeester van een andere gemeente
dan die, waar de erkende gewetensbezwaarde, wie de aanvraag geldt, in
de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven. Acht de
burgemeester het wenselijk dat een bij hem gedane aanvraag door de
burgemeester van een andere gemeente wordt behandeld, dan verwijst hij
de aanvrager naar die burgemeester.
2. De burgemeester, die de aanvraag om vrijstelling behandelt,
maakt een staat van inlichtingen op, waarin hij alle omstandigheden
vermeldt, die voor de beoordeling van het recht op vrijstelling van
belang kunnen zijn. Hij ondervraagt degene, die de aanvraag doet, ten
aanzien van hetgeen in de staat moet worden opgegeven, en stelt voorts
een onderzoek in om zoveel mogelijk zekerheid omtrent de te verstrekken
inlichtingen te verkrijgen.
Artikel 32
1. Bij de beslissing op aanvragen om vrijstelling wegens het
bekleden van een geestelijk ambt of een godsdienstig menslievend ambt
of opleiding tot zodanig ambt wordt in acht genomen de inhoud van de
bij het Dienstplichtbesluit behorende tabellen I en II. De
vrijstelling kan ook worden verleend, indien de erkende
gewetensbezwaarde niet behoort tot de personen, in kolom 2 en 3 van
tabel I of in kolom 2 van tabel II vermeld, maar niettemin verkeert in
een geval, dat met een der daar omschreven gevallen kan worden
gelijkgesteld.
2. Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde wordt bij de
burgemeester ingeleverd een verklaring waaruit blijkt, dat hij voor wie
de aanvraag geldt, verkeert in een der gevallen, in tabel I of in tabel
II omschreven, of in een daarmede overeenkomend geval.
3. De inlevering geschiedt - voor zoveel mogelijk - binnen een
maand nadat de reden tot het aanvragen van vrijstelling is ontstaan. Ten
aanzien van hem, die tijdelijk is vrijgesteld en opnieuw vrijstelling
verlangt, geschiedt de inlevering binnen de door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen tijd.
4. Voor zoveel betreft hen, die nog in opleiding zijn of zich in
een kloosterinrichting bevinden, mag de verklaring, behoudens door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toe te laten
uitzonderingen, bij de inlevering niet ouder zijn dan veertien dagen.
5. De verklaring moet in Nederland zijn afgegeven, voor zover uit
de tabel het tegendeel niet blijkt. Ook in andere gevallen kan Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met verklaringen, die
buiten Nederland zijn afgegeven, genoegen nemen. Voor zover Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet anders bepaalt, moet
de handtekening van degene, die de verklaring heeft afgegeven, voor echt
zijn verklaard door de burgemeester, door een Nederlandse diplomatieke
of consulaire ambtenaar of, indien de afgifte in Suriname of de
Nederlandse Antillen heeft plaats gehad, door het hoofd van het
plaatselijk bestuur.
6. Indien de erkende gewetensbezwaarde, die voorgoed of tijdelijk
is vrijgesteld om de in het eerste lid genoemde reden, heeft opgehouden
te verkeren in een geval, als daar bedoeld, wordt daarvan onverwijld
door hem of van zijnentwege opgaaf gedaan aan de burgemeester, tenzij
hij inmiddels uit de vervangende dienst mocht zijn ontslagen. De
burgemeester brengt de in de vorige volzin bedoelde opgaaf binnen
veertien dagen na ontvangst ter kennis van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Gelijke mededeling doet de burgemeester indien
hem op andere wijze is gebleken, dat de persoon aan wie de vrijstelling
als bedoeld in het eerste lid is verleend, heeft opgehouden te verkeren
in een geval, als in dat lid bedoeld.
Artikel 33
1. Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde, die
vrijstelling verlangt wegens broederdienst, wordt bij de burgemeester
aanvraag gedaan tot het opmaken van een verklaring betreffende
broederdienst. Uit deze verklaring moet blijken welke broeders van de
erkende gewetensbezwaarde volgens opgaaf van de aanvrager dienen of
gediend hebben bij de krijgsmacht of bij de toenmalige overzeese
krijgsmacht dan wel vervangende dienst vervullen of vervuld hebben en
verkeren in een der gevallen, omschreven in het tweede en vierde lid
van artikel 18 der wet, en in welk van deze gevallen ieder hunner
verkeert.
2. Als tijdstip, bedoeld in het tweede lid van artikel 18 der
wet, geldt de datum van 1 januari van het jaar der lichting waarvoor de
erkende gewetensbezwaarde voor de dienstplicht is ingeschreven.
3. De aanvraag geschiedt binnen een maand nadat de reden tot het
aanvragen van vrijstelling is ontstaan.
Artikel 34
Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, onder a,
der wet blijft als broederdienst buiten aanmerking de werkelijke
militaire dienst, die slechts bestaat in het bijwonen van oefeningen
gedurende daarvoor vastgestelde oefeningsuren.
Artikel 35
De burgemeester zendt de stukken betreffende vrijstelling aan Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zo spoedig mogelijk nadat
de aanvraag is gedaan. Zijn deze stukken niet opgemaakt door de
burgemeester van de gemeente waar de erkende gewetensbezwaarde in de
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, dan geschiedt de
toezending door tussenkomst van die burgemeester.
Artikel 36
De beslissing omtrent vrijstelling wordt medegedeeld aan de
burgemeester van de gemeente, waar de erkende gewetensbezwaarde in de
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven dan wel, indien de
erkende gewetensbezwaarde niet in een basisadministratie
persoonsgegevens is ingeschreven, aan de burgemeester van 's-Gravenhage.
Artikel 37
De autoriteit, die vermoedt, dat iemand ten onrechte van vervangende
of gewone vervangende dienst is vrijgesteld als gevolg van een der in
artikel 21 der wet bedoelde feiten, brengt dit met mededeling van de
gronden, waarop het vermoeden berust, terstond ter kennis van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 38
1. De erkende gewetensbezwaarde van wie, vóór het tijdstip
waarop hij de vervangende dienst voor de eerste maal zou moeten
aanvangen, een broeder in Nederlandse krijgsdienst is gesneuveld,
wordt slechts verplicht tot het vervullen van buitengewone vervangende
dienst. Onder een gesneuvelde wordt mede verstaan de broeder die:
hetzij als militair
a. is overleden of wordt vermist ten gevolge van
oorlogshandelingen;
b. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan bij
of door oorlogshandelingen;
c. is overleden of wordt vermist in en door de militaire dienst;
d. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan in
en door de militaire dienst;
hetzij als erkende gewetensbezwaarde:
e. is overleden in en door de vervangende dienst;
f. is overleden ten gevolge van verwonding of ziekte, opgedaan in
en door de vervangende dienst.
2. Door of vanwege de erkende gewetensbezwaarde, die op grond van
een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, slechts voor de
vervulling van buitengewone vervangende dienst in aanmerking wenst te
komen, wordt daartoe binnen een maand nadat de reden tot de aanvraag is
ontstaan, aanvraag gedaan bij de burgemeester der gemeente, waar de
erkende gewetensbezwaarde in de basisadministratie persoonsgegevens is
ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet in een
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, bij de burgemeester
van 's-Gravenhage.
Artikel 39
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan met afwijking
van de termijnen, voor de indiening der aanvragen in voorafgaande
artikelen gesteld, genoegen nemen, indien blijkt, dat voor het niet in
acht nemen van die termijnen een aannemelijke reden bestaat.
Artikel 40
1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslist
of de erkende gewetensbezwaarde vervangende dan wel uitsluitend
buitengewone vervangende dienst moet vervullen. Hiervan doet hij
mededeling aan de burgemeester van de gemeente, waar de erkende
gewetensbezwaarde in de basisadministratie persoonsgegevens is
ingeschreven dan wel, indien de erkende gewetensbezwaarde niet in een
basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, aan de
burgemeester van 's-Gravenhage.
2. Voor de uitvoering van artikel 24, tweede lid, der wet is het
Mobilisatie-vrijstellings-besluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 41
Door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan uitstel
van de gewone vervangende dienst of van een gedeelte daarvan worden
verleend. De duur van het uitstel wordt eveneens door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald.
Artikel 42
Omtrent de verlenging van de vervangende dienst, als bedoeld in
artikel 25 der wet, beslist Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Hoofdstuk VI. Financiële bepalingen
Artikel 43
De tewerkgestelde heeft aanspraak op een zakgeld op basis van de
wedde eerste oefening zoals deze door Ons is vastgesteld voor
dienstplichtige soldaten van de land- en luchtmacht.
Artikel 44
Bij beëindiging van de gewone vervangende dienst heeft de
tewerkgestelde aanspraak op een uitkering overeenkomstig hetgeen door
Ons is bepaald met betrekking tot de uitkering waarop dienstplichtige
soldaten van de land- en luchtmacht aanspraak hebben bij beëindiging
van het verblijf in werkelijke dienst voor eerste oefening.
Artikel 45
1. Gedurende de tijd, dat gewone vervangende dienst wordt
vervuld, is - behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid - het
Kostwinners-vergoedingsbesluit-militairen van overeenkomstige
toepassing.
2. Wordt gewone vervangende dienst vervuld nadat de erkende
gewetensbezwaarde de eerste oefening als militair reeds heeft volbracht,
dan is het Inkomsten-vergoedingsbesluit-militairen van overeenkomstige
toepassing.
3. De tewerkgestelde die is gehuisvest in het gezin waartoe hij
behoort, ontvangt aan emolumenten, voortvloeiende uit zijn vervangende
dienst in totaal niet méér dan zijn inkomen, ware hij niet
terwerkgesteld, zou hebben bedragen, met dien verstande, dat indien dit
inkomen verandering zou hebben ondergaan ten gevolge van een algemene en
door de overheid aanvaarde wijziging in de loonstandaard, het
vergoedingsbedrag opnieuw wordt berekend.
Hoofdstuk VII. Tuchtrechtelijke bepalingen
Artikel 46
Voor de toepassing van artikel 31 van de wet wordt onder zakgeld
verstaan het zakgeld na aftrek van de loonbelasting en de premies
ingevolge de Algemene Ouderdomswet (Stb. 1985, 181) en de
Algemene nabestaandenwet.
Artikel 47
De termijn genoemd in artikel 32, eerste lid, van de wet vangt aan op
de dag waarop de uitnodiging om zich te verantwoorden aan de
tewerkgestelde wordt uitgereikt dan wel, indien deze uitnodiging niet in
persoon aan de tewerkgestelde wordt uitgereikt, op de dag volgende op
die waarop de uitnodiging aan de tewerkgestelde werd verzonden.
Artikel 48
Een verzoek als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de wet kan
slechts binnen de in het eerste lid van dat artikel genoemde termijn
worden ingediend. Het verzoek wordt gericht tot de strafoplegger.
Artikel 49
In een geval als bedoeld in artikel 37, vierde lid, van de wet vindt
herstel van het door de gestrafte geleden nadeel plaats door toekenning
van een door de rechtbank te bepalen, en door Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid uit te keren, schadevergoeding. Bij het bepalen
van de schadevergoeding neemt de rechtbank in aanmerking het bedrag van
het inkomen dat de gestrafte over de periode waarin hij ten onrechte
vervangende dienst heeft verricht heeft gederfd of zich redelijkerwijze
had kunnen verwerven, verminderd met het bedrag van het zakgeld dat hij
over die periode heeft ontvangen. De rechtbank kan, indien de
redelijkheid dit vordert, een afwijkende schadevergoeding vaststellen.
Artikel 50
1. Het lid, niet zijnde rechterlijk ambtenaar met rechtspraak
belast, van de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage,
bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de wet, alsmede diens
plaatsvervangers, leggen, alvorens in bediening te treden, ten
overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de
rechtbank, de eed of belofte af als bedoeld in artikel 1g, eerste lid,
van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande
dat daar waar de formulering de woorden «rechterlijke» of
«rechterlijk» bevat, deze woorden achterwege dienen te blijven.
2. Van het afleggen van de eed of belofte wordt een verklaring
opgemaakt die aan de beëdigde ter hand wordt gesteld. Een gewaarmerkt
afschrift wordt aan Onze Minister van Justitie gezonden.
Artikel 51
De getuigen en deskundigen die verschijnen ter terechtzitting van de
in artikel 33, tweede lid, van de wet bedoelde kamer worden beëdigd
overeenkomstig het bepaalde in artikel 284, tweede lid, van het Wetboek
van Strafvordering.