BESLUIT van 27 april 1992, houdende regels ter
uitvoering van de Wet goederenvervoer over de weg
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober
1991, nr. WJZ/V125788, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Gelet op de artikelen 1, derde lid, 5, tweede
en vierde lid, 8, tweede lid, 9, tweede lid, 12, derde lid, 13, derde
lid, 14, vierde lid, 15, derde lid, 19, tweede lid, 23, tweede lid, 25,
tweede lid, 26, tweede lid, 27, vijfde lid, 28, 29, tweede lid, 32 en
51, tweede lid, van de Wet goederenvervoer over de weg (Stb.
1992, 145);
Gelet op de Eerste Richtlijn van de Raad van de
Europese Gemeenschappen inzake de vaststelling van gemeenschappelijke
regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg tussen de
Lid-Staten;
Gelet op Richtlijn 74/561 (EEG) van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 12 november 1974 inzake de toegang tot
het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal
goederenvervoer over de weg (PbEG L 308) zoals gewijzigd bij
Richtlijn 89/438 (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21
juni 1989 tot wijziging van Richtlijn 74/561 (EEG) (PbEG L 212);
Gelet op Richtlijn 75/130 (EEG) van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 17 februari 1975 houdende vaststelling
van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van
gecombineerd vervoer van goederen tussen de Lid-Staten (PbEG L
48) zoals gewijzigd bij Richtlijn 86/544 (EEG) van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 10 november 1986 (PbEG L 320);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3164/76 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1976, inzake de
toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, (PbEG
L 356) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1841/88 van 21 juni
1988 (PbEG L 163) en bij Verordening (EEG) nr. 3915/90 van 21
december 1990 (PbEG L 375);
Gelet op Richtlijn 77/796 (EEG) van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 12 december 1977 inzake de onderlinge
erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van ondernemer
van goederenvervoer over de weg en ondernemer van personenvervoer over
de weg en houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke
uitoefening van het recht van vrije vestiging van die vervoerondernemers
(PbEG L 334) zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/438 (EEG) van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 juni 1989 (PbEG L
212);
Gelet op Richtlijn 78/546 (EEG) van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de statistische
registratie van het goederenvervoer over de weg in het kader van een
regionale statistiek (PbEG L 168) zoals gewijzigd bij Richtlijn
89/462 (EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989
(PbEG L 226);
Gelet op Richtlijn 84/647 (EEG) van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 19 december 1984 betreffende het gebruik
van gehuurde voertuigen zonder bestuurder voor het vervoer van goederen
over de weg (PbEG L 335) zoals gewijzigd bij Richtlijn
90/398(EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1990
(PbEG L 202);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 4059/89 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1989 (PbEG L
390) zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 296/91 (PbEG L 36)
tot vaststelling van de voorwaarden waaronder niet in een Lid-Staat
woonachtige vervoerondernemers aldaar tot het binnenlands
goederenvervoer over de weg worden toegelaten;
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3916/90 van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1990 betreffende in
crisissituaties te nemen maatregelen op de markt voor het
goederenvervoer over de weg (PbEG L 375);
Gezien het advies van de Advies-Commissie
Goederenvervoer bedoeld in artikel 6 van de Wet Autovervoer Goederen;
De Raad van State gehoord (advies van 10 maart
1992, nr. W09 910574;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 2 april 1992, nr. WJZ/V 221943,
Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen
§ 1. Definities
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet goederenvervoer over de weg (Stb. 1992, 145);
b. Lid-Staat: staat, lid van de Europese Unie;
c. richtlijn nr. 96/26/EG: richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van
de Europese Unie van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep
van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over
de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse
erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter
vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije
vestiging van bedoelde vervoerondernemers (PbEG L 124);
d. verordening 881/92: verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de
toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de
Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over
het grondgebied van een of meer Lid-Staten (PbEG L 95);
e. bestuurdersattest: bestuurdersattest als bedoeld in
verordening 881/92;
f. landbouwbedrijf: bedrijf van akkerbouw, weidebouw,
veehouderij, pluimveehouderij, fruitteelt, tuinbouw - daaronder
begrepen het kweken van bomen, bloemen en bloembollen -, de teelt
van griendhout en elke soortgelijke vorm van bodemcultuur;
g. landbouwprodukten: produkten van het landbouwbedrijf;
h. C.E.M.T.-vergunning: de vergunning die door het Secretariaat
van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer (C.E.M.T)
wordt uitgegeven voor het verrichten van grensoverschrijdend
beroepsgoederenvervoer;
i. cabotagevergunning: vergunning voor cabotagevervoer;
j. cabotagevervoer: het verrichten van binnenlands
beroepsgoederenvervoer over de weg in een Staat door een ondernemer
die in een andere Staat gevestigd is.
§ 2. Uitzonderingen ingevolge de artikelen 5, vierde lid, en 15,
derde lid van de wet
Artikel 2
Artikel 15, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op vervoer
met vrachtauto’s in dienstgebruik bij:
a. het Ministerie van Defensie en bondgenootschappelijke
krijgsmachten;
b. de politie;
c. de justitie;
d. de brandweer;
e. het Nederlandse Rode Kruis;
f. het in artikel 2 van de Wet Verplaatsing Bevolking (Stb.
1952, 406) bedoelde gezag, voor zover dit vervoer betrekking heeft
op verplaatsing van bevolking; en
g. de Nederlandsche Bank N.V.
Artikel 3
1. Artikel 5, eerste en derde lid, van de wet zijn niet van
toepassing op het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
de Postwet, door de houder van de concessie of door een
dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet.
2. Artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 15, eerste lid, van
de wet zijn niet van toepassing op:
a. vervoer bij de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen, die
vrijkomen uit percelen waar zodanige stoffen geregeld in particuliere
huishoudens ontstaan;
b. vervoer bij de verwijdering van afvalstoffen, die vrijkomen bij
de uitvoering van reinigingswerken welke door, of in opdracht van,
gemeentelijke diensten worden verricht;
c. vervoer van:
1. beer;
2. kolkafval;
3. spoel- en sproeiwater voor het reinigen van de openbare weg;
4. zand en chemicaliën voor de bestrijding van gladheid van
wegen;
5. destructiemateriaal als bedoeld in artikel 2 van de
Destructiewet (Stb. 1957, 84);
met in het bijzonder voor deze doelen ingerichte of uitgeruste
vrachtauto's.
Artikel 4
1. Artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 15, eerste lid,
van de wet zijn niet van toepassing op:
a. vervoer van landbouwprodukten of goederen, te gebruiken bij het
verrichten van landbouwwerkzaamheden, met een motorvoertuig als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeelab of onderdeel ap, van
het Voertuigreglement, alsmede de daardoor voortbewogen aanhangwagens,
mits het betreft eigen vervoer verricht door een landbouwer ten
dienste van zijn landbouwbedrijf, dan wel vervoer dat plaatsvindt
rechtstreeks ten behoeve van een landbouwbedrijf en onmiddellijk
vooraf gaat aan of volgt op, alsmede in direct verband staat met de
uitvoering van landbouwwerkzaamheden;
b. eigen vervoer, verricht met vrachtauto’s waarmede onbeladen
geen hogere snelheid bereikbaar is dan 10 km per uur;
c. vervoer van melk in melkbussen van veehouderijen naar
zuivelfabrieken alsmede vervoer van daartoe gebruikte melkbussen van
de zuivelfabriek naar de veehouderij terug;
d. vervoer van kranten, tijdschriften, reclamedrukwerken, verricht
in een distributie- of verspreidbedrijf, mits dit bedrijf de
beschikking heeft over niet meer dan één vrachtauto of over twee
vrachtauto's, mits één daarvan een aanhangwagen is, en waarbij geldt
dat het ledig gewicht, vermeerderd met het laadvermogen, van de
vrachtauto, dan wel van de beide vrachtauto’s gezamenlijk, niet meer
mag bedragen dan 3500 kg;
e. vervoer binnen Nederland of naar Nederland van voertuigen met
toebehoren die tengevolge van een defect van het voertuig, ongeval of
uitvallen van de bestuurder hun bestemming niet zonder hulp kunnen
bereiken, alsmede vervoer binnen Nederland van in beslag genomen
voertuigen, voor zover verricht met daartoe speciaal ingerichte
vrachtauto’s met een maximum laadvermogen van 3500 kg, en
overeenkomstige aanhangwagens met een maximum laadvermogen van 1500
kg, in opdracht van organisaties, die zich krachtens polisvoorwaarden
of lidmaatschap jegens verzekerden, dan wel leden hebben verbonden tot
hulpverlening in vorengenoemde omstandigheden, dan wel in opdracht van
Nederlandse overheidsinstanties.
2. Artikel 5, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
a. beroepsvervoer binnen Nederland door en in opdracht van houders
van een inschrijving eigen vervoer onderling van betonmortelspecie met
daartoe speciaal ingerichte vrachtauto’s van de betonmortelfabriek
naar in aanbouw zijnde bouwobjecten;
b. beroepsvervoer binnen Nederland, dat slechts een geringe
weerslag op de vervoermarkt heeft wegens de aard van de vervoerde
goederen of de geringe afstand die wordt afgelegd, en op grond daarvan
door Onze Minister na raadpleging van de Europese Commissie is
vrijgesteld van de toepassing van richtlijn nr. 96/26/EG.
Artikel 5
Artikel 5, eerste en derde lid, en artikel 15, eerste lid, van de wet
zijn niet van toepassing op vervoer van goederen met een door een bus in
de zin van de Wet personenvervoer 2000 voortbewogen aanhangwagen of een
door een auto in de zin van die wet voortbewogen middenasaanhangwagen
als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel al, van het Voertuigreglement,
mits de goederen behoren bij de krachtens een vergunning als bedoeld in
artikel 5 van evengenoemde wet gelijktijdig in die bus of auto vervoerde
personen.
Artikel 6
Artikel 5, derde lid, van de wet is niet van toepassing op
beroepsvervoer verricht met een vrachtauto waarvan het maximaal
toegestaan gewicht niet meer bedraagt dan 3500 kg.
§ 3. Aanwijzing bepalingen als bedoeld in artikel 31 van de wet
Artikel 6a
Als bepalingen als bedoeld in artikel 31 van de wet worden aangewezen
artikel 72, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en
artikel 5.1.2 in verbinding met artikel 5.18.17 of in verbinding met
artikel 5.18.18 van het Voertuigreglement.
Hoofdstuk II. Beroepsvervoer
§ 1. Aan de NIWO opgedragen werkzaamheden ingevolge artikel 32,
onderdeel f, van de wet
Artikel 7
1. De NIWO is, onverminderd het bepaalde in artikel 32,
onderdelen a tot en met e, van de wet belast met de volgende taken;
a. het bijhouden van een registratie- en signaleringssysteem ter
uitvoering van het bepaalde in artikel 12 van de wet;
b. het beheer van gegevensbestanden uit hoofde van haar publieke
taken; en
c. deelname aan onderhandelingen in het kader van bilaterale
verdragen met andere Staten, dan wel ter afsluiting van bilaterale
verdragen.
2. De NIWO deelt Onze Minister jaarlijks zo spoedig mogelijk na 1
januari mee hoeveel vervoerders op 31 december van het voorafgaande jaar
houder waren van een communautaire vergunning en hoeveel gewaarmerkte
kopieën zijn afgegeven.
3. Bij ministeriële regeling kan de NIWO belast worden met
overige taken.
4. De NIWO is de bevoegde instantie, bedoeld in de artikelen 6,
eerste lid, 7, tweede lid, 8 en 11, derde lid, van verordening 881/92.
§ 2. Vergunningverlening voor binnenlands beroepsvervoer
Artikel 8
1. De indiening van een aanvraag voor een vergunning tot het
verrichten van binnenlands beroepsvervoer geschiedt bij de NIWO.
2. De in het eerste lid bedoelde formulieren dienen volledig en
naar waarheid ingevuld te worden.
Artikel 9
De aanvraag om afgifte van een vergunningbewijs voor binnenlands
vervoer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet wordt
ingediend bij de NIWO.
Artikel 10
1. Een vergunningbewijs wordt verleend voor een vrachtauto al
dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van een trekker
en een oplegger.
2. Op een vergunningbewijs worden de naam en het adres van de
vergunninghouder vermeld alsmede een code waaronder deze door de NIWO is
geregistreerd.
Artikel 11
De modellen van vergunningbewijzen worden vastgesteld door de NIWO.
De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.
Artikel 12
De afgifte van vergunningbewijzen geschiedt na ontvangst door de NIWO
van de in artikel 27 van de wet bedoelde vergoeding.
Artikel 13
In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, van de wet dan
wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 12, eerste lid, van de
wet, dienen de vergunningbewijzen die in het bezit zijn van de
vergunninghouder binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten
grondslag liggende vergunning haar geldigheid heeft verloren dan wel
ingetrokken is, door de vergunninghouder ingeleverd te worden bij de
NIWO.
Artikel 14
1. Degene die binnenlands beroepsvervoer verricht met een
vrachtauto en voor wie een vergunningplicht geldt als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de wet, alsmede de bestuurder van die
vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto
een geldig vergunningbewijs aanwezig is.
2. Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in
verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
§ 3. Vergunningverlening voor grensoverschrijdend beroepsvervoer
door in Nederland gevestigde ondernemers
Artikel 15
De indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning
geschiedt bij de NIWO.
Artikel 16
Het bepaalde in de artikelen 9, 10, 12 en 13 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 17
1. Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer verricht met
een vrachtauto en voor wie een vergunningplicht geldt als bedoeld in
artikel 5, derde lid, van de wet, alsmede de bestuurder van die
vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto
naast de voor grensoverschrijdend beroepsvervoer geldige gewaarmerkte
kopie tevens het voor binnenlands beroepsvervoer geldige
vergunningbewijs aanwezig is.
2. Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in
verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
§ 4. Eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid
Artikel 18
1. Ter voldoening aan de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de wet, is overlegging
vereist van een niet ouder dan drie maanden zijnde verklaring omtrent
het gedrag ten dienste van het verkrijgen van een vergunning voor
beroepsvervoer en afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de Wet
justitiële gegevens.
2. Een ondernemer of bestuurder van een onderneming tot het
verrichten van beroepsvervoer wiens land van oorsprong of herkomst een
andere Lid-Staat is dan Nederland, dan wel een andere staat, die partij
is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
voldoet aan de eis van betrouwbaarheid door overlegging van een document
of verklaring, in die andere staat afgegeven overeenkomstig het tweede,
derde en vierde lid van artikel 8 van richtlijn nr. 96/26/EG en niet
ouder dan drie maanden.
Artikel 19
Een verklaring als bedoeld in artikel 18, eerste lid, dient elke vijf
jaar opnieuw overgelegd te worden.
Artikel 20
1. Ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, onderdeel b , van de wet dient de
ondernemer te beschikken over een bij ministeriële regeling vast te
stellen kapitaal en reserves benodigd voor een correcte aanvang en een
goed beheer van de onderneming.
2. Omtrent het voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis van
kredietwaardigheid stelt de NIWO een onderzoek in op de voet van het
bepaalde in artikel 3, derde lid, onder b) van richtlijn nr. 96/26/EG.
3. De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar of aan het bepaalde in het
eerste lid wordt voldaan. De NIWO kan beleidsregels vaststellen ten
aanzien van het tijdstip van dat onderzoek.
4. De NIWO kan de ondernemer tijdens het onderzoek, bedoeld in
het derde lid, een uitstel van ten hoogste een jaar verlenen ten behoeve
van de vaststelling van het voldoen aan de eis van kredietwaardigheid
indien de ondernemer heeft aangetoond dat het op grond van de algemene
economische situatie van zijn onderneming waarschijnlijk is dat hij voor
afloop van het verleende uitstel zal voldoen aan de eis van
kredietwaardigheid.
5. Een onderneming tot het verrichten van beroepsvervoer, die
gevestigd is in een andere Lid-Staat dan Nederland, dan wel in een van
de overige staten, die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, voldoet eveneens aan de eis van
kredietwaardigheid, indien een verklaring overgelegd wordt die
overeenkomstig artikel 9 van richtlijn nr. 96/26/EG in die andere staat
is afgegeven en die niet ouder is dan drie maanden.
Artikel 21
1. Aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel c, van de wet, wordt voldaan door degene die:
a. een door Onze Minister erkend getuigschrift overlegt van met
goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is
vastgesteld van de onderwerpen en het opleidingsniveau van bijlage I
van richtlijn nr. 96/26/EG en die overeenkomstig die bijlage zijn
georganiseerd, of
b. een verklaring van vakbekwaamheid overlegt die op grond van
artikel 3, vierde lid, van richtlijn nr. 96/26/EG, door een andere
Lidstaat, dan wel door een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, is afgegeven.
2. Bij ministeriële regeling kan bepaald worden van welke
onderwerpen, genoemd in bijlage I van richtlijn nr. 96/26/EG,
vrijstelling verleend kan worden aan houders van in die regeling
genoemde diploma's.
3. [Door vernummering vervallen.]
4. Op het moment dat vijf jaar is verstreken na het tijdstip van
de vergunningverlening toont de ondernemer aan dat hij voldoet aan de
eis van vakbekwaamheid.
Artikel 22
Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, dient ter
voldoening aan de eis van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 9,
tweede lid, van de wet, een bij ministeriële regeling erkend vakdiploma
voor grensoverschrijdend beroepsvervoer overgelegd te worden. Het
bepaalde in artikel 21, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Verklaring van dienstbetrekking
Artikel 23
Exemplaren van de verklaring van dienstbetrekking, bedoeld in artikel
14, tweede lid, van de wet, worden op aanvraag van de vergunninghouder
namens Onze Minister door een door hem aan te wijzen ambtenaar ter
beschikking gesteld.
Artikel 24
Bij indiensttreding van een bestuurder van een vrachtauto moet de
vergunninghouder:
a. aan de bestuurder een verklaring als bedoeld in artikel 14,
tweede lid, van de wet verstrekken, ondertekend door zowel de
vergunninghouder als de bestuurder;
b. na afgifte een ingevuld en ondertekend duplicaat van de
verklaring terstond toezenden aan een door Onze Minister aan te
wijzen ambtenaar; en
c. een duplicaat van de ingevulde en ondertekende verklaring
bewaren ten kantore van zijn bedrijf.
Artikel 25
Bij beëindigen van de dienstbetrekking van een bestuurder van een
vrachtauto moet de vergunninghouder:
a. de in artikel 24, onderdeel a, bedoelde verklaring innemen;
b. de datum van beëindiging van de dienstbetrekking aantekenen
op de verklaring en op het duplicaat, bedoeld in artikel 24,
onderdeel c;
c. De verklaring terstond zenden aan een door Onze Minister aan
te wijzen ambtenaar; en
d. het duplicaat tot één jaar na het beëindigen van de
dienstbetrekking ten kantore van zijn bedrijf bewaren.
Artikel 26
Artikel 14, eerste lid, van de wet is niet van toepassing wanneer
gebruik wordt gemaakt van:
a. een werknemer, die voor beperkte tijd bij wijze van hulpbetoon
zonder winstoogmerk aan een vergunninghouder ter beschikking is
gesteld door een andere vergunninghouder bij wie die werknemer in
dienstbetrekking is en die ten bewijze daarvan een verklaring van
dienstbetrekking kan tonen; of
b. een werknemer, die door een door Onze Minister aan te wijzen
instelling aan een vergunninghouder ter beschikking is gesteld en
die ten bewijze daarvan een door deze instelling afgegeven
verklaring kan tonen volgens een door Onze Minister vastgesteld
model.
Artikel 27
1. Degene die beroepsvervoer verricht met een vrachtauto
alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te
dragen dat in de vrachtauto een verklaring als bedoeld in artikel 24,
onderdeel a , dan wel artikel 26, onderdeel b , aanwezig
is.
2. Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in
verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
§ 6. Vergunning tot tijdelijke of blijvende voortzetting van de
exploitatie van de onderneming
Artikel 28
Indien de natuurlijke persoon die de werkzaamheden van vervoerder
verricht of de natuurlijke persoon die voldoet aan het bepaalde in
artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c, van de wet, is
overleden dan wel lichamelijk of wettelijk onbekwaam is geworden om als
ondernemer op te treden, verleent de NIWO op aanvraag van
belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 13, eerste lid,
van de wet, teneinde belanghebbenden de gelegenheid te bieden alsnog in
de ontbrekende vakbekwaamheid of betrouwbaarheid te voorzien.
Artikel 29
In afwijking van het bepaalde in artikel 28 verleent de NIWO op
aanvraag van belanghebbenden een vergunning als bedoeld in artikel 5,
eerste, onderscheidenlijk derde lid, van de wet aan een persoon die niet
voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet,
bedoelde eis van vakbekwaamheid, indien deze persoon:
a. beschikt over tien jaren ervaring in de leiding van een met
vergunning uitgeoefende vervoeronderneming, waarvan ten minste drie
jaren in het dagelijks beheer van de voort te zetten onderneming; en
b. tenminste de leeftijd van veertig jaren heeft bereikt.
Artikel 30
De indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28, dan wel 29
geschiedt bij de NIWO.
Artikel 31
1. Een aanvraag om verlenging als bedoeld in artikel 13, derde
lid, van de wet, dient uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur
van de toestemming is verstreken ingediend te worden.
2. Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van
de aanvraag is beslist, is de aanvraag toegewezen.
Artikel 32
Op vergunningbewijzen en gewaarmerkte kopieën, afgegeven op een
aanvraag als bedoeld in artikel 28, wordt de geldigheidsduur vermeld.
Artikel 33
Het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 14 en 17 is van
overeenkomstige toepassing.
§ 7. Intrekking van de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer
Artikel 34
1. Aan de eis van betrouwbaarheid, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de wet wordt niet langer voldaan indien
de natuurlijke persoon of personen die permanent en daadwerkelijk
leiding geven aan het beroepsvervoer in een aaneengesloten periode van
drie jaar herhaaldelijk - al dan niet met toepassing van artikel 51,
tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht - onherroepelijk tot straf
veroordeeld zijn wegens:
a. overtreding van artikel 2.4:4, 2.5:1, vierde lid, 2.5:3, 2.5:4,
vierde lid, 2.5:5, derde lid, 2.5:6, tweede lid, 2.7:1, of artikel
2.7:4, eerste lid, onderdeel b of tweede lid, van het
Arbeidstijdenbesluit vervoer;
b. overtreding van artikel 31 van de wet voor wat betreft de
technische staat van de vrachtauto;
c. overtreding van artikel 31 van de wet voor wat betreft de
belading van de vrachtauto;
d. overtreding van artikel 2, eerste of tweede lid, van de Wet
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
e. overtreding van artikel 5.3.15 juncto 5.1.1, eerste lid,
onderdeel c, van het Voertuigreglement.
2. Aan de eis van betrouwbaarheid wordt niet langer voldaan
indien herhaaldelijk bij onherroepelijk vonnis van de burgerlijke
rechter is vastgesteld dat de in het beroep geldende loon- en andere op
geld waardeerbare arbeidsvoorwaarden niet zijn nageleefd.
3. Het in lege toestand verplaatsen van een vrachtauto wordt
gelijkgesteld met beroepsvervoer in geval van toepassing van het
bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b en het
tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling wordt in overeenstemming met Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld op welk
tijdstip de periode van drie jaar een aanvang neemt en bij welke aard
van de overtredingen en cumulatie van veroordelingen onderscheidenlijk
vonnissen genoemd in het eerste en tweede lid, niet langer meer wordt
voldaan aan de eis van betrouwbaarheid.
Artikel 35
1. Er is sprake van herhaaldelijk in strijd handelen met het
bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de wet indien de
vergunninghouder binnen een aaneengesloten periode van drie jaar een
bij ministeriële regeling vast te stellen aantal malen onherroepelijk
tot straf veroordeeld is wegens overtreding van eerdergenoemd artikel.
2. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van de eerste
onherroepelijke veroordeling.
Artikel 36
Indien de vergunninghouder zich schuldig maakt aan overtreding van
artikel 14 van de wet stelt de NIWO hem ten minste één maal op de
hoogte van de mogelijkheid van intrekking van de vergunning op grond van
het bepaalde in artikel 35, eerste lid.
Artikel 37
Indien ingevolge het bepaalde in de artikelen 34 en 35 de
betrouwbaarheid dreigt te ontvallen, stelt de NIWO de vergunninghouder
daarvan ten minste één maal op de hoogte.
Artikel 38
1. De houder van een vergunning is verplicht deze, alsmede de
daarop berustende vergunningbewijzen binnen één week na de
dagtekening in de beschikking van de NIWO waarbij zij wordt
ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde vergunninghouder tevens
in het bezit is van een communautaire vergunning, dient dit document
alsmede de daarop berustende gewaarmerkte kopieën tegelijkertijd
ingeleverd te worden.
3. De bij een vergunninghouder gebezigde verklaringen van
dienstbetrekking dienen op hetzelfde tijdstip ingeleverd te worden bij
een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar.
Hoofdstuk III. Eigen vervoer
§ 1. Inschrijving
Artikel 39
1. Alvorens de SIEV overgaat tot verlening van een inschrijving
eigen vervoer, dient door de aanvrager te zijn aangetoond dat:
a. het vervoer een onderdeel vormt van het totaal van de
bedrijfsactiviteiten van de onderneming van degene voor wiens rekening
en risico de goederen worden vervoerd; en
b. het vervoer in het geheel van de bedrijfsactiviteiten geen
hoofdactiviteit, maar een werkzaamheid van ondersteunende aard vormt.
2. In het geval dat de vervoers- en overige bedrijfsactiviteiten
zijn ondergebracht in verschillende juridisch gescheiden ondernemingen,
dient de aanvrager bovendien aan te tonen dat de betrokken ondernemingen
in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig verweven
zijn dat zij als onderdelen van dezelfde organisatie beschouwd kunnen
worden.
3. Van verwevenheid in financieel opzicht is sprake indien ten
minste de meerderheid van de aandelen in elk van de ondernemingen -
daaronder begrepen de zeggenschap - middellijk of onmiddellijk in
dezelfde hand is, dan wel indien meer dan de helft van het vermogen van
elk der ondernemingen in dezelfde hand is.
4. Van verwevenheid in organisatorisch opzicht is sprake indien
de ondernemingen onder een gezamenlijke, althans als een eenheid
functionerende, leiding staan, dan wel de leiding van de ene onderneming
ten opzichte van die van de andere onderneming in een positie van
feitelijke ondergeschiktheid verkeert.
5. Van verwevenheid in economisch opzicht is sprake indien de
activiteiten van de ondernemingen in hoofdzaak strekken tot
verwezenlijking van eenzelfde ondernemingsdoelstelling, dan wel de
activiteiten van de ene onderneming in hoofdzaak ten behoeve van de
andere onderneming worden uitgeoefend.
Artikel 40
De verwevenheid bedoeld in artikel 39, tweede lid, kan in ieder geval
aangetoond worden door:
a. een beschikking op basis van artikel 15 van de Wet op de
Vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 469) waarbij de betrokken
ondernemingen tezamen als één fiscale eenheid worden aangemerkt;
of
b. een verklaring dat de betrokken ondernemingen als één
ondernemer worden aangemerkt in de zin van artikel 7, vierde lid,
van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Stb. 329).
Artikel 41
1. Een aanvraag om verlenging als bedoeld in artikel 20, tweede
lid, van de wet dient uiterlijk acht weken voordat de geldigheidsduur
van de inschrijving is verstreken ingediend te worden.
2. Bij verlenging van de inschrijving dienen nieuwe
inschrijvingsbewijzen aangevraagd te worden.
Artikel 42
1. De inschrijving kan bij verandering van de aard of de
rechtsvorm van de onderneming of het bedrijf op aanvraag van de
ingeschrevene worden gewijzigd.
2. Bij wijziging van de inschrijving dienen nieuwe
inschrijvingsbewijzen aangevraagd te worden.
Artikel 43
De aanvraag om inschrijving voor het verrichten van eigen vervoer en
de aanvraag om verlenging, wijziging of doorhaling van een inschrijving
wordt ingediend bij de SIEV.
§ 2. Inschrijvingsbewijzen
Artikel 44
De aanvraag om afgifte van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in
artikel 20, derde lid, van de wet wordt ingediend bij de SIEV.
Artikel 45
1. Een inschrijvingsbewijs wordt verleend voor een vrachtauto
al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van trekker en
een oplegger.
2. Op een inschrijvingsbewijs worden de naam, het adres en de
aard van het bedrijf van de ingeschrevene vermeld, alsmede de datum
waarop de geldigheidsduur van de inschrijving afloopt.
Artikel 46
De modellen van de inschrijvingsbewijzen worden vastgesteld door de
SIEV. De bewijzen worden gesteld op linnen of duurzaam papier.
Artikel 47
1. Degene die eigen vervoer verricht met een vrachtauto onder
gelding van een inschrijving eigen vervoer alsmede de bestuurder van
die vrachtauto is verplicht ervoor zorg te dragen dat in de vrachtauto
een geldig inschrijvingsbewijs aanwezig is.
2. Deze verplichting geldt eveneens in geval van lege ritten in
verband met het in het eerste lid bedoelde vervoer.
Artikel 48
Ingeval zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 22 van de
wet, dan wel wanneer toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid,
van de wet, dienen de inschrijvingsbewijzen die in het bezit zijn van de
ingeschrevene binnen één week na het tijdstip waarop de daaraan ten
grondslag liggende inschrijving haar geldigheid heeft verloren, dan wel
is doorgehaald, ingeleverd te worden bij de SIEV.
§ 3. Grensoverschrijdend eigen vervoer door in Nederland gevestigde
ondernemers
Artikel 49
Diegene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht dient in het
bezit te zijn van een machtiging op grond van een overeenkomst met een
andere Staat, tijdens het verrichten van vervoer op het grondgebied van
die Staat, indien door die Staat een machtiging wordt geëist voor
grensoverschrijdend eigen vervoer naar, door of van het grondgebied van
die Staat.
Artikel 50
Geen machtiging is vereist voor grensoverschrijdend eigen vervoer
indien het eigen vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde
in overeenkomsten met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend
eigen vervoer van goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning
van inschrijving, of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, voor zover zulks bij ministeriële regeling is bepaald.
Artikel 51
Aanvragen om machtigingen worden ingediend bij de SIEV.
Artikel 52
Bij inwilliging van de aanvraag worden door de SIEV aan de aanvrager
een of meer machtigingen verstrekt.
Artikel 53
1. Een machtiging wordt door de SIEV ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een
inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 15 van de wet;
c. indien blijkt van geen of onvoldoende gebruik.
2. De houder van een machtiging is verplicht deze binnen één
week na de dagtekening in de beschikking van de SIEV waarbij zij wordt
ingetrokken, bij de SIEV in te leveren.
Artikel 54
1. Op een machtiging worden vermeld naam en adres van de
houder, de aard van de onderneming of het bedrijf, de datum waarop op
het verzoek om machtiging gunstig is beslist alsmede haar
geldigheidsduur.
2. Op een machtiging wordt nauwkeurig omschreven voor welk
vervoer toelating is verleend en onder welke voorwaarden.
Artikel 55
Degene die eigen vervoer verricht met een vrachtauto krachtens een
machtiging alsmede de bestuurder van die vrachtauto is verplicht ervoor
zorg te dragen, onverminderd het bepaalde in artikel 47, dat bij de
vrachtauto een geldige machtiging aanwezig is.
§ 4. Grensoverschrijdend eigen vervoer door niet in Nederland
gevestigde ondernemers, voor zover verricht op Nederlands grondgebied
Artikel 56
Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van
machtigingen ten behoeve van eigen vervoer bedoeld in artikel 25, eerste
lid, van de wet zijn de artikelen 51 tot en met 54 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 57
De SIEV kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der
Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of
van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om
redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de SIEV te
verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse
instantie.
Artikel 58
Van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de wet kan bij
ministeriële regeling vrijstelling worden verleend indien het eigen
vervoer geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in overeenkomsten
met andere Staten, betreffende het grensoverschrijdend eigen vervoer van
goederen met vrachtauto’s en regelende de erkenning van inschrijving,
of ter uitvoering van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Artikel 59
Degene die grensoverschrijdend eigen vervoer verricht krachtens een
machtiging met een vrachtauto alsmede de bestuurder van die vrachtauto
is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij de vrachtauto een geldige
machtiging aanwezig is.
§ 5. Doorhaling inschrijving
Artikel 60
1. Er is sprake van herhaaldelijk in strijd handelen met het
bepaalde in artikel 5, eerste of derde lid, of artikel 21 van de wet,
indien de houder van een inschrijving binnen een aaneengesloten
periode van drie jaar drie maal onherroepelijk tot straf veroordeeld
is wegens overtreding van de eerdergenoemde artikelen.
2. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van de eerste
onherroepelijke veroordeling.
3. Een veroordeling vervalt na drie jaar.
Artikel 61
Indien de houder van een inschrijving zich schuldig maakt aan
overtreding van het bepaalde in artikel 5, eerste of derde lid, of
artikel 21 van de wet, stelt de SIEV hem ten minste één maal op de
hoogte van de daarop staande sanctie van doorhaling van de inschrijving.
Artikel 62
De houder van een inschrijving eigen vervoer is verplicht deze,
alsmede de op basis daarvan afgegeven inschrijvingsbewijzen, binnen
één week na dagtekening van een beschikking van de SIEV, waarbij zij
wordt doorgehaald, bij de SIEV in te leveren.
Hoofdstuk IV. Aanvullende documenten grensoverschrijdend
beroepsvervoer door in Nederland gevestigde ondernemers
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 63
Onder aanvullende documenten als bedoeld in artikel 26, eerste lid,
van de wet worden verstaan:
a. een bestuurdersattest;
b. een C.E.M.T.-vergunning;
c. een machtiging op grond van een overeenkomst met een andere
staat.
Artikel 64
1. Van de verplichting te beschikken over een bestuurdersattest
is vrijgesteld de houder van een communautaire vergunning voorzover
het vervoer wordt verricht door een bestuurder die onderdaan is van
een Lid-Staat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
2. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend
van een aanvullend document als bedoeld in artikel 63, onderdelen b en c,
indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met een overeenkomst met
een andere staat of ter uitvoering van een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, betreffende het grensoverschrijdend
beroepsvervoer van goederen met vrachtauto's en regelende de erkenning
van vergunningen, dan wel om redenen van internationaal vervoerbeleid.
§ 2. Bestuurdersattest
Artikel 65
1. De NIWO verleent aan de houder van een communautaire
vergunning op diens aanvraag een bestuurdersattest indien wordt
voldaan aan artikel 3, derde lid, van verordening 881/92.
2. Onze Minister stelt nadere regels ter uitvoering van artikel
3, derde lid, van verordening 881/92.
Artikel 66
1. Het bestuurdersattest wordt verleend voor de periode waarin
wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 65, doch ten
hoogste voor vijf jaar.
2. Indien het attest is verleend voor een kortere periode dan
vijf jaar, kan, onverminderd het eerste lid, de geldigheidsduur van het
attest worden verlengd.
Artikel 67
1. De vergunninghouder en de bestuurder van de vrachtauto
handelen overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van verordening 881/92.
2. De vergunninghouder levert het bestuurdersattest bij de NIWO
in binnen een week na de dagtekening van de beschikking waarbij de NIWO
het bestuurdersattest intrekt.
§ 3. C.E.M.T.-vergunningen
Artikel 75
1. C.E.M.T.-vergunningen worden door de NIWO uitsluitend
uitgereikt aan houders van een communautaire vergunning.
2. Aanvragen om een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het volgende
kalenderjaar, moeten vóór een door de NIWO te bepalen datum bij de
NIWO worden ingediend; aanvragen om een C.E.M.T.-vergunning voor het
lopende kalenderjaar kunnen gedurende dat jaar bij de NIWO worden
ingediend.
3. Bij overschrijding van de in het tweede lid bedoelde datum
wordt de aanvrager in zijn aanvraag niet ontvangen.
4. De NIWO beschikt op de ingediende aanvragen:
a. indien het betreft een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het
volgende kalenderjaar, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht
weken na de in het tweede lid bedoelde datum;
b. indien het betreft een C.E.M.T.-vergunning, geldig voor het
lopende kalenderjaar, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht
weken na de datum van indiening van de aanvraag.
Artikel 76
1. Voor de behandeling van de aanvraag om een C.E.M.T.-vergunning
en voor de uitreiking daarvan is de aanvrager aan de NIWO een bij
ministeriële regeling vast te stellen vergoeding verschuldigd.
2. De NIWO reikt een vergunning eerst uit nadat de in het eerste
lid bedoelde vergoedingen zijn ontvangen.
3. Indien de verschuldigde vergoedingen niet zijn ontvangen
binnen twintig dagen nadat de aanvrager van de beslissing van de NIWO in
kennis is gesteld, is de NIWO bevoegd de aanvraag alsnog af te wijzen.
Artikel 77
1. De houder van een C.E.M.T.-vergunning moet een
daarbijbehorend rittenboekje bijhouden, uitgegeven door het
Secretariaat van de Europese Conferentie van Ministers van Verkeer.
2. De NIWO reikt aan de houder van een C.E.M.T.-vergunning op
zijn verzoek de nodige rittenboekjes uit. De NIWO draagt zorg voor de
invulling van de omslag van het boekje.
3. De houder van een C.E.M.T.-vergunning moet een verslag van het
verrichte vervoer opmaken voor elke beladen rit, afgelegd tussen elke
plaats waar geladen of gelost wordt, alsmede voor elke ledige rit, met
inachtneming van de in het rittenboekje gegeven aanwijzingen.
4. De verslagen van het verrichte vervoer moeten zodanig worden
opgesteld, dat de chronologische volgorde van de voor de verschillende
al dan niet beladen ritten afgelegde trajecten wordt aangehouden.
Artikel 78
Degene, die krachtens een C.E.M.T.-vergunning grensoverschrijdend
beroepsvervoer met een vrachtauto verricht, alsmede de bestuurder van
die vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27,
verplicht ervoor zorg te dragen, dat de geldige C.E.M.T.-vergunning en
het bijbehorende rittenboekje bij de vrachtauto aanwezig zijn.
Artikel 79
1. De houder van een C.E.M.T.-vergunning is verplicht de bladen
met verslagen van het verrichte vervoer binnen twee weken na het
verstrijken van de maand waarop zij betrekking hebben, aan de NIWO toe
te zenden.
2. De NIWO verzamelt de ingevolge het bepaalde in het eerste lid
ontvangen gegevens en brengt deze halfjaarlijks ter kennis van Onze
Minister op een door deze te bepalen wijze en binnen een door deze te
bepalen periode.
Artikel 80
1. De C.E.M.T.-vergunning wordt door de NIWO ingetrokken:
a. Op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een
communautaire vergunning.
2. De C.E.M.T.-vergunning kan door de NIWO worden ingetrokken
indien blijkt van geen, onvoldoende of een tot bilateraal vervoer
beperkt gebruik.
Artikel 81
De houder van een C.E.M.T.-vergunning is verplicht deze binnen één
week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij
wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
§ 4. Machtigingen op grond van overeenkomsten met andere Staten
Artikel 82
Machtigingen als bedoeld in artikel 63, onderdeel c, worden door de
NIWO uitsluitend uitgereikt aan houders van een communautaire
vergunning.
Artikel 83
1. De NIWO beschikt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen
acht weken op de ingediende aanvragen om machtigingen.
2. Indien niet binnen acht weken na het in behandeling nemen van
de aanvraag is beslist, is de aanvraag toegewezen.
Artikel 84
Een machtiging wordt verleend voor een vrachtauto al dan niet met een
aanhangwagen, of voor een samenstel van een trekker en een oplegger,
waarbij het trekkend voertuig in de Staat van vestiging van de
vergunninghouder geregistreerd dient te zijn.
Artikel 85
1. Op een machtiging worden vermeld naam en adres van de
houder, de datum waarop op het verzoek om machtiging gunstig is
beslist alsmede haar geldigheidsduur.
2. Op een machtiging wordt nauwkeurig omschreven onder welke
voorwaarden zij is verleend.
3. Voor de verstrekking van een machtiging is de aanvrager een
vergoeding verschuldigd.
4. De uitreiking van een machtiging vindt eerst plaats nadat de
verschuldigde vergoeding is voldaan.
Artikel 86
1. De machtiging wordt door de NIWO ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een
communautaire vergunning of
c. bij geen of onvoldoende gebruik.
2. De houder van een machtiging is verplicht deze binnen één
week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij
wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
Artikel 87
Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto
verricht krachtens een machtiging alsmede de bestuurder van die
vrachtauto is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17 en 27
verplicht er voor zorg te dragen, dat bij de vrachtauto een geldige
machtiging aanwezig is tijdens het verrichten van vervoer op het
grondgebied van een bepaalde Staat, indien voor grensoverschrijdend
beroepsvervoer naar, door of van die Staat een machtiging wordt geëist.
Hoofdstuk V. Cabotage vervoer
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 88
1. Cabotagevergunningen worden door de NIWO uitsluitend
uitgereikt aan in Nederland gevestigde ondernemers die in het bezit
zijn van een communautaire vergunning.
2. Cabotagevergunningen worden verleend voor een periode, die
duurt tot en met 31 december van het jaar, waarin zij zijn aangevraagd.
Artikel 89
Met betrekking tot de aanvraag en de uitreiking van een
cabotagevergunning is het bepaalde in de artikelen 75 en 76 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 90
Indien in de loop van een kalenderjaar cabotagevergunningen
beschikbaar komen, worden deze vergunningen in volgorde van binnenkomst
toegedeeld aan diegenen die reeds een aanvraag om een cabotagevergunning,
conform artikel 89, hebben ingediend.
Artikel 91
De NIWO verstrekt aan de houder van een cabotagevergunning op zijn
verzoek de nodige boekjes verslagen cabotagevervoer tegen betaling van
een vergoeding per boekje. De NIWO draagt zorg voor de invulling van de
omslag van een boekje.
§ 2. Cabotagevervoer verricht door in Nederland gevestigde
ondernemers buiten Nederlands grondgebied
Artikel 92
1. Een in Nederland gevestigde ondernemer mag slechts
cabotagevervoer verrichten krachtens een speciaal document.
2. Indien het in het eerste lid bedoelde cabotagevervoer verricht
wordt in een Lid-Staat dan geldt als speciaal document een
cabotagevergunning.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
toepassing indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met het
bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties dan wel om redenen van
internationaal vervoerbeleid, voor zover zulks bij ministeriële
regeling bekend is gemaakt.
Artikel 93
De houder van een cabotagevergunning is verplicht zorg te dragen voor
de invulling van een boekje verslagen cabotagevervoer volgens de
algemene bepalingen die zijn vermeld op de achterzijde van het eerste
blad van de omslag van een boekje verslagen en van de toelichting die is
vermeld op de voorzijde van het blad dat aan de uitscheurbare bladen
voorafgaat.
Artikel 94
1. Degene, die krachtens een cabotagevergunning vervoer
verricht met een vrachtauto, alsmede de bestuurder van die vrachtauto
is verplicht ervoor zorg te dragen, dat een geldige cabotagevergunning
en een bijbehorend boekje verslagen cabotagevervoer bij de vrachtauto
aanwezig zijn.
2. Een cabotagevergunning mag slechts voor één vrachtauto
tegelijk worden gebruikt.
3. Een cabotagevergunning dient het trekkend voertuig te
vergezellen.
4. Een cabotagevergunning mag niet aan derden worden
overgedragen.
Artikel 95
1. De houder van een cabotagevergunning is verplicht deze
vergunning binnen een week na het verstrijken van de geldigheidsduur,
aan de NIWO te zenden.
2. De houder van een cabotagevergunning is verplicht de gebruikte
verslagen van een boekje verslagen cabotagevervoer binnen een week na
het verstrijken van de maand, waarop zij betrekking hebben aan de NIWO
te zenden.
§ 3. Intrekking cabotagevergunning
Artikel 96
1. Een cabotagevergunning wordt door de NIWO ingetrokken:
a. op verzoek van de ondernemer;
b. indien de ondernemer niet meer in het bezit is van een
communautaire vergunning.
2. Indien door de houder van een cabotagevergunning geen of
onvoldoende gebruik is gemaakt van reeds uitgereikte
cabotagevergunningen kan de NIWO de afgifte van toegekende maar nog niet
uitgereikte cabotagevergunningen weigeren.
Artikel 97
De houder van een cabotagevergunning is verplicht deze binnen één
week na de dagtekening van een beschikking van de NIWO, waarbij zij
wordt ingetrokken, bij de NIWO in te leveren.
§ 4. Cabotagevervoer verricht door in het buitenland gevestigde
ondernemers op Nederlands grondgebied
Artikel 98
1. Een ondernemer, die is gevestigd in een andere Staat dan
Nederland, mag slechts cabotagevervoer verrichten in Nederland
krachtens een speciaal document.
2. Indien de ondernemer gevestigd is in een Lid-Staat dan geldt
als speciaal document een cabotagevergunning. Het bepaalde in artikel 94
is van overeenkomstige toepassing.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
toepassing indien het vervoer geschiedt in overeenstemming met het
bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan wel om redenen van
internationaal vervoerbeleid, voor zover zulks bekend is gemaakt bij
ministeriële regeling.
4. In de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, kunnen
ter uitvoering van de in dat lid bedoelde overeenkomsten of besluiten,
dan wel van het in dat lid bedoelde beleid, nadere regels worden
gesteld.
Hoofdstuk VI. Grensoverschrijdend beroepsvervoer door een niet in
Nederland gevestigde ondernemer, voorzover verricht op Nederlands
grondgebied
Artikel 99
Met betrekking tot de aanvraag, de uitreiking en de intrekking van
een machtiging als bedoeld in artikel 25 van de wet zijn de artikelen 83
tot en met 86 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 100
De NIWO kan ter uitvoering van een overeenkomst tussen de Staat der
Nederlanden en een andere Staat of een volkenrechtelijke organisatie of
van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel om
redenen van internationaal vervoerbeleid bepalen, dat door de NIWO te
verstrekken machtigingen worden uitgereikt door een buitenlandse
instantie.
Artikel 101
Van de machtiging, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, is
vrijgesteld:
a. de houder van een communautaire vergunning, met dien verstande
dat indien de bestuurder geen onderdaan is van een land als bedoeld
in artikel 64, eerste lid, de vrijstelling slechts geldt indien de
houder van de communautaire vergunning tevens houder is van een
bestuurdersattest;
b. de houder van een C.E.M.T.-vergunning, voorzover de daaraan
verbonden voorschriften worden nageleefd.
Artikel 101a
Degene die grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto
verricht krachtens een machtiging als bedoeld in artikel 25, eerste lid,
van de wet, dan wel krachtens een document als bedoeld in artikel 101,
alsmede de bestuurder van die vrachtauto, draagt er zorg voor dat die
machtiging of dat document in de vrachtauto aanwezig is.
Artikel 102
1. Een machtiging als bedoeld in artikel 25 van de wet is niet
vereist voor grensoverschrijdend beroepsvervoer naar, door en uit
andere Lid-Staten dan Nederland verricht met een vrachtauto die
blijkens het kenteken in een andere Lid-Staat is geregistreerd en
waarvan het toegestaan totaal gewicht in beladen toestand niet meer
bedraagt dan 6 ton of waarvan het toegestane laadvermogen niet meer
bedraagt dan 3,5 ton.
2. Van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de wet kan bij
ministeriële regeling vrijstelling worden verleend indien het
grensoverschrijdend beroepsvervoer geschiedt in overeenstemming met het
bepaalde in overeenkomsten met andere Staten of ter uitvoering van
besluiten van volkenrechtelijke organisaties, betreffende het
grensoverschrijdend beroepsvervoer van goederen met vrachtauto’s en
regelende de erkenning van vergunningen, dan wel om redenen van
internationaal vervoerbeleid.
Hoofdstuk VII. Diverse bepalingen
Artikel 103
Een vrachtauto, die blijkens het kenteken niet geregistreerd is in
een Lid-Staat, kan de toegang tot Nederland worden ontzegd, indien niet
voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 25 van de wet.
Artikel 104
1. De inhoud van de vrachtbrief, bedoeld in artikel 29, eerste
lid van de wet, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. Geen vrachtbrief is vereist voor het vervoer van:
a. levende dieren;
b. landbouwprodukten van de teeltplaats naar de veiling en van tot
dit vervoer gebezigde ledige verpakkingsmiddelen van de veiling naar
de teeltplaats;
c. inboedels;
d. losgestorte goederen;
e. postzendingen; of
f. andere bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen.
Artikel 105
1. De vergunninghouder is verplicht ervoor zorg te dragen dat:
a. een deel van de vrachtbrief vermeldende een omschrijving der
goederen, de afzender, de geadresseerde en de vervoerder, in de
vrachtauto, waarmee de goederen vervoerd worden, aanwezig is;
b. een deel van de vrachtbrief bij het ten vervoer aannemen van de
goederen aan de afzender ten bewijze van ontvangst wordt afgegeven;
c. bij aflevering van de goederen het in onderdeel a
bedoelde deel van de vrachtbrief tegelijk met de goederen wordt
afgegeven tegen aftekening voor ontvangst van een daarvoor bestemd
deel van de vrachtbrief.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het
beroepsvervoer betreft waarvan de op dat vervoer betrekking hebbende
vrachtbriefgegevens gestructureerd en genormeerd via een electronisch
systeem worden uitgewisseld. De aard en inhoud van de bescheiden die in
dat geval aan de in artikel 43 van de wet bedoelde ambtenaren ter inzage
dienen te worden gegeven, worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
3. Namens Onze Minister kan door een door hem aan te wijzen
ambtenaar van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
ontheffing worden verleend. In dat geval is de vergunninghouder
verplicht zorg te dragen, dat een door die ambtenaar afgegeven bewijs
van de ontheffing in de vrachtauto, waarmede de goederen vervoerd
worden, aanwezig is.
4. Aan het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, is,
voor zover betreft de aftekening voor ontvangst voldaan, indien bij
aflevering van de goederen voor ontvangst is afgetekend op een
afzonderlijke lijst onder verwijzing naar de bij de zending behorende
vrachtbrief.
Artikel 106
1. De vergoedingen bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de
wet mogen de normaal te achten kosten van behandeling, alsmede een
redelijke bijdrage aan de apparaatskosten niet overschrijden.
2. De vergoedingen bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de wet
zijn jaarlijks verschuldigd en dienen in redelijke verhouding te staan
tot de kosten die samenhangen met de in artikel 7 bedoelde
werkzaamheden.
Artikel 107
De NIWO verschaft periodiek aan Onze Minister een overzicht van de
houders van C.E.M.T.-, en cabotagevergunningen.
Hoofdstuk VIII. Bepaling van strafrechtelijke aard
Artikel 108
Overtreding van elk der bepalingen in de artikelen 13, 14, 17, 24,
25, 27, 38, 47 , 48, 49, 55, 59, 62, 67, 77, eerste en derde lid, 78,
79, eerste lid, 81, 86, tweede lid, 87, 92, eerste lid, 93, 94, 95,
eerste en tweede lid, 97, 98, eerste lid, 99, 101a en 105, eerste en
derde lid, laatste volzin, vormt een strafbaar feit in de zin van
artikel 1, onder 4o, van de Wet op de economische delicten (Stb.
1950, 258).
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 109
Gemeenten, welke vóór 1 januari 1986 vervoer hebben verricht bij de
verwijdering van afvalstoffen die naar hun aard overeenkomen met de in
artikel 3, tweede lid, onderdeel a , genoemde stoffen en die
afkomstig zijn uit niet-particuliere huishoudens, zijn gerechtigd dit
vervoer tot 1 september 1992 te verrichten zonder een daartoe strekkende
vergunning of inschrijving.
Artikel 110
Degenen, die vóór 1 mei 1988 tegen vergoeding vervoer hebben
verricht van zuiveringsslib, dat slechts voor ten hoogste 20% bestaat
uit vaste stoffen, zijn gerechtigd dit vervoer tot 19 maart 1994 te
verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.
Artikel 111
Zaken die ter kennis zijn gebracht van het tuchtcollege bedoeld in
artikel 52 van het Uitvoeringsbesluit autovervoer goederen 1988 vóór
het tijdstip van in werking treden van deze wet worden, voor zover
daarop bij het in werking treden van deze wet nog niet is beslist,
behandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet
Autovervoer Goederen.
Artikel 112
De verklaringen van dienstbetrekking als bedoeld in artikel 132 van
het Uitvoeringsbesluit Autovervoer Goederen 1988 (Stb. 209) die
gelden op het tijdstip van het in werking treden van dit Besluit, worden
vanaf dat tijdstip aangemerkt als verklaringen van dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 24, onderdeel a.
Artikel 113
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 114
1. De artikelen 55 en 56 van de Wet treden in werking op 30
april 1992.
2. De overige artikelen van de wet, alsmede dit besluit, treden
in werking op 1 mei 1992.
Artikel 115
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit goederenvervoer over
de weg.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en nadat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 27 april 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de negenentwintigste april 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin